Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-03-26
ECLI:NL:GHAMS:2026:1767
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 25/46 en 25/54 26 maart 2026 uitspraak van de meervoudige douanekamer op de hoger beroepen van [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigden: mr. M.H. Louws en mr. A. Wolkers) tegen de uitspraken van 25 november 2024 in de zaken met kenmerken HAA 19/436 en HAA 20/1819 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Douane , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling uitgereikt betreffende januari 2018, voor een bedrag van € 147.272,32 (hierna: utb 1). Dit bedrag bestaat voor € 146.176,00 uit omzetbelasting ter zake van invoer en voor het overige (€ 1.096,32) uit rente op achterstallen. 1.1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling uitgereikt betreffende aangiften van november 2016 tot en met september 2017, voor een bedrag van € 1.225.786,12 (hierna: utb 3). Dit bedrag bestaat voor € 1.151.170,90 uit omzetbelasting, € 33.726,20 uit invoerrechten en voor het overige (€ 40.889,02) uit rente op achterstallen. 1.2. Het tegen deze utb’s gemaakte bezwaar is door de inspecteur afgewezen. Het tegen deze uitspraken ingestelde beroep is in de bestreden uitspraken door de rechtbank ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is douane-expediteur en verzorgt in opdracht van haar klanten in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en douaneformaliteiten voor import- en exportzendingen die aankomen op en vertrekken vanaf de luchthaven [plaats 1] , de haven van [plaats 2] en de railterminal in [plaats 3] . 2.2. Belanghebbende beschikt onder meer over een vergunning “Inschrijving in de administratie van de aangever (in het vrije verkeer brengen)” (hierna: GPA-vergunning). Met deze vergunning kan belanghebbende goederen in het vrije verkeer brengen door deze in te schrijven in haar administratie, gevolgd door een maandelijkse aanvullende aangifte in GPA-formaat (“Geautomatiseerde Periodieke Aangifte”). In haar vergunningaanvraag van 21 december 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat zij de aangiften wenst te doen in eigen naam en voor eigen rekening. Per 1 juli 2016 is de gevraagde vergunning verleend, waarbij onder 1b is vermeld dat – conform de aanvraag – de aangiften enkel mogen worden gedaan in eigen naam en voor eigen rekening. Tegen deze vergunning heeft belanghebbende geen rechtsmiddelen aangewend. 2.3. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) is één van de klanten van belanghebbende. [bedrijf 1] is een logistiek dienstverlener die in opdracht van [land 1] leveranciers zorgdraagt voor het vervoer van pakketjes met goederen (waaronder kleding, keukengerei, computeraccessoires, accu’s, etc.) van [land 1] naar eindgebruikers in andere EU-lidstaten (“e-commerce”). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] is [naam] (hierna: [naam] ). 2.4. Belanghebbende beschikte ten tijde van het doen van de aangiften over een volmacht tot directe vertegenwoordiging van [bedrijf 1] . De inspecteur was op de hoogte van het bestaan van die volmacht. Belanghebbende heeft in de door haar in opdracht van [bedrijf 1] gedane aangiften niet tot uitdrukking gebracht dat zij deze indiende in naam en voor rekening van [bedrijf 1] . 2.5. [bedrijf 1] heeft op 29 juni 2016 aan de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur omzetbelasting) verzocht om een aanwijzing op de voet van artikel 23 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: vergunning artikel 23, respectievelijk Wet OB). Met ingangsdatum 11 oktober 2016 is de gevraagde vergunning artikel 23 aan [bedrijf 1] verleend. Belanghebbende beschikte over een afschrift va Met de bestreden utb’s heeft de inspecteur alsnog de ter zake van de invoer van de goederen verschuldigde omzetbelasting van belanghebbende geheven, omdat volgens de inspecteur de verleggingsregeling van artikel 23 Wet OB niet van toepassing is, zodat de omzetbelasting op de voet van artikel 22 Wet OB door de douane dient te worden geheven. 