Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-06
ECLI:NL:GHAMS:2026:1690
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3530 6 januari 2026 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] (als rechtsopvolger van [Z] ) , gevestigd te [Y] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. T.C. Gerverdinck), tegen de uitspraak van 9 september 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/457 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 11.576.607. Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft hiertegen op 6 oktober 2021 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 augustus 2022 de aanslag op nihil vastgesteld in verband met alsnog verleende aftrek elders belast. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij de griffie van het Hof ingekomen op 14 oktober 2024 en nader gemotiveerd bij brief van 21 november 2024. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Bij bericht van 23 september 2025 zijn bij de griffie van het Hof nadere stukken van belanghebbende ingekomen. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): Feiten 1. [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) is opgenomen in de fiscale eenheid voor de vpb van (de rechtsvoorganger van) eiseres. Op 30 juni 1997 zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ( [naam 1] ), [bedrijf 1] en de [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) een fusieovereenkomst aangegaan over de samenvoeging van activiteiten van [bedrijf 1] en [naam 1] In de fusieovereenkomst is vastgelegd dat [bedrijf 1] onder meer de aandelen in haar dochtervennootschap [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) zal inbrengen in [bedrijf 2] tegen uitgifte door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] van een zodanig aantal aandelen als overeenkomt met 51% van het geplaatste kapitaal. 2. In de fusieovereenkomst is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen: “Artikel 2 - Uitgifte van de Aandelen B2.1 Blijkens een aandeelhoudersbesluit d.d. heden heeft [ [bedrijf 2] ] rechtsgeldig besloten tot uitgifte van de Aandelen B aan [ [bedrijf 1] ] tegen inbreng door [ [bedrijf 1] ] van de Inbreng Aandelen, een en ander onder de voorwaarden als vervat in de Akte van Uitgifte. Ter uitvoering daarvan zullen Partijen op de Inbrengdatum de Akte van Uitgifte verlijden (…). (…) Artikel 3 - Handelingen op de Inbrengdatum 3.1 Op de Inbrengdatum zullen de volgende (rechts)handelingen worden verricht (…): a. passeren van de Akte van Statutenwijziging (als gevolg waarvan de door [naam 1] gehouden aandelen in de Vennootschap zullen worden omgezet in aandelen A); b. passeren van de Akte van Uitgifte en overdracht van het "nominee" aandeel in [bedrijf 3] (…) aan [bedrijf 2] ; (…). Artikel 4 - Opschortende voorwaarden: periode tot aan de Inbrengdatum4.1 In de periode tot aan de Inbrengdatum zullen Partijen zich gedragen alsof de Akte van Statutenwijziging al formeel gepasseerd en van kracht is. 4.2 De in artikel 3 genoemde handelingen op de Inbrengdatum zijn onderworpen aan de volgende opschortende voorwaarden, welke uiterlijk op de Inbrengdatum vervuld moeten zijn:a. het tot stand brengen van de in onderdeel (c) van de considerans van deze Overeenkomst beschreven aandeelverhouding in de Vennootschap;b. levering van de aandelen in vennootschappen (…) door [bedrijf 4] aan [ [bedrijf 1] ].” In onderdeel (c) van de considerans v Na verwerking van informele kapitaalstortingen in 2007 en 2008 van in totaal € 92.691 is vanaf de aangiften vpb 2008 van de fiscale eenheid waartoe [bedrijf 1] behoort steeds een bedrag van € 33.380.000 opgenomen als opgeofferd bedrag voor de aandelen [bedrijf 3] . 11. Op 29 november 2019 is de liquidatie van [bedrijf 3] voltooid door vereffening. Naar aanleiding daarvan heeft (de rechtsvoorganger van) eiseres in de aangifte vpb 2019 een liquidatieverlies van € 33.380.000 (€ 27.202.309 + € 6.085.000 + € 92.691) in aanmerking genomen. 12. Bij het vaststellen van de aanslag vpb 2019 is verweerder afgeweken van de aangifte. Verweerder heeft een liquidatieverlies geaccepteerd van € 14.105.393 (€ 7.927.702 plus € 6.085.000 plus € 92.691). 2.2. Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten. En vult onderdeel 6 van de rechtbank als volgt aan: De gelden zijn door [bedrijf 2] als kapitaal gestort in [bedrijf 3] . 3 Geschil in hoger beroep Net als bij de rechtbank is in hoger beroep de hoogte van het liquidatieverlies in geschil. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist: “Beoordeling van het geschil 16. Artikel 13d, zesde lid, van de Wet (tekst 2019) luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “Indien een deelneming is verkregen van een verbonden lichaam wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger gesteld dan het bedrag hetwelk dat lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd. Indien zulk een deelneming is verkregen in het kader van de ontbinding van het verbonden lichaam en ter zake van die deelneming het vierde lid, eerste volzin, toepassing heeft gevonden, wordt het opgeofferde bedrag vermeerderd met de aldaar bedoelde waardedaling tot ten hoogste het door het ontbonden lichaam voor die deelneming opgeofferde bedrag. Indien een storting op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid bestaat uit aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een verbonden lichaam, wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de storting niet hoger gesteld dan op het bedrag dat is opgeofferd voor de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die als storting dienen.” 