Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-06-09
ECLI:NL:GHAMS:2026:1953
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/45 9 juni 2026 uitspraak van de meervoudige douanekamer op het hoger beroep van [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. J.A. Biermasz) tegen de uitspraak van 19 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/4051 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Douane , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van haar bezwaar tegen een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) van € 1.946.283,64 (€ 1.440.909,29 aan antidumpingrechten, € 310.308,18 aan compenserende rechten en € 195.066,17 aan rente op achterstallen) ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de inspecteur en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade voor respectievelijk € 166,67 en € 833,33, en van de proceskosten van belanghebbende (ieder tot een bedrag van € 109,40). 1.2. Na het instellen van hoger beroep op naam van belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend: een motivering van het hoger beroep door belanghebbende; een verweerschrift en verzoek tot geheimhouding door de inspecteur; een aanvullend verweerschrift door de inspecteur. 1.3. Bij tussenbeslissing van 8 augustus 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding van delen van het OLAF-rapport toegewezen. 1.4. Het onderzoek ter zitting in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”: “1. In de periode van 12 mei 2014 tot en met 8 juli 2014 zijn in naam en voor rekening van eiseres in totaal 21 aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van – kort gezegd – zonnepanelen verzonden uit Taiwan met vermelding van Taiwan als land van oorsprong. 2. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna: OLAF) heeft in 2014 een onderzoek uitgevoerd naar verdachte overbrengingen van zonnepanelen uit de Volksrepubliek China in Taiwan. De bevindingen van het onderzoek heeft OLAF vastgelegd in een rapport met dagtekening 21 april 2015 (hierna: het OLAF-rapport). 3. Op grond van de bevindingen van OLAF zoals neergelegd in het OLAF-rapport heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres in het vrije verkeer gebrachte zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn. 4. Met betrekking tot de hiervoor onder 1. bedoelde 21 aangiften heeft verweerder met dagtekening 13 augustus 2015 aan eiseres een verzamel-utb uitgereikt (hierna: de verzamel-utb). 5. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de verzamel-utb ten aanzien van één van de aangiften toegewezen en het bezwaar tegen de verzamel-utb ten aanzien van de overige 20 aangiften afgewezen. 6. Bij uitspraak van 19 juli 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:6209) heeft de rechtbank de verzamel-utb in haar geheel vernietigd. Tot de stukken van het geding behoort het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) verklaart […] namens verweerder:Bijlage 13 bij het verweerschrift, subbijlage 6, is een volledig overzicht van de aangiften. Ik zie nu dat het schema is gaan schuiven waardoor niet alles meer goed loopt.Ik dacht dat over aangifte [# 1] wel iets is gezegd in de vooraankondiging of in de uitspraak op bezwaar. Er staat echter niets over het niet op elkaar aansluiten van de nummers. Ik zie nu dat er geen link is dus de heffing vervalt. (…) Voor de aangifte [# 2] geldt hetzelfde en kan ik geen link maken. Ook die heffing moet vervallen. De rechtbank houdt mij voor dat bij de aangifte [# 3] in de laatste kolom 10 containernummers zijn vermeld terwijl op de aangiften in Nederland 15 containernu Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank zich zal beperken tot de volgende vragen: stond het verweerder vrij om opnieuw een utb uit te reiken en, zo ja, heeft verweerder terecht rente op achterstallen in rekening gebracht? Stond het verweerder vrij om opnieuw een utb uit te reiken voor de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] ? 16. In zijn uitspraak van 2 september 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende overwogen: - In rechtsoverweging 5.19: “Uit het vorenoverwogene volgt dat, anders dan de rechtbank heeft beslist, naar het oordeel van het Hof voor alle in geding zijnde aangiften het vereiste bewijs van de Chinese oorsprong is geleverd. Bij deze stand van het geding dient het verweer van belanghebbende te worden behandeld, inhoudende dat de inspecteur is gebonden aan zijn ter zitting bij de rechtbank ingenomen standpunt dat de heffing dient te vervallen ten aanzien van de aangiften [# 1] ( [# 1] ), [# 2] ( [# 2] ) en (deels) [# 3] ( [# 3] ) en dat de utb in zoverre reeds daarom terecht is vernietigd door de rechtbank.”. - In rechtsoverweging 5.21: “Naar ’s Hofs oordeel heeft de inspecteur ter zitting in eerste aanleg in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat de utb dient te worden verminderd voor zover deze de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] betreft. Het staat de inspecteur alsdan in rechte niet vrij om in hoger beroep terug te komen op zijn standpunt. De omstandigheid dat in hoger beroep, op basis van de door de Taiwanese douane verstrekte aangiftegegevens, ook voor de aangiften [# 1] , [# 2] en [# 3] aannemelijk is gemaakt dat de desbetreffende zonnepanelen wel degelijk van Chinese oorsprong zijn (zie 5.15, eerste volzin), maakt dit niet anders.”. 