Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-08
ECLI:NL:GHAMS:2026:1208
Strafrecht
Hoger beroep
18,660 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 text/xml public 2026-05-12T13:34:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-08 23-002333-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 text/html public 2026-05-12T13:25:58 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 Gerechtshof Amsterdam , 08-04-2026 / 23-002333-21 Belastingfraude begaan door een rechtspersoon afdeling strafrecht parketnummer: 23-002333-21 datum uitspraak: 8 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-993856-19 tegen: [bedrijf 1] B.V., gevestigd te [adres] , hierna aangeduid als de bv dan wel de verdachte. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2025 8 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: Primair: het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist/onvolledig (laten) doen van aangiften omzetbelasting van de bv in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31oktober 2012; Subsidiair: het (mede)plegen van valsheid in geschrift (aangiften voor de omzetbelasting van de bv) in die periode; Feit 2: Primair: het medeplegen van valsheid in geschrift (bedrijfsadministratie van de bv) in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 december 2013; Subsidiair: het (mede)plegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2014 van het als belastingplichtige niet voldoen aan de verplichtingen ten opzichte van het verstrekken van inlichtingen aan de Belastingdienst, geen administratie overeenkomstig de eisen van de belastingwet voeren en boeken/bescheiden/gegevensdrager niet bewaren; Feit 3: het (mede)plegen in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 van het niet of niet tijdig doen van de aangiften voor de omzetbelasting van de bv, immers nog niet op 18 februari 2016. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een (enigszins) andere bewezenverklaring. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, steeds in de primaire variant. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Niet wordt betwist dat de verdachte wist dat in de ontvangsten van de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad) de BTW inbegrepen was, of dat de aangiften omzetbelasting (achteraf) onjuist waren. Wel wordt betwist dat de verdachte wetenschap dan wel opzet had. De vertegenwoordiger van de bv heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangiften omzet belasting zijn ingediend door de boekhouders van verdachte. Verdachte was in de veronderstelling dat de aangiften juist werden gedaan. Subsidiair is aangevoerd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken ten aanzien van feit 2 (het hof begrijpt: feit 3), omdat er in 2012 wel aangifte omzetbelasting is gedaan door middel van suppletieaangifte. Ook heeft de verdediging een rechtmatigheidsverweer gevoerd. Oordeel van het hof Evenals de rechtbank acht het hof het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde bewezen en stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Inleiding De verdachte heeft sinds 1 oktober 1993 een advocatenpraktijk. Zijn zakelijke activiteiten waren tot 14 juli 2011 ondergebracht in zijn eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijf 1] . Op 14 juli 2011 zijn deze activiteiten ingebracht in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de bv). De enig aandeelhouder en bestuurder van de bv was [bedrijf 2] B.V. waarvan [persoon 1] (verder [persoon 1] ) enig aandeelhouder en bestuurder was. De bv is op 2 februari 2020 ontbonden. De bv heeft vergoedingen ontvangen van de Raad. Het algemene belastingtarief voor de omzetbelasting voor deze ontvangsten was voor 1 oktober 2012 19%. Met ingang van 1 oktober 2012 is het belastingtarief vastgesteld op 21%. In december 2013 en maart 2014 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek bij [persoon 1] onderscheidenlijk de bv aangekondigd. Aanleiding voor het boekenonderzoek door de Belastingdienst waren onder meer de spontane mededelingen van de voormalig boekhouder van [bedrijf 1] en de bv, [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) aan controlerend ambtenaar [deskundige] (hierna: [deskundige] ) van de Belastingdienst/FIOD rond juni 2013. [persoon 2] heeft verklaard dat [persoon 1] onjuiste jaarcijfers zou hebben verstrekt en de ontvangsten van de Raad op de door hem ingediende aangiften omzetbelasting ten onrechte als onbelaste omzet zou hebben vermeld terwijl hierop het omzetbelastingtarief van 19% of 21% van toepassing is, dan wel helemaal niet te hebben vermeld. Naar aanleiding van deze verklaring heeft [deskundige] een boekenonderzoek ingesteld bij de bv. Tijdens dit onderzoek heeft [deskundige] geconstateerd dat de uitbetaalde bedragen door de Raad zonder BTW werden aangegeven. Start onderzoek rechtmatig De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij aanvang van voornoemd boekenonderzoek in 2013, ook het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen. De vertegenwoordiger van de bv is echter vooraf en tijdens het boekenonderzoek er niet op gewezen dat hij geen verplichting had mee te werken aan de veroordeling van de bv. De raadsvrouw heeft tegen die achtergrond bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waardoor de rechten van de verdachte zijn geschonden, hetgeen tot strafvermindering moet leiden. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat er ten tijde van het boekenonderzoek nog geen redelijk vermoeden van schuld was, en dus ook nog geen reden om de cautie te geven. De opmerking van de oud-boekhouder tegen de ambtenaar van de belastingdienst dat er namens de verdachte verkeerde aangiften omzetbelasting zijn gedaan, leidt niet vanzelfsprekend tot een strafrechtelijk onderzoek. Het hof stelt vast dat de Belastingdienst op 3 december 2013 de aankondiging van het boekenonderzoek bij [persoon 1] heeft gedaan. Op 10 december 2013 heeft de eerste controle plaatsgevonden door ambtenaar [deskundige] en een collega. De Belastingdienst heeft op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid om een boekenonderzoek uit te voeren. Nu er sprake was een bestuursrechtelijke controle en geen strafrechtelijk onderzoek, hoefde verdachte niet gewezen te worden op het beginsel dat een verdachte niet mag worden verplicht mee te werken aan hetgeen tot zijn veroordeling kan leiden. Uit niets blijkt dat op dat moment al sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Het door de verdediging in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van verhoor van ambtenaar [deskundige] van 10 januari 2019 maakt dat niet anders. Op grond van het vorenstaande stelt het hof, evenals de rechtbank, vast dat er geen sprake is van schending van de rechten van de bv. Ten aanzien van feit 1 Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de bv in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 onjuiste aangiften heeft gedaan of heeft laten doen door in deze aangiften de in de ontvangsten van de Raad begrepen omzetbelasting niet aan te geven en af te dragen, welke feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 text/xml public 2026-05-12T13:34:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-08 23-002333-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 text/html public 2026-05-12T13:25:58 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1208 Gerechtshof Amsterdam , 08-04-2026 / 23-002333-21 Belastingfraude begaan door een rechtspersoon afdeling strafrecht parketnummer: 23-002333-21 datum uitspraak: 8 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-993856-19 tegen: [bedrijf 1] B.V., gevestigd te [adres] , hierna aangeduid als de bv dan wel de verdachte. