Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-06
ECLI:NL:GHAMS:2026:15
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.334.293/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/720388 / HA ZA 22-554 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 januari 2026 inzake 1 [appellant 2] , wonend te [plaats 1] , Qatar, 2. de vennootschap naar Zwitsers recht [appellant 1] , gevestigd te [plaats 2] , Zwitserland, appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, verzoekers in het incident ex artikel 843a (oud) Rv, advocaten: mrs. D.C. Roessingh, J.W.M.K. Meijer, M. Gerrits en F.J.L. Kaptein te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend te [plaats 3] , Zwitserland, 2. [geïntimeerde 2] , gevestigd te [plaats 4] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, verweerders in het incident ex artikel 843a (oud) Rv, advocaten: mrs. E.E.U. Vroom, I. Koudstaal en J.M. Schepel te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellanten] (en afzonderlijk [appellant 2] en [appellant 1] ) en [geïntimeerden] (en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd. 1 De zaak in het kort In de kern ziet het geschil tussen partijen op (de opeisbaarheid van althans de termijn voor het aflossen van) leningen ten bedrage van € 75.349.430,00. Deze leningen zijn door [geïntimeerden] aan [appellant 2] verstrekt in het kader van een inmiddels geëindigde samenwerking tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] ter zake van de aankoop (van licenties in) en exploitatie van natuursteengroeven in [plaats 5] . 2 Het geding in hoger beroep 2.1. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. 2.2. [geïntimeerden] hebben op 27 oktober 2023 bij exploot tot anticipatie als bedoeld in artikel 126 Rv een vroegere roldatum aangezegd. 2.3. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens eiswijziging en tevens vordering in incident ex artikel 843a (oud) Rv, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en tevens conclusie van antwoord in incident, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. 2.4. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten. De advocaten van [appellanten] en [geïntimeerden] hebben daartoe spreekaantekeningen overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [appellanten] twee akten met producties in het geding gebracht en hebben [geïntimeerden] één akte met producties in het geding gebracht. 2.5. Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald. 3 Feiten 3.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere voldoende aannemelijk geworden feiten, komen deze feiten neer op het volgende. 3.2. [appellant 2] is geboren in [plaats 5] en bezit de Nederlandse nationaliteit. Hij spreekt zowel Farsi als Nederlands. [appellant 2] is sinds 2010 actief in de import en bewerking van natuursteen. [appellant 1] is een aan [appellant 2] verbonden vennootschap naar Zwitsers recht. 3.3. [geïntimeerde 1] is ondernemer. [geïntimeerde 2] is zijn persoonlijke houdstervennootschap. 3.4. In 2015 was [appellant 2] op zoek naar een investeerder voor een project, bestaande uit het verwerven, winstgevend maken en vervolgens verkopen of exploiteren van natuursteengroeven in [plaats 5] . De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), destijds advocaat van zowel [appellant 2] als [geïntimeerde 1] , heeft [appellant 2] en [geïntimeerde 1] met elkaar in contact gebracht. 3.5. In de periode van juni 2015 Bij brief van 16 december 2021 zijn zowel [appellant 2] als [appellant 1] gesommeerd om de leningen terug te betalen. Aan die sommaties is niet voldaan. 3.16. Ondanks verdere (e-mail)correspondentie tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, zijn partijen niet tot een oplossing van het geschil gekomen. Op de leningen is niet afgelost. 4 Beoordeling De procedure in eerste aanleg 4.1. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg (conventie) gevorderd i) de vso en ii) de leningsovereenkomsten a) primair te vernietigen of b) subsidiair te ontbinden en in alle gevallen iii) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 75.349.430,00, te vermeerderen met wettelijke en/of contractuele rente en iv) voor recht te verklaren dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor alle schade die [geïntimeerden] daardoor hebben geleden, nader op te maken bij staat. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 4.2. [appellanten] hebben een tegenvordering (reconventie) ingesteld. Zij hebben gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot i) het nakomen van de verplichting tot uitwerking van de vso (artikel 13 vso), ii) het uitbrengen van een persverklaring, op straffe van een dwangsom, iii) het corrigeren van de door [geïntimeerde 1] tegen [appellant 2] gedane aangifte, op straffe van een dwangsom, en iv) het nalaten zich te mengen in het leven van [appellant 2] , de aan hem gelieerde (rechts)personen, ondernemingen en zijn werknemers en klanten, op straffe van een dwangsom. Verder hebben zij gevorderd te bepalen dat v) de aangepaste aflossingstermijnen zoals opgenomen in de conclusie van antwoord in de plaats komen van de verplichtingen uit de artikelen 3, 4 en 6 vso, en dat vi) de datum van de vierde (en laatste) aflossingstermijn in de vso wordt aangepast. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 4.3. Bij tussenvonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 13 juni 2023 is gehouden. 