Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-06
ECLI:NL:GHAMS:2026:14
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.346.181/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/751762 / KG ZA 24-471 arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 januari 2026 inzake [appellant] , wonend te [plaats 1] , Qatar, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaten: mrs. D.C. Roessingh, J.W.M.K. Meijer, M. Gerrits en F.J.L. Kaptein te Amsterdam, tegen [geintimeerde] , wonend te [plaats 2] , Zwitserland, geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, advocaten: mrs. E.E.U. Vroom, I. Koudstaal en J.M. Schepel te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geintimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort Dit kort geding ziet op over en weer door partijen ingestelde vorderingen tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv en op een door [geintimeerde] ingestelde vordering tot het verstrekken van informatie onder meer ex artikelen 475g Rv en 475aa Rv. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. [appellant] is bij dagvaarding van [nummer] september 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2024 voor zover in conventie gewezen, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geintimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. 2.2. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens eiswijziging, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. 2.3. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten. De advocaten van [appellant] en [geintimeerde] hebben daartoe spreekaantekeningen overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] twee akten met producties in het geding gebracht en heeft [geintimeerde] één akte met producties in het geding gebracht. 2.4. Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald. 3 Feiten 3.1. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere voldoende aannemelijk geworden feiten, komen deze feiten neer op het volgende. 3.2. [appellant] is sinds 2010 actief in de import en bewerking van natuursteen. Hij heeft daartoe in 2011 de [groep 1] (hierna: [groep 1] ) opgericht. 3.3. [geintimeerde] is ondernemer. Hij is oprichter en grootaandeelhouder van een beursgenoteerde onderneming genaamd [groep 2] . 3.4. In 2015 zijn [appellant] en [geintimeerde] een samenwerking aangegaan, nadat zij met elkaar in contact waren gebracht door hun beider toenmalig advocaat, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [geintimeerde] heeft in het kader van die samenwerking in totaal € 75.349.430,00 geleend aan [appellant] om te investeren in natuursteengroeven in Iran. 3.5. In 2016 hebben [geintimeerde] en [appellant] met bemiddeling van [naam 1] tevergeefs getracht de samenwerking tussen hen te formaliseren. In april 2017 heeft [appellant] laten weten dat hij de samenwerking met [geintimeerde] niet langer wilde voortzetten. 3.6. Op 29 augustus 2017 is de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [appellant] op verdenking van witwassen. Aanleiding daartoe was een signaal van de Financial Intelligence Unit Nederland (hierna: FIU) betreffende tientallen meldingen van verdachte transacties verricht tussen april 2013 en juli 2017 door [appellant] . 3.7. Op 11 november 2017 heeft [geintimeerde] een kort geding aanhangig gemaakt tegen [appellant] . De vorderingen richtten zich op overdracht van de licenties van de steengroeven aan een aan [geintimeerde] gelieerde vennootschap, h Bij vonnis van 13 april 2022 heeft de rechtbank Amsterdam op vordering van [appellant] voor recht verklaard dat een andere voormalig werknemer van (een van de ondernemingen van) [appellant] , de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), jegens [appellant] aansprakelijk is voor de schade die door [appellant] is geleden als gevolg van de lastercampagne. 3.21. Op 21 juli 2023 heeft de rechtbank Amsterdam [geintimeerde] als getuige gehoord in een procedure van een onderneming van [appellant] tegen [naam 2] . Tijdens dit getuigenverhoor heeft [geintimeerde] verklaard dat hij van de gesprekken met [naam 2] op 4 en 18 december 2017 geluidsopnames (hierna: de geluidsopnames) heeft gemaakt. 3.22. Bij vonnis van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:4716) heeft de rechtbank Amsterdam op vordering van [geintimeerde] de vso met onmiddellijke ingang ontbonden en [appellant] veroordeeld om aan [geintimeerde] te betalen € 75.349.430,00, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend en heeft een deel van zijn thans voorliggende exhibitievordering ex artikel 843a Rv ook in die procedure ingesteld. In die procedure (hierna ook: de bodemprocedure (dossiernummer 200.334.293/01)) wordt eveneens vandaag uitspraak gedaan. 