Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-03-17
ECLI:NL:GHAMS:2026:1769
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3303 17 maart 2026 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. F. Jagersma tegen de uitspraak van 7 juni 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/396 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd voor een bedrag van € 6.708, berekend over de periode 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022, met daarbij een boete van € 5.514. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de boete verminderd tot € 551 en voor het overige de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 juni 2024 als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “ Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de verzuimboete en de proceskostenvergoeding; - vermindert de boete tot € 523; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 975,50, en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.” 1.3. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld en het hoger beroep bij brief van 22 augustus 2024 gemotiveerd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “ Feiten 1. Eiser staat sinds 1975 ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiser heeft de [land] nationaliteit en bezit een Nederlands en een [land] paspoort. 2. Op 14 maart 2022 omstreeks 15:33 uur is geconstateerd dat eiser met een motorrijtuig, een Mercedes-Benz M1, voorzien van het [land] kenteken [#] (hierna: de auto) op de [weg] , ter hoogte van hectometerpaal 10.9 linker rijbaan, gebruik heeft gemaakt van de weg. 3. In het rapport constatering politie: “Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig” staat vermeld dat eiser het volgende heeft verklaard. “Ik woon al langere tijd in Nederland en [land] . Ik heb dan ook twee nationaliteiten en heb hier nog nooit problemen mee gehad. Ik ben nu net een paar dagen in Nederland. Woensdag 9 maart zijn we vertrokken vanuit [land] en ik kom nu net bij mij ex-vrouw en kinderen vandaan in [plaats 1] . Ik blijf ook niet lang in Nederland. Ik ben te bereiken op [telefoonnummer] .”. 4. Met dagtekening 15 maart 2022 is aan eiser de brief ‘Gevolgen controle’ gestuurd. 5. De vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking is met dagtekening21 maart 2022 aan eiser verzonden. 6. In de vooraankondiging wordt eiser de mogelijkheid geboden hierop te reageren, waarbij tevens eventuele bewijsstukken kunnen worden meegezonden. Eiser heeft bij brief, ontvangen door verweerder op 8 april 2022, gereageerd. 7. Met dagtekening 28 april 2022 zijn de naheffingsaanslag en boete opgelegd zoals aangekondigd. 8. Per brief met dagtekening 21 oktober 2022 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. 9. Eiser heeft op 5 december 2022 digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank.” 2.2. Het Hof gaat ook uit van deze feiten uit en voegt daaraan toe dat belanghebbende vanaf 1975 zijn hoofdverblijf heeft in Nederland. 3 Geschil in hoger beroep In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht door de inspecteur zijn opgelegd. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen: In het arrest is voorts geoordeeld dat de belanghebbende slaagt in het tegenbewijs met betrekking tot de duur van de periode waarover op grond van artikel 34, lid 2, tweede volzin, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 3, en artikel 13, lid 2, van de Wet Mrb het na te heffen bedrag wordt berekend, indien hij aannemelijk maakt met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. De belanghebbende heeft de mogelijkheid aannemelijk te maken dat het motorrijtuig in tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan. Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan in de naheffingsperiode 1 januari 2019 tot en met 10 maart 2022. 24. Ter zitting heeft eiser aangegeven niet langer te betwisten zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben. De rechtbank ziet geen reden voor een ander oordeel (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8107). Vaststaat dat eiser in Nederland beschikt over eigen woonruimte, dat zijn zoon en dochter in Nederland wonen, dat eiser de zorg heeft voor zijn ex vrouw die in Nederland woont en dat eiser sinds 1975 in Nederland staat ingeschreven. Hieruit volgen de nauwe banden tussen eiser en Nederland. Dit in tegenstelling tot [land] , waar eiser weliswaar ingeschreven staat, maar niet over een eigen woonruimte beschikt omdat hij aldaar bij een familielid verblijft en overigens ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan anders zou kunnen worden geoordeeld. 25. