Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-05-20
ECLI:NL:GHAMS:2026:1484
beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.362.097/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 20 mei 2026 inzake 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [aandeelhouder A] , gevestigd te [plaats] , 2. [indirect aandeelhouder A] , wonende te [plaats] , VERZOEKERS , advocaat: mrs. A.S. Frommelt , kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [aandeelhouder B] , gevestigd te [plaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, J-MERCE HOLDING B.V. , gevestigd te Voorschoten, VERWEERSTERS , advocaten: mrs. O.J. Hennis en L.M. Noordzij , kantoorhoudende te Amsterdam, en tegen 1 [indirect aandeelhouder B] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. O.J. Hennis en L.M. Noordzij , kantoorhoudende te Amsterdam, en tegen 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, FINANCIEEL VISIE HOLDING B.V. , gevestigd te Best, BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. M.N. Stoop en C.W.J. Loomans , kantoorhoudende te Amsterdam. Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid: Verzoekster sub 1 als: [aandeelhouder A] Verzoeker sub 2 als: [indirect aandeelhouder A] Verweerster sub 1 als: [aandeelhouder B] Verweerster sub 2 als: JMH belanghebbende sub 2 als: FVH [aandeelhouder A] en [indirect aandeelhouder A] gezamenlijk als: [aandeelhouder A] c.s., in vrouwelijk enkelvoud 1 Het verloop van het geding 1.1 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikking in deze zaak van 30 april 2026 (hierna: de Beschikking). 1.2 Met een e-mail van 4 mei 2026 heeft mr. Noordzij namens [aandeelhouder B] en JMH de Ondernemingskamer verzocht om een verbetering op grond van het bepaalde in artikel 31 Rv, dan wel een aanvulling op grond van het bepaalde in artikel 32 Rv van de Beschikking. [aandeelhouder B] en JMH hebben aan hun verzoek – samengevat - ten grondslag gelegd dat [indirect aandeelhouder A] , die als medeverzoeker in de procedure is opgetreden, ten onrechte niet als verzoeker in de Beschikking is vermeld en bovendien niet, zoals was gevraagd, naast [aandeelhouder A] hoofdelijk is veroordeeld in de proceskosten van [aandeelhouder B] en JMH. 1.3 Mr. Dreef en mr. Frommelt hebben daarop namens [aandeelhouder A] en [indirect aandeelhouder A] per e-mail van 5 mei 2026 gereageerd en de Ondernemingskamer gemotiveerd verzocht het verzoek van [aandeelhouder B] en JMH af te wijzen. 2 De gronden van de beslissing 2.1 De Ondernemingskamer overweegt als volgt. 2.2 Voor toewijzing van een verbeterverzoek op grond van artikel 31 Rv is noodzakelijk dat het gaat om een uit de beschikking zelf blijkende fout, zoals een kennelijke rekenfout, kennelijke schrijffout of andere kennelijke fout. De Ondernemingskamer is van oordeel dat van een dergelijke kennelijke fout geen sprake is. Het verzoek tot verbetering op de voet van artikel 31 Rv wordt daarom afgewezen. 2.3 Ten aanzien van het subsidiaire verzoek op grond van artikel 32 Rv overweegt de Ondernemingskamer als volgt. De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij op de voet van artikel 32 lid 1 Rv zijn arrest aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. De Ondernemingskamer is van oordeel dat deze situatie zich in dit geval voordoet. 2.4 De Ondernemingskamer heeft in de Beschikking de verzoeken van [aandeelhouder B] en JMH en FVH toegewezen in die zin dat [aandeelhouder A] is veroordeeld in de kosten van de procedure. [aandeelhouder B] en JMH had in haar verweerschrift echter verzocht zowel [aandeelhouder A] als [indirect aandeelhouder A] hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen. De Ondernemingskamer is van oordeel dat in de Beschikking inderdaad is verzuimd hierover te beslissen. Zij ziet aanleiding om het verzoek toe te wijzen. 2.5 Al hetgeen [aandeelhouder A] en [indirect aandeelhouder A] overigens hebben aa