Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-06-23
ECLI:NL:GHAMS:2026:1672
VvE recht. VvE niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesmachtiging GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummer : 200.357.366/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 11440395 \ CV EXPL 24-4087 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026 in de zaak van [VvE] , gevestigd te Broek op [plaats 1] , appellante, advocaat: mr. Y.A. Rampersad te Leiden, tegen [geïntimeerde] , wonend in [plaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. A. Knol te Assendelft. Partijen worden hierna de VvE en [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort De VvE heeft in eerste aanleg verschillende vorderingen ingesteld tegen een van de eigenaars. De kantonrechter heeft die vorderingen afgewezen, omdat het bestuur van de VvE niet over een machtiging van de vergadering van eigenaars beschikt om de procedure te voeren. Het hof verklaart de VvE niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, omdat de vereiste procesmachtiging ontbreekt. 2 Het geding in hoger beroep De VvE is bij dagvaarding mede inhoudende memorie van grieven (met producties) van 14 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 april 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in het verzet en de VvE als gedaagde in het verzet (hierna: het bestreden vonnis). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord. Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd en waarbij producties in het geding zijn gebracht (producties 40 t/m 54 van de VvE en productie 4 van [geïntimeerde] ). Ten slotte is arrest gevraagd. 3 Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2. Bij notariële akte van hoofdsplitsing van 24 februari 2004 (hierna: de Hoofdsplitsingsakte) is de VvE opgericht. De Hoofsplitsingsakte bepaalt voor zover van belang: “ Artikel 40 (…) 4. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen ” 3.3. Bij notariële akte van ondersplitsing van 11 juni 2004 is het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van de camping kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie H [nummer] en genaamd “ [camping] ” ondergesplitst in appartementsrechten. [geïntimeerde] is rechthebbende op een vijftal appartementsrechten en is van rechtswege lid van de VvE. 3.4. In de vergaderingen van eigenaars van 22 april 2024, 14 april 2025 en 13 oktober 2025 is het verlenen van een mandaat proceskosten onderwerp geweest van de vergadering. In de notulen en besluitenlijst van die vergaderingen is voor zover van belang het volgende opgenomen: - vergadering van 22 april 2024 : “ Notulen (…) 8 Mandaat proceskosten De voorzitter geeft een toelichting op het agendapunt. Het mandaat voor proceskosten is akkoord voor de aanwezigen. Besluit: De aanwezigen verlenen een mandaat aangaande proceskosten . (…) Besluitenlijst (…) 8 Mandaat proceskosten 8.1 De aanwezigen verlenen een mandaat aangaande proceskosten. ” - vergadering van 14 april 2025: “ Notulen (…) 8 Mandaat proceskosten De voorzitter geeft een toelichting op het belang van het verstrekken van gevraagd mandaat. Wanneer een Vereniging van Eigenaren (VvE) als eiser of verzoeker wil gaan procederen, dan moet de vergadering daar toestemming voor geven. De aanwezigen stemmen unaniem in met het gevraagde mandaat Besluit: De vergadering is akkoord met het mandaat proceskosten. (…) Besluitenlijst (…) 8 Mandaat proceskosten 8.1 De vergadering is akkoord met het mandaat proceskosten. ” - vergadering 13 oktober 2025: “ 3. Mededelingen Op advies van de advocaat meldt de voorzitter dat de/het VvE-(bestuur) een proces voert tegen de heer [geïntimeerde] en het mandaat proceskosten is om die reden gevraagd aan de ALV. ” 4 Procedure bij de kantonrechter 4.1. Bij inleidende dagvaarding van 5 september 2024 heeft de VvE gevorderd dat de kantonrechter: [geïntimeerde] veroordeelt om alle goederen (o.a. voertuigen en caravans) te verwijderen, op straffe van een dwangsom; [geïntimeerde] veroordeelt om zich te houden aan de Hoofd- en ondersplitsingsakte en het huishoudelijk reglement, op straffe van een dwangsom; [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een boete van € 5.000,00; voor recht verklaart dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door de vangpaal van het slagboomsysteem te beschadigen en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 640,48 met rente; [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten met rente, en [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten. 4.2. Bij verstekvonnis van 9 oktober 2024 heeft de kantonrechter de hiervoor genoemde vorderingen van de VvE toegewezen, behalve de vordering onder v. 4.3. [geïntimeerde] heeft bij verzetdagvaarding van 19 november 2024 geconcludeerd tot ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen, met veroordeling van de VvE in de proceskosten. 4.4. Bij vonnis van 16 april 2025 heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad: het verzet gegrond verklaard en het verstekvonnis van 9 oktober 2024, inclusief de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling, vernietigd; de oorspronkelijke vorderingen alsnog afgewezen; en de VvE veroordeeld tot betaling van de proceskosten inclusief nakosten. 5 Procedure in hoger beroep 5.1. De VvE concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. 5.2. Volgens [geïntimeerde] moet het hof het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten. 6 Beoordeling Ontvankelijkheid 6.1. Tussen partijen is niet meer in geschil dat op grond van artikel 40 onder 4 van de Hoofdsplitsingsakte door de vergadering van eigenaars machtiging aan het bestuur van de VvE moet worden verleend voor het instellen van rechtsgedingen. Partijen twisten over de vraag of een machtiging aan het bestuur van de VvE is verleend voor het voeren van deze procedure (in hoger beroep) tegen [geïntimeerde] . Het hof is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan. Het hof licht dit als volgt toe. 6.2. De VvE betoogt dat de machtiging blijkt uit de notulen en besluitenlijsten van de vergaderingen van eigenaars van 22 april 2024 en 14 april 2025 en uit de notulen van de vergadering van eigenaars van 13 oktober 2025 (zie onder 3.4.). Volgens de VvE is het gebruikelijk om in dit soort gevallen niet aan naming and shaming te doen. Daarom is de naam van [geïntimeerde] niet in de notulen/besluitenlijsten van de eerste twee vergaderingen genoemd, hoewel alle eigenaars weten om wie het gaat. Blijkens de notulen van de laatste vergadering van eigenaars is de naam van [geïntimeerde] expliciet genoemd en is meegedeeld dat de VvE een procedure tegen hem voert. Volgens de VvE is hiermee duidelijk dat het eerder gevraagde mandaat voor proceskosten dus ziet op de procedure tegen [geïntimeerde] . 6.3. Het hof volgt de VvE hierin niet. Het bestuur van de VvE behoeft een machtiging van de vergadering van eigenaars voor het instellen van (hoger beroep in) deze procedure. Niet is gebleken dat ná het wijzen van het bestreden vonnis een machtiging is verleend voor het instellen van dit hoger beroep. Uit de notulen van de vergadering van eigenaars van 13 oktober 2025 volgt dat toen enkel is medegedeeld dat de VvE een proces voert tegen [geïntimeerde] en dat het mandaat proceskosten om die reden is gevraagd. Op deze vergadering is geen machtiging gevraagd om hoger beroep te mogen instellen tegen het bestreden vonnis. De VvE heeft dit ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd. Evenmin is gebleken dat er voorafgaand aan het bestreden vonnis al een machtiging was verleend voor het instellen van deze rechtszaak (inclusief hoger beroep). Daartoe overweegt het hof als volgt. 6.4.