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen berekend over de periode 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022. De naheffingsaanslag mag in beginsel worden berekend over de periode die (op zijn vroegst) aanvangt op de dag waarop eiser is ingeschreven als ingezetene in de BRP en die eindigt de dag voorafgaand de dag waarop het gebruik van de wet wordt geconstateerd (artikel 34 juncto artikel 13, tweede lid, van de Wet Mrb). Daarbij geldt een maximale termijn van vijf jaar op grond van artikel 20, derde lid, van de Awr. In dit geval heeft verweerder zich aangesloten bij de datum van de laatste tenaamstelling van de auto. De door verweerder gehanteerde berekeningsperiode is als uitgangspunt daarom niet te lang. 26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan in de naheffingsperiode 1 januari 2019 tot en met 10 maart 2022. Dat de auto wordt gebruikt voor vervoer van auto’s ten behoeve van de autohandel van eisers zoon en dat eiser daarvoor vaak heen en weer rijdt naar [land] , brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser is dus niet geslaagd in het leveren van enig tegenbewijs. 27. Nu niet langer in geschil is dat eiser zijn hoofdverblijf in Nederland heeft, kan het beroep van eiser op de vrijstelling van artikel 73, eerste lid, sub a van de Wet Mrb, gelezen in samenhang met artikel 29, tweede lid 2 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, niet slagen. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto incidenteel wordt gebruikt in Nederland. Nu eiser zijn hoofdverblijf heeft in Nederland en de beschikking heeft over de auto, is er geen enkele reden om aan te nemen dat de auto slechts incidenteel in Nederland wordt gebruikt. De stelling dat eiser de auto gebruikt om auto’s van het bedrijf van zijn zoon van en naar [land] te vervoeren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nu geen sprake is van incidenteel gebruik behoeft de stelling van eiser dat de vrijstelling op grond van het Unierechtelijke non-discriminatiebeginsel ook op zijn situatie (hoofdverblijf in Nederland) van toepassing zou moeten zijn, geen bespreking. 28. Het beroep op artikel 73, eerste lid 1, sub d, van de Wet Mrb en artikel 26a van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 slaagt evenmin. Een verzoek om toepassing van deze vrijstelling moet vóór aanvang van het weggebruik worden ingediend, hetgee Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Om die reden zal de rechtbank de boete verder verminderen met 5% tot een bedrag van € 523 (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7). Proceskostenveroordeling bezwaarfase 36. Eiser stelt zich op het standpunt dat de kostenvergoeding voor het bezwaar op een onjuist bedrag is vastgesteld. In de bezwaarfase is 1 punt met een waarde van € 269 toegekend voor het indienden van het bezwaarschrift. Ten onrechte is geen punt toegekend voor het horen. Nu verweerder heeft toegezegd dat nog 1 punt met een waarde van € 269 aan eiser dient te worden toegekend, zal de rechtbank verweerder hierin volgen en eisers beroep in zoverre gegrond verklaren. In totaal bedraagt de vergoeding voor de bezwaarfase € 538. Proceskosten en griffierecht 37. Nu het beroep gegrond is bestaat ook aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten in de bezwaarfase ten bedrage van € 538. Nu de beroepsgronden uitsluitend slagen wegens een te lage proceskostenvergoeding zal de rechtbank de vergoeding berekenen met inachtneming van een factor 0,25. Het feit dat de boete is verminderd wegens de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn leidt op zichzelf niet tot een vergoeding van proceskosten (HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053). De kosten van beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 347,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 vermenigvuldigd met een factor 0,25). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 975,50 (€ 538 + € 437,50). 38. Nu het beroep gegrond is dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.” 5 Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de rechtbank, die daarvoor heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483 (hierna: het arrest), in r.o. 23 van haar uitspraak ten onrechte overweegt dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking stond. De rechtbank miskent aldus dat aan deze bewijslastverdeling niet wordt toegekomen, indien de auto, zoals in het onderwerpelijke geval, niet bestemd is om duurzaam op het Nederlandse grondgebied te worden gebruikt, aldus belanghebbende. 