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2025 8 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: Primair: het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist/onvolledig (laten) doen van aangiften omzetbelasting van de bv in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31oktober 2012; Subsidiair: het (mede)plegen van valsheid in geschrift (aangiften voor de omzetbelasting van de bv) in die periode; Feit 2: Primair: het medeplegen van valsheid in geschrift (bedrijfsadministratie van de bv) in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 december 2013; Subsidiair: het (mede)plegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2014 van het als belastingplichtige niet voldoen aan de verplichtingen ten opzichte van het verstrekken van inlichtingen aan de Belastingdienst, geen administratie overeenkomstig de eisen van de belastingwet voeren en boeken/bescheiden/gegevensdrager niet bewaren; Feit 3: het (mede)plegen in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 van het niet of niet tijdig doen van de aangiften voor de omzetbelasting van de bv, immers nog niet op 18 februari 2016. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een (enigszins) andere bewezenverklaring. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, steeds in de primaire variant. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Niet wordt betwist dat de verdachte wist dat in de ontvangsten van de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad) de BTW inbegrepen was, of dat de aangiften omzetbelasting (achteraf) onjuist waren. Wel wordt betwist dat de verdachte wetenschap dan wel opzet had. De vertegenwoordiger van de bv heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangiften omzet belasting zijn ingediend door de boekhouders van verdachte. Verdachte was in de veronderstelling dat de aangiften juist werden gedaan. Subsidiair is aangevoerd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken ten aanzien van feit 2 (het hof begrijpt: feit 3), omdat er in 2012 wel aangifte omzetbelasting is gedaan door middel van suppletieaangifte. Ook heeft de verdediging een rechtmatigheidsverweer gevoerd. Oordeel van het hof Evenals de rechtbank acht het hof het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde bewezen en stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Inleiding De verdachte heeft sinds 1 oktober 1993 een advocatenpraktijk. Zijn zakelijke activiteiten waren tot 14 juli 2011 ondergebracht in zijn eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijf 1] . Op 14 juli 2011 zijn deze activiteiten ingebracht in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de bv). De enig aandeelhouder en bestuurder van de bv was [bedrijf 2] B.V. waarvan [persoon 1] (verder [persoon 1] ) enig aandeelhouder en bestuurder was. De bv is op 2 februari 2020 ontbonden. De bv heeft vergoedingen ontvangen van de Raad. Het algemene belastingtarief voor de omzetbelasting voor deze ontvangsten was voor 1 oktober 2012 19%. Met ingang van 1 oktober 2012 is het belastingtarief vastgesteld op 21%. In december 2013 en maart 2014 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek bij [persoon 1] onderscheidenlijk de bv aangekondigd. Aanleiding voor het boekenonderzoek door de Belastingdienst waren onder meer de spontane mededelingen van de voormalig boekhouder van [bedrijf 1] en de bv, [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) aan controlerend ambtenaar [deskundige] (hierna: [deskundige] ) van de Belastingdienst/FIOD rond juni 2013. [persoon 2] heeft verklaard dat [persoon 1] onjuiste jaarcijfers zou hebben verstrekt en de ontvangsten van de Raad op de door hem ingediende aangiften omzetbelasting ten onrechte als onbelaste omzet zou hebben vermeld terwijl hierop het omzetbelastingtarief van 19% of 21% van toepassing is, dan wel helemaal niet te hebben vermeld. Naar aanleiding van deze verklaring heeft [deskundige] een boekenonderzoek ingesteld bij de bv. Tijdens dit onderzoek heeft [deskundige] geconstateerd dat de uitbetaalde bedragen door de Raad zonder BTW werden aangegeven. Start onderzoek rechtmatig De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij aanvang van voornoemd boekenonderzoek in 2013, ook het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen. De vertegenwoordiger van de bv is echter vooraf en tijdens het boekenonderzoek er niet op gewezen dat hij geen verplichting had mee te werken aan de veroordeling van de bv. De raadsvrouw heeft tegen die achtergrond bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waardoor de rechten van de verdachte zijn geschonden, hetgeen tot strafvermindering moet leiden. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat er ten tijde van het boekenonderzoek nog geen redelijk vermoeden van schuld was, en dus ook nog geen reden om de cautie te geven. De opmerking van de oud-boekhouder tegen de ambtenaar van de belastingdienst dat er namens de verdachte verkeerde aangiften omzetbelasting zijn gedaan, leidt niet vanzelfsprekend tot een strafrechtelijk onderzoek. Het hof stelt vast dat de Belastingdienst op 3 december 2013 de aankondiging van het boekenonderzoek bij [persoon 1] heeft gedaan. Op 10 december 2013 heeft de eerste controle plaatsgevonden door ambtenaar [deskundige] en een collega. De Belastingdienst heeft op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid om een boekenonderzoek uit te voeren. Nu er sprake was een bestuursrechtelijke controle en geen strafrechtelijk onderzoek, hoefde verdachte niet gewezen te worden op het beginsel dat een verdachte niet mag worden verplicht mee te werken aan hetgeen tot zijn veroordeling kan leiden. Uit niets blijkt dat op dat moment al sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Het door de verdediging in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van verhoor van ambtenaar [deskundige] van 10 januari 2019 maakt dat niet anders. Op grond van het vorenstaande stelt het hof, evenals de rechtbank, vast dat er geen sprake is van schending van de rechten van de bv. Ten aanzien van feit 1 Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de bv in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 onjuiste aangiften heeft gedaan of heeft laten doen door in deze aangiften de in de ontvangsten van de Raad begrepen omzetbelasting niet aan te geven en af te dragen, welke feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven.
