Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-19
ECLI:NL:GHAMS:2026:1765
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 24/3524 tot en met 24/3526 20 januari 2026 uitspraak van de meervoudige douanekamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Douane , de inspecteur, alsmede op het incidenteel hoger beroep van [X] , gevestigd te [Y] , belanghebbende, (gemachtigde: R.F.R. Hoekstra) tegen de uitspraak van 30 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 22/3811 tot en met HAA 22/3814, HAA/5082 en HAA 23/3003 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende zes uitnodigingen tot betaling (hierna: de utb’s) uitgereikt: nummer datum bedrag zaaknummer rb kenmerk Hof utb 1 [# 1] 5-11-2021 € 7.281,74 HAA 22/3811 24/3524 utb 2 [# 2] 26-11-2022 € 6.607,19 HAA 22/3812 - utb 3 [# 3] 21-12-2021 € 7.570,38 HAA 22/3813 - utb 4 [# 4] 26-1-2022 € 5.657,00 HAA 22/3814 - utb 5 [# 5] 4-5-2022 € 2.935,88 HAA 22/5082 24/3525 utb 6 [# 6] 17-10-1022 € 11.474,82 HAA 23/3003 24/3526 1.2. De tegen de utb’s gemaakte bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen. 1.3. Op de daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”: “De rechtbank: verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/3812, HAA 22/3813 enHAA 22/3814 ongegrond; verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 9 juni 2022 inzake de utb met nummer [# 1] ; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2022 inzake de utb met nummer [# 5] ; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023 inzake de utb met nummer [# 6] ; vermindert de utb met nummer [# 1] tot € 1.723,49, vermindert de utb met nummer [# 5] tot € 1.801,98 en vermindert de utb met nummer [# 6] tot € 9.449,09 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.095 aan eiseres te vergoeden.” 1.4. De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend: - een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door de inspecteur; - een bericht van belanghebbende waarin de ontvangst van het hoger beroep wordt bevestigd en waarin wordt verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift; - een verweerschrift annex incidenteel hogerberoepschrift door belanghebbende; - een pleitnota door belanghebbende. 1.5. Partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 13 januari 2026, maar hebben het Hof vooraf meegedeeld niet te zullen verschijnen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “1. Eiseres importeert schoenen uit [land] . [bedrijf] heeft als direct vertegenwoordiger in naam en voor rekening van eiseres (douanevertegenwoordiger) de volgende douaneaangiften ingediend voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. De datum van aanvaarding van de aangiften is steeds gelijk aan de datum van indiening daarvan: aangifte Datum indiening Aangiftenummer productnummer zaaknummer Aangifte 1 13-1-2021 [# 1] [product 1] HAA 22/3811 Aangifte 2 9-9-2020 [# 2] [product 2] [product 3] [product 4] [product 5] [product 6] [product 7] [product 8] HAA 22/3812 Aangifte 3 18-12-2020 [# 3] [product 9] [product 10] HAA 22/3813 Aangifte 4 19-8-2020 [# 4] [product 2] [product 3] [product 4] [product 5] [product 11] [product 9] [product 6] [product 8] [product 7] HAA 22/3814 Aangifte 5 5-2-2021 [# 5] [product 1] [product 12] [product 13] [product 14] HAA 22/5082 Aangifte 6 21-7-2021 [# 6] [product 15] [product 16] HAA 23/3003 In de aangiften heeft eiseres de betreffende schoenen ingedeeld onder de codes 6405 2099 00, 6405 9090 00 of In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] met betrekking tot schoen [product 7] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het einde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder GN-code 6402 9996. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van de schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (tarief 16,8%). 11. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 2 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde artikelnummers zijn echter ook opgenomen in aangifte 4 en in dat kader onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 6] , [plato nummer 7] en [plato nummer 8] ). Zie daarover hierna onder 18 e.v.. Op grond van de bevindingen naar aanleiding van aangifte 4 heeft verweerder de indeling van deze schoenen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%). 12. Wat betreft de schoen met productnummer [product 8] heeft verweerder geen monsteronderzoek laten uitvoeren door het douanelaboratorium, omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer[product 7] , die wel is onderzocht door het douanelaboratorium zoals hiervoor onder punt 10 staat vermeld. Ook voor deze schoen heeft verweerder de indeling daarom gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (16,8%). HAA 22/3813 (aangifte en utb 3) 13. Deze aangifte ziet op schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] aangegeven onder Taric-code 6405 9090 00 (tarief 4%). 14. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 9] staat vermeld dat de schoenen op 24 december 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 december 2021 contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Bij de fysieke controle waren eiseres noch de douanevertegenwoordiger aanwezig. Van de schoenen zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium. 15. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 4] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 10] rubber of kunststof en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool lijken te bevinden. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6405 9090. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie toegepast. 16. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 5] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 9] rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat op twee derde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen naar het materiaal rubber onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van schoen [product 9] in aangifte 3 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%). HAA 22/3814 (aangifte en utb 4) 17. Deze aangifte heeft betrekking op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] en [product 18] (aangegeven onder artikel 1 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%). 18. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 10] staat vermeld dat de schoenen aan een fysi Verweerder heeft op grond van die rapporten de indeling van de schoenen gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%) en 6403 9998 00 (tarief 7%). HAA 23/3003 (aangifte en utb 6) 26. Deze aangifte heeft (onder meer) betrekking op schoenen met de productnummers [product 15] en op [product 16] (aangegeven in artikel 3 onder Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%). 27. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] staat vermeld dat een fysieke controle heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Bij de controle is [naam] , medewerker van eiseres, aanwezig geweest. Het in het dossier aanwezige formulier “Akkoordverklaring Representativiteit monsterneming / fysieke controle” is daarbij wegens de geldende coronamaatregelen niet door hem ondertekend. Van de schoen met productnummer [product 20] is een monster genomen dat is onderzocht door het douane-laboratorium. 28. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 13] van 7 oktober 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof/rubber en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de buitenzool bevinden en dat uit een slijtagetest bleek dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6402 9190. 29. Wat betreft de schoen met productnummer [product 16] heeft verweerder geen monsteronderzoek in laten stellen door het douanelaboratorium omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 15] waar het rapport met nummer [douane nummer 13] (zie punt 28) van het douanelaboratorium op ziet. 30. Naar aanleiding van het monsteronderzoek heeft verweerder besloten artikel 3 in de aangifte te splitsen, waarbij de schoenen met productnummers [product 15] en [product 16] zijn overgebracht naar artikel 4 en zijn ingedeeld onder Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%). Alle zaken 31. In de productnummers staat de letter B voor het merk [X] , de twee cijfers na de B staan voor het productieseizoen, de volgende twee cijfers staan voor de fabrikant, de twee d aaropvolgende cijfers zijn vrij en de laatste twee cijfers geven een kleur aan. 32. Ter zitting heeft verweerder voor alle voorliggende douaneaangiften een overzicht overgelegd van het elektronisch berichtenverkeer in het elektronisch aangiftesysteem AGS (AGS). Een van de codes die is gezonden aan de indiener van de douaneaangiften is de code “DMSCTL”. Volgens de toelichting van de soorten mededelingen staat dit voor “Communication intended control, Bericht waarmee de aangever/vertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen.” 2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. 3 Geschil in hoger beroep 3.1. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de beroepen met zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003, dat de inspecteur voor de zendingen begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming. 3.2. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat de resultaten van een monsteronderzoek ook de grondslag kunnen vormen voor de correctie van andere aangiften dan de aangifte die is gedaan voor de zending waaruit het monster is genomen, indien het om artikelen met hetzelfde artikelnummer gaat (door de rechtbank aangeduid als: “extrapolatie”). Daarnaast komt belanghebbende in haar incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank over haar grief dat ten aanzien van sommige in de Verder blijkt uit de Plato-opdrachten met de nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] die betrekking hebben op de eerdere douaneaangifte ook niet dat de desbetreffende fysieke controle van tevoren is aangekondigd. Het enkele feit dat de monsterneming heeft plaatsgevonden op de locatie van de aangever is onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van de monsterneming en van het tijdstip waarop en de plaats waar die monsterneming zou plaatsvinden. Bovendien volgt uit die Plato-opdrachten dat de tijdens de fysieke controle aanwezige loodsmedewerker niet wilde tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Dat vormt een verdere aanwijzing dat een zodanige kennisgeving vooraf juist niet heeft plaatsgevonden. Zaak 23/3003 (aangifte en utb 6) 40. Uit een e-mailbericht van 7 oktober 2022 van eiseres, in reactie op het voornemen van verweerder van 8 september 2022 tot het uitreiken van utb 6, heeft eiseres aan verweerder laten weten nooit te zijn geïnformeerd dat een monsterneming zou plaatsvinden, dan wel in de gelegenheid te zijn gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Uit de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] blijkt niet dat verweerder vooraf contact heeft gelegd met de aangever dan wel de douanevertegenwoordiger. Bij aanwezigheid van die contra-indicaties acht de rechtbank de omstandigheden dat de code “DMSCTL” is gezonden aan de douanevertegenwoordiger van eiseres en dat de controle en monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van het tijdstip waarop en de plaats waar de fysieke controle en de monsterneming plaats zouden vinden. 41. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor de utb’s 1, 5 en 6 niet aannemelijk gemaakt dat hij overeenkomstig de voorgeschreven werkwijze van artikel 189 van het DWU juncto artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU heeft gehandeld. Dat betekent dat verweerder een essentiële voorwaarde in een dwingend voorgeschreven procedure heeft geschonden met als gevolg dat de uitslagen van de monsternemingen terzijde moeten worden gesteld (zie Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.6). 42. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de douaneaangiften van eiseres, rust op hem de bewijslast voor de door hem voorgestane indeling van de schoenen. Nu verweerder zich voor de aangiften 1, 5 en 6 niet meer kan beroepen op de uitslagen van de monsternemingen, voldoet hij voor die aangiften niet aan die bewijslast. De beroepen van eiseres in de zaken met zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 zijn daarom gegrond. De rechtbank komt in deze zaken daarom niet meer toe aan de overige beroepsgronden. HAA 22/3812 (aangifte en utb 2), HAA 22/3813 (aangifte en utb 3) en HAA 22/3814 (aangifte en utb 4) 43. De rechtbank acht aannemelijk dat de code “DMSCTL” zoals die volgens het elektronisch berichtenverkeer AGS aan de douanevertegenwoordiger is gezonden de door verweerder beschreven betekenis heeft, dat met de verzending van die code de eveneens door hem beschreven standaardprocedure in werking is gesteld en dat de douanevertegenwoordiger van eiseres dus contact heeft opgenomen met het “ werkverdeelpunt Douane/Moerdijk ” om afspraken te maken over de plaats en het tijdstip van de fysieke controle. Dit volgt ook uit de Plato-dossiers die op de aangiften 2, 3 en 4 betrekking hebben en waarin is vermeld dat verweerder vooraf contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van eiseres. Het wordt tevens bevestigd door het feit dat de controle én de monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres. 44. Wat betreft aangifte 2 (zaaknummer HAA 22/3812) is sprake van twee Plato-opdrachten ( [plato nummer 4] en [plato nummer 5] ). Uit Plato-opdracht [plato nummer 4] blijkt dat met betrekking tot deze douaneaangifte verweerder voorafgaand aan de controle van 15 september 2020 op10 september 2020 per e-mail cont De vaststelling dat het identieke goederen betreft, kan met name gebaseerd zijn op de controle van de handelsdocumenten en gegevens aangaande de in of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden. HAA 22/3812 (aangifte 2) 49. De rechtbank stelt vast en eiseres heeft ter zitting erkend dat verweerder bij de schoenen met productnummers [product 5] en [product 7] uit aangifte 2 geen extrapolatie heeft toegepast. De correctie van de indeling van deze schoenen is immers gebaseerd op uitslagen van het monsteronderzoek van monsters die in het kader van aangifte 2 zijn genomen (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 1] en [douane nummer 3] ). 50. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en[product 4] zijn in het kader van aangifte 2 geen monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van de monsteronderzoeken in het kader van aangifte 4 (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] ) geëxtrapoleerd naar aangifte 2. 51. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] betrekking hebben op exact hetzelfde productnummer als de schoenen die niet in het kader van aangifte 2 zijn onderzocht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schoen met eenzelfde productnummer andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool. Uit de toelichting van eiseres over de betekenis van de productnummers blijkt immers dat schoenen met hetzelfde productnummer zijn gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen, hetzelfde merk betreffen en dezelfde kleur hebben. Dat zij een ander uiterlijk of een andere samenstelling zouden hebben, blijkt nergens uit en ligt ook niet in de rede. Gelet daarop is sprake van identieke goederen in de zin van het arrest-Greencarrier. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 2 (9 september 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangifte 4 (2 september 2020) dermate kort dat niet aannemelijk is dat sprake zou zijn van verschillende producten. De stelling van eiseres dat dezelfde schoen meerdere productnummers kan hebben, doet in dit verband niet ter zake. Tijdens de zitting heeft eiseres namelijk bevestigd dat verschillende type schoenen niet met hetzelfde productnummer worden aangegeven. Dat betekent dat ingevoerde schoenen met hetzelfde productnummer onderling geen relevante verschillen vertonen. 