Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-30
ECLI:NL:GHAMS:2026:1215
afdeling strafrecht parketnummer: 23-001525-24 datum uitspraak: 30 april 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-231774-21 (zaak A) en 13-153701-24 (zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1976, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en 30 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat aan hem in zaak B (parketnummer 13-153701-24) is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak. Tenlastelegging Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat: Zaak A (parketnummer 13-231774-21): 1.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 1 november 2023 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Haarlemmermeer en/of Heelsum en/of Ouderkerk aan de Amstel en/of Bussum, althans in Nederland, en/of Venezuela en/of Argentinië en/of Sovjet Unie en/of Oekraïne en/of Colombia en/of Brazilië en/of Cuba, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) een ander of anderen, te weten - [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteland 1] en/of - [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteland 2] en/of - [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 1992 te [geboorteland 3] en/of - [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 5] 1996 te [geboorteland 4] en/of - [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedag 6] 1989 te [geboorteland 5] en/of - [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedag 7] 1996 te [geboorteland 6] en/of - [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedag 8] 1990 te [geboorteland 7] en/of - [slachtoffer 8] , geboren op [geboortedag 9] 1998 te [geboorteland 4] en/of - [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedag 10] 1982 te [geboorteland 6] en/of - een NN-persoon (zich noemende ‘ [slachtoffer 10] ’) en/of - een NN-persoon (zich noemende ‘ [slachtoffer 11] ’) en/of - [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 11] 1994 te [geboorteland 4] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of voornoemde perso(o)n(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, en/of uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of voornoemde perso(o)n(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door - één of meerdere van voornoemde vrouw(en) naar Nederland te laten vliegen en/of vliegtickets te regelen voor één of meerdere van voornoemde vrouw(en) zodat zij naar Nederland kon(den) komen met de bedoeling om deze vrouw(en) aldaar in de prostitutie te laten werken en/of - één of meerdere van voornoemde vrouw(en) op te vangen en/of op te laten vangen en/of op te (laten) halen op het vliegveld Schiphol en/of - voor één of meerdere van voornoemde vrouw(en) (een) hotelkamer(s) en/of (een) woning(en) te regelen waar zij kon(den) verblijven en/of van waaruit zij haar/hun prostitutiewerkzaamheden kon(den) verrichten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt; 2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2021 tot en met 1 november 2023 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Haarlemmermeer en/of Heelsum en/of Ouderkerk aan de Amstel en/of Bussum, althans in Nederland, en/of Venezuela en/of Argentinië en/of Sovjet Unie en/of Oekraïne en/of Colombia en/of Brazilië en/of Cuba, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) een ander of anderen, te weten - [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteland 1] en/of - [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteland 2] en/of - [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 1992 te [geboorteland 3] en/of - [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 5] 1996 te [geboorteland 4] en/of - [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedag 6] 1989 te [geboorteland 5] en/of - [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedag 7] 1996 te [geboorteland 6] en/of - [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedag 8] 1990 te [geboorteland 7] en/of - [slachtoffer 8] , geboren op [geboortedag 9] 1998 te [geboorteland 4] en/of - [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedag 10] 1982 te [geboorteland 6] en/of - een NN-persoon (zich noemende ‘ [slachtoffer 10] ’) en/of - een NN-persoon (zich noemende ‘ [slachtoffer 