Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-15
ECLI:NL:GHAMS:2026:1192
Strafrecht
Raadkamer
3,463 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 text/xml public 2026-05-11T13:09:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-15 000023-26 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 text/html public 2026-05-11T13:07:36 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 Gerechtshof Amsterdam , 15-04-2026 / 000023-26 GHAMS BRR - art 164 WVW1994 geeft geen grondslag voor vergoeding van schade als gevolg van de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en de daarop volgende ongeldigverklaring van het rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000023-26 (530 Sv) en 000024-26 (164 WVW1994) parketnummer in hoger beroep: 23-000118-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. N. Hendriksen, Nieuwstraat 23, 1621 EA Hoorn. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 5 januari 2026 ingekomen. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 15 april 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs ten bedrage van € 62.170,72; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 6.559,82; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 825,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 8 oktober 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ad a Verzocht wordt om een schadevergoeding vanwege een schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en de daarop volgende ongeldigverklaring van het rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Verzoeker stelt dat op grond van artikel 164 WVW 1994 een vergoeding kan worden toegekend nu de schorsing en ongeldigverklaring van het rijbewijs een direct gevolg zijn van een melding door de politie ex artikel 130 WVW 1994 en dat deze melding is gedaan naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker op verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994 en dat verzoeker van die verdenking is vrijgesproken. Artikel 164 WVW 1994 luidt – voor zover van belang –: 1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. (…) 4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. (…) 9. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 533, derde tot en met zesde lid, 534, 535 en 536 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Gelet op de wettekst bestaat geen grondslag voor toekenning van een vergoeding vanwege de bestuursrechtelijke schorsing en ongeldigverklaring door het CBR. Dat door de politie een melding is gedaan ex artikel 130 WVW 1994 naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker maakt dit niet anders. Het hof zal verzoeker in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. Ad b en c Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 6.559,82; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 825,00. 4 Beslissing Het hof : Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder a. Wijst het verzochte onder b en c toe. Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 7.384,82 (zevenduizend driehonderdvierentachtig euro en tweeëntachtig cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, M. Iedema en M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 15 april 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 7.384,82 (zevenduizend driehonderdvierentachtig euro en tweeëntachtig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Hendriksen & Müren advocaten o.v.v. schadevergoeding [verzoeker] . Amsterdam, 15 april 2026, mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 text/xml public 2026-05-11T13:09:16 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-15 000023-26 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 text/html public 2026-05-11T13:07:36 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1192 Gerechtshof Amsterdam , 15-04-2026 / 000023-26 GHAMS BRR - art 164 WVW1994 geeft geen grondslag voor vergoeding van schade als gevolg van de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en de daarop volgende ongeldigverklaring van het rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000023-26 (530 Sv) en 000024-26 (164 WVW1994) parketnummer in hoger beroep: 23-000118-23 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. N. Hendriksen, Nieuwstraat 23, 1621 EA Hoorn. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 5 januari 2026 ingekomen. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 15 april 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen. 2. Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs ten bedrage van € 62.170,72; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 6.559,82; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 825,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 8 oktober 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ad a Verzocht wordt om een schadevergoeding vanwege een schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en de daarop volgende ongeldigverklaring van het rijbewijs door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Verzoeker stelt dat op grond van artikel 164 WVW 1994 een vergoeding kan worden toegekend nu de schorsing en ongeldigverklaring van het rijbewijs een direct gevolg zijn van een melding door de politie ex artikel 130 WVW 1994 en dat deze melding is gedaan naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker op verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994 en dat verzoeker van die verdenking is vrijgesproken. Artikel 164 WVW 1994 luidt – voor zover van belang –: 1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. (…) 4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. (…) 9. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor de toepassing van het eerste of vierde lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 533, derde tot en met zesde lid, 534, 535 en 536 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Gelet op de wettekst bestaat geen grondslag voor toekenning van een vergoeding vanwege de bestuursrechtelijke schorsing en ongeldigverklaring door het CBR. Dat door de politie een melding is gedaan ex artikel 130 WVW 1994 naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker maakt dit niet anders. Het hof zal verzoeker in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. Ad b en c Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 6.559,82; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 825,00. 4 Beslissing Het hof : Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder a. Wijst het verzochte onder b en c toe. Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 7.384,82 (zevenduizend driehonderdvierentachtig euro en tweeëntachtig cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, M. Iedema en M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 15 april 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 7.384,82 (zevenduizend driehonderdvierentachtig euro en tweeëntachtig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Hendriksen & Müren advocaten o.v.v. schadevergoeding [verzoeker] . Amsterdam, 15 april 2026, mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.