4.4. In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank in conventie i) de vso met onmiddellijke ingang ontbonden en ii) [appellant 2] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] € 46.549.430,00 en aan [geïntimeerde 2] € 28.800.000,00 te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 4,5% per jaar zoals overeengekomen in de leningsovereenkomsten. Het in conventie meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Een en ander met veroordeling van [appellant 2] in conventie en in reconventie in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. De procedure in principaal hoger beroep, in het incident en in incidenteel hoger beroep vorderingen 4.5. [appellant 1] heeft bij memorie van grieven te kennen gegeven haar vorderingen in te trekken. Het hof zal [appellant 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Waar hierna over ‘partijen’ wordt gesproken, worden daarmee [appellant 2] en [geïntimeerden] bedoeld. 4.6. [appellant 2] concludeert in principaal hoger beroep het bestreden vonnis deels te vernietigen en heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. 4.7. [appellant 2] stelt een incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv in, waarin hij vordert [geïntimeerden] te bevelen de geluidsopnames van ontmoetingen tussen [geïntimeerde 1] en de heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ) op 2 en 18 december 2017 te verstrekken, op straffe van een dwangsom. 4.8. In de hoofdzaak vordert [appellant 2] om [geïntimeerden] in hun vorderingen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen, dan wel die vorderingen af te wijzen. Indien [appellant 2] wordt veroordeeld tot terugbetaling van (enig deel van) de leningen, met of zonder rente, vordert hij: - te bepalen dat hij de leningen, met of zonder rente, terugbetaalt met de vrije kasstro Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil zal worden beoordeeld met inachtneming van de gewijzigde eisen. Op inhoudelijke bezwaren van partijen tegen de eiswijzigingen zal het hof waar nodig bij de verdere beoordeling van het geschil ingaan. Nederlandse rechter, Nederlands recht 4.14. De zaak heeft internationale aspecten. Het hof moet dan ook ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. 4.15. Het merendeel van de tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] gesloten leningsovereenkomsten en de vso bevatten een forumkeuze voor de Nederlandse rechter. Voor zover de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet reeds uit deze forumkeuze volgt (artikel 8 lid 1 Rechtsvordering (Rv), artikel 23 lid 1 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EVEX II-Verdrag) en/of artikel 25 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel Ibis)), geldt het volgende. Geen van de partijen heeft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak betwist, zodat die bevoegdheid er, voor zover nodig, is op de voet van artikel 9 aanhef en sub a Rv, artikel 24 EVEX II-Verdrag en/of artikel 26 lid 1 Vo Brussel Ibis. 4.16. Het merendeel van de tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] gesloten leningsovereenkomsten bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Beide partijen zijn in eerste aanleg uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. De rechtbank heeft het geschil beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht. Ook het hof zal daarom Nederlands recht toepassen. Voorts in incidenteel hoger beroep grieven 1 en 2 in incidenteel hoger beroep: vernietiging vso wegens bedrog of dwaling? 4.17. De grieven 1 en 2 van [geïntimeerden] zijn het meest verstrekkend, omdat [geïntimeerden] met deze grieven betogen dat [appellant 2] in strijd met de afspraken tussen partijen een significant deel van de door [geïntimeerden] ter beschikking gestelde bedragen niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van steengroeven in [plaats 5] en de vso vernietigd dient te worden wegens bedrog of dwaling. 4.18. [geïntimeerden] stellen zich op het standpunt zij niet weten of [appellant 2] steengroeven in [plaats 5] heeft gekocht en dat als dat zo is, dat hij deze voor een veel lager bedrag heeft gekocht dan hij [geïntimeerde 1] voorspiegelde. Volgens [geïntimeerden] was er iedere keer dat [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] de kosten van een bepaalde investering voorhield sprake van een onjuiste mededeling en heeft [appellant 2] iedere keer verzwegen dat hij de geleende gelden op een onjuiste manier aanwendde. Door de opeenstapeling van al deze kunstgrepen in de periode van 2015 tot en met januari 2018 heeft [appellant 2] bij [geïntimeerde 1] bewust de onjuiste indruk gewekt dat hij de gelden overeenkomstig de afspraken heeft geïnvesteerd. Onder invloed van die onjuiste voorstelling van zaken, die [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] voorspiegelde en die hij jarenlang in stand heeft weten te houden, heeft [geïntimeerde 1] - aldus [geïntimeerden] - zich aan de vso gecommitteerd. 4.19. [geïntimeerden] hebben ter onderbouwing van het beroep op bedrog zes door hen gestelde kunstgrepen uitgelicht. Het betreft: a) het doen van misleidende mededelingen over het doel van de geldleningen, b) het vervalsen van betalingsbewijzen, c) het verzwijgen van privé-aankopen met de geleende gelden, d) het doen van onjuiste en misleidende prognoses, e) het doen van betalingen aan, en het sluiten van een overeenkomst met, [naam 1] en f) het verzwijgen daarvan aan [geïntimeerde 1] . Zij verwijzen daarbij naar he Ook voert hij aan dat van onjuiste prognoses geen sprake was, noch dat [geïntimeerde 1] door die prognoses zou zijn bewogen tot het aangaan van de vso. 4.23. [appellant 2] betwist verder niet dat hij [naam 1] “een beloning in het vooruitzicht had gesteld voor diens bijdrage aan de totstandkoming van het groevenproject” en betalingen heeft gedaan “voor verrichte netwerkactiviteiten” . [appellant 2] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] wist dat [naam 1] geen onafhankelijke bemiddelaar was, omdat hij zakelijke relaties onderhield met beide partijen en [appellant 2] betwist dat hij [naam 1] hiermee een ‘aanzienlijk eigen belang in het geschil tussen partijen’ heeft gegeven. Ook voert hij aan dat [geïntimeerde 1] niet door [appellant 2] of door [naam 1] is bewogen tot het aangaan van de vso, laat staan dat hij benadeeld is bij het aangaan van de vso. doel geldleningen 4.24. Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat alle geldleningen zijn verstrekt ten behoeve van de financiering van de aankoop en exploitatie van steengroeven. De vraag die allereerst voorligt, is of alle gelden ook daartoe door [appellant 2] zijn aangewend en zo niet, of de vso dan op grond van bedrog of dwaling vernietigd dient te worden. Daarbij verdient opmerking dat op [geïntimeerden] de last rust de feiten en omstandigheden aan te voeren (en zo nodig te bewijzen) die het beroep dat [geïntimeerden] in de context van de grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroep op de wilsgebreken bedrog en dwaling doen, kunnen dragen. verdenkingen 4.25. [geïntimeerde 1] heeft in verband hiermee gewezen op het strafdossier (algemeen dossier, p. 49, 50), waarin de volgende verdenkingen aangaande [appellant 2] zijn vermeld: “(…) Verdenkingen Het vermoeden bestaat dat [appellant 2] , door middel van het met opzet onjuist en/of onvolledig informeren van [geïntimeerde 1] en daarbij gebruikmakend van vermoedelijk valse documenten, aan [geïntimeerde 1] te hoge aanschafprijzen en te verwachten opbrengsten van in totaal 9 Iraanse steengroeven heeft voorgespiegeld. [geïntimeerde 1] is hierdoor meermalen bewogen om gelden ter financiering van de aankoop en exploitatie van deze steengroeven ter beschikking te stellen. [appellant 2] heeft vermoedelijk gebruik gemaakt van valse documenten, in casu screenshots van zijn bankrekening en daarbij behorende kopieën van leningovereenkomsten en deze als inhoudelijk authentiek aan een medewerker van [geïntimeerde 1] overhandigd. Op deze screenshots van de bankrekeningen waren bedragen te zien , als zouden deze bedragen zijn overgemaakt naar een bepaalde bankrekening. Die bedragen zouden corresponderen met uitgaven ten aanzien van de groeven of daaromtrent. Nader onderzoek naar de overboekingen op die rekening leverde op dat er in werkelijkheid wel bedragen zijn overgemaakt, maar deze bedragen waren veel lager. Deze screenshots en leningovereenkomsten zouden aldus als bewijs voor derden moeten dienen van het feit dat door [appellant 2] de verschuldigde koopprijs voor 8 Iraanse steengroeven, ter financiering waarvan [geïntimeerde 1] een bedrag van €21,5 miljoen aan [appellant 2] had overgemaakt. aan buitenlandse partijen was voldaan, terwijl dit in werkelijkheid niet of slechts gedeeltelijk het geval was. Vervolgens is het van [geïntimeerde 1] verkregen geld door [appellant 2] voor diverse privé doeleinden aangewend. Ook is een deel van het geld van [geïntimeerde 1] binnen andere ondernemingen van [appellant 2] , dan wel bij rechtspersonen waar [appellant 2] direct bij betrokken is terecht gekomen. (…)” 4.26. Voordat het hof nader ingaat op de grieven 1 en 2 van [geïntimeerden] merkt het op dat het betoog van [appellant 2] dat het onderzoek door de FIOD gemankeerd is en onvolledig, en ingegeven is door onjuiste en onvolledige verklaringen van [geïntimeerde 1] aan de FIOD afstuit op wat het hof hierna zal overwegen. a) misleidende mededelingen doel geldleningen, b) vervalsen betalingsbewijzen, c) 59 e.v.) maakt het hof op dat het uitgavenpatroon van [appellant 2] “nauwelijks grenzen” kent, dat [appellant 2] miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan casinobezoeken, horloges, kunstaankopen, motorvoertuigen en huur van jachten, privévliegtuigen en appartementen, dat de uitgaven van [appellant 2] “sterk toenemen, nadat [geïntimeerde 1] in beeld is gekomen en hij geld aan [appellant 2] heeft overgemaakt” , dat het uitgavenpatroon van [appellant 2] niet strookt met zijn Nederlandse inkomensbronnen, dat bij onderzoek in diverse bankgegevens geen andere wezenlijke inkomstenbronnen van [appellant 2] zijn aangetroffen en dat dit betekent “dat een aantal van de uitgaven vrijwel zeker moeten zijn gedaan met het geld van [geïntimeerde 1] .” Een deugdelijke, overtuigende en goed onderbouwde uitleg van de gang van zaken ten opzichte van deze specifieke verdenkingen uit het strafdossier heeft [appellant 2] niet gegeven, terwijl dat gezien het omvangrijke strafdossier en de zich daarin bevindende onderzoeksbevindingen op zijn weg had gelegen. 4.31. Ook als het hof veronderstellenderwijs uit zou gaan van de juistheid van het standpunt van [appellant 2] dat de geleende gelden “vanwege de noodzakelijke alternatieve betaalmethoden niet te volgen zouden zijn tot investeringen in de groeven”, zou [appellant 2] naar het oordeel van het hof in staat moeten zijn om verantwoording af te leggen door ‘de route’ van het geleende geld zo goed mogelijk stap voor stap te reconstrueren en te onderbouwen met stukken, zoals facturen van de goederen die hij heeft aangeschaft als alternatieve betaalmethode en correspondentie met betrokken personen. Het betoog van [appellant 2] dat [geïntimeerde 1] had aanvaard dat [appellant 2] geen rekening en verantwoording zou afleggen, omdat alternatieve betaalmethoden zich daar in de regel niet voor lenen, strandt hierop. [appellant 2] heeft echter nog geen begin van bewijs van het gebruik van deze uitgaven als alternatieve betaalmethoden in het geding gebracht. Daarbij komt dat [appellant 2] ten aanzien van verschillende van deze uitgaven ongeloofwaardig heeft verklaard. Zo heeft hij verklaard dat hij de jachten bij wijze van betaling zou hebben gehuurd voor zakelijke Iraanse contacten die in Europa op vakantie wilden, terwijl in het strafdossier een verklaring van een personeelslid van [appellant 2] is opgenomen die heeft verklaard dat [appellant 2] jaarlijks zelf een “boottripje” voor genodigden organiseerde. Los daarvan ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing van deze stelling. Ook heeft [appellant 2] verklaard dat hij het casino bezocht om met bankpassen speelpenningen te verkrijgen die hij later kon inwisselen voor contant geld om mee naar [plaats 5] te nemen, terwijl in het strafdossier staat vermeld dat Holland Casino hem beschrijft als een “high roller” die “grof speelt”. 