Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-10
ECLI:NL:GHAMS:2026:1213
Strafrecht
Hoger beroep
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 text/xml public 2026-05-11T16:53:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-10 23-001516-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 text/html public 2026-05-11T16:48:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 Gerechtshof Amsterdam , 10-04-2026 / 23-001516-25 Ontneming van het wederrechtelijk voordeel verkregen uit het ter beschikking stellen van woning ten behoeve van een hennepkwekerij afdeling strafrecht parketnummer: 23-001516-25 (ontneming) datum uitspraak: 10 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-059312-25 tegen de betrokkene: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978, adres: [adres 1] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van EUR € 220.363,76. De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 - verkort weergegeven- veroordeeld ter zake van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 juni 2025 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 45.000,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden veroordeeld terzake van - verkort weergegeven - het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder meer omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1 Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 20.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft enkel zijn woning ter beschikking gesteld en zou hiervoor per oogst € 10.000,00 ontvangen maar hij heeft niets gehad. Ook betwist de betrokkene dat er een eerdere oogst is geweest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om uit te gaan van de verklaring van de betrokkene dat hij een vergoeding van € 10.000,00 zou krijgen voor het te beschikking stellen van zijn woning. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om uit te gaan van drie mededaders. Meest subsidiair is verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen overeenkomstig de politierechter. 3 Oordeel van het hof Grondslag van de ontnemingsvordering De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel worden ontnomen, verkregen uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan (artikel 36e lid 2 Sr). De betrokkene is bij arrest van dit hof veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep op 3 maart 2021. Het hof is van oordeel dat in het ontnemingsrapport voldoende aanwijzingen zijn vermeld waaruit volgt dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat hij in de periode voorafgaand aan 3 maart 2021 medeplichtig was aan hennepteelt door het ter beschikking stellen van zijn woning. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene hieruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dit verband wijst het hof op het feit dat op 3 maart 2021 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van de betrokkene en dat hij hierover heeft verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan anderen voor het opzetten en exploiteren van die kwekerij, in ruil voor een vergoeding. Opbrengsten Op 3 maart 2021 is er een hennepkwekerij aangetroffen in een woning op de [adres 2] , die door de betrokkene wordt gehuurd. Ter terechtzitting bij de politierechter heeft de betrokkene verklaard dat hij voor het ter beschikking stellen van zijn woning een vergoeding van € 10.000,00 zou krijgen per oogst. Het hof gaat uit van deze verklaring. De latere verklaring van de betrokkene dat hij nooit een vergoeding heeft ontvangen, acht het hof niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat iemand zijn eigen woning gedurende langere tijd laat gebruiken voor een hennepkwekerij zonder daar een vergoeding voor te ontvangen. Het hof betrekt daarbij dat de stelling van de betrokkene dat hij is bedreigd en daarom de hennepkwekerij heeft gedoogd zonder daarvoor een vergoeding te krijgen, niet aannemelijk is. Het hof zal er daarom van uitgaan dat de betrokkene per oogst een vergoeding van € 10.000,00 heeft ontvangen. Aantal oogsten Gelet op de in het ontnemingsrapport genoemde indicatoren stelt het hof de startdatum van de eerste kweek vast op 10 september 2020. Op 3 maart 2021 is de hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld, waarbij de aangetroffen planten acht weken oud waren. Dit betekent dat de ontnemingsperiode 24 weken beslaat. Anders dan door de raadsman is bepleit, gaat het hof er op grond van het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van uit dat in alle drie de kweekruimtes gebruik werd gemaakt van CO₂ toevoeging. Dat er op de ruimlijst maar één CO₂ booster is aangevinkt, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Door het gebruik van de CO₂ toevoeging wordt de kweekperiode met twee weken verkort naar 8 weken. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat er twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Door de gehele woning zijn tien vuilniszakken met hennepplantenresten aangetroffen. Hierin bevonden zich takken van hennepresten, waarvan de hennepbloemen waren verwijderd. Ook dit duidt erop dat sprake is geweest van (een) eerdere oost(en). Dat er geen eerdere oogst heeft plaatsgevonden, zoals door de verdachte is aangevoerd, acht het hof mede gelet hierop niet aannemelijk. Wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof komt tot de volgende vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2 (oogsten) x € 10.000,00 = € 20.000,00. Verplichting tot betaling aan de Staat Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) . Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 dagen.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 text/xml public 2026-05-11T16:53:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-10 23-001516-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 text/html public 2026-05-11T16:48:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1213 Gerechtshof Amsterdam , 10-04-2026 / 23-001516-25 Ontneming van het wederrechtelijk voordeel verkregen uit het ter beschikking stellen van woning ten behoeve van een hennepkwekerij afdeling strafrecht parketnummer: 23-001516-25 (ontneming) datum uitspraak: 10 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-059312-25 tegen de betrokkene: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978, adres: [adres 1] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van EUR € 220.363,76. De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025 - verkort weergegeven- veroordeeld ter zake van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 juni 2025 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 45.000,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden veroordeeld terzake van - verkort weergegeven - het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder meer omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel 1 Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 20.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft enkel zijn woning ter beschikking gesteld en zou hiervoor per oogst € 10.000,00 ontvangen maar hij heeft niets gehad. Ook betwist de betrokkene dat er een eerdere oogst is geweest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om uit te gaan van de verklaring van de betrokkene dat hij een vergoeding van € 10.000,00 zou krijgen voor het te beschikking stellen van zijn woning. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om uit te gaan van drie mededaders. Meest subsidiair is verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen overeenkomstig de politierechter. 3 Oordeel van het hof Grondslag van de ontnemingsvordering De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel worden ontnomen, verkregen uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan (artikel 36e lid 2 Sr). De betrokkene is bij arrest van dit hof veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep op 3 maart 2021. Het hof is van oordeel dat in het ontnemingsrapport voldoende aanwijzingen zijn vermeld waaruit volgt dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat hij in de periode voorafgaand aan 3 maart 2021 medeplichtig was aan hennepteelt door het ter beschikking stellen van zijn woning. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene hieruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dit verband wijst het hof op het feit dat op 3 maart 2021 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van de betrokkene en dat hij hierover heeft verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan anderen voor het opzetten en exploiteren van die kwekerij, in ruil voor een vergoeding. Opbrengsten Op 3 maart 2021 is er een hennepkwekerij aangetroffen in een woning op de [adres 2] , die door de betrokkene wordt gehuurd. Ter terechtzitting bij de politierechter heeft de betrokkene verklaard dat hij voor het ter beschikking stellen van zijn woning een vergoeding van € 10.000,00 zou krijgen per oogst. Het hof gaat uit van deze verklaring. De latere verklaring van de betrokkene dat hij nooit een vergoeding heeft ontvangen, acht het hof niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat iemand zijn eigen woning gedurende langere tijd laat gebruiken voor een hennepkwekerij zonder daar een vergoeding voor te ontvangen. Het hof betrekt daarbij dat de stelling van de betrokkene dat hij is bedreigd en daarom de hennepkwekerij heeft gedoogd zonder daarvoor een vergoeding te krijgen, niet aannemelijk is. Het hof zal er daarom van uitgaan dat de betrokkene per oogst een vergoeding van € 10.000,00 heeft ontvangen. Aantal oogsten Gelet op de in het ontnemingsrapport genoemde indicatoren stelt het hof de startdatum van de eerste kweek vast op 10 september 2020. Op 3 maart 2021 is de hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld, waarbij de aangetroffen planten acht weken oud waren. Dit betekent dat de ontnemingsperiode 24 weken beslaat. Anders dan door de raadsman is bepleit, gaat het hof er op grond van het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van uit dat in alle drie de kweekruimtes gebruik werd gemaakt van CO₂ toevoeging. Dat er op de ruimlijst maar één CO₂ booster is aangevinkt, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Door het gebruik van de CO₂ toevoeging wordt de kweekperiode met twee weken verkort naar 8 weken. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat er twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Door de gehele woning zijn tien vuilniszakken met hennepplantenresten aangetroffen. Hierin bevonden zich takken van hennepresten, waarvan de hennepbloemen waren verwijderd. Ook dit duidt erop dat sprake is geweest van (een) eerdere oost(en). Dat er geen eerdere oogst heeft plaatsgevonden, zoals door de verdachte is aangevoerd, acht het hof mede gelet hierop niet aannemelijk. Wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof komt tot de volgende vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2 (oogsten) x € 10.000,00 = € 20.000,00. Verplichting tot betaling aan de Staat Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) . Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 dagen.