Volledig
Het betreft vijf kwartaalaangiften: het derde en vierde kwartaal van 2011 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2012. In het dossier bevinden zich overzichten van de omzetbelasting van de bv over de jaren 2011 en 2012. Uit de afschriften van de elektronische aangiften en de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ) blijkt dat hij de vijf aangiften heeft ingediend. De aangifte van het derde kwartaal van 2011 is ontvangen op 31 oktober 2011 en de aangifte van het derde kwartaal 2012 is ontvangen op 31 oktober 2012. De Raad heeft in de brief van 26 november 2015 verklaard dat in alle betalingen aan de bv BTW is berekend. Alle van de Raad ontvangen bedragen zijn dus inclusief omzetbelasting. Dit volgt ook uit de diverse Vaststellingen van de Raad voor diverse vergoedingen op naam van de bv die zich in het dossier bevinden. Deze BTW moet voor de omzetbelasting aangegeven worden en aan de Belastingdienst afgedragen worden. De heer [deskundige] van de belastingdienst heeft tijdens zijn boekenonderzoek vastgesteld dat de BTW van de ontvangsten van de Raad niet zijn aangegeven in de betreffende aangiften omzetbelasting. Het hof concludeert daarom, net als de rechtbank, dat deze aangiften omzetbelasting onjuist zijn. Opzet Namens de verdachte is ter terechtzitting het verweer gevoerd dat zij geen opzet heeft gehad op het onjuist (laten) indienen van de aangiften omzetbelasting. De vertegenwoordiger van de bv heeft verklaard dat hij wel wist dat er 19%/21% BTW bij de ontvangsten van de Raad zat, maar dat hij geen controle heeft uitgevoerd op de ingediende aangiften en er pas later is achter gekomen dat de aangiften onjuist waren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van de verdachte in dit verband verklaard dat [getuige] toegang had tot de gehele bedrijfsadministratie. Dit wordt betwist door [getuige] , die zowel bij de FIOD als ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij geen toegang had tot het systeem Unique, maar hier enkel uitdraaien uit ontving, welke door de verdachte aan hem werden verstrekt. De ontvangsten uit de Raad waren hierin verwerkt als onbelaste ontvangsten. Het hof stelt op basis van de verklaring van [getuige] vast dat [persoon 1] onjuiste omzetgegevens van de bv aan [getuige] heeft verstrekt, op basis waarvan [getuige] onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Dat [persoon 1] de onjuiste omzetgegevens van de bv aan [getuige] verstrekte volgt ook uit de e-mail van [persoon 1] van 31 oktober 2011, waaruit blijkt dat hij de omzetgegevens van het derde kwartaal van 2011 met gesplitste btw-bedragen aan [getuige] heeft gestuurd. Uit de gegevens uit de bijlage bij deze e-mail volgt dat voor een groot deel van de omzet de BTW op 0% staat. Het hof is van oordeel dat [persoon 1] als enig bestuurder verantwoordelijk was voor het indienen van de aangiften omzetbelasting. Daar komt bij dat zowel boekhouder [persoon 2] als boekhouder [getuige] hebben verklaard dat zij de aangiften omzetbelasting hebben gedaan op basis van overzichten die [persoon 1] aan hen verstrekte, welke verklaring is bevestigd door [getuige] ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof vindt de verklaring van [persoon 1] dat hij er pas later achter kwam dat de aangiften onjuist waren bovendien ongeloofwaardig, omdat uit het dossier is gebleken dat hij een aantal emails met omzetgegevens aan de boekhouders heeft gestuurd. Zo heeft hij op 21 januari 2011 de omzetgegevens van 2010 naar zijn boekhouder gestuurd. In de bijlage bij die e-mail is te zien dat een bedrag van € 1.288.267,60 belast zou zijn met 0% BTW. Daarnaast heeft de verdachte gedurende langere tijd veel hogere winsten gehad vanwege de veel lagere afdrachten. [persoon 1] had volledige zeggenschap over het doen en laten van de bv. Zijn opzet zoals hiervoor besproken, kan volledig aan de bv worden toegerekend. Daderschap van de rechtspersoon De bv kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting kan worden toegerekend aan de bv omdat deze gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon gebeurden en ze passen in de normale bedrijfsvoering van de bv. Het hof vindt dus bewezen dat de verboden handelingen door de bv zijn gepleegd. Conclusie Het hof is van oordeel dat de bv door het verstrekken van de omzetgegevens met daarbij het onjuiste tarief van 0% ten aanzien van de ontvangsten van de Raad, opzettelijk onjuiste aangiften door haar boekhouders heeft laten doen. Het