Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:1327
Strafrecht
Hoger beroep
3,919 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1327 text/xml public 2026-05-18T14:41:48 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 23-002156-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1327 text/html public 2026-05-18T14:17:43 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1327 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 23-002156-24 Ontneming. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002156-24 datum uitspraak: 12 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-128463-19 tegen de betrokkene [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988, adres: [adres] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 30.604,10. De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2021 veroordeeld voor – kort gezegd – het telen van hennep en diefstal van elektriciteit. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 2 juli 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.604,10 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2026 veroordeeld voor – kort gezegd – het telen van hennep en diefstal van elektriciteit. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.102,49 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen in verband met de in de strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van één oogst en dat er voldoende aanwijzingen zijn voor medeplegen, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs moet worden verdeeld. Ook dient de naheffing van Liander ter hoogte van € 3.531,14 als aftrekpost te worden meegenomen in de berekening. Het hof overweegt als volgt. Grondslag van de vordering Bij arrest van dit gerechtshof van heden, 12 mei 2026, is de betrokkene veroordeeld voor onder meer het telen van hennep op 12 oktober 2017. Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van deze feiten of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. In het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr” van 9 april 2019 (hierna: de ontnemingsrapportage) worden aanwijzingen genoemd op grond waarvan het hof, bezien in combinatie met de inhoud van het strafdossier, concludeert dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit deze of andere strafbare feiten. Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof neemt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de ontnemingsrapportage als uitgangspunt, nu het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de inhoud daarvan. Het hof zal echter – in tegenstelling tot de ontnemingsrapportage, maar met de advocaat-generaal – uitgaan van één (gelukte) oogst in plaats van twee oogsten. De berekening ziet er als volgt uit: 157 planten x 28,2 gram = 4,4274 kilogram. 4,4274 kilogram x € 4.070,00 = € 18.019,52 aan opbrengst. De kosten van elektriciteit (€ 559,70), afschrijvingskosten (€ 150,00), variabele kosten (€ 3,88 per plant) en aankoopkosten stekken (€ 3,81 per plant), in totaal € 1.917,03, dienen van de opbrengst te worden afgetrokken. Hierdoor resteert een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 16.102,49 . Het hof ziet geen aanleiding om de naheffingskosten met betrekking tot de elektriciteit van € 3.531,14 van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te halen, nu dit geen kosten zijn die zien op de succesvolle oogst, behoudens het al verrekende bedrag van € 559,70 voor de kosten van elektriciteit voor één oogst. Ook zal het hof geen pondspondsgewijze verdeling toepassen, nu er onvoldoende aanwijzingen zijn voor medeplegen. Verplichting tot betaling aan de Staat De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting gelijk moet worden gesteld aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de overschrijding van de redelijke termijn is gecompenseerd in de samenhangende strafzaak. De raadsvrouw heeft het hof verzocht wel de overschrijding van de redelijke termijn mee te nemen in de ontnemingszaak. Het hof stelt vast dat het recht van de betrokkene om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen. Het hof neemt als startpunt van de redelijke termijn – in het voordeel van de betrokkene – de appel-aktedatum van 20 januari 2022. Het hof doet bij arrest van 12 mei 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee jaren en vier maanden. Het hof is van oordeel dat dit, in ogenschouw nemend dat in de strafzaak is volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, een matiging van de op te leggen betalingsverplichting tot gevolg moet hebben, tot het hierna te noemen bedrag. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.000,00. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 16.102,49 (zestienduizend honderdtwee euro en negenenveertig cent) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 14.000,00 (veertienduizend euro) . Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 140 dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. H.A. Stalenhoef en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 mei 2026. Mr. A.J. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
VOLLEDIG
=
[…]