11] ’) en/of - [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 11] 1994 te [geboorteland 4] die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid (prostitutie) heeft doen verrichten, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zal worden vernietigd, omdat het hof tot deels andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging Feiten en omstandigheden Het hof stelt, in overwegende mate in lijn met de rechtbank, de navolgende feiten en omstandigheden vast. Op 11 augustus 2021 vindt naar aanleiding van een melding van een omwonende een controle plaats op het adres [adres 2] . Volgens de melding verblijven in de woning Oost-Europese vrouwen die ’s nachts worden gebracht en gehaald. Vanuit de woning zijn geluiden te horen van huilende vrouwen. Volgens de melder is mogelijk sprake van prostitutie. Na de controle doet de politie onderzoek naar de camerabeelden van de flat aan de [adres 2]. Op beelden van 6 augustus 2021 is onder andere te zien dat een blauwe Opel Agila stopt bij de flat, waarna twee vrouwen uit het voertuig stappen en in de richting van de flat lopen. Op 3 november 2021 omstreeks 02.15 uur wordt een Opel Agila onder verdachte omstandigheden gecontroleerd in de omgeving van Arnhem. In de auto zitten op dat moment [persoon 1] als bestuurder, de verdachte als bijrijder en [slachtoffer 1] als inzittende achterin de auto. Omstreeks 02.45 uur ziet de politie dezelfde auto met nog een vierde inzittende, [persoon 2] . [slachtoffer 1] verklaart dat zij enkele dagen geleden uit [geboorteland 1] via Duitsland in Nederland is aangekomen. Zij wilde als escort werken. ‘ [verdachte] ’ heeft de klanten geregeld en een kamer gehuurd in het [hotel 1] . Zij mogen de kamer slechts verlaten als er een klant voor ze is geregeld. Omdat [persoon 2] en [slachtoffer 1] ogenschijnlijk niet meer in de Opel Agila willen zitten, brengt de politie de vrouwen naar het [hotel 1]. In het hotel wijst de nachtportier een vrouw bij de receptie aan die bij [persoon 2] en [slachtoffer 1] zou horen. De vrouw blijkt te zijn [slachtoffer 3] en identificeert zich met een Oekraïens paspoort. Deze [slachtoffer 3] verklaart dat zij een escort is en vanuit haar hotelkamer naar klanten wordt weggebracht. De man die alles voor haar regelt, heeft ook haar kamer gehuurd. Zij noemt de man ‘ [verdachte] ’. Als ‘ [verdachte] ’ een klant voor haar regelt, krijgt zij een berichtje en niet veel later staat een chauffeur klaar voor het hotel en brengt haar naar de klant. De nachtportier verklaart dat de hotelkamer van [slachtoffer 3] is gehuurd door [verdachte] . Naast deze kamer heeft hij voor de periode 31 oktober 2021 tot 3 november 2021 nog andere kamers gehuurd. In een van de kamers treft de politie een vrouw aan die zich identificeert met een Braziliaans paspoort. De vrouw blijkt te zijn [slachtoffer 2] . Ook zij verklaart dat zij als escort werkzaam is en dat de hotelkamer is gehuurd door een man genaamd ‘ [verdachte] ’. Ze mag de hotelkamer pas verlaten als ‘ [verdachte] ’ een klant voor haar heeft geregeld. Dan krijgt zij een bericht van hem en brengt de chauffeur van ‘ [verdachte] ’ haar naar de klant. Naar aanleiding van overlastmeldingen van buurtbewoners vindt op 1 april 2022 op verzoek van de wijkagent opnieuw een controle plaats in de woning aan de [adres 2] . Tijdens het bezoek dat de politie aan dit adres aflegt, wordt de deur van de woning geopend door [slachtoffer 4] , geboren in [geboorteland 4] . Zij identificeert zich met een Spaans identiteitsbewijs. [slachtoffer 4] verklaart dat zij in Spanje woont en naar Nederland is gekomen om sekswerk te verrichten voor een agency. Tegen haar is gezegd dat zij hier niet over mag praten. De man in de woning bepaalt haar rusttijden. Op dat moment is verdachte in de woning aanwezig. Op het bed in een van de slaapkamers in de woning treft de politie twee andere vrouwen, waaronder [slachtoffer 5] , geboren in [geboorteland 5] . Ook zij verklaart dat zij sekswerk verricht voor een agency. Via de app krijgt zij door dat er een klant aankomt. Meestal werkt zij in een hotel. Op 23 juni 2022 vindt wederom controle plaats in de woning aan de [adres 2] . Buurtbewoners melden dat zij zien dat iedere dag andere mannen in en uit de woning lopen; het gaat vaak om korte bezoekjes. Bij de controle