hof acht gelet op het voorgaande het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen en zal de verdachte hier dan ook partieel van vrijspreken. Ten aanzien van feit 2 Zowel [persoon 2] als [getuige] heeft verklaard dat de aangiften werden gebaseerd op gegevens uit de bedrijfsadministratie van de bv en dat in die administratie de betalingen van de Raad zonder BTW waren opgenomen. Daarmee was die bedrijfsadministratie vals. De administratie is naar zijn aard bestemd om tot bewijs te dienen van wat daar in is opgenomen en bedoeld om als echt en onvervalst te (laten) gebruiken. Partiële vrijspraak Het hof acht het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen met uitzondering van de ten laste gelegde periode van 1 januari 2008 tot en met 13 juli 2011, omdat de bv pas op 14 juli 2011 is opgericht. Het hof zal de verdachte hier dan ook partieel vrijspreken van deze periode. Ten aanzien van feit 3 Het hof stelt vast dat de bv in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 de aangiften omzetbelasting niet heeft ingediend. Ten aanzien van het 4e kwartaal van 2012 is op het jaaroverzicht te zien dat de gegevens van het 4e kwartaal van 2012 niet zijn ingetoetst. Op het jaaroverzicht van 2013 van de bv is te zien dat de gegevens van het 1e tot en met het 4e kwartaal niet zijn ingetoetst. Dit wordt bevestigd door de ambtsedige verklaring van de Belastingdienst van 18 februari 2016. Naar aanleiding hiervan is een nadeelberekening gemaakt waaruit blijkt dat er een fiscaal nadeel is ontstaan. Uit e-mails van boekhouder [getuige] blijkt dat hij meermalen – in 2012 en 2013 – om gegevens heeft gevraagd om de aangifte omzetbelasting te kunnen doen. De boekhouder heeft verklaard dat ook de bv geen gegevens aanleverde en hij om die reden geen aangifte kon doen. De bv was verplicht om deze aangiften te doen. Met betrekking tot het verweer van de verdediging, dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken omdat er aangifte is gedaan door middel van suppletie, overweegt het hof als volgt. De verdachte is er op 27 januari 2016, tijdens het eerste strafrechtelijk verhoor, mee bekend geworden dat de inspecteur wist dat er geen aangiften zijn gedaan. De suppletie is gedaan op 30 december 2016.
Volledig
Het betreft vijf kwartaalaangiften: het derde en vierde kwartaal van 2011 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2012. In het dossier bevinden zich overzichten van de omzetbelasting van de bv over de jaren 2011 en 2012. Uit de afschriften van de elektronische aangiften en de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ) blijkt dat hij de vijf aangiften heeft ingediend. De aangifte van het derde kwartaal van 2011 is ontvangen op 31 oktober 2011 en de aangifte van het derde kwartaal 2012 is ontvangen op 31 oktober 2012. De Raad heeft in de brief van 26 november 2015 verklaard dat in alle betalingen aan de bv BTW is berekend. Alle van de Raad ontvangen bedragen zijn dus inclusief omzetbelasting. Dit volgt ook uit de diverse Vaststellingen van de Raad voor diverse vergoedingen op naam van de bv die zich in het dossier bevinden. Deze BTW moet voor de omzetbelasting aangegeven worden en aan de Belastingdienst afgedragen worden. De heer [deskundige] van de belastingdienst heeft tijdens zijn boekenonderzoek vastgesteld dat de BTW van de ontvangsten van de Raad niet zijn aangegeven in de betreffende aangiften omzetbelasting. Het hof concludeert daarom, net als de rechtbank, dat deze aangiften omzetbelasting onjuist zijn. Opzet Namens de verdachte is ter terechtzitting het verweer gevoerd dat zij geen opzet heeft gehad op het onjuist (laten) indienen van de aangiften omzetbelasting. De vertegenwoordiger van de bv heeft verklaard dat hij wel wist dat er 19%/21% BTW bij de ontvangsten van de Raad zat, maar dat hij geen controle heeft uitgevoerd op de ingediende aangiften en er pas later is achter gekomen dat de aangiften onjuist waren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van de verdachte in dit verband verklaard dat [getuige] toegang had tot de gehele bedrijfsadministratie. Dit wordt betwist door [getuige] , die zowel bij de FIOD als ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij geen toegang had tot het systeem Unique, maar hier enkel uitdraaien uit ontving, welke door de verdachte aan hem werden verstrekt. De ontvangsten uit de Raad waren hierin verwerkt als onbelaste ontvangsten. Het hof stelt op basis van de verklaring van [getuige] vast dat [persoon 1] onjuiste omzetgegevens van de bv aan [getuige] heeft verstrekt, op basis waarvan [getuige] onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Dat [persoon 1] de onjuiste omzetgegevens van de bv aan [getuige] verstrekte volgt ook uit de e-mail van [persoon 1] van 31 oktober 2011, waaruit blijkt dat hij de omzetgegevens van het derde kwartaal van 2011 met gesplitste btw-bedragen aan [getuige] heeft gestuurd. Uit de gegevens uit de bijlage bij deze e-mail volgt dat voor een groot deel van de omzet de BTW op 0% staat. Het hof is van oordeel dat [persoon 1] als enig bestuurder verantwoordelijk was voor het indienen van de aangiften omzetbelasting. Daar komt bij dat zowel boekhouder [persoon 2] als boekhouder [getuige] hebben verklaard dat zij de aangiften omzetbelasting hebben gedaan op basis van overzichten die [persoon 1] aan hen verstrekte, welke verklaring is bevestigd door [getuige] ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof vindt de verklaring van [persoon 1] dat hij er pas later achter kwam dat de aangiften onjuist waren bovendien ongeloofwaardig, omdat uit het dossier is gebleken dat hij een aantal emails met omzetgegevens aan de boekhouders heeft gestuurd. Zo heeft hij op 21 januari 2011 de omzetgegevens van 2010 naar zijn boekhouder gestuurd. In de bijlage bij die e-mail is te zien dat een bedrag van € 1.288.267,60 belast zou zijn met 0% BTW. Daarnaast heeft de verdachte gedurende langere tijd veel hogere winsten gehad vanwege de veel lagere afdrachten. [persoon 1] had volledige zeggenschap over het doen en laten van de bv. Zijn opzet zoals hiervoor besproken, kan volledig aan de bv worden toegerekend. Daderschap van de rechtspersoon De bv kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting kan worden toegerekend aan de bv omdat deze gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon gebeurden en ze passen in de normale bedrijfsvoering van de bv. Het hof vindt dus bewezen dat de verboden handelingen door de bv zijn gepleegd. Conclusie Het hof is van oordeel dat de bv door het verstrekken van de omzetgegevens met daarbij het onjuiste tarief van 0% ten aanzien van de ontvangsten van de Raad, opzettelijk onjuiste aangiften door haar boekhouders heeft laten doen. Het hof acht gelet op het voorgaande het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen en zal de verdachte hier dan ook partieel van vrijspreken. Ten aanzien van feit 2 Zowel [persoon 2] als [getuige] heeft verklaard dat de aangiften werden gebaseerd op gegevens uit de bedrijfsadministratie van de bv en dat in die administratie de betalingen van de Raad zonder BTW waren opgenomen. Daarmee was die bedrijfsadministratie vals. De administratie is naar zijn aard bestemd om tot bewijs te dienen van wat daar in is opgenomen en bedoeld om als echt en onvervalst te (laten) gebruiken. Partiële vrijspraak Het hof acht het onder 2 primair tenlastegelegde bewezen met uitzondering van de ten laste gelegde periode van 1 januari 2008 tot en met 13 juli 2011, omdat de bv pas op 14 juli 2011 is opgericht. Het hof zal de verdachte hier dan ook partieel vrijspreken van deze periode. Ten aanzien van feit 3 Het hof stelt vast dat de bv in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 de aangiften omzetbelasting niet heeft ingediend. Ten aanzien van het 4e kwartaal van 2012 is op het jaaroverzicht te zien dat de gegevens van het 4e kwartaal van 2012 niet zijn ingetoetst. Op het jaaroverzicht van 2013 van de bv is te zien dat de gegevens van het 1e tot en met het 4e kwartaal niet zijn ingetoetst. Dit wordt bevestigd door de ambtsedige verklaring van de Belastingdienst van 18 februari 2016. Naar aanleiding hiervan is een nadeelberekening gemaakt waaruit blijkt dat er een fiscaal nadeel is ontstaan. Uit e-mails van boekhouder [getuige] blijkt dat hij meermalen – in 2012 en 2013 – om gegevens heeft gevraagd om de aangifte omzetbelasting te kunnen doen. De boekhouder heeft verklaard dat ook de bv geen gegevens aanleverde en hij om die reden geen aangifte kon doen. De bv was verplicht om deze aangiften te doen. Met betrekking tot het verweer van de verdediging, dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken omdat er aangifte is gedaan door middel van suppletie, overweegt het hof als volgt. De verdachte is er op 27 januari 2016, tijdens het eerste strafrechtelijk verhoor, mee bekend geworden dat de inspecteur wist dat er geen aangiften zijn gedaan. De suppletie is gedaan op 30 december 2016.
