Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-04
ECLI:NL:GHAMS:2026:1224
Strafrecht
Hoger beroep
7,927 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 text/xml public 2026-05-15T14:37:59 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-04 23-001955-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 text/html public 2026-05-15T14:32:32 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 Gerechtshof Amsterdam , 04-05-2026 / 23-001955-23 Diefstal van opium uit een woning onder bedreiging van een vuurwapen. Bevestiging met uitzondering van de strafoplegging en vordering benadeelde partij en met aanvulling van de gronden in verband met de nadere verklaring die de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd. De nieuwe verklaring van de verdachte en hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de causaliteit tussen de geweldshandeling en de diefstal, doen niet af aan hetgeen de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen heeft overwogen en maken niet dat het hof hierover anders oordeelt dan de rechtbank. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn, legt het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001955-23 datum uitspraak: 4 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-126079-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing over de vordering benadeelde partij -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de gronden aanvult, in verband met de nadere verklaring die de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd. Aanvulling van gronden Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist. Het hof neemt die gronden dan ook over. Aanvullend daarop overweegt het hof als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte een nieuwe verklaring afgelegd. Kort gezegd heeft de verdachte verklaard dat hij samen met [persoon] in de woning van aangever is geweest, dat hij een pistool bij zich had en dat hij daarmee in de woning een kogel heeft afgevuurd. De verdachte heeft ook verklaard dat hij opium uit de woning heeft meegenomen zonder daarvoor zelf te hebben betaald. Het afvuren van de kogel zou niet in het kader van de diefstal zijn gebeurd maar in reactie op de aangever die op de verdachte zou zijn afgekomen na een mondelinge ruzie over prijs en kwaliteit van opium. [persoon] zou volgens de verdachte voor de opium betalen, al heeft de verdachte niet gezien dat er een betaling heeft plaatsgevonden. De raadsvrouw heeft in hoger beroep -kort gezegd en zakelijk weergegeven- betoogd dat mede gelet op deze verklaring van de verdachte niet kan worden vastgesteld dat het geweld met het pistool in verband moet worden gebracht met de diefstal. Bij die stand van zaken kan volgens de raadsvrouw de ten laste gelegde diefstal met geweld bij gebrek aan een causaal verband niet worden bewezen. De nieuwe verklaring van de verdachte en hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de causaliteit tussen de geweldshandeling en de diefstal, doen niet af aan hetgeen de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen heeft overwogen en maken niet dat het hof hierover anders oordeelt dan de rechtbank. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als in hoger beroep. Zij heeft verzocht aan de verdachte geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een forse taakstraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van opium uit een woning onder bedreiging van een vuurwapen. De verdachte is op 6 september 2018 samen met een ander naar de woning van aangever gegaan om opium van hem te kopen. Toen in de woning ruzie ontstond over de kwaliteit van de opium, heeft de verdachte een vuurwapen getrokken, daarmee op het hoofd van de aangever geslagen en een kogel afgevuurd. Vervolgens heeft de verdachte de opium weggenomen, zonder daarvoor te betalen. Dit betreft een ernstig feit, waarbij de verdachte grote inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Een diefstal met geweld in een woning veroorzaakt sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten ondervinden hiervan vaak nog lange tijd de nadelige (psychische) gevolgen. Dat dit ook het geval is bij het slachtoffer in deze zaak blijkt uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijpassende munitie in zijn woning. Het bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van personen en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde, omdat een vuurwapen kan worden gebruikt bij bedreigingen en schietincidenten, waarbij geregeld dodelijke slachtoffers vallen. In deze zaak is het bewuste wapen ook daadwerkelijk gebruikt bij het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals geëist door de advocaat-generaal. Een straf zoals de raadsvrouw heeft voorgesteld is dan ook niet aan de orde. Het hof ziet ook in hetgeen de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht geen aanleiding tot matiging van de straf, dan wel tot oplegging van een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in zowel eerste aanleg als in hoger beroep is geschonden. Daarom zal het hof, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 text/xml public 2026-05-15T14:37:59 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-04 23-001955-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 text/html public 2026-05-15T14:32:32 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1224 Gerechtshof Amsterdam , 04-05-2026 / 23-001955-23 Diefstal van opium uit een woning onder bedreiging van een vuurwapen. Bevestiging met uitzondering van de strafoplegging en vordering benadeelde partij en met aanvulling van de gronden in verband met de nadere verklaring die de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd. De nieuwe verklaring van de verdachte en hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de causaliteit tussen de geweldshandeling en de diefstal, doen niet af aan hetgeen de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen heeft overwogen en maken niet dat het hof hierover anders oordeelt dan de rechtbank. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn, legt het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest. afdeling strafrecht parketnummer: 23-001955-23 datum uitspraak: 4 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-126079-19 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing over de vordering benadeelde partij -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de gronden aanvult, in verband met de nadere verklaring die de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd. Aanvulling van gronden Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist. Het hof neemt die gronden dan ook over. Aanvullend daarop overweegt het hof als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte een nieuwe verklaring afgelegd. Kort gezegd heeft de verdachte verklaard dat hij samen met [persoon] in de woning van aangever is geweest, dat hij een pistool bij zich had en dat hij daarmee in de woning een kogel heeft afgevuurd. De verdachte heeft ook verklaard dat hij opium uit de woning heeft meegenomen zonder daarvoor zelf te hebben betaald. Het afvuren van de kogel zou niet in het kader van de diefstal zijn gebeurd maar in reactie op de aangever die op de verdachte zou zijn afgekomen na een mondelinge ruzie over prijs en kwaliteit van opium. [persoon] zou volgens de verdachte voor de opium betalen, al heeft de verdachte niet gezien dat er een betaling heeft plaatsgevonden. De raadsvrouw heeft in hoger beroep -kort gezegd en zakelijk weergegeven- betoogd dat mede gelet op deze verklaring van de verdachte niet kan worden vastgesteld dat het geweld met het pistool in verband moet worden gebracht met de diefstal. Bij die stand van zaken kan volgens de raadsvrouw de ten laste gelegde diefstal met geweld bij gebrek aan een causaal verband niet worden bewezen. De nieuwe verklaring van de verdachte en hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de causaliteit tussen de geweldshandeling en de diefstal, doen niet af aan hetgeen de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen heeft overwogen en maken niet dat het hof hierover anders oordeelt dan de rechtbank. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als in hoger beroep. Zij heeft verzocht aan de verdachte geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een forse taakstraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van opium uit een woning onder bedreiging van een vuurwapen. De verdachte is op 6 september 2018 samen met een ander naar de woning van aangever gegaan om opium van hem te kopen. Toen in de woning ruzie ontstond over de kwaliteit van de opium, heeft de verdachte een vuurwapen getrokken, daarmee op het hoofd van de aangever geslagen en een kogel afgevuurd. Vervolgens heeft de verdachte de opium weggenomen, zonder daarvoor te betalen. Dit betreft een ernstig feit, waarbij de verdachte grote inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Een diefstal met geweld in een woning veroorzaakt sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten ondervinden hiervan vaak nog lange tijd de nadelige (psychische) gevolgen. Dat dit ook het geval is bij het slachtoffer in deze zaak blijkt uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijpassende munitie in zijn woning. Het bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van personen en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde, omdat een vuurwapen kan worden gebruikt bij bedreigingen en schietincidenten, waarbij geregeld dodelijke slachtoffers vallen. In deze zaak is het bewuste wapen ook daadwerkelijk gebruikt bij het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals geëist door de advocaat-generaal. Een straf zoals de raadsvrouw heeft voorgesteld is dan ook niet aan de orde. Het hof ziet ook in hetgeen de raadsvrouw over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht geen aanleiding tot matiging van de straf, dan wel tot oplegging van een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in zowel eerste aanleg als in hoger beroep is geschonden. Daarom zal het hof, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Volledig
Beslag Onttrekking aan het verkeer Het bewezenverklaarde onder 1 is begaan met behulp van het inbeslaggenomen pistool, feit 2 met betrekking tot het inbeslaggenomen pistool en feit 3 met betrekking tot de inbeslaggenomen patroon en huls. Deze goederen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 14.219,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 610,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.610,00, bestaande uit € 110,00 aan materiële schade en € 5.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de benadeelde partij heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht het gedeelte van de vordering dat ziet op materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, het gevorderde bedrag aan immateriële schade te matigen en om bij de wettelijke rente uit te gaan van de uitspraakdatum. Het hof overweegt als volgt. Materiële schade Het gedeelte van de vordering dat ziet op materiële schade bedraagt € 8.719,00, bestaande uit € 2.000,00 voor weggenomen contant geld, € 104,00 voor een weggenomen telefoon, € 110,00 voor het vervangen van sloten wegens de weggenomen sleutels en € 6.505,00 aan verhuiskosten. De raadsvrouw van de verdachte heeft uitgebreid verweer gevoerd tegen deze posten. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover de vordering ziet op het weggenomen geld, de telefoon en de sleutels, nu de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is de post verhuiskostenvergoeding onvoldoende onderbouwd. De gelegenheid voor een nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte in zijn persoon is aangetast. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In hoofdstuk 19.1 ‘Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr)’ wordt onder categorie (a) – een overval in de woning van de benadeelde, waarbij de benadeelde wordt bedreigd met een vuurwapen – een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00 genoemd. Voorts heeft het hof bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij. Alles afwegende stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op de gevorderde € 5.500,00. De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf 6 september 2018, zijnde de pleegdatum, tot aan de dag der algehele voldoening. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1. STK Pistool, goednummer: 5743679; 2. 1 STK Patroon, goednummer: 5743750; 3. 1 STK Huls, goednummer: 5627504. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 (tweeënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 september 2018. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. S.M.M. Bordenga en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2026. Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
VOLLEDIG
=
[…]