wordt in de woning een vrouw aangetroffen. Dit blijkt [slachtoffer 6] te zijn, geboren in [geboorteland 6] . Zij verklaart dat zij in Spanje woont en naar Nederland is gekomen om te werken. Zij doet sekswerk, maar mag dit eigenlijk niet vertellen. Sinds twee of drie dagen is ze in de woning. Ze is hier terechtgekomen via een man, ‘ [verdachte] ’. ‘ [verdachte] weet wat voor werk zij doet. Op 17 juli 2022 omstreeks 07.15 uur begeven eenheden van de politie zich naar [adres 4]. Daar ziet de politie een vrouw, [slachtoffer 7] . De volgende dag verklaart zij dat zij via een vriendin genaamd [persoon 3] is uitgenodigd om naar Nederland te komen. [persoon 3] zou haar helpen om te gaan werken voor een uitzendbureau voor sekswerk. Het uitzendbureau staat in haar telefoon onder ‘ [naam 1] ’ met het nummer [telefoonnummer 1] . Zij is op basis van 50/50 aan het werk gegaan bij het uitzendbureau. ‘ [naam 1] regelde de woonruimte en de seksafspraken. Zij moest uitvoeren wat [naam 1] met de klant had afgesproken. Op 9 augustus 2022 verrichten gemeentelijke toezichthouders een controle op het adres [adres 2] . De deur van de woning wordt geopend door medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). In een van de slaapkamers in de woning trof de politie een vrouw aan die seksuele handelingen verrichtte met een man. De vrouw legitimeerde zich met een Venezolaans paspoort waarvan de geldigheid was verlopen, maar dat was voorzien van een visum bestemd voor vrij reizen in de Europese Unie. De vrouw bleek te zijn genaamd [slachtoffer 9] . De man verklaart dat hij tegen betaling gebruik maakte van de diensten van de vrouw. In de centrale toegangshal van de flat treft de politie een vrouw, [slachtoffer 8] . Zij legitimeert zich met een Colombiaans paspoort, voorzien van twee (inreis)stempels met het jaartal 2018. De vrouw verklaart dat zij verblijft op ‘nummer [nummer 1] ’. Op 31 oktober 2023 vindt een controle plaats in een woning, op het adres [adres 3] . In de woning worden [medeverdachte] en [benadeelde partij] aangetroffen. Een buurtbewoner verklaart dat mannen regelmatig bij zijn voordeur aankloppen en daarna in de richting van huisnummer [nummer 2] weglopen. [benadeelde partij] verklaart dat [verdachte] haar op 28 oktober 2023 heeft opgehaald. Zij is noodgedwongen in Nederland en onderhoudt haar familie in Colombia. [verdachte] houdt haar tegen in de woning, zodat zij niet weg kan. Zij moet 50 procent van haar inkomen aan hem afstaan. Later heeft zij aan de politie verklaard dat zij illegaal in Nederland is. Zij is uit eigen wil naar Nederland gekomen, maar werd verplicht voor [verdachte] te werken. [verdachte] maakt de advertenties op [website] . Na de seksafspraken geeft [persoon 4] hem de betalingen van klanten. [verdachte] rekent aan het eind van de dag uit wat de helft van de inkomsten is en geeft dit aan haar. Hij heeft gezegd dat hij degene is die alles controleert, omdat hij degene is die voor het werk zorgt. De verdachte is op 28 november 2022 aangehouden in een hotelkamer van het [hotel 2] . Tijdens de aanhouding van de verdachte zijn in zijn hotelkamer meerdere telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung S20 (voorzien van goednummer 6269094). Deze telefoon is door de politie nader onderzocht. Op de telefoon is een Whatsapp-chatgesprek aangetroffen met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat geregistreerd staat onder de naam ‘ [naam 2] ’. Uit de gesprekken volgt dat de verdachte in samenwerking met [naam 2] vrouwen werft in Spanje voor de seksuele dienstverlening in Nederland. De werving van deze vrouwen richt zich niet alleen op vrouwen uit lidstaten van de Europese Unie, maar ook uit landen daarbuiten. Het gaat om vrouwen die geen vergunde seksuele diensten in Nederland mogen verrichten. [medeverdachte] heeft aan de politie verklaard dat hij voor de verdachte reed als chauffeur. Hij vervoert wie de verdachte wil dat hij vervoert. Ook is het juist dat hij vaker is gecontroleerd met prostituees. Hij zet ze af bij de opgegeven adressen. Hij heeft samen met [verdachte] vrouwen opgehaald. De vrouwen verblijven bij [verdachte] in de woning en in hotels en komen meestal uit Colombia. Ten aanzien van feit 1 Juridisch kader Voor een veroordeling wegens het misdrijf (mensensmokkel) van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte uit winstbejag een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. Bij het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij’ gaat het erom of de verdachte de toegang, de doorreis of het (verdere) verblijf van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Van belang is dat de behulpzaamheid is voltooid, terwijl noch uit die delictsomschrijving noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat vereist is dat de vreemdeling zich daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot Nederland of een andere staat als bedoeld in artikel 197a Sr. Niet is vereist dat de verleende hulp moet hebben bestaan uit ‘actieve handelingen’. Wederrechtelijk verblijf in Nederland Met de rechtbank is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde vrouwen, met uitzondering van ‘ [slachtoffer 10] ’ en ‘ [slachtoffer 11] ’, wederrechtelijk in Nederland hebben verbleven. Uit het dossier volgt dat de vrouwen in Nederland prostitutiewerkzaamheden hebben verricht. Uit het in de hoger beroepsfase in het dossier gevoegde proces-verbaal van 31 maart 2026 volgt dat blijkens nader onderzoek in de politiesystemen en informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst géén van hen gerechtigd was om in Nederland arbeid te verrichten. Het enkele feit dat twee van de vrouwen (te weten: [slachtoffer 4] als [persoon 5] ) beschikten over een Spaans verblijfsdocument leidt niet tot een ander oordeel. Vreemdelingen met rechtmatig verblijf in een Schengenlidstaat mogen weliswaar onder voorwaarden kortdurend in Nederland verblijven, maar dat geldt niet indien zij hier arbeid verrichten. Nu beide vrouwen hebben verklaard als prostituee werkzaam te zijn geweest, is niet voldaan aan die voorwaarden, zodat ook hun verblijf als wederrechtelijk moet worden aangemerkt. Nu deze vrouwen in Nederland verbleven en als prostituee arbeid verrichtten, en aan geen van de vrouwen een tewerkstellingsvergunning en/of machtiging tot voorlopig verblijf was afgegeven en zij bovendien niet op enige andere grond in Nederland legaal mochten werken, is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het verblijf in Nederland van deze vrouwen wederrechtelijk was. Wetenschap van de wederrechtelijkheid Ook is het hof van oordeel dat de verdachte wist, of in ieder geval ernstige reden had te vermoeden dat de vrouwen wederrechtelijk in Nederland verbleven en dat zij niet mochten werken. Daartoe overweegt het hof als volgt. In algemene zin geldt dat een ieder wordt geacht de wet te kennen en zich, waar nodig, daarin te verdiepen. Daarnaast zijn illegaal verblijf en migratie onderwerpen die voortdurend in de maatschappelijke en publieke aandacht staan. Nu de verdachte zich bezighield met het regelen van verblijf en werkzaamheden van de vrouwen die uit het buitenland kwamen en in de prostitutie in Nederland gingen werken, mocht van hem in het bijzonder worden verwacht dat hij hun verblijfsstatus controleerde en zich ervan vergewiste dat die rechtmatig was. Daarnaast volgt uit de inhoud van de chatgesprekken met onder meer ‘ [naam 2] ’, die betrokken was bij de werving van vrouwen uit Spanje, dat de verdachte zich bewust was van het omzeilen van regels omtrent verblijf en arbeid. Zo schreef hij onder meer (vertaald): ‘ In Nederland moet je slim werken. (Het) is een heel makkelijk land maar je moet hier als toerist komen. Niet als een prostituee en met het gedrag van een prostituee ’ (dossierpagina 628, gesprek 1662). Daarnaast schreef hij aan een van de vrouwen, [persoon 5] , wiens telefoon bij een controle op 23 juni 2022 werd bekeken, nadat zij hem berichtte dat de politie aanwezig was: “ Dont say anything. Say i am not living there. Let me know when they go. (…) Dont say anything. Keep your mouth shut and later they let you go .” (dossierpagina 071-080). Uit deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte wist, althans ten minste ernstige reden had te vermoeden, dat het verblijf van de vrouwen in Nederland wederrechtelijk was en dat zij niet gerechtigd waren om in Nederland arbeid te verrichten. De door de verdachte gegeven verklaring, inhoudende dat hij geen wetenschap had van de illegale status van de vrouwen, acht het hof, in het licht van het voorgaande, niet geloofwaardig