Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-20
ECLI:NL:GHAMS:2026:137
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team handel zaaknummer: 200.334.192/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar: C/15/318039/ HA ZA 21-374 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026 inzake [appellant] , gevestigd te [plaats 1] , appellante, advocaten: mr. E.J.H. Gielen en mr. A.M.A. Canta te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , gevestigd te ‘ [plaats 2] , geïntimeerde, advocaten: mr. P.P.M. van Kippersluis, mr. C.D.E. Scholte en mr. F. van der Lecq te ’s-Gravenhage. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1 Kort na het uitbreken van de Covid 19 pandemie heeft [geïntimeerde] bij [appellant] bestellingen tot een totaal van achttien miljoen mondmaskers en zes miljoen clips gedaan. De koopprijs van de maskers bedroeg 56,3 miljoen euro, waarvan [geïntimeerde] 45 miljoen euro heeft aanbetaald. Nadat er tussen hen discussie was ontstaan over de kwaliteit van de door [appellant] geleverde maskers, hebben partijen nader afgesproken dat [appellant] deze zou terugnemen en 17,5 miljoen nieuwe maskers zou leveren voorzien van een CE-certificering. [appellant] heeft vervolgens vier miljoen maskers geleverd die [geïntimeerde] heeft afgekeurd. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst in mei 2021 grotendeels – een geaccepteerde partij van 500.000 maskers en de clips uitgezonderd – buitengerechtelijk ontbonden. 1.2 In deze procedure vordert [geïntimeerde] een bedrag van ruim 43 miljoen euro terug van [appellant] ter ongedaanmaking van de ontbonden koopovereenkomst. [appellant] eist nakoming van die overeenkomst en betaling van het restant van de koopsom. De rechtbank heeft de ontbinding rechtsgeldig bevonden. Zij heeft vordering van [geïntimeerde] toegewezen en die van [appellant] afgewezen, met uitzondering van een bedrag van € 79.800,00 ter zake van nog niet betaalde clips. Alleen [appellant] is in hoger beroep gegaan. Het hof komt tot dezelfde oordelen als de rechtbank en bekrachtigt het door haar gewezen vonnis. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] is bij dagvaarding van 17 maart 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde. 2.2 Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; - een akte wijziging van eis tevens houdende producties van [appellant] ; - een akte houdende overlegging producties van [geïntimeerde] ; - een akte houdende bezwaar tegen eiswijziging tevens houdende overlegging nadere productie van [geïntimeerde] . 2.3 Op 12 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. 2.4 Ten slotte is arrest gevraagd. 2.5 [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de, bij niet tijdige betaling met wettelijke rente te vermeerderen, proceskosten waaronder de nakosten. 2.6 [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten. 2.7 Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3 Feiten De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.30 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Die feiten zijn, met inachtneming wat [appellant] daartegen met haar grief 2 heeft ingebracht, hieronder met enige aanvullingen weergegeven en dienen ook het hof tot uitgangspunt. 3.1 [appellant] levert producten voor luchtbehandeling en luchtverkoeling, en daarnaast ook persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals mondmaskers. 3.2 [geïntimeerde] had vanwege de uitbraak van In een e-mail van 29 april 2020 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] laten weten dat een aantal van deze mondmaskers na het testen daarvan niet bleek te voldoen aan de zogenoemde kwaliteitseis FFP2 (klasse twee filterefficiëntie van de Filtering Face Piece ), en overigens ook niet aan de kwaliteitseis FFP1. 