3.23. Op verzoek van [geintimeerde] heeft de deurwaarder bij exploot van 21 augustus 2023 [appellant] aangezegd dat hij verplicht is inlichtingen te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen ex artikel 475g Rv en heeft de deurwaarder [appellant] hiertoe gesommeerd. 3.24. Bij e-mail van 4 september 2023 heeft [appellant] aan de deurwaarder meegedeeld dat hij geen bronnen van inkomsten heeft als bedoeld in artikel 475g Rv en dat er “Voor het overige (…) geen plicht” bestaat “u te informeren over de vijf categorieën en breed omschreven (en dus niet gespecificeerde) vermogensbestanddelen genoemd in uw aanzegging [aanspraken jegens banken, kasstromen, debiteuren, intellectuele eigendomsrechten en overige activa; toevoeging hof] , temeer nu ik niet woon in Nederland maar in Qatar”. 3.25. Begin september 2023 heeft [appellant] conservatoir bewijsbeslag gelegd onder [naam 3] en [naam 2] en conservatoir derdenbewijsbeslag onder de Staat der Nederlanden op strafvorderlijk in beslag genomen gegevensdragers. Vervolgens heeft [appellant] inzage in de bij [naam 3] en [naam 2] in beslag genomen gegevens gevorderd in een kort geding tegen hen bij de rechtbank Overijssel. 3.26. Bij vonnis van 17 november 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:4698) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel de inzagevordering van [appellant] toegewezen. Ook heeft de voorzieningenrechter [naam 3] bevolen om de naam en functie van de persoon bekend te maken van wie [naam 3] direct en/of indirect opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van (delen van) de lastercampagne tegen [appellant] en alle bescheiden die [naam 3] in dat verband tot zijn beschikking heeft of kan krijgen aan [appellant] te verstrekken. 3.27. Naar aanleiding van dit vonnis heeft [naam 3] op 23 november 2023 een uitgebreide schriftelijke verklaring ondertekend, waarin staat dat niemand hem direct of indirect opdracht heeft gegeven voor het voeren van enige lastercampagne jegens [appellant] en dat een op 4 februari 2020 opgenomen gesprek tussen hem en [appellant] een “toneelstukje” was tegen betaling door [appellant] . 3.28. Bij arrest van 19 december 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:10752) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verstek-arrest van 4 oktober 2022 bekrachtigd waarin is geoordeeld dat [naam 2] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van de lastercampagne geleden schade. 3.29. Bij arrest van 9 januari 2024 heeft het hof het vonnis van 13 april 2022 (rov. 3.20), waarin voor recht is verklaard dat [naam 3] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de lastercampagne, bekrachtigd. 3.30. Het Openbaar Minis De procedure in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep vorderingen 4.4. [appellant] concludeert in principaal hoger beroep het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen te vernietigen en heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. [appellant] vordert in hoger beroep: 4.5. a) [geintimeerde] te bevelen om binnen zeven dagen na arrest aan [appellant] afschriften te verstrekken van: i. i) de geluidsopnames van [geintimeerde] gesprekken met [naam 2] op 2 en 18 december 2017; ii) alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook, daaronder begrepen communicatie via a) [geintimeerde] familie, b) zijn vennootschappen, waaronder in ieder geval i) alle entiteiten die deel uitmaken van de [groep 2] , ii) alle entiteiten die in een groep verbonden zijn met [bedrijf 4] en iii) de beoogde joint venture vennootschappen [bedrijf] , [naam 4] en [naam 5] , of c) de werknemers van één van zijn vennootschappen, waaronder in ieder geval de heren i) [naam 6] (zowel in persoon als via zijn vennootschap [bedrijf 3] ), ii) [naam 7] , iii) [naam 8] , iv) [naam 9] , v) [geintimeerde] (in hoedanigheid van werknemer) en vi) zijn woordvoerder(s), dan wel via enig ander kanaal, met [naam 2] , [naam 3] en (de voormalig personal assistent van [appellant] ) [naam 10] (hierna: [naam 10] ); iii) alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook, daaronder begrepen communicatie via [geintimeerde] familie, vennootschappen of werknemers, waaronder in ieder geval de hiervoor onder a)ii) genoemde vennootschappen en werknemers, dan wel via enig ander kanaal, die betrekking heeft op de lastercampagne tegen [appellant] , met wie dan ook, maar in ieder geval met de heren i) [naam 6] , ii) [naam 7] , iii) [naam 8] , iv) [naam 9] , v) [geintimeerde] zoons, vi) [naam 11] , vi) [geintimeerde] woordvoerder(s), vii) [naam 3] , viii) [naam 2] , ix) [naam 10] , x) [naam 12] , xi) [naam 13] van Quote, waaronder in ieder geval de heren [naam 14] en [naam 15] , xii) [naam 1] , xiii) [naam 16] , xiv) [naam 17] , xv) [naam 18] en xvi) [naam 19] ; b) te bepalen dat [geintimeerde] voor iedere overtreding van een gevorderd gebod onder a) hierboven een onmiddellijke en niet voor compensatie vatbare dwangsom verbeurt van € 500.000,00 te vermeerderen met een dwangsom van € 250.