4.32. In het strafdossier (p. 52) staat verder vermeld dat [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] “onjuiste informatie en valse documenten ter beschikking” heeft gesteld. Het gaat daarbij om “screenshots van de bankrekening van [appellant 2] , die in combinatie met een aantal vermoedelijk valse kopie leningovereenkomsten de indruk moeten wekken dat er door [appellant 2] ruim €20 miljoen meer is overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van de groeven, dan dat daadwerkelijk had plaatsgevonden.” 4.33. Bij e-mails van 15 september 2015 heeft [naam 2] aan [appellant 2] gevraagd of hij de betalingsbewijzen heeft aangeleverd en heeft [naam 2] geschreven dat hij deze een paar dagen later wel even zal komen halen op kantoor van [appellant 2] , waarop [appellant 2] heeft laten weten dat hij de bewijzen klaar zou leggen voor [naam 2] . Of [appellant 2] op dat moment al dan niet in Nederland was, is dan ook niet van belang. Aan het betoog van [appellant 2] dat niet uit te sluiten valt dat de betalingsbewijzen zijn opgemaakt door of namens [geïntimeerde 1] zelf gaat het hof voorbij. [appellant 2] heeft per e-mail van 5 januari 2016 zelf aan [naam 2] laten weten 50) maakt het hof op dat een overeenkomst is aangetroffen tussen [appellant 2] en [naam 1] van 12 april 2016, waarin door [appellant 2] een vergoeding van € 10.000.000,00 aan [naam 1] is toegezegd “wanneer de groeven worden verkocht. Omdat (….) de verwachting is dat verkoop nog tussen 3 en 6 jaar op zich zal laten wachten, wordt er door [appellant 2] toegezegd dat hij binnen 1 maand ná 12 april 2016 een bedrag €150.000 overmaakt naar (…) een rechtspersoon van” [naam 1] . 4.37. Voormelde overeenkomst dateert van drie maanden voordat [appellant 2] per mail aan [geïntimeerde 1] heeft laten weten dat hij [naam 1] zal vragen te bemiddelen. De betalingen “voor verrichte netwerkactiviteiten” hebben plaatsgevonden in de periode dat [naam 1] als bemiddelaar fungeerde. Nu zowel [appellant 2] alsook [naam 1] dit bovendien voor [geïntimeerde 1] hebben verzwegen, betekent dit dat [naam 1] naar het oordeel van het hof niet is aan te merken als een onafhankelijk en onpartijdig bemiddelaar in de door [geïntimeerde 1] gestelde zin, te weten: zonder eigen belang in de verhouding tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] , objectief en neutraal. Daarbij geldt dat, ook als - zoals [appellant 2] aanvoert - de vso aan [appellant 2] niet meer rechten geeft ter zake van de verkoop van de groeven dan voordien en de vso de betalingsverplichting aan [geïntimeerden] onverlet laat, [naam 1] door voormelde overeenkomst een eigen belang heeft verkregen in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] . Dat persoonlijk belang bestaat er uit dat [appellant 2] in een positie komt te verkeren waarin hij de steengroeven kan verkopen. Terecht stellen [geïntimeerden] dat [naam 1] er daarmee ook belang bij heeft dat [geïntimeerden] bijvoorbeeld het in de vso genoemde pandrecht niet kunnen uitwinnen, omdat dat een verkoop door [appellant 2] onmogelijk zou kunnen maken en dat [naam 1] er belang bij heeft dat [geïntimeerden] hun vordering op [appellant 2] niet kunnen innen, omdat dat de verhaalbaarheid van zijn eigen vordering zou kunnen beïnvloeden. artikel 3:44 leden 1 en 3 BW 4.38. Volgens artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedrog tot stand is gekomen. In dat geval is de wil van de handelende op onregelmatige wijze tot stand gekomen. Volgens artikel 3:44 lid 3 BW is bedrog aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. onjuiste voorstelling van zaken 4.39. Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [appellant 2] in strijd met de afspraken met [geïntimeerden] een substantieel deel van de geleende gelden niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van groeven in [plaats 5] . [appellant 2] heeft blijkens de onderzoeksbevindingen van de FIOD zoals neergelegd in het strafdossier miljoenen euro’s uitgegeven aan casinobezoeken, horloges, kunstaankopen, motorvoertuigen en huur van jachten, privévliegtuigen en appartementen, maar heeft nog geen begin van bewijs geleverd dat deze uitgaven instrumenteel waren voor het gestelde alternatieve betalingsverkeer met [plaats 5] en hoe dan ook zijn aangewend voor de betaling van de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan. Er is sprake van vervalste betalingsbewijzen die naadloos aansluiten bij de door [appellant 2] geschetste situatie dat de leningen zijn aangewend voor de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan, terwijl daaraan in werkelijkheid “ruim €20 miljoen” minder is besteed. Ook is het hof hiervoor tot de conclusie gekomen dat sprake was van leugenachtige dan wel minst genomen twijfelachtige prognoses aan de zijde van [appellant 2] en dat [naam 1] in verband met de hem door [appellant 2] in het vooruitzicht Het vorenstaande laat, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat [geïntimeerde 1] bij het aangaan van de vso een onjuiste voorstelling van zaken had. opzettelijke misleiding 4.44. Het beeld dat uit het vorenstaande en de overige door partijen in het geding gebrachte stukken naar voren komt, is dat [appellant 2] jarenlang opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken bij [geïntimeerde 1] creëerde en in stand hield. [appellant 2] hield [geïntimeerde 1] telkens voor dat gelden nodig waren voor investeringen in [plaats 5] voor de aankoop (van licenties in) en de exploitatie van de steengroeven, [geïntimeerden] verstrekten die gelden, waarna [appellant 2] (een aanzienlijk deel van) die gelden besteedde aan de aankoop van onroerend goed en horloges, casinobezoeken en de huur van vliegtuigen en jachten, waarvan hij nog geen begin van bewijs bijeen heeft gebracht dat het hier om alternatieve betaalmethoden ging. De onjuiste mededelingen, het verzwijgen van relevante informatie die [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] had moeten mededelen en andere kunstgrepen, zoals het vervalsen van betalingsbewijzen en het heimelijk toezeggen van betalingen aan de bemiddelaar van partijen, laten zich naar het oordeel van het hof slechts verklaren door de bedoeling van [appellant 2] om te verhullen dat de geleende gelden niet overeenkomstig de afspraken aan de aankoop van (licenties in) steengroeven in [plaats 5] en de exploitatie daarvan zijn besteed. Overtuigende feiten en omstandigheden die daarop een ander licht zouden kunnen werpen zijn door [appellant 2] niet aangevoerd. De onjuiste voorstelling van zaken aan de zijde van [geïntimeerden] is naar het oordeel van het hof aan niets anders te wijten dan aan opzettelijke misleiding door [appellant 2] . De vso is daarmee onder invloed van een wilsgebrek - opzettelijke misleiding door [appellant 2] - tot stand gekomen en daarmee voor [geïntimeerden] vernietigbaar. causaal verband 4.45. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde 1] de vso niet althans niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan zonder het samenstel aan onjuiste mededelingen, opzettelijke verzwijgingen en de andere kunstgrepen van [appellant 2] . [geïntimeerde 1] had dan immers een juiste voorstelling van zaken gehad en had geweten dat [appellant 2] in ieder geval een substantieel deel van de geleende gelden niet aan de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan heeft besteed, dat [naam 1] niet als onafhankelijk bemiddelaar is aan te merken en een eigen belang had in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] en dat de prognose die als uitgangspunt gold voor de vso minst genomen twijfelachtig is. Dat de vso - zoals [appellant 2] betoogt - zakelijke en voor [geïntimeerde 1] gunstige voorwaarden bevat en [geïntimeerde 1] tevreden was met de voorwaarden van de vso, doet daar niet aan af. Niet valt in te zien dat [geïntimeerde 1] de vso zou zijn aangegaan in de wetenschap van de overeenkomst tussen [appellant 2] en [naam 1] en de door [appellant 2] aan [naam 1] in het vooruitzicht gestelde en/of gedane betalingen. kwijting 4.46. Het antwoord op de vraag of de kwijtingsbepaling in de vso, zoals [appellant 2] betoogt, in de weg staat aan de vordering van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de leningen, moet door uitleg van (deze bepaling in) de vso worden bepaald. In de kwijtingsbepaling is opgenomen dat deze “vanzelfsprekend niet” ziet op de vorderingen van [geïntimeerden] “tot terugbetaling van de leningen met rente en wat daarmee in verband staat (dus inclusief uitwinning zekerheden etc.)”. Gelet op de tekst van deze bepaling kan deze door partijen redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat deze niet aan de vordering van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de leningen in de weg kan staan. Echter, niet alleen een zuiver taalkundige uitleg is van belang, maar ook de zin die partijen in de gegeven omst Het hof is van oordeel dat eerst ten tijde van de aangifte door [geïntimeerde 1] bij de FIOD op 27 september 2019 althans op het moment dat de advocaten van [geïntimeerde 1] aan de FIOD medio 2019 telefonisch kenbaar hebben gemaakt dat [geïntimeerde 1] aangifte wilde doen sprake was van daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid met de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bedrog is gegrond. Zelfs als het hof veronderstellenderwijs ervan uit zou gaan dat de verjaringstermijn al zou zijn gaan lopen naar aanleiding van het oriënterend gesprek van [geïntimeerde 1] met de FIOD op 20 december 2018 is van verjaring geen sprake, nu de advocaat van [geïntimeerde 1] op 16 december 2021 een stuitingsbrief heeft gericht aan [appellant 2] , [appellant 1] en hun advocaten en de verjaringstermijn ook dan nog niet verlopen is. 4.49. Van bevestiging in de zin van artikel 3:55 lid 1 BW van de vso door een brief die de advocaat van [geïntimeerden] op 29 januari 2018 aan de voorzieningenrechter stuurde of door het sluiten van de overeenkomst inzake de bemiddeling door [naam 1] op 29 maart 2019 is daarmee ook geen sprake. gevolgen van het bedrog 4.50. Het beroep van [geïntimeerden] op vernietiging van de vso wegens bedrog (grieven 1 en 2) slaagt. Met het slagen van het beroep op bedrog staat het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant 2] vast en is dus zijn aansprakelijkheid jegens [geïntimeerden] voor de dientengevolge geleden schade gegeven. Voorts in principaal hoger beroep grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep: leningsovereenkomsten 4.51. Met de vernietiging van de vso, komt het hof toe aan de grieven over de leningsovereenkomsten. 4.52. In grief 1 stelt [appellant 2] zich op het standpunt dat de leningen een durfinvestering zijn van [geïntimeerden] in het startende bedrijf van [appellant 2] dat de groeven zou uitbaten. Er zijn daarom geen terugbetalingstermijnen en zekerheden tot terugbetaling opgenomen in de leningsovereenkomsten. De leningen en rente zouden op basis van de tussen partijen gesloten Letters of Intent (hierna: LoI’s) worden terugbetaald uit vrije kasstromen die de door partijen op te richten joint venture zou genereren uit de groeven. Zouden vrije kasstromen uitblijven, dan was dat voor risico van [geïntimeerden] Het was niet de bedoeling van partijen dat [geïntimeerde 1] de aan [appellant 2] verstrekte gelden eenzijdig en op ieder moment bij [appellant 2] kon opeisen. 