3.13 [appellant] heeft [geïntimeerde] in een brief van 18 mei 2020 voorgehouden dat beide partijen vanwege de gevoerde discussies over de kwaliteit van de mondmaskers gebaat zijn bij het spoedig bereiken van een oplossing. [appellant] heeft om die reden aangeboden om onder bepaalde voorwaarden 17.250.000 nieuwe mondmaskers te leveren die “CE-gecertificeerd zullen zijn volgens Richtlijn 2016/425 (inzake Personal Protection Equipment)” . 3.14 [geïntimeerde] heeft met een brief van 22 mei 2020 het voorstel van [appellant] afgewezen en [appellant] in gebreke gesteld. Daarbij heeft [geïntimeerde] gesteld dat de eerdere leveringen van de mondmaskers zowel in aantal als in kwaliteit achterbleven bij wat was overeengekomen. [geïntimeerde] heeft ook meegedeeld 574.300 mondmaskers te behouden, ter waarde van een bedrag van € 2.010.050,00, en heeft [appellant] gesommeerd om uiterlijk 5 juni 2020 het resterende aantal van 17.425.700 mondmaskers van het type FFP2/KN95/N95 te leveren. 3.15 [appellant] heeft [geïntimeerde] in een brief van 3 juni 2020 laten weten dat zij 17.500.000 geheel nieuwe mondmaskers had besteld bij haar leverancier in China. Daarbij heeft [appellant] vermeld dat deze mondmaskers van het merk [naam 1] zijn, die vooraf door onderzoeksorganisatie TNO zijn gecontroleerd en die zijn voorzien van een CE-certificering door een zogeheten notified body , Universal Certification. [appellant] heeft voor de levering van die nieuwe mondmaskers een schema opgesteld, met als laatste leverdatum 16 juli 2020, waarbij is opgemerkt dat dit schema bedoeld is “als richtlijn” . [appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht zijn medewerking te verlenen aan deze oplossing. 3.16 [geïntimeerde] heeft in een e-mail van 4 juni 2020 geantwoord bereid te zijn om af te zien van het inroepen van de rechtsgevolgen van de ingebrekestelling in eerdergenoemde brief van 22 mei 2020, zolang [appellant] zich houdt aan het door [appellant] als indicatief bestempelde leveringsschema genoemd in de brief van 3 juni 2020 van [appellant] , met als laatste leverdatum 16 juli 2020. 3.17 Verder heeft [geïntimeerde] in de e-mail van 4 juni 2020 als volgt gereageerd: “Uiteraard dient ook het product kwalitatief te voldoen. U heeft ten aanzien daarvan opgemerkt dat het door u bestelde product “vooraf door TNO [is] gecontroleerd en bovendien voorzien van een CE certificering door een Nando traceerbare notified body”. En volgens u zou er geen enkele ruimte zijn voor discussie over de kwaliteit. Ik begrijp uw opmerking aldus dat volgens u er geen aanleiding zal zijn voor een kwaliteitsdiscussie. Dat hoop ik van ganser harte want dat betekent namelijk dat de producten de kwaliteitscheck met goed gevolg zullen doorstaan. Zoals u bekend zullen de mondmaskers na levering (steeksproefgewijs) getest worden of deze inderdaad de eigenschappen hebben die deze volgens de EN 149 zou moeten hebben.” 3.18 Op 4 juni 2020, 5 juni 2020, 6 juni 2020, 10 juni 2020, 11 juni 2020 en 18 juni 2020 heeft [appellant] mondmaskers van het merk [naam 1] geleverd (deze levering zal hierna ook wel worden aangeduid als ‘de tweede tranche’). 3.19 Op 14 juni 2020 en 20 juni 2020 heeft [appellant] de eerste levering van de mondmaskers van het merk [naam 1] (‘de tweede tranche’), in totaal ongeveer vier miljoen mondmaskers, gefactureerd. [appellant] heeft [geïntimeerde] daarbij verzocht om 20% van het resterende totaalbedrag te betalen, te weten € 875.000,00 binnen twee werkdagen (factuur 100506) en € 1.760.000,00 binnen vijf dagen (factuur 100508). 3.20 [geïntimeerde] heeft [appellant] met een brief van 17 juni 2020 laten weten dat het kwaliteitscentrum de filterkwaliteit van de door [appellant] op 5 ju De overeenkomst ten aanzien van de levering van de hiervoor vermelde 574.300 mondmaskers is niet ontbonden en [geïntimeerde] heeft laten weten dat zij die mondmaskers wil behouden. [geïntimeerde] heeft [appellant] gesommeerd een groot deel van het betaalde voorschot terug te betalen, te weten een bedrag van € 43.444.950,00. [appellant] heeft aan de sommatie van [geïntimeerde] geen gehoor gegeven en het door [geïntimeerde] genoemde bedrag niet terugbetaald. 