Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1783
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/794 21 april 2026 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur, tegen de uitspraak van 20 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/2178 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.J. Meijer) en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende en zijn werkgever om toepassing van de bewijsregel van artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: de 30%-regeling) afgewezen. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. De inspecteur heeft zijn beslissing om het verzoek af te wijzen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt beslist (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar en de afwijzende beschikking van 17 februari 2023; - wijst het verzoek om toepassing van de 30%-regeling met ingang van 15 juni 2022 toe; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.964; en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.” 1.3. De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend: een aanvulling van het hoger beroep door de inspecteur; een verweerschrift door belanghebbende; het proces-verbaal van de rechtbank door belanghebbende, en een pleitnota van belanghebbende. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiser heeft de [land 1] nationaliteit. Op 21 februari 2022 is hij samen met zijn echtgenote per vliegtuig van [stad 1] naar [stad 2] gereisd. Uit een tot de gedingstukken behorende e-mailbevestiging van de boeking van die vlucht blijkt dat eiser en zijn echtgenote ieder 10 kilo bagage mochten inchecken. Op 22 februari 2022 is eiser met zijn echtgenote per auto naar Nederland gereisd. Zij verbleven daarna bij een vriend in [Z] . 2. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbevestiging van een afzonderlijk op 21 februari 2022 geboekte terugvlucht van [stad 3] naar [stad 1] op 11 maart 2022 ten name van eiser en zijn echtgenote. 3. In 2020 heeft eiser als [beroep] gesolliciteerd bij het in Nederland gevestigde bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Deze sollicitatie heeft toen niet uitgemond in een dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf 1] . 4. Op 14 oktober 2021 stuurt de recruiter van [bedrijf 1] aan eiser het volgende e-mailbericht: ‘’(…) Back in 2020 (blast from the past!) you started the interview process with us for [beroep] position. (…) We are looking for a new member to join one of our teams, as [beroep] and I was wondering if you would be interested to re-attempt our interview process? (…)’’ 5. Eiser heeft per e-mail van 20 oktober 2021 als volgt op dat bericht gereageerd: ‘’(…) I would like to reattempt, but not right now, maybe in a month or two :) (…)’’ 6. Bij e-mailbericht van 17 december 2021 heeft [bedrijf 1] eiser de volgende herinnering gestuurd: ‘’(…) Did anything change in your situation? Would you like to give it another try at our interviewing process? :) (…)’’ 7. Op 8 maart 2022 heeft eiser aan [bedrijf 1] het volgende te kennen gegeven: ‘’(…) My situation has changed and I would like to give it another try at [bedrijf 1] . Do you think it would be possible to resume our conversation? (…)’’ 8. Vervolgens is de sollicitatieprocedure hervat. Eiser hoefde niet de volledige sollicitatieprocedure opnieuw te doorlopen, maar kon de sollicitatie in gevorderde fase vervolgen. 9. Op 20 april 2022 he de volgende overwegingen en bepalingen: “This Amendment agreement (“Amendment agreement”) on termination of the Services Agreement Ns 09-1/03/2021 dated March 09, 2021 (“Agreement”) is effective as of May 31, 2022 (“Effective Date”), by and between [bedrijf 2] ., (…) and Private Entrepreneur [X] (…) (…) By concluding this Amendment agreement, the Parties have mutually agreed to terminate the Agreement effective from May 31,”2022.” 2.5. Tot de stukken behoort een aantal facturen die belanghebbende aan [bedrijf 2] heeft gezonden waaronder een factuur van 1 april 2022 tot een bedrag van $ 6.300, en een factuur van 6 mei 2022, eveneens voor een bedrag van $ 6.300. 2.6. Tot de stukken behoort een “Profile” van belanghebbende met zijn “Employment History”, met daarin “May 2021 – Present [beroep] at [bedrijf 2] .”. 2.7. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft belanghebbende verklaard: “In april werkte ik nog voor het [land 4] bedrijf. En ook in mei en juni nog.” 3 Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling terecht is afgewezen. Beslissend daarbij is of belanghebbende is aan te merken als een door [bedrijf 1] uit een ander land aangeworven werknemer in de zin van art. 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Daarbij is niet (meer) in geschil dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst naar de maatstaf van art. 4 lid 1 AWR niet in Nederland woonde. 4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW4064) en 24 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3167) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven, moet worden beoordeeld of de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst is aangegaan op een moment waarop de werknemer zijn woonplaats buiten Nederland had en niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was. 4.2. Het Hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat niet aanvullend getoetst moet worden wat het motief van de werknemer was om naar Nederland te komen. Anders dan de inspecteur verdedigt staat aan toepassing van de bewijsregel niet in de weg dat een werknemer niet vanuit een zakelijk motief maar om louter of overwegend privéredenen naar Nederland is gekomen. 4.3. De feiten zoals weergegeven onder 2.3 tot en met 2.7 laten echter geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] op 20 april 2022 zijn contract met [bedrijf 2] nog niet had beëindigd en voor die onderneming werkzaam was, waarbij hij blijkens de onder 2.5 gemelde facturen substantiële bedragen in rekening heeft gebracht voor in de maanden maart en april verrichte werkzaamheden. Belanghebbende verbleef vanaf 22 februari 2022 in Nederland, zodat hij deze werkzaamheden in Nederland heeft verricht. 4.4. De omstandigheid dat belanghebbende in Nederland werkzaam was staat aan toepassing van de bewijsregel in de weg. Het Hof merkt hierbij op dat – anders dan de rechtbank kennelijk meent – slechts van belang is of hij in Nederland werkzaam was. Niet vereist is dat hij zich met die werkzaamheden op de Nederlandse arbeidsmarkt had begeven. Slotsom 4.5. De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. 5 Kosten Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. 6 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de