4.53. Het antwoord op de vraag wat partijen in de leningsovereenkomsten en de LoI’s hebben afgesproken, moet door uitleg hiervan worden bepaald. De afspraken die partijen in de LoI’s uit 2015 hebben vastgelegd, komen erop neer dat de geldleningen door [appellant 2] worden aangewend om belangen te verwerven in steengroeven in [plaats 5] , dat de licenties van die groeven ingebracht worden in een door partijen op te richten joint venture en dat deze joint venture de leningen terugbetaalt met de uit de steengroeven te genereren vrije kasstromen. Alleen al doordat de samenwerking tussen partijen in april 2017 door [appellant 2] is beëindigd, kan [appellant 2] naar het oordeel van het hof geen beroep op de in de LoI’s opgenomen afspraken doen. De stelling van [appellant 2] dat de voorgenomen joint venture door toedoen van [geïntimeerde 1] niet tot stand is gekomen en dat de onredelijke houding van [geïntimeerde 1] heeft geleid tot het stuklopen van de samenwerking, doet aan het vorenstaande niet af. De samenwerking is beëindigd, partijen waren niet langer gebonden aan de afspraken in de LoI’s en deze afspraken zijn ook niet (verder) nagekomen. 4.54. Alle leningsovereenkomsten - met uitzondering van de leningsovereenkomst van 14 januari 2016 - bevatten ruime, min of meer gelijkluidende “Events of defaults” , inhoudende: “ - The Borrower does not comply with any disposition of this Agreement. In case of bankruptcy or liquidation of the Borrower, or if it were to result insolvent or admits its incapacity to pay its debts when due, or an e - [appellant 2] heeft aan zijn verplichtingen op grond van de leningsovereenkomsten en LoI’s voldaan. [geïntimeerde 1] is zijn verplichtingen niet nagekomen. Zo torpedeerde [geïntimeerde 1] de voorgenomen verkoop van groeven en stelde zich tijdens de onderhandelingen in het kader van de voorgenomen joint venture niet redelijk op. De joint venture is nooit tot stand gekomen; - [geïntimeerde 1] is betrokken geweest bij de lastercampagne, als opdrachtgever, als deelnemer of als partij die de gevolgen daarvan had kunnen (en moeten) voorkomen. De lastercampagne ving eind 2017 aan ten tijde van het kort geding van [geïntimeerde 1] tegen [appellant 2] . [geïntimeerde 1] had er belang bij [appellant 2] onder druk te zetten en in diskrediet te brengen; - In december 2018 heeft [geïntimeerde 1] aan de FIOD een evident onjuiste en onvolledige verklaring afgelegd over de stukgelopen samenwerking met [appellant 2] . [geïntimeerde 1] heeft immers niet verklaard dat afgesproken was dat [appellant 2] zou investeren in [plaats 5] via alternatieve betaalmethoden. Ook heeft [geïntimeerde 1] in zijn aangifte van september 2019 tegen [appellant 2] onder meer verklaard dat hij niet over bewijs beschikte dat [appellant 2] de groeven had aangekocht. Als [geïntimeerde 1] eerlijk en volledig was geweest, dan had de FIOD haar onderzoek naar [appellant 2] niet uitgebreid naar oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte; - Van meet af aan heeft [geïntimeerde 1] getracht de samenwerking met [appellant 2] te frustreren, heeft hij zich niet aan de afspraken gehouden, is hij betrokken geweest bij de lastercampagne en heeft hij deze kracht bijgezet door onjuist en onvolledig te verklaren tegenover de FIOD. [appellant 2] daarentegen heeft er alles aan gedaan om na de breuk met [geïntimeerde 1] financiering aan te trekken om de groeven volledig operationeel te maken om vrije kasstromen te genereren en de leningen af te lossen. Door de gevolgen van de lastercampagne en het strafrechtelijk onderzoek is dit niet gelukt. De gehele bedrijfsvoering werd negatief beïnvloed en [appellant 2] moest tijd en middelen besteden aan het tegengaan van de laster alsook aan zijn verweer in het strafrechtelijk onderzoek en in de door [geïntimeerde 1] aangespannen civiele procedures. - Met zijn onrechtmatige handelwijze heeft [geïntimeerde 1] het [appellant 2] onmogelijk gemaakt om de leningen terug te betalen, en ook overigens enorme schade toegebracht aan [appellant 2] en zijn bedrijven. Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als [geïntimeerde 1] de leningen direct bij [appellant 2] zou kunnen opeisen. Bovendien zijn partijen op grond van de leningsovereenkomsten gehouden “to use their best endeavours” en om “loyal to each other in the execution of” de leningsovereenkomsten te zijn. Een dergelijke bepaling ontbreekt weliswaar in leningsovereenkomst 3, maar een zodanige zorgplicht vloeit ook voort uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [appellant 2] dient op grond van (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid dan ook een redelijke termijn te worden gegund om tot terugbetaling over te (kunnen) gaan, aldus nog steeds [appellant 2] . verplichtingen, handelwijze 4.58. Het hof stelt vast dat met de gegrondbevinding van het beroep op bedrog gegeven is dat [appellant 2] niet aan zijn verplichtingen uit de leningsovereenkomsten heeft voldaan. Voor zover in de grieven wordt betoogd dat dit anders is en dat [geïntimeerde 1] zijn verplichtingen niet is nagekomen, faalt dit. Duidelijk is dat partijen gedurende de samenwerking van mening verschilden over de uitvoering van de samenwerking en de uitwerking van afspraken rond de samenwerking. Het stond partijen vrij zoveel mogelijk hun eigen standpunten goed over het voetlicht te brengen en zoveel mogelijk te trachten voordeel uit de samenwerking te behalen. Ook als [appellant 2] dit als onredelijk heeft ervaren, ziet het hof hierin, zeker bezi Daarbij betrekt het hof dat niet goed valt in te zien welk belang [geïntimeerde 1] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant 2] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant 2] er wel belang bij lijkt te hebben om [geïntimeerde 1] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen. Het is bovendien niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen persoonlijk belang had bij het starten van de lastercampagne eind 2018. 