52. Van de schoenen met productnummer [product 8] is geen monster genomen en deze schoenen zijn niet door het douanelaboratorium onderzocht. Verweerder heeft de uitslag van het monsteronderzoek van productnummer [product 7] dat in het kader van aangifte 2 is opgemaakt (het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] ), geëxtrapoleerd naar productnummer [product 8] . Beide schoenen zijn opgenomen in aangifte 2 en alleen de laatste twee cijfers van het productnummer verschillen. Niet in geschil is dat dit verschil in de laatste twee cijfers enkel de kleur betreft. Voor het overige zijn de schoenen gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen en betreffen zij hetzelfde merk. Hoewel vanwege het kleurverschil geen sprake is van identieke goederen, heeft verweerder de extrapolatie mogen toepassen. Immers, de goederen zijn ingedeeld op basis van de kenmerken en eigenschappen van de zool. Gesteld noch gebleken is dat de schoen met artikelnummer [product 8] andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool dan de schoen met artikelnummer [product 7] . Het kleurverschil is van zodanig ondergeschikte aard dat het voor de indeling niet van belang is en dus niet in de weg staat aan extrapolatie. HAA 22/3813 (aangifte 3) 53. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers[product 9] en [product Aangezien de samenstelling van de schoen en daarmee van de zool toen niet is beoordeeld, was er geen reden om de aangegeven goederencode te corrigeren. Eiseres heeft dit niet weersproken. Nu er van deze schoen thans wel een uitslag van een laboratoriumonderzoek bekend is, kan het beroep van eiseres op deze Plato-opdrachten ten aanzien van deze schoen niet slagen. 60. Ten aanzien van de schoen met productnummer [product 12] heeft eiseres gewezen op het Plato-onderzoek met nummer [plato nummer 14] en gesteld dat de desbetreffende douaneaangifte niet is gecorrigeerd. Voor zover voor deze schoen na die eerdere Plato-opdracht door verweerder geen correctie is toegepast, dan wel van deze schoen een oudere laboratoriumuitslag bekend is, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen. 61. Eiseres heeft ter illustratie van de onduidelijkheid rond de monsteronderzoeken nog verwezen naar een bindende tariefinlichting met nummer [BTI nummer] (de bti) die aan haar is afgegeven en waarin de indeling van schoenen met productnummer [product 22] was gebaseerd op een zool van textiel, ervan uitgaande dat die zool duurzaam en slijtvast was. Later is het douanelaboratorium tot andere inzichten gekomen. De bti leidt niet tot andere uitkomsten, omdat de bti ziet op schoenen met een ander productnummer dan in deze beroepen voorliggen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking wat verweerder heeft verklaard over de gewijzigde onderzoeksmethode van het douanelaboratorium. Conclusie 62. De beroepen met de zaaknummers HAA 22/3812 tot en met HAA 22/3814 zijn ongegrond. De beroepen met de zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 zijn gegrond. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat in dat geval de correcties moeten worden verminderd van 16,9% naar 4%. Aangezien de goederen in de zaak HAA 22/5082 zijn aangegeven naar een tarief van 3,5% en er enerzijds is gecorrigeerd naar een tarief van 7% en anderzijds naar een tarief van 16,9%, gaat de rechtbank er vanuit dat in die zaak de correcties moeten worden teruggebracht naar 3,5%. Voor de zaak HAA 22/3811 betekent dit dat utb 1 moet worden verminderd van € 7.281,74 naar € 1.723,49. In de zaak HAA 22/5082 bestaat de utb voor een bedrag van € 1.215,66 uit heffing naar het tarief van 16,9% en voor een bedrag van € 339,99 uit heffing naar het tarief van 7%. Dat betekent dat utb 5 moet worden verminderd van € 2.935,88 naar € 1.801,98. In de zaak HAA 23/3003 is niet in geschil dat het bestreden bedrag € 2.025,73 is zodat utb 6 moet worden verminderd van € 11.474,82 naar € 9.449,09. 5 Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep belanghebbende 5.1. Ingevolge artikel 8:110, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een incidenteel hoger beroep ingesteld te worden binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 4 december 2024 verzonden aan belanghebbende. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep uiterlijk op 15 januari 2025 ingediend had moeten worden. Het incidenteel hoger beroep is ontvangen op 26 februari 2025. 5.2. Ingevolge artikel 8:110, lid 4, Awb, kan het Hof de hiervoor vermelde termijn verlengen, maar van die bevoegdheid heeft hij in deze zaken geen gebruik gemaakt. Daar is ook niet om verzocht. Belanghebbende heeft weliswaar bij brief van 7 januari 2025 verzocht om verlenging van de in artikel 8:42, lid 1, van de Awb gestelde termijn (van vier weken) voor het indienen van een verweerschrift, maar niet om verlenging van de termijn voor het indienen van een incidenteel hoger beroep. 5.3. Gelet op het vorenoverwogene dient het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hoger beroep inspecteur 5.4. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen de beslissing van de rechtbank, in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak, dat de inspecteur voor de goederen die