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt tot een maximum van € 5.000.000,00; c) [geintimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van € 1.605,00 voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling, te weten 26 augustus 2024; en d) [geintimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.6. In principaal hoger beroep concludeert [geintimeerde] primair het bestreden vonnis in conventie te bekrachtigen en subsidiair voor zover een of meer vorderingen van [appellant] worden toegewezen, te bepalen dat [geintimeerde] aan die veroordelingen moet voldoen binnen een week nadat [appellant] heeft voldaan aan de veroordelingen in incidenteel hoger beroep. In incidenteel hoger beroep concludeert [geintimeerde] het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen te vernietigen. Ook [geintimeerde] heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. [geintimeerde] vordert in hoger beroep: 4.7. [appellant] te veroordelen om, binnen vier weken na dit arrest, afschrift te verstrekken van: primair: een opgave per een peildatum (zijnde vier weken na het arrest) van de omvang, samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen, waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en buitenlandse vennootschappen, een en ander voorzien van een goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant. Daarbij dienen de voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen steeds afzonderlijk en voldoende gespecificeerd te worden weergegeven; subsidiair: inlichtin [appellant] vordert inzage in bewijsmateriaal om een door hem gesteld onrechtmatig handelen van [geintimeerde] vanwege zijn betrokkenheid bij de lastercampagne te kunnen aantonen alsook om inzicht te krijgen in (de aard en omvang van) het onrechtmatig handelen van [naam 2] en [naam 3] in het kader van schadestaatprocedures van [appellant] tegen [naam 2] en [naam 3] ter zake de lastercampagne. Ingevolge het bepaalde in 6 onder e Rv is de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Deze bijzondere bevoegdheid wordt in het algemeen, analoog aan de gelijkluidende bijzonder bevoegdheid van artikel 7 aanhef en lid 2 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis) en artikel 5 lid 3 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EVEX II-Verdrag), zo uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade indien het centrum van de belangen van de getroffene zich in Nederland bevindt, en dat de Nederlandse rechter indien dit niet het geval is, slechts kennis kan nemen van een vordering betreffende schade die is veroorzaakt in Nederland. Al in eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat het centrum van zijn belangen zich destijds in Amsterdam bevond. Zo voerde [appellant] destijds veel beroepsmatige activiteiten uit in en rondom Amsterdam en hielden aan hem gelieerde vennootschappen daar kantoor. [geintimeerde] heeft dit niet althans onvoldoende weersproken. Bovendien wijst het in het kader van de lastercampagne inschakelen van Quote en het benaderen van werknemers van bij voormelde vennootschappen werkzame werknemers op schade veroorzaakt in Nederland. 4.12. De vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie van [geintimeerde] hebben betrekking op diens verhaalspositie in verband met de terugbetaling van de leningen door [appellant] . Het merendeel van de tussen [geintimeerde] c.s. en [appellant] gesloten leningsovereenkomsten bevatten een forumkeuze voor de Nederlandse rechter voor “disputes in connection with or arising from this Agreement” . Naar het voorshandse oordeel van het hof valt niet in te zien dat het onderhavige kort geding niet onder deze ruim geformuleerde forumkeuze valt. De vorderingen van [geintimeerde] houden - anders dan [appellant] betoogt - immers wel degelijk verband met en vinden hun oorsprong in de leningsovereenkomsten. Voor zover de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet reeds uit deze forumkeuze volgt (artikel 8 lid 1 Rv, artikel 23 lid 1 EVEX II-Verdrag en/of artikel 25 lid 1 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis), geldt het volgende. Krachtens uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest in de bodemprocedure op heden dient [appellant] aan [geintimeerde] de leningen ad € 75.349.430,00 terug te betalen, vermeerderd met contractuele rente en boeterente. De vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie houden verband met de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In