4.64. Volgens [appellant 2] blijkt de betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne verder uit een gesprek dat [naam 3] (direct of indirect) met [geïntimeerde 1] had op 2 december 2017 en uit informatie die [naam 3] had en die alleen afkomstig kon zijn van [geïntimeerde 1] , zoals het reisschema van [geïntimeerde 1] , een ‘speech’ waar [geïntimeerde 1] met [appellant 2] aan werkte en (het voornemen tot) het doen van aangifte tegen [appellant 2] . [appellant 2] wijst in dat verband naar transcripties van gesprekken tussen [naam 3] en onder andere de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] , eveneens betrokken bij de lastercampagne) van eind 2017, een verklaring van [naam 4] als getuige in een aanverwante procedure en whatsapp-/audioberichten tussen [naam 3] en [naam 7] van november 2017 tot en met februari 2018. 4.65. Voormelde onderbouwing van [appellant 2] is gebaseerd op transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] . Hiervoor heeft het hof al geoordeeld dat de verklaringen van [naam 3] te onbetrouwbaar zijn om van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan en daarmee zijn ook de daarop voortbouwende verklaringen van derden, zoals [naam 4] voornoemd en de door [appellant 2] in zijn stukken genoemde heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), zonder waarde. De daarop gebaseerde onderbouwing van het verwijt van [appellant 2] over [geïntimeerde 1] ’s betrokkenheid bij de lastercampagne stuit daarop dan ook af. 4.66. Verder wijst [appellant 2] ter onderbouwing van zijn standpunt op de gesprekken tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] op 2 en 18 december 2017. Deze gesprekken laten zich - aldus [appellant 2] - niet anders verklaren dan dat deze onderdeel waren van de lastercampagne. 4.67. Het hof merkt op dat deze gesprekken plaatsvonden na het kortgedingvonnis van 29 november 2017 en voordat de vso is getekend. Niet in geschil is dat tijdens deze gesprekken over [appellant 2] is gesproken. Vast staat dat [geïntimeerde 1] na het eerste gesprek contact heeft opgenomen met [naam 1] - die toen net weer was benaderd om tussen [appellant 2] en [geïntimeerde 1] te bemiddelen - met de boodschap dat hij een geluidsopname had waaruit zou blijken wie achter de GABME-laster zou zitten en dat [naam 1] op 6 december 2017 per mail aan [appellant 2] heeft laten weten: “ [geintimeerde] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mij zo terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks” . Volgens [appellant 2] liet [naam 1] hem vervolgens weten dat hij de geluidsopname van [geïntimeerde 1] had ontvangen en beluisterd, dat daarop een gesprek tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] te horen was en dat [geïntimeerde 1] hem geen toestemming had gegeven om de opname met [appellant 2] te delen. Het komt het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geïntimeerde 1] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen, waaruit volgens [geïntimeerde 1] valt op te maken dat [naam 7] betrokken is bij de lastercampagne. Dat [geïntimeerde 1] nog een tweede gesprek met [naam 7] heeft gehad en daarbij over [appellant 2] is gesproken, acht het hof in het licht van de onderhandelingen over de vso verklaarbaar, maar ook daaruit volgt geenszins dat [geïntimeerde 1] betrokken is geweest bij de lastercampagne. Voor zover het hof al belang hecht aan verklaringen van [naam 3] , volgt uit door [appellant 2] In zoverre slaagt de hierop betrekking hebbende grief 6 van [geïntimeerden] Nu [appellant 2] in het bestreden vonnis uit hoofde van nakoming van de leningsovereenkomsten is veroordeeld tot terugbetaling van de leningen met contractuele rente, dient het bestreden vonnis, overeenkomstig de - na eiswijziging - meer subsidiaire vordering van [geïntimeerden] daartoe, in zoverre bekrachtigd te worden. Gelet hierop hebben [geïntimeerden] geen belang bij hun - na eiswijziging - primaire vordering om [appellant 2] op grond van de leningsovereenkomsten te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden] Aan behandeling van grief 3 van [geïntimeerden] , die ziet op hun - na eiswijziging - subsidiaire vordering tot vernietiging van de leningsovereenkomsten, komt het hof niet meer toe. Voorts in het incident ex artikel 843a (oud) Rv vordering ex artikel 843a (oud) Rv 4.75. In deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. 4.76. Het vorenstaande brengt ook met zich dat de incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv van [appellant 2] , waarin hij vordert [geïntimeerden] te bevelen de geluidsopnames van de gesprekken met [naam 7] op 2 en 18 december 2017 te verstrekken, faalt. Zoals reeds overwogen, komt het het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geïntimeerde 1] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen. Het hof volgt [appellant 2] dan ook niet in zijn betoog dat de geluidsopnames cruciale informatie zullen bevatten over (de aard van de) betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne. Niet valt in te zien dat de geluidsopnames relevant kunnen zijn voor de vorderingen van [appellant 2] . Daarbij komt dat [appellant 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van de lastercampagne ook thans nog niet in staat is om de leningen terug te betalen. Het ontbreekt [appellant 2] daarmee aan rechtmatig belang bij verstrekking van de geluidsopnames. Voorts in incidenteel hoger beroep grief 4 in incidenteel hoger beroep: rente? 