2.12. Naast utb 1 en utb 3 is nog een derde utb (door partijen aangeduid als ‘utb 2’) uitgereikt. De behandeling van het bezwaar tegen utb 2 is aangehouden in afwachting van de onderwerpelijke procedure. Utb 2 is dus geen onderwerp van geschil in dit hoger beroep. 2.13. [bedrijf 1] heeft het met utb 1 geheven bedrag aan de douane betaald. In een civiele procedure tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is op 28 januari 2020 vonnis gewezen door de Rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende het bedrag van € 147.272,32 dat [bedrijf 1] heeft betaald ter voldoening van utb 1, niet aan [bedrijf 1] hoeft te vergoeden. Daarnaast heeft de rechtbank [bedrijf 1] veroordeeld om zekerheid te stellen voor het bedrag vermeld in utb 3, door middel van een bankgarantie ten gunste van belanghebbende. 3 Geschil in hoger beroep In geschil is of de utb’s terecht zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of er terecht omzetbelasting en rente op achterstallen in rekening zijn gebracht. 4 Het oordeel van de rechtbank Voor het oordeel van de rechtbank verwijst het Hof naar de uitspraken van de rechtbank. 5 Beoordeling van het geschil Wijze van heffing omzetbelasting bij invoer; bevoegde inspecteur 5.1. In artikel 22 Wet OB is bepaald dat de omzetbelasting bij invoer wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van het douanerecht. In dat geval geschiedt de heffing door de douane, door uitreiking van een uitnodiging tot betaling aan de in het Douanewetboek van de Unie (DWU) aangewezen douaneschuldenaar, veelal de aangever (artikel 7:6, lid 1, Algemene douanewet in verbinding met artikel 77, lid 3, DWU, alsmede artikel 3, lid 3, aanhef en letter c, Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (tekst 2018)). 5.2. Artikel 23 Wet OB bepaalt – in afwijking van artikel 22 Wet OB – dat de omzetbelasting bij invoer van goederen die bestemd zijn voor een aangewezen ondernemer, ‘verlegd’ wordt geheven van die ondernemer, door voldoening op de (binnenlandse) aangifte omzetbelasting. Die ondernemer kan de verschuldigde belasting doorgaans op dezelfde aangifte onmiddellijk weer als voorbelasting in aftrek brengen, mits hij de door hem ingevoerde goederen voor belaste handelingen gebruikt. Bij toepassing van artikel 23 Wet OB is de inspecteur omzetbelasting de bevoegde inspecteur. 5.3. Uit de woorden “bestemd voor aangewezen ondernemers” in artikel 23 Wet OB volgt dat verlegging enkel mogelijk is indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1. de ondernemer moet beschikken over een aanwijzing op de voet van artikel 23 Wet OB en 2. de goederen dienen te zijn bestemd voor de aangewezen ondernemer. Indien niet aan die voorwaarden is voldaan, mist artikel 23 Wet OB toepassing en geldt artikel 22 Wet OB. Anders dan belanghebbende voorstaat, kan niet uit de wet worden afgeleid dat wegens invoer verschuldigde omzetbelasting die een ondernemer voor wie de desbetreffende goederen niet zijn bestemd ten onrechte in zijn aangifte omzetbelasting heeft aangegeven, en direct weer in aftrek is gebracht, niet alsnog op de juiste wijze kan worden geheven, namelijk door uitreiking van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur van de douane aan de douaneschuldenaar. 