geschillen over tenuitvoerlegging is de rechter in de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 24 lid 5 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis, artikel 22 lid 5 EVEX II-Verdrag en/of artikel 438 lid 1 Rv. Bovendien oordeelt het hof bij voormeld arrest in de bodemprocedure op heden dat sprake is van onrechtmatig handelen van [appellant] jegens [geintimeerde] . De vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie zijn gebaseerd op dit onrechtmatig handelen van [appellant] . Blijkens het strafdossier hebben meerd In incidenteel hoger beroep komt het hof in de bodemprocedure tot het oordeel dat sprake is van bedrog aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de besteding van de door hem van [geintimeerde] geleende gelden, dat het beroep van [geintimeerde] op vernietiging van de vso wegens bedrog gehonoreerd dient te worden, dat met de gegrondbevinding van het beroep op bedrog het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant] vaststaat en dat zijn aansprakelijkheid jegens [geintimeerde] voor de dientengevolge geleden schade daarmee gegeven is. In principaal hoger beroep ligt in de bodemprocedure de vraag naar betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne voor. De onderbouwing door [appellant] van de door hem gestelde betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne is in die procedure vooral gebaseerd op de door [appellant] in het onderhavige kort geding kort aangestipte aanwijzing door [naam 3] van [geintimeerde] als opdrachtgever voor de lastercampagne, op transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] en op de gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 2 en 18 december 2017, waar [appellant] ook in dit kort geding op ingaat. Het hof komt in de bodemprocedure tot het oordeel dat enige betrokkenheid of verantwoordelijkheid van [geintimeerde] bij/voor de lastercampagne niet is komen vast te staan. Het hof motiveert dat oordeel in de bodemprocedure voor zover betrekking hebbend op de aanwijzing van [geintimeerde] als opdrachtgever door [naam 3] en op de transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] met de volgende verkort weergegeven overwegingen: - [appellant] wijst op een transcriptie van een telefoongesprek tussen hem en [naam 3] van 4 februari 2020, waaruit valt op te maken dat [naam 3] al in april 2017 is benaderd om [appellant] ‘kapot te maken’, dat [geintimeerde] hem daartoe indirect opdracht heeft gegeven tegen betaling van € 750.000,00 en dat [naam 3] bewijs hiervan heeft. Volgens [appellant] heeft hij met [naam 3] afgesproken dat [naam 3] dit bewijs aan hem zou verstrekken tegen onder meer een aanbetaling van € 135.000,00, maar heeft [naam 3] na betaling het bewijs nooit verstrekt. - Het hof stelt vast dat [naam 3] niet consistent is in zijn verklaringen. Bij vonnis in kort geding van 17 november 2023 is [naam 3] veroordeeld om bekend te maken van wie hij opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van de lastercampagne. [naam 3] heeft daarop bij schriftelijke verklaring van 17 november 2023 verklaard: “(…) Er is geen naam en functie van een persoon/personen en/of entiteiten. Want niemand heeft mij opdracht gegeven om [appellant] te lasteren, dan wel een lastercampagne tegen hem te beginnen. Niemand, houdt dus ook echt in niemand! Ook niet [geintimeerde] . (…) Dit is mijn verklaring. Dit blijft mijn verklaring, en ik zal er geen woord van terug nemen. Dit is de waarheid.” Ook staat in deze verklaring dat van de zijde van [appellant] eind december 2019 aan [naam 3] het voorstel is gedaan dat [naam 3] zal verklaren dat [geintimeerde] de opdrachtgever was, tegen betaling van € 685.000,00 en onder intrekking van alle procedures van [appellant] tegen [naam 3] , dat het gesprek in februari 2020 waarop [appellant] zich beroept een “toneelstukje” was en dat [naam 3] een aanbetaling heeft ontvangen van € 135.000,00. Gelet op de inconsistenties zijn de verklaringen van [naam 3] zodanig onbetrouwbaar dat van de juistheid daarvan geenszins kan worden uitgegaan. Daarbij betrekt het hof dat niet goed valt in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen. Het is bovendien niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen pe [geintimeerde] begreep althans had moeten begrijpen dat [naam 2] dit zou opvatten als een aansporing vooral door te gaan met zijn onderzoek en andere lasterlijke activiteiten. [geintimeerde] en [appellant] sloten vervolgens de vso, waarin [geintimeerde] verschillende voor hem zeer gunstige voorwaarden bedong en aldus profiteerde van de sterke onderhandelingspositie die hij genoot vanwege de lastercampagne (en mogelijk van de informatie die hij van [naam 2] ontving). [geintimeerde] verzweeg bovendien moedwillig dat hij zich ervan bewust was dat [naam 2] betrokken was bij de lastercampagne en berichtgeving in Quote, terwijl hij [appellant] zonder enige moeite of risico had kunnen waarschuwen. Hij ontnam [appellant] daarmee de kans om de laster (eerder) te stoppen en zijn schade te beperken. 