3.30 [geïntimeerde] heeft op 7 juni 2021 beslag gelegd op rekeningen van [appellant] bij vier banken. [appellant] heeft in kort geding vergeefs gevorderd dat deze beslagen werden opgeheven. 3.31 [geïntimeerde] heeft in een andere procedure de (indirecte) bestuurders van [appellant] aangesproken tot schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij vonnis van 28 februari 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. [geïntimeerde] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld. Die zaak staat, in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure, voor memorie van grieven. 3.32 Partijen hebben over en weer inzage in stukken gevraagd op basis van het toenmalige artikel 843a Rv. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis in kort geding van 19 november 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] vrijwel geheel toegewezen en die van [appellant] afgewezen. In hoger beroep heeft dit hof, bij deelarrest van 13 januari 2025, dat vonnis bekrachtigd voor zover het zag op de door [geïntimeerde] gevorderde stukken waaruit, kort samengevat, kon worden afgeleid wat [appellant] heeft gedaan met de 1,2 miljoen door [geïntimeerde] teruggestuurde maskers uit de eerste tranche en met de tien miljoen, nog niet geleverde maskers uit de tweede tranche. Iedere andere beslissing werd aangehouden. 4 Eerste aanleg 4.1 [geïntimeerde] heeft in conventie gevorderd dat de rechtbank [appellant] veroordeelt om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 43.444.950,00 te betalen, met rente en kosten. [appellant] heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld die erop neerkomt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de resterende hoeveelheid mondmaskers af te nemen, en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de resterende koopsom voor de mondmaskers van € 11.275.000,00 en van de koopsom voor clipjes van in totaal € 459.800,00, met rente en kosten. 4.2 De rechtbank heeft in conventie de gevorderde hoofdsom van € 43.444.950,00 toegewezen en voorts [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de beslagkosten (€ 5.976,07), de buitengerechtelijke incassokosten (€ 6.775,00) en de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten in conventie (€ 11.639,65). In reconventie heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 79.800,00 aan koopsom voor clipjes, de buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.573,00) en de met wettelijke rente te vermeerderen proceskosten, een en ander desgewenst te verrekenen met de veroordeling in conventie. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar verklaard en voor het overige de vorderingen afgewezen. 5 Beoordeling 5.1 Ook in hoger beroep is de kernvraag of de door [appellant] geleverde maskers beantwoordden aan de overeenkomst met, bij een ontkennend antwoord, de vervolgvragen of 1) [appellant] in verzuim is geraakt en 2) de tekortkoming de gedeeltelijke ontbinding, zoals [geïntimeerde] die op 7 mei 2021 heeft ingeroepen, rechtvaardigt. Bij de beantwoording van deze vragen aan de hand van de daarop betrekking hebbende grieven 3 tot en met 10 zal, waar relevant, rekening worden gehouden met bijzondere tijd waarin de handelingen deels moeten worden geplaatst. Daarbij gaat het om de (nood)situatie tijdens het begin van de Covid 19-pandemie toen er een nijpend tekort was aan mondmaskers en [geïntimeerde] op korte termijn zoveel mogelijk mondmaskers probeerde in te kopen tegen (als gevolg van de schaarste) sterk gekregen prijzen e Partijen zijn het erover eens dat als de mondmaskers overeenstemmen met de productnorm EN 149, een ‘vermoeden van conformiteit’ geldt dat de mondmaskers voldoen aan de eisen van de PBM-Verordening voor FFP2-maskers voor filterkwaliteit en pasvorm (fit). Nu het gaat om een vermoeden stond het [geïntimeerde] vrij om de mondmaskers na ontvangst op hun deugdelijkheid en conformiteit aan deze voorschriften te (laten) testen. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] van dit recht afstand heeft gedaan of heeft toegezegd niet te zullen keuren, zoals [appellant] lijkt te betogen. In het e-mailbericht van [geïntimeerde] van 4 juni 2020 (zie hierboven onder 4.17) staat expliciet dat [geïntimeerde] de mondmaskers, naar [appellant] bekend is, zal keuren aan de hand van steekproeven. 5.6 De nadere afspraken zagen ook op de leveringstermijn. Het hof is het met de rechtbank eens dat [appellant] uiteindelijk heeft aanvaard dat het door [appellant] als richtlijn gepresenteerde afleveringsschema bindend de leveringsdata zou vastleggen, zodat de maskers uiterlijk 16 juli 2020 bij [geïntimeerde] zouden moeten zijn. [geïntimeerde] heeft in de communicatie naar aanleiding van de discussie over de eerste tranche meer dan eens benadrukt dat (zeker na de opgelopen vertraging) snelle levering essentieel was en duidelijk kenbaar gemaakt dat zij het voorstel van [appellant] alleen zou aanvaarden op voorwaarde dat [appellant] zich aan dat schema zou houden, waarbij hij de afhaaldata, zonder tegenbericht, opvatte als de datum waarop de maskers door [appellant] zouden worden geleverd. Hierop heeft [appellant] niet meer gereageerd en zij is de maskers gaan uitleveren. Daarmee heeft [appellant] , naar [geïntimeerde] heeft mogen aannemen, de voorwaarden van [geïntimeerde] – wellicht noodgedwongen – aanvaard. [geïntimeerde] wijst er, onweersproken, op dat de bestuurders van [appellant] dat in de parallelle procedure over hun aansprakelijkheid ook hebben erkend. Grief 3 wordt daarom verworpen. Conformiteit wat betreft filtratie en fit: de testen waarop partijen zich beroepen 5.7 [geïntimeerde] is de partij die in deze procedure moet stellen en bewijzen dat de mondmaskers die [appellant] ter uitvoering van de nadere afspraken heeft geleverd – de tweede tranche – niet voldeden aan de overeengekomen normen. [geïntimeerde] heeft daartoe naar voren gebracht dat zijn kwaliteitscentrum maskers uit veertien lots heeft getest waarbij van acht lots (met de nummers 1458, 1460, 1679, 1793, 1803, 1807, 1836 en 1984) de fit onvoldoende werd bevonden en van een lot (1808) de filtratie (‘ particle penetration’ ). Bij alle veertien lots was de conclusie dat de documentatie niet voldeed. Uit drie van die lots (1836, 1679 en 1458) heeft [geïntimeerde] vervolgens steeds negentien maskers voor een ‘second opinion’ gestuurd naar [bedrijf] , een ‘ notified body ’ in de zin van de PBM-Verordening. Ten aanzien van die drie lots concludeerde [bedrijf] , net als het kwaliteitscentrum, dat de fit onvoldoende was, aldus [geïntimeerde] . 5.8 [appellant] heeft in reactie hierop onder meer de betrouwbaarheid van de door het kwaliteitscentrum gehanteerde procedure bekritiseerd, ook nadat [geïntimeerde] met onder meer een rapport van Kalibra had onderbouwd dat die procedure aan de maat was. Volgens [appellant] is Kalibra niet onafhankelijk en heeft zij ook niet de feitelijke meetopstelling en testsituatie beoordeeld zoals [appellant] die zelf bij haar bezoek aan het kwaliteitscentrum heeft aangetroffen. Juist aan die testomstandigheden, waarbij steeds mensen in- en uitliepen, de temperatuur niet juist was gereguleerd en waxinelichtjes werden gebruikt, schortte het volgens [appellant] . Ook de verslaglegging schoot tekort en de testformulieren werden slordig ingevuld. Daarbij was het aantal onderzochte maskers te gering om representatief te zijn voor de geleverde partij, aldus, kort samengevat, [appellant] . 