5.4. Naar ’s Hofs oordeel is in het onderwerpelijke geval niet voldaan aan de tweede in 5.3 vermelde voorwaarde. Uit het arrest Hoge Raad 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:781, r.o. 3.3.3, volgt dat goederen “bestemd zijn voor” een aangewezen ondernemer indien: 1. de aangewezen ondernemer de goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten heeft betrokken uit een derde land; of 2. de aangewezen ondernemer de goederen t Weliswaar staat vast dat belanghebbende ten tijde van de aangiften beschikte over een volmacht van [bedrijf 1] om op te mogen treden als haar direct vertegenwoordiger (zie 2.4), maar in artikel 19, lid 1, van het DWU is voorgeschreven dat een douanevertegenwoordiger in zijn contact met de douaneautoriteiten dient te verklaren dat hij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt en daarbij moet aangeven of het een directe dan wel indirecte vertegenwoordiging betreft. Een dergelijke verklaring ontbreekt in de aangiften van belanghebbende, nog daargelaten dat in de aan haar verleende GPA-vergunning – conform haar aanvraag – is bepaald dat zij met gebruikmaking van haar GPA-vergunning enkel aangiften mag doen in eigen naam en voor eigen rekening (zie 2.2). 5.9. Belanghebbende heeft in dit verband ook betoogd dat directe vertegenwoordiging ten tijde van de litigieuze aangiften niet mogelijk was bij gebruikmaking van het GPA-systeem en dat haar daardoor de mogelijkheid om gebruik te maken van directe vertegenwoordiging is ontnomen. Ook hierin volgt het Hof belanghebbende niet. In de eerste plaats heeft de inspecteur ter zitting in hoger beroep gemotiveerd gesteld dat (ook destijds) binnen het GPA-systeem vertegenwoordiging wel degelijk mogelijk was. Dit heeft hij ook reeds aan belanghebbende kenbaar gemaakt in zijn brief van 14 juni 2018, waarin onder meer is vermeld: “Het is wettelijk gezien mogelijk om directe en indirecte vertegenwoordiging toe te passen bij de procedure “inschrijving in de administratie van de aangever”, de zgn. GPA-aangifte. Bij de “inschrijving in de administratie van de aangever” moet de aangifte gedaan worden door de goederen in te schrijven in de administratie van de aangever. (…) Bij directe vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde de aangever en moet de aangifte worden gedaan door de goederen in te schrijven in zijn administratie. Als iemand zou willen optreden als direct vertegenwoordiger voor verschillende bedrijven, dan moeten in verband met die inschrijving in de administratie de achterliggende administraties van die verschillende bedrijven worden goedgekeurd. De Douane heeft bij het initieel onderzoek alleen de administratie van [X] beoordeeld, omdat er sprake was van aangiften voor eigen naam en rekening. De Douane heeft de achterliggende administraties van bijvoorbeeld [bedrijf 1] niet beoordeeld of goedgekeurd.” In de tweede plaats was belanghebbende geenszins verplicht om gebruik te maken van haar GPA-vergunning; zij had ook kunnen kiezen voor het doen van reguliere aangiften, via (destijds) AGS Invoer, waarin de mogelijkheid van directe vertegenwoordiging werd geboden. Het vorenoverwogene brengt met zich dat niet met vrucht kan worden betoogd dat de inspecteur belanghebbende de mogelijkheid heeft onthouden om op te treden als direct vertegenwoordiger van [bedrijf 1] , wat daar verder ook van zij. 5.10. In artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het DWU is bepaald dat een persoon die niet verklaart te handelen als douanevertegenwoordiger, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Belanghebbende is daarom terecht als aangever (en daarmee als schuldenaar) aangemerkt, zowel voor de omzetbelasting als voor de invoerrechten. Neutraliteitsbeginsel 5.11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, door van haar de omzetbelasting te heffen, de inspecteur in strijd met het neutraliteitsbeginsel handelt, omdat het uitreiken van de utb’s tot gevolg heeft dat dubbel wordt geheven. Belanghebbende gaat ervan uit dat in andere lidstaten, waar de goederen naartoe zijn vervoerd (door de door [bedrijf 1] ingeschakelde koeriersdiensten, zie 2.6), een intracommunautaire verwerving is aangegeven. Bovendien heeft [bedrijf 1] de omzetbelasting reeds op haar binnenlandse aangiften omzetbelasting vermeld, zo betoogt belanghebbende. 5.12. Daarnaar gevraagd ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende gepreciseerd dat haar standpunt, dat ervan uit mag worden gegaan dat in andere lidst