4.25. Het hof stelt vast dat [naam 10] onder ede heeft verklaard dat zij [naam 2] op verzoek van [naam 3] (eind november 2017, zo volgt uit het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 13 juli 2023 in een procedure van een onderneming van [appellant] tegen [naam 2] bij de rechtbank Amsterdam) in contact heeft gebracht met [geintimeerde] . Reeds hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van het hof - de hiervoor genoemde overwegingen van het hof in de bodemprocedure in mede aanmerking genomen - dat [geintimeerde] in elk geval niet als opdrachtgever van de lastercampagne kan worden aangemerkt. Het initiatief voor de ontmoeting met [naam 2] werd immers genomen door [naam 3] en [naam 2] op een tijdstip dat de lastercampagne volgens [appellant] al een aanvang had genomen. 4.26. Het hof oordeelt als volgt. Bedoelde gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] vonden plaats na het kortgedingvonnis van 29 november 2017 en voor de ondertekening van de vso op 12 januari 2018 alsook voor het oriënterend gesprek van [geintimeerde] met de FIOD op 20 december 2018. Niet in geschil is dat tijdens deze gesprekken over [appellant] is gesproken en dat [naam 2] hierin beschuldigingen over [appellant] uitte. Aangenomen mag worden dat de gesprekken zijn gevoerd in een periode dat de verhoudingen tussen [appellant] en [geintimeerde] niet goed waren en dat [geintimeerde] in het licht van de onderhandelingen met [appellant] over de vso geïnteresseerd was in informatie over [appellant] . [geintimeerde] heeft naar eigen zeggen op 2 december 2017 dan ook tegen [naam 2] gezegd dat hij het idee dat [naam 2] onderzoek zou kunnen doen naar [appellant] om hem te helpen “wel interessant” vond. Hieruit volgt nog niet dat [geintimeerde] is ingegaan op het aanbod van [naam 2] om onderzoek te doen naar [appellant] , laat staan tegen betaling van een beloning. Dit valt - nog daargelaten de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 3] - ook niet op te maken uit het whatsappbericht van [naam 3] aan [naam 2] van 23 december 2017, inhoudende: “(…) Ik heb quote uitgesteld ivm volgende punten (…) 4) er komt toch een [nummer] paginas verhaal in paper blad. En nu online zou wel scoop weggeven. 5) alle info komt van mij, behalve [naam 22] . En die info gaf jij [geintimeerde] . (…)” en/of uit (het transcript van) het audiobericht van [naam 3] aan [naam 2] van 2 december 2017, luidende: “(…) Wij, jij en ik hebben samen jouw gesprek voorbereid. Dat is gewoon goed gegaan. Drie doelen: algemeen belang, [geintimeerde] belang, jouw belang. Nou, dat ging perfect. Je hebt een baan aangeboden gekregen, security en wat wil je verdienen. Daarnaast heeft ie gezegd, de special projects lumpsum. Dus nu stap twee. Objective: contract tekenen. Volgende week op het werk erop en mij aankondigen. Dan stap drie: ik gesprek en maar objective is ook daar binnenkomen. Wat ik wil is dat jij sowieso vast daar zit (…). Het idee is: dat jij vaste dingen doet, met je vast salaris alles voor jou en special projects gaan jij en ik als malle wereldwijd om hem te helpen. (…) En die winst of dat omzet wat aan ons genereert, splitten we samen. Dus jij hebt je vaste salaris, jouw ding. En als wij, als je spe Het tweede gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 18 december 2017, acht het hof in het licht van de onderhandelingen over de vso verklaarbaar, en ook deze ontmoeting betekent nog niet dat [geintimeerde] betrokken is geweest bij de lastercampagne. Dat [geintimeerde] tijdens dat gesprek aan [naam 2] heeft laten weten dat hij met [appellant] onderhandelde “over een regeling met betrekking tot het geld dat ik hem had geleend” , valt naar het voorshandse oordeel van het hof niet aan te merken als het delen van vertrouwelijke informatie met [naam 2] . Dat [geintimeerde] tijdens dat gesprek informatie van [naam 2] ontving, die volgens [naam 3] “goud” waard was voor [geintimeerde] , betekent niet dat het hier gaat om informatie ten nadele van [appellant] . Dat [geintimeerde] ook daarna nog geïnteresseerd was in informatie over [appellant] - en zo begrijpt het hof: ten nadele van [appellant] - en dat aan [naam 2] liet blijken, valt naar het oordeel van het hof niet op te maken uit de vraag “(hij vroeg hoe het met mij ging, hoe mijn zaak met d ervoor stond). En of ik nog nieuws had”. Voor zover het hof al belang hecht aan verklaringen van en gerelateerd aan [naam 3] , volgt uit door [appellant] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 veeleer dat het [naam 2] niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geintimeerde] in te plannen. 