Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-07
ECLI:NL:GHAMS:2026:1279
Strafrecht
Hoger beroep
8,133 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 text/xml public 2026-05-15T15:38:29 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-07 23-002500-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 text/html public 2026-05-15T15:30:38 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 Gerechtshof Amsterdam , 07-05-2026 / 23-002500-23 Vernietiging vonnis. Verlaten plaats ongeval, gevaarlijk rijgedrag en belediging van ambtenaar in functie. Overschrijding redelijke termijn. Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken voor de misdrijven en een taakstraf van veertig uren subsidiair twinig dagen hechtenis voor de overtreding. Afwijzing vorderingen tul. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002500-23 datum uitspraak: 7 mei 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-128411-23 en 13-155217-23, alsmede 13-081737-19 (TUL) en 15-246133-20 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2024 en 23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte (op de zitting van 18 april 2024) en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd – na wijziging van de tenlastelegging ter zitting op 18 april 2024 – dat: Zaak met parketnummer 13-128411-23 (zaak A): 1. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam, op de Lou Jansenplein, in elk geval in Nederland, op of omstreeks 23 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [persoon 1] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 2] ) en/of [persoon 2] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 3] ), letsel en/of schade was toegebracht; 2. hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, te weten een Mercedes-Benz A 180 (met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Coenhavenweg en/of de Vlothavenweg en/of de Nieuwe Hemweg en/of de Transformatorweg en/of de Contactweg en/of de Basisweg en/of de Kabelweg en/of de Radarweg en/of de Rhoneweg en/of de Seineweg en/of de Haarlemmerweg en/of de Burgemeester de Vlugtlaan en/of de Slotermeerlaan en/of de Lou Jansenplein en/of elders in Amsterdam, - met gedoofde verlichting in de nachtelijke uren (omstreeks 02:20 uur) heeft gereden en/of - met 110 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - op de kruising Transformatorweg met de Contactweg het rode verkeerslicht negeerde, waardoor voornoemd voertuig moest uitwijken om een aanrijding met een auto te voorkomen en/of - ( vervolgens) met 120 kilometer per uur heeft gereden waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - een stopteken door middel van een politietransparantbord te negeren en/of - met 140 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - in tegengestelde richting van het verkeer over de rotonde linksaf heeft gereden en/of, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Zaak met parketnummer 13-155217-23 (zaak B): hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten dhr. [verbalisant 1] (functie: hoofdagent bij de eenheid Amsterdam) en/of dhr. [verbalisant 2] (functie: brigadier bij de eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kanker bro" en/of "je kanker moeder, je kanker vader. Je kanker zus. Ik heb ook je kanker moeder niet gereden en ik heb ook je kanker vader niet gereden en ook je kanker zus niet gereden" en/of 'kanker sukkels" en/of "Je moet je kanker zus gaan neuken man", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde. Ten aanzien van zaak A heeft zij hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat met de verklaringen van de verbalisanten, die ter terechtzitting in hoger beroep een getuigenverklaring hebben afgelegd, voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat het de verdachte is geweest die als bestuurder van een auto verkeersovertredingen heeft begaan, eindigend in een crash waarbij auto’s zijn beschadigd, en vervolgens is gevlucht. Ten aanzien van zaak A heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de getuigenverklaringen van de verbalisanten niet overtuigend zijn en geen ander bewijs voorhanden is dat de verdachte linkt aan de auto waarmee de verkeersovertredingen zijn begaan. Met de herkenning van de verdachte als de bestuurder door een van de verbalisanten moet behoedzaam worden omgegaan, onder meer omdat hij het gezicht van de bestuurder niet heeft gezien. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 en 2 is tenlastegelegd stelt het hof op basis van het dossier en de getuigenverklaringen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , het volgende vast. De verdachte heeft midden in de nacht als bestuurder van een auto (geelkleurige Mercedes) gevaarlijk gereden en meerdere verkeersovertredingen begaan, waarna hij tegen geparkeerde auto’s is gecrasht en is weggerend. Dit alles is gezien door [verbalisant 2] , die enige tijd achter de verdachte is aangerend en een signalement van hem heeft gegeven. De verdachte is vervolgens door [verbalisant 3] aangetroffen aan de waterkant in het riet, nadat [verbalisant 3] een sterke parfumgeur had geroken. Toen [verbalisant 2] even later de aangehouden verdachte zag herkende hij hem als de bestuurder van de Mercedes. De verklaring van de verdachte dat hij niet in de auto heeft gezeten en vaker tussen het riet zit omdat dat een plek is waar hij heen gaat als hij emotioneel is, acht het hof ongeloofwaardig. Het standpunt van de raadsvrouw dat de getuigenverklaringen van de twee verbalisanten niet overtuigend zijn passeert het hof. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen die [verbalisant 3] en [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn duidelijk en consistent. Dat [verbalisant 2] niet het gezicht van de bestuurder van de Mercedes heeft gezien acht het hof in dit geval geen afbreuk doen aan de herkenning. [verbalisant 2] herkende de verdachte mede door zijn lange haar. Tevens is van betekenis dat [verbalisant 2] een sterke parfumgeur in de auto heeft geroken (en daar een parfumflesje heeft aangetroffen), die hetzelfde rook als de parfumgeur bij de verdachte.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 text/xml public 2026-05-15T15:38:29 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-07 23-002500-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 text/html public 2026-05-15T15:30:38 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1279 Gerechtshof Amsterdam , 07-05-2026 / 23-002500-23 Vernietiging vonnis. Verlaten plaats ongeval, gevaarlijk rijgedrag en belediging van ambtenaar in functie. Overschrijding redelijke termijn. Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken voor de misdrijven en een taakstraf van veertig uren subsidiair twinig dagen hechtenis voor de overtreding. Afwijzing vorderingen tul. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002500-23 datum uitspraak: 7 mei 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-128411-23 en 13-155217-23, alsmede 13-081737-19 (TUL) en 15-246133-20 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2024 en 23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte (op de zitting van 18 april 2024) en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd – na wijziging van de tenlastelegging ter zitting op 18 april 2024 – dat: Zaak met parketnummer 13-128411-23 (zaak A): 1. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam, op de Lou Jansenplein, in elk geval in Nederland, op of omstreeks 23 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [persoon 1] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 2] ) en/of [persoon 2] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 3] ), letsel en/of schade was toegebracht; 2. hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, te weten een Mercedes-Benz A 180 (met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg(en), te weten de Coenhavenweg en/of de Vlothavenweg en/of de Nieuwe Hemweg en/of de Transformatorweg en/of de Contactweg en/of de Basisweg en/of de Kabelweg en/of de Radarweg en/of de Rhoneweg en/of de Seineweg en/of de Haarlemmerweg en/of de Burgemeester de Vlugtlaan en/of de Slotermeerlaan en/of de Lou Jansenplein en/of elders in Amsterdam, - met gedoofde verlichting in de nachtelijke uren (omstreeks 02:20 uur) heeft gereden en/of - met 110 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - op de kruising Transformatorweg met de Contactweg het rode verkeerslicht negeerde, waardoor voornoemd voertuig moest uitwijken om een aanrijding met een auto te voorkomen en/of - ( vervolgens) met 120 kilometer per uur heeft gereden waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - een stopteken door middel van een politietransparantbord te negeren en/of - met 140 kilometer per uur heeft gereden, waar 50 kilometer per uur is toegestaan, in elk geval heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, en/of - in tegengestelde richting van het verkeer over de rotonde linksaf heeft gereden en/of, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Zaak met parketnummer 13-155217-23 (zaak B): hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten dhr. [verbalisant 1] (functie: hoofdagent bij de eenheid Amsterdam) en/of dhr. [verbalisant 2] (functie: brigadier bij de eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kanker bro" en/of "je kanker moeder, je kanker vader. Je kanker zus. Ik heb ook je kanker moeder niet gereden en ik heb ook je kanker vader niet gereden en ook je kanker zus niet gereden" en/of 'kanker sukkels" en/of "Je moet je kanker zus gaan neuken man", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde. Ten aanzien van zaak A heeft zij hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat met de verklaringen van de verbalisanten, die ter terechtzitting in hoger beroep een getuigenverklaring hebben afgelegd, voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat dat het de verdachte is geweest die als bestuurder van een auto verkeersovertredingen heeft begaan, eindigend in een crash waarbij auto’s zijn beschadigd, en vervolgens is gevlucht. Ten aanzien van zaak A heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de getuigenverklaringen van de verbalisanten niet overtuigend zijn en geen ander bewijs voorhanden is dat de verdachte linkt aan de auto waarmee de verkeersovertredingen zijn begaan. Met de herkenning van de verdachte als de bestuurder door een van de verbalisanten moet behoedzaam worden omgegaan, onder meer omdat hij het gezicht van de bestuurder niet heeft gezien. Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van hetgeen de verdachte in zaak A onder 1 en 2 is tenlastegelegd stelt het hof op basis van het dossier en de getuigenverklaringen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , het volgende vast. De verdachte heeft midden in de nacht als bestuurder van een auto (geelkleurige Mercedes) gevaarlijk gereden en meerdere verkeersovertredingen begaan, waarna hij tegen geparkeerde auto’s is gecrasht en is weggerend. Dit alles is gezien door [verbalisant 2] , die enige tijd achter de verdachte is aangerend en een signalement van hem heeft gegeven. De verdachte is vervolgens door [verbalisant 3] aangetroffen aan de waterkant in het riet, nadat [verbalisant 3] een sterke parfumgeur had geroken. Toen [verbalisant 2] even later de aangehouden verdachte zag herkende hij hem als de bestuurder van de Mercedes. De verklaring van de verdachte dat hij niet in de auto heeft gezeten en vaker tussen het riet zit omdat dat een plek is waar hij heen gaat als hij emotioneel is, acht het hof ongeloofwaardig. Het standpunt van de raadsvrouw dat de getuigenverklaringen van de twee verbalisanten niet overtuigend zijn passeert het hof. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen die [verbalisant 3] en [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn duidelijk en consistent. Dat [verbalisant 2] niet het gezicht van de bestuurder van de Mercedes heeft gezien acht het hof in dit geval geen afbreuk doen aan de herkenning. [verbalisant 2] herkende de verdachte mede door zijn lange haar. Tevens is van betekenis dat [verbalisant 2] een sterke parfumgeur in de auto heeft geroken (en daar een parfumflesje heeft aangetroffen), die hetzelfde rook als de parfumgeur bij de verdachte.
Volledig
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien komt het hof tot een bewezenverklaring. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: 1. hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam, op de Lou Jansenplein, op 23 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [persoon 1] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 2] ) en [persoon 2] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 3] ), schade was toegebracht; 2. hij op 23 mei 2023 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, te weten een Mercedes-Benz A 180 (met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de Coenhavenweg en/of de Vlothavenweg en/of de Nieuwe Hemweg en/of de Transformatorweg en/of de Contactweg en/of de Basisweg en/of de Kabelweg en/of de Radarweg en/of de Rhoneweg en/of de Seineweg en/of de Haarlemmerweg en/of de Burgemeester de Vlugtlaan en/of de Slotermeerlaan en/of het Lou Jansenplein en/of elders in Amsterdam, - met gedoofde verlichting in de nachtelijke uren (omstreeks 02:20 uur) heeft gereden en - heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan en - op de kruising Transformatorweg met de Contactweg het rode verkeerslicht negeerde, waardoor voornoemd voertuig moest uitwijken om een aanrijding met een auto te voorkomen en - een stopteken door middel van een politietransparantbord heeft genegeerd en - in tegengestelde richting van het verkeer over de rotonde linksaf heeft gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd. Zaak B: hij op 24 juni 2023 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (functie: hoofdagent bij de eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (functie: brigadier bij de eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kanker bro" en "je kanker moeder, je kanker vader. Je kanker zus. Ik heb ook je kanker moeder niet gereden en ik heb ook je kanker vader niet gereden en ook je kanker zus niet gereden" en 'kanker sukkels" en "Je moet je kanker zus gaan neuken man", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het in zaak B bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De politierechter heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde in zaak A onder 1 en zaak B veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot hechtenis voor de duur van één week voor het bewezenverklaarde in zaak A onder 2. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde in zaak A onder 1 en zaak B zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 2 zal worden veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van één week. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: hij heeft een stabiele baan, gaat trouwen en krijgt een kind. De raadsvrouw heeft het hof om die reden verzocht een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een geldboete op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende verkeersovertredingen waarmee hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. De verdachte is vervolgens gecrasht tegen geparkeerde auto’s, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken door weg te rennen en zich te verstoppen. Door zijn handelen heeft de verdachte zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een verkeersdeelnemer wordt verlangd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het beledigen van twee politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Door het handelen van de verdachte heeft hij de politieambtenaren, die hun werk deden, in hun eer en goede naam aangetast en hun gezag als ambtsdrager ondermijnd. Het hof laat in het nadeel van de verdachte meewegen dat hij blijkens zijn strafblad eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor verkeersovertredingen en belediging. Het hof heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf ook acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde straf in beginsel passend en neemt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en hechtenis voor de duur van één week als uitgangspunt. Het hof houdt anderzijds rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen: de verdachte lijkt zijn leven op de rit te hebben met een baan en een kind op komst. Het hof ziet hierin aanleiding voor het gevaarlijk rijgedrag (een overtreding) geen hechtenis maar een taakstraf op te leggen. Ook heeft het hof gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 11 september 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 7 mei 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met zo’n acht maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de hiervoor genoemde gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren voor de bewezenverklaarde misdrijven en een taakstraf van veertig uren subsidiair twintig dagen hechtenis voor de bewezenverklaarde overtreding passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 62, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Vordering tenuitvoerlegging (13-081737-19) Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Volledig