17. Het Gerechtshof heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, behoudens de hiervoor onder 5. genoemde vermindering, en de verzamel-utb verminderd met een bedrag van € 1.440.909,29, zijnde de antidumpingrechten en compenserende rechten die over de zonnepanelen van aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] in de verzamel-utb waren opgenomen. De vermindering van de verzamel-utb betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet dat ook de daaraan ten grondslag liggende douaneschulden zijn aangetast. Uit het door de Uniewetgever (voorheen Gemeenschapswetgever) gemaakte onderscheid tussen het bestaan van de douaneschuld op zichzelf en de invordering ervan, volgt dat het ontstaan van de douaneschuld voorafgaat aan de mededeling van het bedrag ervan door middel van een utb en dus noodzakelijkerwijs losstaat van deze mededeling. De op grond van artikel 5, negende lid, van het CDW respectievelijk artikel 5, achttiende lid, van het DWU op eiseres rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer is niet de verplichting die voortvloeit uit de mededeling van de douaneschuld, maar die voortvloeit uit het belastbare feit zelf. De mededeling van de douaneschuld en dus ook de gedeeltelijke vermindering van de verzamel-utb (mededeling) zijn daarom niet van invloed op het bestaan van de douaneschuld (vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2726, rechtsoverweging 5.5 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad). Met name verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2005, C-247/04, Transport Maatschappij Traffic BV, ECLI:EU:C:2005:628, punten 24 en 25. 18. Hieruit volgt dat de uit de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] voortvloeiende douaneschulden niet zijn verminderd. Verweerder kan wel de utb verminderen, maar niet de douaneschuld. Dat verweerder in de procedure tegen de verzamel-utb bij de rechtbank heeft geconstateerd dat hij geen bewijs had om een link te maken voor de aangiften [# 1] , [# 2] en (deels) [# 3] , zoals blijkt uit de hiervoor onder 6. opgenomen passage uit het proces-verbaal, betekent niet dat daarmee is komen vast te staan dat de betreffende douaneschulden niet bestaan. Het Gerechtsh 19/01310, ECLI:NL:GHAMS:2021:2828, deze utb verminderd met € 1.440.909,29 aan definitieve antidumpingrechten en € 310.308,18 aan definitieve compenserende rechten, omdat de inspecteur ter zitting bij de rechtbank had verklaard dat de heffing voor de desbetreffende aangiften moest “vervallen” omdat hij in de (onjuiste) vooronderstelling verkeerde dat hij ten aanzien van die aangiften niet beschikte over het benodigde bewijs van de Chinese oorsprong van de goederen (zie citaat proces-verbaal in punt 6 van de rechtbankuitspraak). De inspecteur heeft voor laatstgenoemde douaneschulden een nieuwe utb uitgereikt. Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat het de inspecteur niet vrij stond om een nieuwe utb uit te reiken. 5.2. Het Hof onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 16 tot en met 18 gegeven oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen ander of nieuw licht op de zaak. In aanvulling hierop overweegt het Hof het volgende. 5.3. Anders dan belanghebbende ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, staat het beginsel van gezag van gewijsde in dit geval niet aan uitreiking van een nieuwe utb in de weg. Als gezag van gewijsde al zou moeten worden aanvaard in douanezaken, in afwijking van het beginsel dat elke aanslag op zich moet worden beschouwd (vgl. HR 22 juni 1921, B. 2799), kan het alleen gelden voor de punten, feitelijk en rechtens, die in de betrokken rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (vgl. HvJ EU 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta GmbH, C‑352/09 P, ECLI:EU:C:2011:191, punt 123, artikel 236 Rv en ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801). Voor zover de inspecteur in de eerdere procedure in eerste aanleg heeft verklaard dat de heffing moest vervallen, is van een dergelijke beslechting geen sprake. Na die verklaring bestond immers geen geschil meer over de douaneschulden die met dat deel van de heffing (utb) correspondeerden. De rechtbank kon (toen) daarom niet meer oordelen over die douaneschulden. In zijn uitspraak van 2 september 2021 heeft het Hof vervolgens op louter procesrechtelijke gronden geoordeeld dat de (eerste) utb diende te worden verminderd, dus niet omdat de desbetreffende douaneschulden niet zouden zijn ontstaan. Integendeel, het Hof heeft in zijn uitspraak – ten overvloede – vermeld dat het bewijs dat de douaneschulden zijn ontstaan zich wel in het procesdossier bevond. 5.4. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel is evenmin sprake, omdat belanghebbende ten aanzien van de desbetreffende aangiften nog geen definitieve rechtspositie had verworven op het tijdstip waarop de inspecteur zijn thans voorliggende utb aan haar uitreikte. Van een definitief verworven rechtspositie ten aanzien van een douaneschuld is eerst sprake wanneer de desbetreffende douaneschuld is verjaard of tenietgegaan (zie HvJ EU 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435, punten 37 en 38). De drie aangiften waarop de thans voorliggende utb betrekking heeft zijn aanvaard op 16 en 17 juni 2014. Mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar dient plaats te vinden binnen drie jaar. Deze termijn wordt geschorst (opgeschort) door het instellen van bezwaar en beroep (zie artikel 221, lid 3 CDW en artikel 103, lid 3 DWU). Belanghebbende heeft op 29 september 2015 een bezwaarschrift ingediend. Dit brengt met zich dat op de datum waarop het Hof zijn uitspraak deed (2 september 2021) de inspecteur nog over een termijn van één jaar en acht maanden beschikte om de desbetreffende douaneschulden aan belanghebbende mede te delen. Onder die omstandigheden is de inspecteur, indien hij tot het inzicht komt dat de desbetreffende douaneschulden wel degelijk zijn ontstaan, gehouden de (reeds in 2015 geboekte) douaneschulden aan belanghebbende mede te delen door uitreiking van een nieuwe utb (zie ook artikel 116, lid 7 DWU). Het hoger beroep faalt in zoverre. Rente op