17. Op grond van artikel 10a, vierde lid, van de Wet wordt ‒ voor de toepassing van onder meer artikel 13d van de Wet ‒ in ieder geval als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt: - een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; - een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige. 18. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ten tijde van de verkrijging door [bedrijf 2] van de aandelen [bedrijf 3] verbonden lichamen waren en dat het liquidatieverlies daarom op (ten hoogste) € 14.105.393 kan worden gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 19. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben de fusieovereenkomst gesloten met het oog op de samenvoeging van hun activiteiten. Door de uitgifte van aandelen door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] en de inbreng/overdracht van de aandelen [bedrijf 3] is een tussenhoudstersituatie gecreëerd; waar [bedrijf 3] voorafgaand aan de fusie nog een dochtervennootschap van [bedrijf 1] was, werd zij na de fusie haar kleindochtervennootschap. De aandelen in [bedrijf 3] waren tot aan de liquidatie dus steeds direct dan wel indirect in handen van [bedrijf 1] . Anders dan eiseres betoogt, heeft de wetgever ook deze situatie op het oog gehad bij artikel 13d, zesde lid, van de Wet (hierna ook: de regeling). De rechtbank leidt dit af uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis: “Artikel 13a, vijfde lid, eerste volzin, bestendigt de huidige situatie. Die situatie is dat het opgeofferde bedrag niet stijgt indien binnen concernverband een deelneming overgaat van de ene maatschappij naar de andere. Het concern als geheel heeft in die situatie immers steeds datgene opgeofferd wat de eerste vennootschap van het concern die de deelneming heeft verworven, heeft opgeofferd. Ook indien In het bijzonder: hoe dient de zinssnede “ is verkregen van ” in de eerste volzin van artikel 13d lid 6 Wet Vpb te worden uitgelegd? Uit het gebruik van de voltooid tegenwoordige tijd in deze zinsnede kan worden afgeleid dat de verbondenheid er dient te zijn op het moment van de verkrijging, maar dit is niet volstrekt eenduidig (belanghebbende meent dat de verbondenheid reeds vóór de verkrijging dient te bestaan). In de wetsgeschiedenis bij het zesde lid van artikel 13d staat over doel en strekking ervan het volgende (MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 26-27): “Ingevolge het zesde lid van artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt het opgeofferd bedrag van een deelneming welke wordt verkregen van een verbonden lichaam, niet hoger gesteld dan hetgeen het verbonden lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd. De gedachte achter deze bepaling is, dat bij verhanging van een deelneming binnen concernverband geen hoger bedrag als opgeofferd bedrag in aanmerking dient te worden genomen, dan het bedrag dat door het concern als geheel voor de deelneming is opgeofferd. De tekst van het zesde lid omvat naar de letter genomen niet het geval waarin een deelneming binnen concernverband wordt overgedragen aan een tussenholding tegen uitreiking van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in die tussenholding. Bij de tussenholding wordt het ter zake van de verkregen deelneming opgeofferde bedrag weliswaar op de voet van het zesde lid beperkt tot het oorspronkelijk door het concern opgeofferde bedrag. Op grond van de tekst van het zesde lid is echter onduidelijk wat bij de moedermaatschappij als opgeofferd bedrag moet gelden ter zake van het in de tussenholding verkregen belang. Zonder nadere regeling zou kunnen worden betoogd dat moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de deelneming die als storting wordt ingebracht in het vermogen van de tussenholding.” 5.3.2. Doel en strekking van artikel 13d, zesde lid, eerste volzin Vpb zijn naar oordeel van het Hof op dit punt helder. Zoals uit de wetsgeschiedenis volgt, beoogt deze bepaling te voorkomen dat het bedrag kan worden verhoogd dat door het concern (groep van verbonden lichamen) oorspronkelijk voor een deelneming is opgeofferd, ongeacht latere verhanging. Gespecificeerd wordt daarbij nog de overdracht van een deelneming binnen concernverband aan een tussenhoudster tegen uitreiking van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in die tussenholding. Daarbij dient het opgeofferd bedrag dat door de tussenhoudster voor de in haar kapitaal gestorte aandelen van de deelneming in aanmerking neemt niet hoger te worden gesteld dan hetgeen daar binnen concernverband voor is opgeofferd (eerste volzin van artikel 13d lid 6 Wet Vpb) en hetzelfde geldt voor het opgeofferde bedrag dat de concernvennootschap in aanmerking neemt voor de nieuw uit te geven aandelen in de tussenholding (laatste volzin van dat artikellid). In het licht van het in 5.3.1 opgenomen citaat en het systeem van de regeling zou het geen verschil moeten maken of een deelneming wordt verhangen onder een reeds tot het concern behorende tussenholding, een nieuw opgerichte tussenholding, of een tussenholding waarin de belastingplichtige bij de aandelenfusie een aandelenbelang van tenminste een derde gedeelte verkrijgt. Het gaat erom dat het opgeofferde bedrag van het concern als geheel door de aandelenfusie niet wordt verhoogd. 5.3.3. Gelet op het voorgaande is de deelneming in [bedrijf 3] door [bedrijf 2] verkregen van een verbonden lichaam in de zin van artikel 13d, lid 1, Wet Vpb. Dat geldt indien ervan moet worden uitgegaan dat de verbondenheid van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] al bestond voordat de deelneming in [bedrijf 3] door [bedrijf 2] is verkregen (zoals de inspecteur primair betoogt), maar evenzeer indien ervan moet worden uitgegaan dat het moment van het ontstaan van bedoelde verbondenheid met de verkrijging van de deelneming aanvangt (zoals belanghebbende betoogt).