5.9 Uit deze bezwaren leidt het hof, anders dan [appellant] wil, niet af dat de testen van het Het verschil met de aan [geïntimeerde] gerapporteerde bevindingen is geen aanwijzing, laat staan een dwingende, dat het niet om maskers van [appellant] kan gaan. Ook in de foto’s in de [bedrijf] -rapporten – die in het geval van [geïntimeerde] niet heel duidelijk zijn – is geen aanwijzing voor (of tegen) die twijfel te vinden. Het gaat erom of voldoende gewaarborgd is dat [geïntimeerde] de door [appellant] geleverde maskers heeft laten testen – absolute zekerheid, zo al mogelijk, is niet nodig. [geïntimeerde] heeft in detail uiteengezet op welke wijze de maskers, die [geïntimeerde] van meerdere leveranciers binnenkreeg, werden ingeboekt, opgeslagen en getransporteerd en het hof is net als de rechtbank van oordeel dat dit systeem een afdoende waarborg biedt dat [geïntimeerde] zicht had op welke partij van welke leveranciers afkomstig was en dat de maskers van [appellant] door het kwaliteitscentrum zijn getest en nadien voor een second opinion naar [bedrijf] zijn gestuurd. Weliswaar is eenmalig een zending van een andere partij aan [appellant] toegeschreven (doordat abusievelijk haar naam is ingevuld op een formulier dat verder alle gegevens van die ander partij bevatte), maar die fout is nog geen reden om aan te nemen dat de administratie van [geïntimeerde] niet op orde en onbetrouwbaar zou zijn. Die onbetrouwbaarheid blijkt ook niet uit de correspondentie die [appellant] als productie 58 heeft overgelegd; die wijst er eerder op dat voordat de maskers naar [bedrijf] gingen nog eens goed is gekeken om welke maskers het ging. Het verschil tussen de op te sturen (veertig) en de geteste maskers (negentien) per lot is, anders dan [appellant] meent, evenmin een aanwijzing dat het om andere maskers gaat. Het hof ziet dan ook geen reden om te betwijfelen dat de testen van [geïntimeerde] betrekking hadden op de door [appellant] geleverde maskers. Wat [appellant] tegenover de onderbouwde stellingen van [geïntimeerde] heeft ingebracht, is onvoldoende om [geïntimeerde] met bewijs of [appellant] met tegenbewijs te belasten. 5.12 Aldus falen ook de grieven 4, 5 en 6 . De CE-certificering ontbreekt 5.13 De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] geleverde mondmaskers van het merk [naam 1] (de ‘tweede tranche’) ook niet aan de koopovereenkomsten beantwoordden vanwege het ontbreken van een deugdelijke CE-certificering en dat ook op dat punt sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomsten. Dat oordeel wordt door [appellant] met grief 7 vergeefs bestreden. Zoals in het door [geïntimeerde] overgelegde LCH-rapport wordt beargumenteerd, is het CE-certificaat niet tot de geleverde maskers te herleiden en kon geen EU-conformiteitsverklaring worden overgelegd. Dat op de maskers geen CE-markering was afgedrukt, blijkt ook uit de in dit geding ingebrachte foto’s – ook die van [appellant] zelf – en wordt door [appellant] ook erkend. Voor haar stelling dat het slechts om een klein aantal maskers gaat, is geen bewijs bijgebracht. Ook op de getoonde maskers uit de steekproef uit het magazijn van [geïntimeerde] ontbreekt de markering, zodat het hof het ervoor houdt dat in elk geval een zeer relevant deel van de maskers niet van deze markering was voorzien. Het hof verwijst verder naar de overwegingen onder 4.30 tot en met 4.33 van de rechtbank waarbij het zich aansluit en die het tot de zijne maakt. Klachtplicht niet geschonden 5.14 [appellant] is van mening dat [geïntimeerde] al zijn rechten inzake deze tweede tekortkoming heeft verspeeld omdat hij over deze tekortkoming niet tijdig heeft geklaagd, namelijk pas in de deze procedure, volgens [appellant] in de conclusie van antwoord in reconventie van 7 januari 2022. Het Hof is het daarmee niet eens. [geïntimeerde] wijst terecht erop dat [appellant] uit hoofde van de regelgeving ervoor heeft in te staan dat de mondmaskers die zij distribueert aan de vereisten van de PBM-verordening voldoen; zij had ook tegenover [geïntimeerde] uitdrukkelijk verklaard dat dit zo was. [appellan 5.19 Anders dan [appellant] aanvoert, is haar verzuim om tijdig te leveren niet het gevolg geweest