en wordt als zodanig terzijde geschoven. (Uit winstbejag) behulpzaam zijn bij verschaffen verblijf Op basis van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte het verrichten van sekswerk door de vrouwen heeft gefaciliteerd. Hij maakte profielen aan op [website] , regelde seksafspraken en verzorgde het vervoer van en naar deze afspraken. De verdachte bood de vrouwen huisvesting aan in zijn woning aan de [adres 2] of huurde daarvoor hotelkamers. In een aantal gevallen ontvingen de vrouwen de betalingen van klanten eerst zelf, waarna zij deze aan de verdachte afdroegen. Vervolgens kregen zij een deel van de opbrengst terug. Uit deze gang van zaken volgt dat de verdachte structureel betrokken was bij de organisatie van het sekswerk en de financiële afwikkeling daarvan. Het hof kwalificeert deze handelingen als het behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf in Nederland in de zin van artikel 197a, tweede lid, Sr. Bovendien is het hof van oordeel dat sprake was van winstbejag. De vrouwen droegen 50% van hun verdiensten af aan de verdachte. Daarmee heeft de verdachte zich rechtstreeks verrijkt door de door hen verrichte werkzaamheden. Gelet op de herhaalde en gestructureerde wijze van zijn handelen stelt het hof vast dat de verdachte daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt. De inkomsten die de verdachte genoot met het smokkelen en het doen verrichten van arbeid door deze vrouwen worden beschouwd als noodzakelijk voor zijn levensonderhoud. Immers, van een andere duurzame en substantiële bron van inkomsten is niet gebleken. Het hof acht daarom ook het bestanddeel dat sprake is van een beroep of gewoonte bewezen. Voor zover de verdachte gesteld heeft dat hij ook nog altijd in de detailhandel met kleding in die periode werkzaam was, merkt het hof op dat daarvan niet is gebleken. Conclusie Het hof acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, in vereniging met een of meer anderen, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door tien vrouwen, terwijl hij wist, althans ernstige reden had te vermoeden, dat dat verblijf wederrechtelijk was, en dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Het hof spreekt de verdachte vrij van het overige, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 2 Gelet op de feiten en omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet, is ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het illegaal tewerkstellen van de in de tenlastelegging genoemde personen, met uitzondering van ‘ [slachtoffer 10] ’ en ‘ [slachtoffer 11] ’. Daarbij overweegt het hof nog dat de verdachte een escortservice in de niet-vergunde sector exploiteerde. De verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning in Nederland voor dergelijke werkzaamheden onder deze omstandigheden nimmer een kans van slagen zou hebben. Daarmee is sprake van illegale tewerkstelling. Voorwaardelijk verzoek De raadsvrouw heeft, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht de in de tenlastelegging genoemde vrouwen als getuige te horen. Het hof wijst dit voorwaardelijke verzoek – in lijn met de op de regiezitting van 27 maart 2025 genomen beslissingen – om de volgende redenen af. De vrouwen hebben reeds tegenover verbalisanten verklaringen afgelegd. De voor het bewijs gebruikte onderdelen daarvan die zien op de feitelijke gang van zaken in de tenlastegelegde periode worden door de verdachte niet betwist. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat de verklaringen van deze vrouwen omtrent hun feitelijke verblijf en de door hen verrichte prostitutiewerkzaamheden onjuist of onvolledig zouden zijn. Dat de vrouwen wederrechtelijk in Nederland verbleven, blijkt, zoals hiervoor reeds overwogen, uit het in de hoger beroepsfase in het dossier gevoegde proces-verbaal van 31 maart 2026. Voor zover het verzoek ertoe strekt de getuigen te horen over de wetenschap van de verdachte ten aanzien van hun verblijfsstatus, geldt dat dit niet een onderwerp betreft waarover zij hebben verklaard. De verdachte heeft ook niet gesteld dat dit onderwerp van gesprek is geweest tussen hem en de vrouwen, zodat het hof niet inziet dat zij hierover zouden kunnen verklaren. Gelet hierop wordt het verzoek tot het horen van de in de tenlastelegging genoemde vrouwen als getuige afgewezen. De verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging. De procedure als geheel voldoet aan de eisen die daaraan in artikel 6 EVRM worden gesteld. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A (13-231774-21) onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij in de periode van 1 november 2021 tot en met 1 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, anderen, te weten - [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteland 1] en - [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteland 2] en - [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 1992 te [geboorteland 3] en - [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 5] 1996 te [geboorteland 4] en - [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedag 6] 1989 te [geboorteland 5] en - [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedag 7] 1996 te [geboorteland 6] en - [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedag 8] 1990 te [geboorteland 7] en - [slachtoffer 8] , geboren op [geboortedag 9] 1998 te [geboorteland 4] en - [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedag 10] 1982 te [geboorteland 6] en - [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 11] 1994 te [geboorteland 4] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of voornoemde personen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door - voor één of meerdere van voornoemde vrouwen een hotelkamer en/of een woning te regelen waar zij konden verblijven en/of van waaruit zij hun prostitutiewerkzaamheden konden verrichten, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt; 2.hij in de periode van 1 november 2021 tot en met 1 november 2023 in Nederland anderen, te weten - [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteland 1] en - [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteland 2] en - [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 1992 te [geboorteland 3] en - [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag 5] 1996 te [geboorteland 4] en - [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedag 6] 1989 te [geboorteland 5] en - [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedag 7] 1996 te [geboorteland 6] en - [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedag 8] 1990 te [geboorteland 7] en - [slachtoffer 8] , geboren op [geboortedag 9] 1998 te [geboorteland 4] en - [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedag 10] 1982 te [geboorteland 6] en - [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 11] 1994 te [geboorteland 4] die zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens overeenkomst arbeid (prostitutie) heeft doen verrichten, terwijl verdachte wist, althans ernstige redenen had om te vermoeden, dat dat verblijf wederrechtelijk was, en verdachte van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Wat in zaak A onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd. Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op: een ander, die zich wederrechtelijk verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is en terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd. De raadsvrouw heeft het hof – in het geval van een bewezenverklaring – verzocht om de duur van de gevangenisstraf te matigen. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met één of meer anderen schuldig gemaakt aan het (uit winstbejag) behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf in Nederland van tien vrouwen, terwijl hij wist of in ieder geval ernstige reden had te vermoeden dat zij niet over een geldige verblijfstitel voor Nederland beschikten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het laten verrichten van arbeid (prostitutiewerkzaamheden) van al deze vrouwen, terwijl hij wist, dan wel ernstige reden had te vermoeden dat hun verblijf in Nederland wederrechtelijk was. Uit het dossier volgt dat de verdachte het verblijf en de werkzaamheden van de tien vrouwen mogelijk maakte. De verdachte huurde hotelkamers voor de vrouwen of de vrouwen verbleven in een woning die door de verdachte werd gehuurd. Daarnaast maakte hij seksadvertenties aan, fungeerde als contactpersoon tussen de vrouwen en hun klanten voor seksafspraken en regelde werkruimte en vervoer voor de vrouwen. De vrouwen moesten 50 procent van hun verdiensten afstaan aan de verdachte en waren in een bepaalde mate afhankelijk van hem. De verdachte heeft een gewoonte of beroep gemaakt van zijn handelen. Daar komt bij dat het in dit soort zaken vanwege de verblijfspositie en het werk dat zij doen in de illegale prostitutie veelal om kwetsbare vrouwen gaat. Met zijn handelen heeft de verdachte het illegale verblijf van deze vrouwen in Nederland bevorderd en daarmee het daarop gerichte overheidsbeleid ondermijnd. De verdachte verdiende aan de illegale arbeid die de vrouwen in Nederland verrichtten. Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet eerder voor een soortgelijk feit als de nu bewezenverklaarde feiten. Bij het bepalen van de straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor mensensmokkel, waarin wordt uitgegaan van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voor iedere gesmokkelde persoon en een in beginsel lineaire verhoging bij het smokkelen van meerdere personen. Het hof ziet – onder meer in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – geen reden om hiervan af te wijken. Gelet op de bewezenverklaring ten aanzien van tien vrouwen, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Voorlopige hechtenis Het hof wijst de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toe. Het hof ziet een concreet en ernstig gevaar voor herhaling, gelet op de inhoud van de door de advocaat-generaal toegezonden en in het dossier gevoegde processen-verbaal ten aanzien van de aanhouding van de verdachte op 8 januari jl. ter zake van soortgelijke feiten. Het hof ziet gelet op de bij dit arrest op te leggen straf en voornoemd herhalingsgevaar dan ook reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De voorlopige hechtenis eindigt op het moment dat de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan de duur van de opgelegde straf. Beslag De hiernavolgende goederen zijn onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven: 1400 euro (Omschrijving: PL1300-2021163725-6269086); 10 stuks munten 10000 (Omschrijving: PL1300-2021163725-G6270181, Holland Casino); 1 stuk Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2021163725-G6269068, Roze); 2 stuk Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2021163725-G6269063); 1 Fles (Omschrijving: PL1300-2021163725-G6269072, Jungle Juice); 1 stuk Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2021163725-G6269073). Verbeurd verklaring Het hof zal de onder nummers 1 en 2 in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn aangetroffen op locaties waar prostitutiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en behoren aan de verdachte toe. Gelet op de bewezenverklaring – kort gezegd, het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijf en het tewerkstellen in de prostitutie van illegale vreemdelingen – en de inkomsten die door middel van de tenlastegelegde handelingen gegenereerd werden door de verdachte zelf, gaat het hier om voorwerpen die geheel, althans grotendeels, uit de baten van het in zaak A bewezenverklaarde zijn verkregen, zodat zij vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Bewaring ten behoeve van de rechthebbende De onder nummer 3 tot en met 6 genoemde voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij – blijkens de toelichting op de vordering – is toegeschreven op wat aan de verdachte in zaak B is tenlastegelegd. Nu de verdachte hiervan is vrijgesproken en deze zaak in hoger beroep niet (meer) aan de orde is, kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak B (parketnummer 13-153701-24) tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A (parketnummer 13-231774-21) onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A (parketnummer 13-231774-21) onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1400 euro (6269086); - 10 stuks munten 10000 (6270181). Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - 1 stuk Verdovende Middelen (6269068); - 2 stuk Verdovende Middelen (6269063); - 1 Fles (6269072); - 1 stuk Verdovende Middelen (6269073). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte . Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. R. van der Heijden en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026. mr. R. van der Heijden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.