4.77. Grief 4 van [geïntimeerden] heeft betrekking op de door [geïntimeerden] gevorderde rente. 4.78. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde rentevergoeding als opgenomen in de leningsovereenkomsten over en maakt dit tot het zijne. Partijen zijn in alle leningsovereenkomsten overeengekomen dat de lener ( [appellant 2] ) een jaarlijkse rente van 4,5% betaalt, berekend over de openstaande lening en te betalen aan het eind van elk kalenderjaar. De gevorderde rente is verschuldigd met ingang van de datum waarop elke lening aan [appellant 2] is verstrekt, zoals opgenomen in het dictum van het bestreden vonnis. 4.79. Daarnaast is in de leningsovereenkomsten, met uitzondering van de leningsovereenkomsten van 14 januari 2016 en 7 maart 2016 (in de inleidende dagvaarding aangeduid als IV v1), een min of meer gelijkluidende boeterenteclausule opgenomen, inhoudende: “If the borrower fails to repay the Loan and/or interest, the Borrower shall be obliged to pay a penalty Interest in accordance with Article 6:119 as stipulated in the Dutch Civil law (Burgerlijk Wetboek), calculated over the amount due and for each day of the delay.”. Krachtens artikel 6:83 onder a en c BW treedt verzuim in zonder ingebrekestelling i) wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen en ii) wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Anders dan [geïntimeerden] stellen, valt naar het oordeel van het hof uit de brief van de toenmalige advocaat van [appellant 2] van 16 juni 2020 niet op te maken dat [appellant 2] en [appellant 1] hun verplichtingen niet zullen nakomen. De slotsom in deze brief houdt in dat [appellant 2] op grond van de lastercampagne en de aangifte bij de FIOD niet kan worden geho Grief 6 van [appellant 2] ziet op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis en deze uitspraak. 4.86. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad over en maakt dit tot het zijne. Van meet af aan was duidelijk dat de leningen terugbetaald moesten worden. Tot op heden heeft [appellant 2] niets aan [geïntimeerden] terugbetaald, waarbij niet vastgesteld kan worden dat [appellant 2] door omstandigheden buiten hem om niets heeft kunnen terugbetalen. [geïntimeerden] zijn vermogend, waardoor geen sprake is van een restitutierisico voor [appellant 2] . Het belang van [geïntimeerden] bij aanstondse terugbetaling weegt daarom zwaarder dan het belang van [appellant 2] om nog niet aan de veroordelingen te voldoen. 4.87. Aan het betoog van [appellant 2] dat hij een schadevergoedingsvordering op [geïntimeerden] heeft, die zijn betalingsverplichting ruimschoots overstijgt, zodat [appellant 2] deze schadevergoedingsvordering eerst moet kunnen indienen, om te voorkomen dat hij bedragen betaalt waar hij later weer recht op heeft, gaat het hof voorbij. Dit alleen al bij gebreke van een restitutierisico maar vooral, en ook omdat [appellant 2] tot op heden niet een dergelijke vordering heeft ingesteld. Het betoog van [appellant 2] dat hij bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet of minder kan investeren in de exploitatie van de groeven, waardoor het uiteindelijk moeilijker dan wel onmogelijk voor hem wordt om het gehele bedrag terug te betalen, faalt reeds bij gebreke van afdoende onderbouwing. Voorts in principaal hoger beroep, in het incident en in incidenteel hoger beroep bewijslevering 4.88. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu partijen daarvoor onvoldoende concrete feitelijke stellingen hebben aangevoerd, die indien zij komen vast te staan, tot een andere beslissing aanleiding geven. slotsom 4.89. De slotsom is dat de g rieven 1, 2, 4, 5 en 6 van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep slagen. De vso dient alsnog vernietigd te worden en de leningsovereenkomsten dienen nagekomen te worden (zodat het hof het bestreden vonnis in zoverre zal bekrachtigen) vermeerderd met zowel de contractuele rente als ook de boeterente zoals hierna in het dictum weergegeven. De zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Aan behandeling van grief 3 van [geïntimeerden] komt het hof niet meer toe. De grieven van [appellant 2] in principaal hoger beroep falen. Dit met dien verstande dat grief 1 van [appellant 2] deels slaagt, en wel voor zover deze grief ziet op de op de opeisbaarheid van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde wetsartikelen. Dat leidt echter niet tot een andere uitkomst van de zaak. De incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv van [appellant 2] dient afgewezen te worden. proceskosten 4.90. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep, de kosten van het incident ex artikel 843a (oud) Rv en de kosten van het incidenteel hoger beroep. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Het hof zal [appellanten] dan ook, zoals door [geïntimeerden] gevorderd, hoofdelijk in de proceskosten veroordelen. 4.91. Voor de volledigheid merkt het hof op aanleiding te zien bij de begroting van het salaris van de advocaat in hoger beroep het bedrag van de te liquideren kosten te bepalen overeenkomstig tarief VIII, voor zaken van een geldswaarde boven € 1.000.000,00. 4.92. De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op: - griffierecht € 1.780,00, - salaris advocaat € 12.434,00 (2 punten × tarief VIII in hoger beroep á € 6.217,00), - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld), - totaal: € 14.392,00. 4.93. De kosten van het incide