Volledig
De suppletie is daarom niet gedaan voordat de inspecteur bekend was met de onjuistheid of de onvolledigheid, en is daarmee te laat ingediend. Wat daar ook van zij, suppletie is juridisch gezien geen aangifte voor de omzetbelasting. In dat verband heeft het hof acht geslagen op de parlementaire geschiedenis bij de invoering van enkele belastingwetten en enige andere wetten (overige fiscale maatregelen 2012), waarin het volgende is opgenomen: “De suppletie is juridisch gezien geen aangifte en ontbeert elke wettelijke grondslag. De Belastingdienst merkt deze suppleties aan als een verzoek om het opleggen van een naheffingsaanslag of als een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte.” Nu de verdachte in het geheel geen aangifte heeft gedaan, kan dit gebrek niet worden hersteld door een (tijdige) suppletie. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Het hof spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen nu hij het tenlastegelegde niet in vereniging met een ander heeft begaan. Strafbaarheid van de rechtspersoon Het niet indienen van aangiften omzetbelasting kan worden toegerekend aan de bv omdat deze gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon gebeurden en ze passen in de normale bedrijfsvoering van de bv. Het hof acht daarmee bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door de bv zijn gepleegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 primair zij in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de aangiftetijdvakken 3e kwartaal 2011 en 4e kwartaal 2011 en 1e kwartaal 2012 en 2e kwartaal 2012 en 3e kwartaal 2012, onjuist en/of onvolledig heeft laten doen door [getuige] , in elk geval een ander, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland gezonden aangiften voor de omzetbelasting telkens een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en een te laag bedrag aan verschuldigde en te betalen omzetbelasting vermeld, althans door die ander doen of laten opgeven en vermelden, terwijl die feiten er telkens toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven; Feit 2 primair zij in de periode van 14 juli 2011 tot en met 10 december 2013 in Nederland, telkens geschriften (bedrijfsadministratie), die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en heeft doen opmaken, hebbende zij, verdachte, toen daar in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V., zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- de ontvangsten en de vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand als belast met (BTW-tarief ) 0% en de omzet voor verrichte diensten en leveringen voor de Raad voor Rechtsbijstand als vrijgestelde omzet en als onbelast voor de omzetbelasting en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgenomen en geboekt en verwerkt en doen opnemen en doen boeken en doen verwerken door een ander, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; Feit 3 zij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 in Nederland, meermalen, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting, ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ), betreffende de aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2012 en aangifte(tijdvak) 1e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 2e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 3e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2013, niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan, immers nog niet op 18 februari 2016, terwijl die feiten er toe hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven. Hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 er sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Anders dan de rechtbank acht het hof daarbij niet doorslaggevend dat sprake is van één verwijt, maar dat de feiten zodanig met elkaar zijn verweven dat het ene feit (de onjuiste aangifte) in dit geval niet zonder het andere (de valsheid in geschrifte) kon worden begaan. Het hof zal om die reden ten aanzien van feit 1 en 2 slechts één strafbepaling toepassen. Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een rechtspersoon, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerst aanleg bewezenverklaarde schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om, evenals de rechtbank, toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (laten) doen van onjuiste aangiften en heeft daarvoor de bedrijfsadministratie vervalst. Hierdoor is er te weinig belasting gegeven. Daarnaast heeft de verdachte zich, gedurende meer dan een jaar, schuldig gemaakt aan het niet doen van aangiften omzetbelasting. Met haar handelwijze heeft de bv belasting ontdoken en daarmee het vertrouwen dat aan belastingplichtigen mag worden ontleend, geschaad. De verdachte heeft hierdoor een oneerlijk voordeel verkregen ten opzichte van bonafide bedrijven, die wel aan hun aangifteplicht voldoen. Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, als ook de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Het betreft strafbare feiten gepleegd door een rechtspersoon gericht op het behalen van financieel gewin, zodat een geldboete de aangewezen strafmodaliteit is. Daartegenover staat dat de bewezenverklaarde feiten zich lange tijd geleden hebben voorgedaan. De rechtspersoon is inmiddels ontbonden. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2026 is zij nog niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld.
Volledig
De suppletie is daarom niet gedaan voordat de inspecteur bekend was met de onjuistheid of de onvolledigheid, en is daarmee te laat ingediend. Wat daar ook van zij, suppletie is juridisch gezien geen aangifte voor de omzetbelasting. In dat verband heeft het hof acht geslagen op de parlementaire geschiedenis bij de invoering van enkele belastingwetten en enige andere wetten (overige fiscale maatregelen 2012), waarin het volgende is opgenomen: “De suppletie is juridisch gezien geen aangifte en ontbeert elke wettelijke grondslag. De Belastingdienst merkt deze suppleties aan als een verzoek om het opleggen van een naheffingsaanslag of als een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte.” Nu de verdachte in het geheel geen aangifte heeft gedaan, kan dit gebrek niet worden hersteld door een (tijdige) suppletie. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Het hof spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde medeplegen nu hij het tenlastegelegde niet in vereniging met een ander heeft begaan. Strafbaarheid van de rechtspersoon Het niet indienen van aangiften omzetbelasting kan worden toegerekend aan de bv omdat deze gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon gebeurden en ze passen in de normale bedrijfsvoering van de bv. Het hof acht daarmee bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door de bv zijn gepleegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 primair zij in de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de aangiftetijdvakken 3e kwartaal 2011 en 4e kwartaal 2011 en 1e kwartaal 2012 en 2e kwartaal 2012 en 3e kwartaal 2012, onjuist en/of onvolledig heeft laten doen door [getuige] , in elk geval een ander, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland gezonden aangiften voor de omzetbelasting telkens een te laag bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en een te laag bedrag aan verschuldigde en te betalen omzetbelasting vermeld, althans door die ander doen of laten opgeven en vermelden, terwijl die feiten er telkens toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven; Feit 2 primair zij in de periode van 14 juli 2011 tot en met 10 december 2013 in Nederland, telkens geschriften (bedrijfsadministratie), die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en heeft doen opmaken, hebbende zij, verdachte, toen daar in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V., zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- de ontvangsten en de vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand als belast met (BTW-tarief ) 0% en de omzet voor verrichte diensten en leveringen voor de Raad voor Rechtsbijstand als vrijgestelde omzet en als onbelast voor de omzetbelasting en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgenomen en geboekt en verwerkt en doen opnemen en doen boeken en doen verwerken door een ander, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; Feit 3 zij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 in Nederland, meermalen, opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting, ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ), betreffende de aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2012 en aangifte(tijdvak) 1e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 2e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 3e kwartaal 2013 en aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2013, niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan, immers nog niet op 18 februari 2016, terwijl die feiten er toe hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven. Hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 er sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Anders dan de rechtbank acht het hof daarbij niet doorslaggevend dat sprake is van één verwijt, maar dat de feiten zodanig met elkaar zijn verweven dat het ene feit (de onjuiste aangifte) in dit geval niet zonder het andere (de valsheid in geschrifte) kon worden begaan. Het hof zal om die reden ten aanzien van feit 1 en 2 slechts één strafbepaling toepassen. Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een rechtspersoon, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerst aanleg bewezenverklaarde schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om, evenals de rechtbank, toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (laten) doen van onjuiste aangiften en heeft daarvoor de bedrijfsadministratie vervalst. Hierdoor is er te weinig belasting gegeven. Daarnaast heeft de verdachte zich, gedurende meer dan een jaar, schuldig gemaakt aan het niet doen van aangiften omzetbelasting. Met haar handelwijze heeft de bv belasting ontdoken en daarmee het vertrouwen dat aan belastingplichtigen mag worden ontleend, geschaad. De verdachte heeft hierdoor een oneerlijk voordeel verkregen ten opzichte van bonafide bedrijven, die wel aan hun aangifteplicht voldoen. Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, als ook de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Het betreft strafbare feiten gepleegd door een rechtspersoon gericht op het behalen van financieel gewin, zodat een geldboete de aangewezen strafmodaliteit is. Daartegenover staat dat de bewezenverklaarde feiten zich lange tijd geleden hebben voorgedaan. De rechtspersoon is inmiddels ontbonden. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2026 is zij nog niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld.