van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend en is [geïntimeerde] niet in schuldeisersverzuim geraakt. [geïntimeerde] heeft, zo volgt uit de bovenstaande oordelen over de conformiteit, de nakoming niet verhinderd door ten onrechte mondmaskers uit de tweede tranche af te keuren. Om de door de rechtbank onder 4.48 van het eindvonnis genoemde redenen is het evenmin zo dat de tijdelijke problemen met de opslagcapaciteit van [geïntimeerde] debet zijn aan niet-nakoming en tot schuldeisersverzuim van [geïntimeerde] hebben geleid. Ook wat betreft het verwijt dat [geïntimeerde] door het niet tijdig betalen van de facturen in verzuim is geraakt sluit het hof zich aan bij de door de rechtbank gegeven oordelen en motivering. Het voegt daaraan nog toe [geïntimeerde] terecht aanvoert dat hij zich ten aanzien van de op 14 juni 2020 gefactureerde bedragen kon beroepen op opschorting, zolang de geleverde mondmaskers niet de overeengekomen kwaliteit bezaten. Indien [appellant] , zoals zij aanvoert, door het uitblijven die betalingen, niet in staat was om alle aangeboden 17,5 miljoen maskers in te kopen, komt dat voor haar rekening en risico. Het doet er niet aan af dat [geïntimeerde] redelijkerwijs heeft mogen opschorten. Uit dit alles volgt ook dat [appellant] op 6 juli 2020 niet meer bevoegd was om haar eigen verplichting tot nakoming op te schorten. 5.20 Grief 10 is daarom vergeefs voorgesteld. De ontbinding is gerechtvaardigd . 5.21 Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de ontbinding van het grootste deel van de overeenkomst op 7 mei 2021, gelet op alle omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd was. Dat geldt als alleen wordt uitgegaan van de gebrekkige fit en het niet tijdig leveren van de maskers, en dat geldt in nog sterkere mate wanneer ook de het ontbreken van de certificering daarbij wordt betrokken. Het gaat bij de tekortkomingen om elementen, kwaliteit en tijdigheid, die de essentie van de overeenkomst waren en die maakten dat [geïntimeerde] bereid was om tegen deze prijzen, en met voorfinanciering van 80% van de koopsom, de orders bij [appellant] te plaatsen en op basis van de nadere afspraken te handhaven. Om die reden staat ook de weigering van [geïntimeerde] om in te gaan op de door [appellant] gedane voorstellen in de periode juni 2020 tot mei 2021 niet aan de ontbinding in de weg. Op het moment dat [appellant] die voorstellen deed had [geïntimeerde] al voldoende maskers, lag de marktprijs een heel stuk lager en was afnemen tegen de door [appellant] aangeboden korting voor hem geen reële, economisch verantwoorde optie. De verplichting van [geïntimeerde] om rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van zijn wederpartij ( [appellant] ) ging niet zo ver dat hij op deze voorstellen behoorde in te gaan, hoe teleurstellend dat voor [appellant] ook geweest is. Van zijn kant heeft [geïntimeerde] bij het zoeken naar een oplossing erop aangedrongen dat [appellant] volledig inzicht zou geven in de besteding van het voorschot en alle gegevens over haar inkoop met [geïntimeerde] zou delen, zodat partijen samen zouden kunnen optrekken tegen de leverancier. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] dat niet of te weinig gedaan en dat is door [appellant] vervolgens onvoldoende weersproken. 5.22 Voor zover [appellant] zich er in dit verband op beroept dat de geleverde maskers wel conform waren, stuit dat wat betreft de tweede branche af op wat eerder werd overwogen. De hoge nood die op dat moment heerste betekende niet dat [geïntimeerde] minder zwaar aan de gebrekkige fit en certificering mocht tillen nu de filterkwaliteit (meer dan) toereikend was. [appellant] had zich zeer nadrukkelijk eraan gecommitteerd dat de maskers op alle fronten zouden voldoen aan de voorschriften. [geïntimeerde] hoefde daarom bij deze tranche er ook geen genoegen mee te nemen dat de pasvorm van de maskers met de clips nog