5.2. De klacht faalt. Belanghebbende, die de [land] en Nederlandse nationaliteit heeft en sinds 1975 in Nederland is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP), heeft op 14 maart 2022 met de auto (met [land] kenteken) gebruik gemaakt van de weg (zie 2.1). In een dergelijk geval wordt de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland vermoed vanaf de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de BRP, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan, in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum. Zulks volgt uit artikel 13, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet). De rechtbank heeft in r.o. 23 van haar uitspraak op goede gronden geoordeeld dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan tijdens het naheffingstijdvak. 5.3. Voor dat geval betoogt belanghebbende dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem gedurende de naheffingsperiode niet ter beschikking stond. Ter onderbouwing van deze stelling hebben belanghebbende en zijn zoon, [naam] (de zoon), verklaard dat de zoon een autobedrijf in [plaats 2] exploiteerde waarvoor auto’s naar [land] werden vervoerd ter reparatie. Het vervoer werd verzorgd door belanghebbende, die daarvoor de auto (met een trailer) gebruikte. Als de auto Ten eerste heeft belanghebbende, zoals is vereist voor toepassing van de vrijstelling van artikel 26a, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit, niet vóór aanvang van het weggebruik een beroep gedaan op die vrijstelling en ten tweede heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de auto hem slechts incidenteel ter beschikking stond (zie 5.4). 5.8. Voor dat geval betoogt belanghebbende dat de termijn waarover is nageheven moet worden bekort overeenkomstig de naheffingstermijn van artikel 34 lid 2 van de Wet (van 12 maanden). Dit betoog kan niet worden gevolgd. In het onder 5.1 genoemde arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat er in gevallen als de onderwerpelijke, geen grond is om de wettelijke naheffingsperiode buiten toepassing te laten. Uit dit oordeel volgt ook dat het hanteren van de wettelijke naheffingsperiode niet strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. 5.9. Bij die uitkomst is belanghebbende van mening dat voor een verzuimboete geen plaats is, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende was te goeder trouw. Mocht er toch ruimte zijn voor beboeting, dan is de boete passend noch geboden gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende, die slechts beschikt over AOW-inkomsten. Het Hof onderschrijft in zoverre r.o. 32 t/m 34 van de uitspraak van de rechtbank en overweegt in aanvulling daarop als volgt. Bij de beoordeling of de opgelegde verzuimboete een passende en geboden sanctie is, moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift dat is neergelegd in artikel 34 lid 2 tweede volzin van de Wet en de daarbij gehanteerde, weerlegbare vermoedens (van hoofdverblijf en van de duur van het houderschap). Omdat de boete door de inspecteur is verlaagd van 100% naar 10%, is naar ‘s Hofs oordeel voldoende rekening gehouden met de hiervoor genoemde omstandigheid. Dat belanghebbende te goeder trouw was, leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot het oordeel dat sprake is van avas en vormt bijgevolg geen aanleiding de verzuimboete te vernietigen. Wat betreft zijn financiële (vermogens)positie, heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om de boete, die reeds is verminderd tot € 523, nog verder te verminderen. Belanghebbende kan in dit verband niet volstaan met de stelling ‘dat de inspecteur via de aangiften inkomstenbelasting genoegzaam op de hoogte is van de financiële situatie van belanghebbende’ reeds omdat daarvoor de huidige financiële situatie van belanghebbende doorslaggevend is. Het Hof acht de boete passend en geboden. 5.10. De klacht over de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase slaagt wel. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een waarde per punt van € 269, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. Het Hof zal voor de bezwaarfase uitgaan van 2 punten, met een tarief per punt van € 666, dus in totaal € 1.332. 5.11. De klacht dat de rechtbank een te lage puntwaarde voor de beroepsfase heeft gehanteerd (zie r.o. 37), faalt. Het toekennen van een factor ‘zeer licht’ acht het Hof in gevallen als de onderwerpelijke waarin het beroep alleen gegrond is verklaard omdat de inspecteur heeft nagelaten een punt toe te kennen voor het horen in de bezwaarfase, niet te gering. 6 Kosten hoger beroep Aanleiding bestaat om de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep. Die kosten stelt het Hof met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467. Daarbij is uitgegaan van 2 punten, een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor van 0,25. 7 Beslissing Het Hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank doch enkel voor zover het de beslissing over de proceskosten betreft; veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor de behandeling van h