Volledig
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS oriëntatiepunten) voor fraude. Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel uit oogpunt van generale en specifieke preventie een (onvoorwaardelijke) geldboete van € 100.000,00 passend en geboden. Het Hof stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 27 januari 2016, toen de vertegenwoordiger van de verdachte voor het eerst strafrechtelijk werd verhoord. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is eerst op 5 augustus 2019 – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond. Namens de verdachte is verzocht om de zaak bij een andere rechtbank te behandelen, waardoor de zaak op 15 juli 2019 is verwezen naar de rechtbank Amsterdam. Daarnaast zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de vertraging rechtvaardigen. Gelet hierop is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaren, die voor een belangrijk deel niet aan de verdachte kan worden toegeschreven. Vervolgens is er namens de verdachte hoger beroep ingesteld op 18 augustus 2021. Op 8 april 2026 wordt dit arrest gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ongeveer twee jaar, zeven maanden en drie weken. De totale duur van de berechting in twee feitelijke instanties is aldus overschreden met meer dan vijf jaar, zeven maanden en drie weken. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn, als ook het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, en gelet op de ontbrekende draagkracht van de bv, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet meer passend. Het hof zal de geldboete van na te melden hoogte daarom geheel voorwaardelijk opleggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 56, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,00 (honderdduizend euro) . Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2026. De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Bijlage I – Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) 3e kwartaal 2011 en/of 4e kwartaal 2011 en/of 1e kwartaal 2012 en/of 2e kwartaal 2012 en/of 3e kwartaal 2012, onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, en/althans heeft/hebben doen of laten doen door [getuige] , in elk geval(een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) voor de omzetbelasting (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzetbelasting en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan verschuldigde en/of te betalen omzetbelasting en/of een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven; 1. subsidiair zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) 3e kwartaal 2011 en/of 4e kwartaal 2011 en/of 1e kwartaal 2012 en/of 2e kwartaal 2012 en/of 3e kwartaal 2012, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door [getuige] , in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die/dat (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzetbelasting en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan verschuldigde en/of te betalen omzetbelasting en/of een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven en/of vermeld en/of geschreven, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden en/of schrijven, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2.
Volledig
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS oriëntatiepunten) voor fraude. Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel uit oogpunt van generale en specifieke preventie een (onvoorwaardelijke) geldboete van € 100.000,00 passend en geboden. Het Hof stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 27 januari 2016, toen de vertegenwoordiger van de verdachte voor het eerst strafrechtelijk werd verhoord. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is eerst op 5 augustus 2019 – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond. Namens de verdachte is verzocht om de zaak bij een andere rechtbank te behandelen, waardoor de zaak op 15 juli 2019 is verwezen naar de rechtbank Amsterdam. Daarnaast zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de vertraging rechtvaardigen. Gelet hierop is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaren, die voor een belangrijk deel niet aan de verdachte kan worden toegeschreven. Vervolgens is er namens de verdachte hoger beroep ingesteld op 18 augustus 2021. Op 8 april 2026 wordt dit arrest gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ongeveer twee jaar, zeven maanden en drie weken. De totale duur van de berechting in twee feitelijke instanties is aldus overschreden met meer dan vijf jaar, zeven maanden en drie weken. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn, als ook het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, en gelet op de ontbrekende draagkracht van de bv, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet meer passend. Het hof zal de geldboete van na te melden hoogte daarom geheel voorwaardelijk opleggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 56, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,00 (honderdduizend euro) . Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2026. De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Bijlage I – Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) 3e kwartaal 2011 en/of 4e kwartaal 2011 en/of 1e kwartaal 2012 en/of 2e kwartaal 2012 en/of 3e kwartaal 2012, onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, en/althans heeft/hebben doen of laten doen door [getuige] , in elk geval(een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Rotterdam en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) voor de omzetbelasting (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzetbelasting en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan verschuldigde en/of te betalen omzetbelasting en/of een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven; 1. subsidiair zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2012 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) 3e kwartaal 2011 en/of 4e kwartaal 2011 en/of 1e kwartaal 2012 en/of 2e kwartaal 2012 en/of 3e kwartaal 2012, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door [getuige] , in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in die/dat (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) waarover omzetbelasting wordt berekend (leveringen/diensten belast met hoog tarief) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan omzetbelasting en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan verschuldigde en/of te betalen omzetbelasting en/of een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven en/of vermeld en/of geschreven, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden en/of schrijven, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; 2.