4.29. Gelet op het voorgaande merkt het hof op [appellant] niet te volgen in zijn stelling dat [geintimeerde] onjuist, ongeloofwaardig, tegenstrijdig en onvolledig verklaart over zijn vermeende betrokkenheid bij de lastercampagne en zijn contacten met [naam 3] en [naam 2] . Gelet op het tijdsverloop tussen de lastercampagne, de contacten met [naam 3] en [naam 2] en de verklaringen van [geintimeerde] acht het hof mogelijke verschillen en onvolledigheden in de verklaringen van [geintimeerde] zeer wel verklaarbaar. Van onjuiste, tegenstrijdige en onvolledige verklaringen is naar het voorshandse oordeel van het hof dan ook geen sprake. Het hof ziet binnen het beperkte kader van dit kort geding voorshands ook geen aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [geintimeerde] . 4.30. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof nergens uit dat [geintimeerde] door de lastercampagne een sterke onderhandelingspositie had, laat staan dat hij daarvan heeft geprofiteerd. Dat [appellant] mogelijkerwijs toezeggingen heeft gedaan, omdat hem er veel aan gelegen was om de lastercampagne te beëindigen en hij meende daartoe een publiekelijke verklaring van [geintimeerde] dat van oplichting geen sprake was nodig te hebben, kan [geintimeerde] niet worden toegerekend. 4.31. Voor zover [appellant] een verband ziet tussen het klappen van de samenwerking tussen hem en [geintimeerde] en het daarna door [geintimeerde] aangespannen kort geding enerzijds en de aanvang van de lastercampagne anderzijds, tussen de afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde] in dat kort geding enerzijds en de eerste online GABME-laster anderzijds, tussen de eerste online GABME-laster enerzijds en het eerste gesprek van [geintimeerde] en [naam 2] anderzijds en tussen het eerste gesprek van [geintimeerde] en [naam 2] enerzijds en het eerste bericht over het geschil tussen [geintimeerde] en [appellant] in Quote anderzijds en hierin een aanwijzing ziet voor betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne, volgt het hof [appellant] hierin niet. Zoals in de bodemprocedure overwogen, valt niet goed in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen. 4.32. Naar het oordeel van het hof is in dit kort geding de door [appellant] aan [geintimeerde] verweten onrechtmatige daad vanw Vast staat dat [appellant] conservatoir (derden)bewijsbeslag heeft laten leggen onder [naam 3] en [naam 2] , dat [appellant] een inzagevordering heeft ingesteld en dat hij na toewijzing daarvan in december 2023/januari 2024 de beschikking heeft gekregen over een groot deel van de gegevensdragers van [naam 2] en [naam 3] en daarmee over ongeveer 300.000 bescheiden van [naam 3] en [naam 2] . Uit de verklaringen van [geintimeerde] over de gesprekken op 2 en 18 december 2017 valt op te maken dat [naam 2] te kennen heeft gegeven dat [appellant] een oplichter was, dat [naam 2] ontkende iets te maken te hebben met het feit dat [geintimeerde] door Quote werd benaderd over het geschil met [appellant] en dat hij aangaf niet te weten wie Quote voedde met informatie over dit geschil. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen. Hiervoor heeft het hof overwogen dat uit door [appellant] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 valt op te maken dat het [naam 2] niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geintimeerde] in te plannen. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de geluidsbanden, naast de informatie waarover [appellant] op grond van de ongeveer 300.000 voormelde bescheiden al beschikt, nieuwe informatie bevatten die relevant kan zijn in het kader van schadestaatprocedures tegen [naam 2] en [naam 3] . [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een noodzakelijk bewijsbelang heeft bij de door hem gevorderde inzage in de geluidsbanden en dat een behoorlijke rechtsbedeling zonder verschaffing van de geluidsbanden opnames niet is gewaarborgd. conclusie 4.43. Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [appellant] tot inzage zal worden afgewezen. Voorts in incidenteel hoger beroep vordering tot het verstrekken van informatie 4.44. Met grief 2 komt [geintimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot het verstrekken van informatie onder meer ex artikelen 475g Rv en 475aa Rv. 4.45. Het hof stelt voorop dat een schuldenaar in beginsel verplicht is een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Hoever deze op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting in een voorliggend geval reikt, hangt af van de concrete omstandigheden van dat geval. Bij het bepalen van de (reikwijdte van de) verplichting dient de rechter zich er rekenschap van te geven dat het wettelijk stelsel van informatie- en verantwoordingsverplichtingen niet wordt doorkruist (HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, [namen] ). De informatieplicht van de schuldenaar kan verder strekken naarmate er aanwijzingen zijn dat de schuldenaar vermogensbestanddelen heeft onttrokken aan verhaal (Gerechtshof Amsterdam 21 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492). 