Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-03
ECLI:NL:GHAMS:2026:1218
Strafrecht
Hoger beroep
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 text/xml public 2026-05-19T13:24:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-03 23-000102-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 text/html public 2026-05-19T13:20:04 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 Gerechtshof Amsterdam , 03-03-2026 / 23-000102-25 Veroordeling voor het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-000102-25 Datum uitspraak: 3 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-006032-25 en 13-324625-23 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1985, adres: [adres] adres raadsvrouw: Johan Huizingalaan 757, 1066 VH Amsterdam. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (een foto van) een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968 , door voornoemd document, althans een afschrift/foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit en/of nationaliteit aan verbalisant(en) [ verbalisant ] en/of [verbalisant 2] (beiden werkzaam als aspirant bij de Eenheid Amsterdam), te tonen en/of te overhandigen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken omdat hij, kort weergegeven, niet het opzet had om zich te identificeren met (de foto van) het rijbewijs van een ander zoals tenlastegelegd. Daartoe is gewezen op de feitelijke gang van zaken tijdens de controle en op de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs van een ander, namelijk dat hij deze foto gebruikt om, via de bankrekening van zijn zus, geld te kunnen ontvangen. Bewijsoverwegingen Op 7 januari 2025 te Amsterdam is de verdachte staande gehouden, om zijn identiteitsgegevens op te vragen. De verbalisant hoorde hem verklaren dat hij geen identificerende documenten bij zich had. De verbalisant heeft vervolgens gevraagd of de verdachte een foto had van zijn identiteitskaart, rijbewijs of paspoort. De verbalisant zag dat de verdachte zich identificeerde met de foto van een geldig Nederlands rijbewijs, waarbij de afbeelding van de persoonsfoto niet zichtbaar was. Het rijbewijs was op naam gesteld van: [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1968 te [geboorteplaats 2] . De verbalisant zag op de RDW-foto die gelinkt is aan het rijbewijs dat de persoon op deze foto en de verdachte niet overeenkwamen. Hij heeft de verdachte gevraagd: 'de naam op dit rijbewijs ben jij?' Hij hoorde de verdachte zeggen: 'Ja dit ben ik.' De verbalisant heeft de verdachte gevraagd zijn echte naam en geboortedatum op te schijven. Hij zag dat de geschreven gegevens overeenkwamen met de gegevens op de getoonde foto van het rijbewijs. De verbalisant vroeg aan de verdachte wat zijn verblijfsadres was. Hij hoorde de verdachte zeggen: "ik woon hier net". De verbalisant zag in de GBA gegevens dat de inschrijving van het adres van [naam] sinds 2021 was. Hij vroeg de verdachte wat zijn leeftijd was. Hij hoorde de verdachte antwoorden: "55". De verbalisant zag in de GBA gegevens van [naam] dat de leeftijd van [naam] 57 betrof. De verbalisant hoorde de verdachte zeggen dat hij zijn echte naam zou opschrijven, want hij wilde door naar zijn werk. De verdachte gaf op te zijn genaamd: [naam] , geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats 1] . De verbalisant heeft de opgegeven personalia gecontroleerd en zag in een strafketenregistratie een foto van de verdachte. Op basis van de foto in overeenkomst met de verdachte heeft de verbalisant een positieve identificatie kunnen maken. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de feitelijke gang van zaken zoals beschreven door de verbalisanten. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de verdachte, op het verzoek zich te identificeren, de foto heeft getoond van een deel van het rijbewijs van een ander, enkel met de bedoeling om te voldoen aan dat verzoek. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat sprake was van taalproblemen of andere miscommunicatie. De omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had, maakt het voorgaande niet anders. Datzelfde geldt voor de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs zoals tenlastegelegd, door een foto van dat document te tonen aan de verbalisanten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een foto van een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968, door een foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit aan verbalisanten [ verbalisant ] en [verbalisant 2] , te tonen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn vervat, zoals opgenomen onder het kopje bewijsoverwegingen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft het hof verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 text/xml public 2026-05-19T13:24:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-03 23-000102-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 text/html public 2026-05-19T13:20:04 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1218 Gerechtshof Amsterdam , 03-03-2026 / 23-000102-25 Veroordeling voor het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-000102-25 Datum uitspraak: 3 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-006032-25 en 13-324625-23 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1985, adres: [adres] adres raadsvrouw: Johan Huizingalaan 757, 1066 VH Amsterdam. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (een foto van) een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968 , door voornoemd document, althans een afschrift/foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit en/of nationaliteit aan verbalisant(en) [ verbalisant ] en/of [verbalisant 2] (beiden werkzaam als aspirant bij de Eenheid Amsterdam), te tonen en/of te overhandigen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken omdat hij, kort weergegeven, niet het opzet had om zich te identificeren met (de foto van) het rijbewijs van een ander zoals tenlastegelegd. Daartoe is gewezen op de feitelijke gang van zaken tijdens de controle en op de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs van een ander, namelijk dat hij deze foto gebruikt om, via de bankrekening van zijn zus, geld te kunnen ontvangen. Bewijsoverwegingen Op 7 januari 2025 te Amsterdam is de verdachte staande gehouden, om zijn identiteitsgegevens op te vragen. De verbalisant hoorde hem verklaren dat hij geen identificerende documenten bij zich had. De verbalisant heeft vervolgens gevraagd of de verdachte een foto had van zijn identiteitskaart, rijbewijs of paspoort. De verbalisant zag dat de verdachte zich identificeerde met de foto van een geldig Nederlands rijbewijs, waarbij de afbeelding van de persoonsfoto niet zichtbaar was. Het rijbewijs was op naam gesteld van: [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1968 te [geboorteplaats 2] . De verbalisant zag op de RDW-foto die gelinkt is aan het rijbewijs dat de persoon op deze foto en de verdachte niet overeenkwamen. Hij heeft de verdachte gevraagd: 'de naam op dit rijbewijs ben jij?' Hij hoorde de verdachte zeggen: 'Ja dit ben ik.' De verbalisant heeft de verdachte gevraagd zijn echte naam en geboortedatum op te schijven. Hij zag dat de geschreven gegevens overeenkwamen met de gegevens op de getoonde foto van het rijbewijs. De verbalisant vroeg aan de verdachte wat zijn verblijfsadres was. Hij hoorde de verdachte zeggen: "ik woon hier net". De verbalisant zag in de GBA gegevens dat de inschrijving van het adres van [naam] sinds 2021 was. Hij vroeg de verdachte wat zijn leeftijd was. Hij hoorde de verdachte antwoorden: "55". De verbalisant zag in de GBA gegevens van [naam] dat de leeftijd van [naam] 57 betrof. De verbalisant hoorde de verdachte zeggen dat hij zijn echte naam zou opschrijven, want hij wilde door naar zijn werk. De verdachte gaf op te zijn genaamd: [naam] , geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats 1] . De verbalisant heeft de opgegeven personalia gecontroleerd en zag in een strafketenregistratie een foto van de verdachte. Op basis van de foto in overeenkomst met de verdachte heeft de verbalisant een positieve identificatie kunnen maken. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de feitelijke gang van zaken zoals beschreven door de verbalisanten. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de verdachte, op het verzoek zich te identificeren, de foto heeft getoond van een deel van het rijbewijs van een ander, enkel met de bedoeling om te voldoen aan dat verzoek. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat sprake was van taalproblemen of andere miscommunicatie. De omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had, maakt het voorgaande niet anders. Datzelfde geldt voor de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs zoals tenlastegelegd, door een foto van dat document te tonen aan de verbalisanten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een foto van een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968, door een foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit aan verbalisanten [ verbalisant ] en [verbalisant 2] , te tonen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn vervat, zoals opgenomen onder het kopje bewijsoverwegingen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft het hof verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.