Volledig
primair zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 december 2013 te Schiedam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen, hebbende zij, verdachte, en/of haar, verdachtes, mededader(s) toen daar in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] B.V., zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- de ontvangsten en/of de vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand als belast met (BTW-tarief ) 0% en/of de omzet voor verrichte diensten en/of leveringen voor de Raad voor Rechtsbijstand als vrijgestelde omzet en/of als onbelast voor de omzetbelasting en/of een te la(a)g(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door (een) ander(en), zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken; 2. subsidiair zij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 31 januari 2014 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens en/of aanwijzingen (telkens) opzettelijk deze niet en/of onjuist en/of onvolledig heeft verstrekt, en/of b. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, (telkens) opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd en/of doen voeren, en/of c. het bewaren van boeken, bescheiden en/of andere (primaire) gegevens- dragers, (telkens) opzettelijk deze niet (volledig) heeft bewaard en/of doen bewaren, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk in de administratie van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. de ontvangsten en/of de vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand als belast met (BTW-tarief ) 0% en/of de omzet voor verrichte diensten en/of leveringen voor de Raad voor Rechtsbijstand als vrijgestelde omzet en/of als onbelast voor de omzetbelasting en/of een te la(a)g(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door (een) ander(en), en/of die vorenbedoelde (onjuiste) gegevens aan de Belastingdienst verstrekt en/of de "zogenaamde" geschriften en/of bescheiden en formulieren "Vaststelling vergoeding" van de Raad voor Rechtsbijstand niet in de administratie opgenomen en/of bewaard en/of/aldus was de administratie van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. opzettelijk niet zodanig gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. konden worden gekend en/of/aldus was/werd opzettelijk niet de (gehele) administratie van genoemde rechtspersoon bewaard, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven; 3. zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Heerlen en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale/elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting, ten name van [bedrijf 1] B.V. (fiscaal nummer [bsn] ), betreffende de/het aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2012 en/of aangifte(tijdvak) 1e kwartaal 2013 en/of aangifte(tijdvak) 2e kwartaal 2013 en/of aangifte(tijdvak) 3e kwartaal 2013 en/of aangifte(tijdvak) 4e kwartaal 2013, niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan, immers nog niet op 18 februari 2016, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
[…] voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier, volgens de daarin toegepaste nummering. amb staat voor ambtshandeling en g voor getuigenverhoor, waarbij het steeds gaat om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. doc staat voor document, waarbij het steeds gaat om geschriften. de inhoud van elk bewijsmiddel wordt alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud daarvan, kennelijk betrekking heeft. doc-001, pagina 79. doc-002, pagina 82. artikel 9 van de wet op de omzetbelasting 1968. v-03-01, pagina’s 39 en 40. d-060 – 065, pagina 255 e.v., doc-59, pagina 251 e.v. doc-041, pagina’s 134 en 135 en doc-042, pagina’s 136 en 137. doc-057, pagina’s 237 tot en met 241. v-04-01, pagina 45. doc-057, pagina 234 en doc-051, pagina’s 155 en 156. doc-007, pagina 93. doc-007, pagina 94 e.v. en doc-036, pagina 122 e.v. v-04-01, pagina 42 e.v. en de verklaring van de getuige [getuige] afgelegd ter terechtzitting op 10 maart 2026. v-04-01, pagina 42 e.v. doc-049, pagina 148 e.v. v-03-01, pagina 41 en v-04-01, pagina 43. doc-046, pagina 142. doc-046, pagina 143 e.v. v-03-01, pagina 38 e.v. v04-01, pagina 42 e.v. doc-042, pagina’s 136 en 137. doc-043, pagina’s 138 en 139. doc-51, pagina’s 155 en 156. doc-44, pagina’s 140 en doc-45, pagina 141. v-04-01, pagina 45. kamerstukken ii 2011/12, 33 004, nr. 3 (mvt), p. 60.
VOLLEDIG
=
[…] Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier, volgens de daarin toegepaste nummering. AMB staat voor ambtshandeling en G voor getuigenverhoor, waarbij het steeds gaat om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. DOC staat voor document, waarbij het steeds gaat om geschriften. De inhoud van elk bewijsmiddel wordt alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud daarvan, kennelijk betrekking heeft. DOC-001, pagina 79. DOC-002, pagina 82. Artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968. V-03-01, pagina’s 39 en 40. D-060 – 065, pagina 255 e.v., DOC-59, pagina 251 e.v. DOC-041, pagina’s 134 en 135 en DOC-042, pagina’s 136 en 137. DOC-057, pagina’s 237 tot en met 241. V-04-01, pagina 45. DOC-057, pagina 234 en DOC-051, pagina’s 155 en 156. DOC-007, pagina 93. DOC-007, pagina 94 e.v. en DOC-036, pagina 122 e.v. V-04-01, pagina 42 e.v. en de verklaring van de getuige [getuige] afgelegd ter terechtzitting op 10 maart 2026. V-04-01, pagina 42 e.v. DOC-049, pagina 148 e.v. V-03-01, pagina 41 en V-04-01, pagina 43. DOC-046, pagina 142. DOC-046, pagina 143 e.v. V-03-01, pagina 38 e.v. V04-01, pagina 42 e.v. DOC-042, pagina’s 136 en 137. DOC-043, pagina’s 138 en 139. DOC-51, pagina’s 155 en 156. DOC-44, pagina’s 140 en DOC-45, pagina 141. V-04-01, pagina 45. Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3 (MvT), p. 60.