4.46. Deze algemene, op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde, informatieplicht is in artikel 475g Rv uitgewerkt voor de situatie dat een deurwaarder beslag wenst te leggen. Dit artikel bevat de verplichting voor de schuldenaar om zijn bronnen van inkomsten op te geven. Dit artikel verplicht de schuldenaar niet om naast zijn bronnen van inkomsten ook van zijn vermogen opgave te doen (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1776). Ook is deze algemene informatieplicht uitgewerkt in artikel 475aa Rv, krachtens welke bepaling een schuldenaar verplicht dient op te geven welke bank geldmiddelen van hem onder zich heeft. 4.47. Vast staat dat [appellant] tot op heden zijn betalingsverplichting aan [geintimeerde] niet nakomt. [appellant] betwist niet dat hij verplicht is tot betaling aan [geintimeerde] , maar betoogt niet bij machte te zijn om te betalen en bereid te zijn tot betaling zodra hij daartoe in staat is. Alleen al vanwege de door [appellant] te betalen advocaatkosten in de diverse procedures en in meerdere instanties tussen partijen acht het hof het ongeloofwaardig dat [appellant] niet Het rechtmatig belang van [geintimeerde] is daarmee gegeven. Aan de drie cumulatieve vereisten voor toewijzing van een vordering tot inzage is voldaan. 4.54. Het gaat hier echter om bescheiden die onderdeel uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek en/of het strafdossier, te weten: bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB), ambtshandelingen (AMB) en stukken die in het kader van de opsporing zijn verkregen of door de FIOD zijn opgesteld (DOC). De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) bevat bepalingen over de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Wjsg en ook de Wet politiegegevens (Wpg) gaan uit van een gesloten verstrekkingsregime in die zin dat de op grond van die wetten verkregen gegevens alleen worden verstrekt aan anderen als die wetten dit bepalen. Hoewel de burgerlijke rechter, zo lang het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, er verstandig aan doet terughoudend te zijn met bewijsverrichtingen ter zake van feiten die voorwerp van aandacht zijn in de strafzaak (PHR 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594), staan de regelingen van de Wpg en Wjsg echter niet in de weg aan het moeten verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel op grond van artikel 843a (oud) Rv. Wel kunnen de overwegingen, die onder de Wpg of Wjsg tot de uitkomst leiden dat met betrekking tot bepaalde gegevens geen recht bestaat op verstrekking, gewichtige redenen opleveren als bedoeld in artikel 843a lid 4 (oud) Rv. In dat geval behoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden gegeven (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273). 4.55. [appellant] voert aan dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond. Volgens [appellant] verzet het onderzoeksbelang zich tegen verstrekking van de bescheiden aan [geintimeerde] . Hij wijst daartoe op de ‘Aanwijzing Wjsg’. Deze bepaalt dat “wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt” . [geintimeerde] heeft echter onweersproken gesteld dat er nog één getuige dient te worden gehoord, waarna de strafzaak door de Officier van Justitie bij de strafrechter zal worden gebracht en dat de Officier van Justitie dus heeft besloten [appellant] te gaan vervolgen. Ervan uitgaande dat de nog te horen getuige niet [geintimeerde] is, acht het hof bij die stand van zaken doorkruising van het wettelijk stelsel niet aannemelijk. [appellant] voert verder aan dat de vordering van [geintimeerde] de bevoegdheid en beslissingen van het Openbaar Ministerie doorkruist. Het Openbaar Ministerie heeft in een eerdere fase (2020/2021 en 2023) van het strafrechtelijk onderzoek het verzoek van [geintimeerde] om inzage in het gehele strafdossier afgewezen en [appellant] heeft met het Openbaar Ministerie procedurele afspraken gemaakt over een eventuele aanvullende verstrekking. Dit staat echter, wat hier ook van zij, niet in de weg aan een vordering tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv. Dat volgens [appellant] in de eerdere afwijzing ook ‘strafrechtelijke opsporings- en vervolgingsbelangen’ zijn meegewogen, maakt dit niet anders. Daarbij betrekt het hof dat de eerdere afwijzingen plaatsvonden in een eerdere fase van het strafrechtelijk onderzoek en dat ten aanzien van de individuele bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd niet gesteld of gebleken is dat hiermee thans het wettelijk stelsel wordt doorkruist. 