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien komt het hof tot een bewezenverklaring. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: 1. hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam, op de Lou Jansenplein, op 23 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [persoon 1] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 2] ) en [persoon 2] (eigenaar van auto met kenteken [kenteken 3] ), schade was toegebracht; 2. hij op 23 mei 2023 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, te weten een Mercedes-Benz A 180 (met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de Coenhavenweg en/of de Vlothavenweg en/of de Nieuwe Hemweg en/of de Transformatorweg en/of de Contactweg en/of de Basisweg en/of de Kabelweg en/of de Radarweg en/of de Rhoneweg en/of de Seineweg en/of de Haarlemmerweg en/of de Burgemeester de Vlugtlaan en/of de Slotermeerlaan en/of het Lou Jansenplein en/of elders in Amsterdam, - met gedoofde verlichting in de nachtelijke uren (omstreeks 02:20 uur) heeft gereden en - heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan en - op de kruising Transformatorweg met de Contactweg het rode verkeerslicht negeerde, waardoor voornoemd voertuig moest uitwijken om een aanrijding met een auto te voorkomen en - een stopteken door middel van een politietransparantbord heeft genegeerd en - in tegengestelde richting van het verkeer over de rotonde linksaf heeft gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd. Zaak B: hij op 24 juni 2023 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (functie: hoofdagent bij de eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (functie: brigadier bij de eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kanker bro" en "je kanker moeder, je kanker vader. Je kanker zus. Ik heb ook je kanker moeder niet gereden en ik heb ook je kanker vader niet gereden en ook je kanker zus niet gereden" en 'kanker sukkels" en "Je moet je kanker zus gaan neuken man", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het in zaak B bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De politierechter heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde in zaak A onder 1 en zaak B veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot hechtenis voor de duur van één week voor het bewezenverklaarde in zaak A onder 2. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde in zaak A onder 1 en zaak B zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 2 zal worden veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van één week. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: hij heeft een stabiele baan, gaat trouwen en krijgt een kind. De raadsvrouw heeft het hof om die reden verzocht een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een geldboete op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende verkeersovertredingen waarmee hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. De verdachte is vervolgens gecrasht tegen geparkeerde auto’s, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken door weg te rennen en zich te verstoppen. Door zijn handelen heeft de verdachte zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een verkeersdeelnemer wordt verlangd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het beledigen van twee politieambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Door het handelen van de verdachte heeft hij de politieambtenaren, die hun werk deden, in hun eer en goede naam aangetast en hun gezag als ambtsdrager ondermijnd. Het hof laat in het nadeel van de verdachte meewegen dat hij blijkens zijn strafblad eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor verkeersovertredingen en belediging. Het hof heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf ook acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde straf in beginsel passend en neemt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en hechtenis voor de duur van één week als uitgangspunt. Het hof houdt anderzijds rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen: de verdachte lijkt zijn leven op de rit te hebben met een baan en een kind op komst. Het hof ziet hierin aanleiding voor het gevaarlijk rijgedrag (een overtreding) geen hechtenis maar een taakstraf op te leggen. Ook heeft het hof gelet op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 11 september 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 7 mei 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met zo’n acht maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de hiervoor genoemde gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren voor de bewezenverklaarde misdrijven en een taakstraf van veertig uren subsidiair twintig dagen hechtenis voor de bewezenverklaarde overtreding passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 62, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Vordering tenuitvoerlegging (13-081737-19) Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.