Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:1331
Strafrecht
Hoger beroep
7,430 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 text/xml public 2026-05-18T16:07:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 23-002039-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 text/html public 2026-05-18T16:02:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 23-002039-23 Diefstal afdeling strafrecht parketnummer: 23-002039-23 datum uitspraak: 12 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-181344-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair zij, in of omstreeks de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend opzettelijk een geldbedrag (136.852,67 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (partner van) de gemachtigde om de bankrekening van die [benadeelde partij] te beheren, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; subsidiair zij, in of omstreeks de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend een geldbedrag (136,852,67 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vrijspraak feit 1 primair Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft zich – voor wat betreft de bewezenverklaring – gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft bekend. Het hof is het met de advocaat-generaal eens dat er sprake is van diefstal, nu de verdachte zich een bedrag van € 136.852,67 wederrechtelijk heeft toegeëigend door dit geldbedrag op verschillende momenten en stapsgewijs over te boeken van de rekening van haar toenmalige schoonmoeder naar haar eigen bankrekening. Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair zij in de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend een geldbedrag (136.852,67 euro) dat toebehoorde aan [benadeelde partij] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft het hof verzocht de eis van de advocaat-generaal te volgen en daarbij rekening te houden met het feit dat de verdachte na dit feit niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, zij in een traject zit om werk te vinden en zij in staat is om een werkstraf uit te voeren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van geldbedragen van haar toenmalige schoonmoeder. Zij heeft op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van haar toegang tot de bankrekening van [benadeelde partij] , die zelf haar bankzaken niet meer kon regelen. Het geld was de opbrengst van de verkoop van de woning van [benadeelde partij] . Het hof neemt het de verdachte ten zeerste kwalijk dat zij zich kennelijk heeft laten leiden door hebzucht en gevoelens voor iemand met wie zij een ‘online-relatie’ had, en op een makkelijke manier aan geld wilde komen. De verdachte heeft gedurende een lange periode van ruim vijf maanden steeds weer geldbedragen van de rekening van [benadeelde partij] naar zichzelf overgeboekt, ten bedrage van in totaal € 136.852,67, en is niet uit zichzelf hiermee gestopt, maar ging ermee door totdat haar toegang tot die bankrekening werd geblokkeerd. De verdachte heeft klaarblijkelijk geen oog gehad voor de impact van zo’n diefstal binnen de familiesfeer of heeft zich hier niets aan gelegen laten liggen. Van enige vorm van spijtbetuiging blijkt niet. De brutaliteit en het misbruik van het in haar gestelde vertrouwen waarmee de verdachte het kwetsbare slachtoffer heeft bestolen, zorgt ook in de samenleving voor verontwaardiging. Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf verder gelet op de straffen die in fraudezaken (waarmee in dit specifieke geval de bewezenverklaarde diefstal – gezien het gemaakte misbruik van vertrouwen – kan worden vergeleken) plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het LOVS geeft als oriëntatiepunt bij een fraudebedrag van € 125.000,00 tot € 250.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. Gelet op de hoogte van het wederrechtelijk toegeëigende bedrag en de strafverzwarende omstandigheden – zoals hierboven uiteengezet – is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht daarbij een duur van negen maanden in beginsel passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 14 augustus 2020, de datum waarop de verdachte is aangehouden, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 22 februari 2023 vonnis gewezen.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 text/xml public 2026-05-18T16:07:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 23-002039-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 text/html public 2026-05-18T16:02:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1331 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 23-002039-23 Diefstal afdeling strafrecht parketnummer: 23-002039-23 datum uitspraak: 12 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-181344-20 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair zij, in of omstreeks de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend opzettelijk een geldbedrag (136.852,67 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (partner van) de gemachtigde om de bankrekening van die [benadeelde partij] te beheren, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; subsidiair zij, in of omstreeks de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend een geldbedrag (136,852,67 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vrijspraak feit 1 primair Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsman heeft zich – voor wat betreft de bewezenverklaring – gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft bekend. Het hof is het met de advocaat-generaal eens dat er sprake is van diefstal, nu de verdachte zich een bedrag van € 136.852,67 wederrechtelijk heeft toegeëigend door dit geldbedrag op verschillende momenten en stapsgewijs over te boeken van de rekening van haar toenmalige schoonmoeder naar haar eigen bankrekening. Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair zij in de periode van 6 januari 2020 tot en met 15 juni 2020 te Purmerend een geldbedrag (136.852,67 euro) dat toebehoorde aan [benadeelde partij] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft het hof verzocht de eis van de advocaat-generaal te volgen en daarbij rekening te houden met het feit dat de verdachte na dit feit niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, zij in een traject zit om werk te vinden en zij in staat is om een werkstraf uit te voeren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van geldbedragen van haar toenmalige schoonmoeder. Zij heeft op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van haar toegang tot de bankrekening van [benadeelde partij] , die zelf haar bankzaken niet meer kon regelen. Het geld was de opbrengst van de verkoop van de woning van [benadeelde partij] . Het hof neemt het de verdachte ten zeerste kwalijk dat zij zich kennelijk heeft laten leiden door hebzucht en gevoelens voor iemand met wie zij een ‘online-relatie’ had, en op een makkelijke manier aan geld wilde komen. De verdachte heeft gedurende een lange periode van ruim vijf maanden steeds weer geldbedragen van de rekening van [benadeelde partij] naar zichzelf overgeboekt, ten bedrage van in totaal € 136.852,67, en is niet uit zichzelf hiermee gestopt, maar ging ermee door totdat haar toegang tot die bankrekening werd geblokkeerd. De verdachte heeft klaarblijkelijk geen oog gehad voor de impact van zo’n diefstal binnen de familiesfeer of heeft zich hier niets aan gelegen laten liggen. Van enige vorm van spijtbetuiging blijkt niet. De brutaliteit en het misbruik van het in haar gestelde vertrouwen waarmee de verdachte het kwetsbare slachtoffer heeft bestolen, zorgt ook in de samenleving voor verontwaardiging. Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf verder gelet op de straffen die in fraudezaken (waarmee in dit specifieke geval de bewezenverklaarde diefstal – gezien het gemaakte misbruik van vertrouwen – kan worden vergeleken) plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het LOVS geeft als oriëntatiepunt bij een fraudebedrag van € 125.000,00 tot € 250.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. Gelet op de hoogte van het wederrechtelijk toegeëigende bedrag en de strafverzwarende omstandigheden – zoals hierboven uiteengezet – is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht daarbij een duur van negen maanden in beginsel passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 14 augustus 2020, de datum waarop de verdachte is aangehouden, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 22 februari 2023 vonnis gewezen.
Volledig
Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer zes maanden. Op 11 juli 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 mei 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden. De mate van dat tijdsverloop valt niet aan de verdediging toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom zal de verdachte een gevangenisstraf van zeven maanden worden opgelegd. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] , vertegenwoordigd door haar daartoe gemachtigde zoon [persoon] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep van 22 februari 2023 gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 136.852,67. [benadeelde partij] is overleden op 13 april 2023. [persoon] heeft als nabestaande in hoger beroep opnieuw een vordering ingediend tot het oorspronkelijke bedrag van € 150.000,00. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:498) en HR 15 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:917) geldt het volgende: Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook als de persoon die zich op grond van artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter op grond van artikel 361, vierde lid, Sv moet beslissen op de betreffende vordering. Als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, ook in zo’n geval op grond van artikel 421, tweede lid, Sv van rechtswege voort in hoger beroep. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep slechts nog van rechtswege aan de orde is tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 136.852,67. De advocaat-generaal heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot dit bedrag gevorderd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 36f, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd als en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Die aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer eindigt niet door het overlijden van het slachtoffer. Het hof zal daarom de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Tevens zal op grond van artikel 36f, vijfde lid, Sr het aantal dagen gijzeling worden bepaald op 360 dagen (Hoge Raad 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812). Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en de op te leggen schadevergoedingsmaatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden . Vordering van de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (wijlen) [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 136.852,67 (honderdzesendertigduizend achthonderdtweeënvijftig euro en zevenenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd (wijlen) [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 136.852,67 (honderdzesendertigduizend achthonderdtweeënvijftig euro en zevenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 juni 2020. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. J.L. Bruinsma en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 mei 2026. Mr. A.J. van Es is wegens afwezigheid buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
VOLLEDIG
=
[…]