4.56. Wel kunnen overwegingen die onder de Wjsg en Wpg tot de uitkomst leiden dat geen recht op verstrekking bestaat een gewichtige reden in de zin van artikel 843a lid 4 (oud) Rv opleveren. [appellant] voert in dat verband aan dat [geintimeerde] eerder de voorwaarden van verstrekking heeft geschonden, dat de gevorderde documenten gevoelige gegevens bevatten van [appellant] en derden, dat [geintimeerde] bij toewijzing niet gebonden is aan een strafrechtelijk gesanctioneerde geheimhoudingsplicht en dat [geintimeerde] van plan is deze stukken in te zetten in nieuwe procedures tegen derde partijen. Hieraan gaat het hof bij gebreke van enige Voorts in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep spoedeisend belang 4.63. Tot slot geldt voor in kort geding ingestelde inzage- en informatievorderingen als voor iedere voorziening in kort geding, dat de eisende partij bij toewijzing spoedeisend belang dient te hebben. Met de grieven 3 respectievelijk 1 komen [appellant] respectievelijk [geintimeerde] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij geen spoedeisend belang bij hun respectieve inzage- en informatievorderingen hebben. 4.64. Reeds doordat aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen [appellant] en [geintimeerde] en aan het vereiste van een rechtmatig belang bij de vordering tot inzage van [appellant] met betrekking tot [naam 3] en [naam 2] niet is voldaan, ontbreekt het [appellant] ook aan spoedeisend belang. 4.65. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat [geintimeerde] met betrekking tot zijn vorderingen tot inzage en tot het verstrekken van informatie weinig voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft [geintimeerde] na de e-mail van 4 september 2023, waarin [appellant] aan de deurwaarder heeft meegedeeld dat hij geen bronnen van inkomsten heeft als bedoeld in artikel 475g Rv en dat er voor het overige geen sprake is van een informatieplicht, eerst na het bestreden vonnis in het onderhavige kort geding opnieuw actie ondernomen ter verkrijging van informatie. Het hof ziet hierin evenwel onvoldoende grond om aan te nemen dat een spoedeisend belang bij de vorderingen ontbreekt. Gelet op de aard van het gevorderde, de omstandigheid dat [appellant] tot op heden niets op de geldleningen heeft afgelost en verhaal door [geintimeerde] al van aanvang aan frustreert, kan [geintimeerde] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie niet worden ontzegd. Dat [geintimeerde] door middel van deze vorderingen slechts ‘terug wil slaan’ acht het hof gelet op het belang van [geintimeerde] bij zijn vorderingen niet aannemelijk. bewijslevering 4.66. [appellant] heeft een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Het hof ziet geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. slotsom 4.67. De slotsom is dat de grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep falen. De grieven van [geintimeerde] in het incidenteel hoger beroep slagen. Het vonnis in conventie zal worden bekrachtigd en het vonnis in reconventie zal worden vernietigd. De vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie van [geintimeerde] zullen worden toegewezen als hierna in het dictum vermeld. uitvoerbaarheid bij voorraad 4.68. [appellant] verzet zich tegen de door [geintimeerde] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof verwerpt dit verweer na afweging van de wederzijdse belangen en neemt daarbij in aanmerking dat [geintimeerde] na jaren een titel tot verhaal krijgt. proceskosten 4.69. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie. Ook zal het hof [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep en de kosten van het incidenteel hoger beroep. 4.70. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast: - salaris advocaat rechtbank reconventie € 1.107,00, - nakosten € 100,00 (gelet op de veroordeling in de nakosten in conventie ad € 178,00), - totaal eerste aanleg reconventie: € 1.207,00. - griffierecht hof € 349,00, - salaris advocaat hof principaal hoger beroep € 2.428,00 (2 punten × appeltarief € 1.214,00), - salaris advocaat hof incidenteel hoger beroep € 1.214,00 (2 punten × appeltarief € 1.214,00 x 0,5), - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld), - totaal hoger beroep: € 4.169,00. 4.71. Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld. 5 Beslissing Het hof: recht doende in kort ge