Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2026:1190
Strafrecht
Raadkamer
3,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 text/xml public 2026-05-11T12:56:14 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-01 000662-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 text/html public 2026-05-11T12:54:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 Gerechtshof Amsterdam , 01-04-2026 / 000662-25 GHAMS BRR - art 194(9) WVW1994 - onschuldpresumptie - forfaitaire vergoeding beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000662-25 (530 Sv) en 000663-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-001375-22 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. D.A.W. Dekker, Jollemanhof 24, 1019 GW Amsterdam. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 25 september 2025 ingekomen. De advocaat-generaal heeft haar standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 18 maart 2026 de advocaat-generaal, verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2 Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de invordering van zijn rijbewijs ten bedrage van € 5.400,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 8 juli 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzing van het onder a en b verzochte vergoeding omdat – kort gezegd – gegronde redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat verzoeker onder invloed een auto bestuurde en dat zijn rijbewijs daarom terecht is ingevorderd. Het hof overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid Sv de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van artikelen 164, negende lid WVW1994 als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk). Gelet op het voorgaande is het hof -anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding. Verzocht wordt om een vergoeding van € 30,00 per dag in plaats van de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde forfaitaire dagvergoeding, volgens de advocaat van verzoeker € 10,00 per dag, omdat naast immateriële schade ook sprake is van loonderving. Verzoeker heeft hiertoe -kort gezegd- gesteld dat hij gymdocent was en dat het hem gedurende de invordering van zijn rijbewijs deels onmogelijk was om te werken. Het hof overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor schade ten gevolge van de invordering van het rijbewijs, zoals vastgesteld door het LOVS, -in beginsel- wordt geacht zowel de immateriële schade als materiële schade te vergoeden. Mits deugdelijk beredeneerd en met (verifieerbare) stukken gestaafd kan bijkomende materiële schade, zoals inkomensschade, worden vergoed. Het hof is van oordeel dat niet aan deze voorwaarden is voldaan en zal het verzoek daarom afwijzen voor zover het verzoek uitgaat boven de forfaitair toe te kennen dagvergoeding. De inname van het rijbewijs heeft 180 dagen geduurd. Het hof kent aan verzoeker een vergoeding toe van (180 dagen tegen een tarief van € 15,00) € 2.700,00. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: schade ten gevolge van de inname van zijn rijbewijs tot een bedrag van € 2.700,00; van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 3.380,00 (drieduizend driehonderdtachtig euro). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, N. van der Wijngaart en D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 1 april 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.380,00 (drieduizend driehonderdtachtig euro) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Dekker Defense B.V. o.v.v. [nummer] . Amsterdam, 1 april 2026, mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 text/xml public 2026-05-11T12:56:14 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-01 000662-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 text/html public 2026-05-11T12:54:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1190 Gerechtshof Amsterdam , 01-04-2026 / 000662-25 GHAMS BRR - art 194(9) WVW1994 - onschuldpresumptie - forfaitaire vergoeding beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000662-25 (530 Sv) en 000663-25 (533 Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-001375-22 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. D.A.W. Dekker, Jollemanhof 24, 1019 GW Amsterdam. 1 Procesverloop Het verzoekschrift is op 25 september 2025 ingekomen. De advocaat-generaal heeft haar standpunt vooraf aan de raadkamer aan het hof en de advocaat toegezonden. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 18 maart 2026 de advocaat-generaal, verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. 2 Inhoud van het verzoek Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de invordering van zijn rijbewijs ten bedrage van € 5.400,00; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00. 3 Beoordeling van het verzoek Bij arrest van dit hof van 8 juli 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzing van het onder a en b verzochte vergoeding omdat – kort gezegd – gegronde redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat verzoeker onder invloed een auto bestuurde en dat zijn rijbewijs daarom terecht is ingevorderd. Het hof overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid Sv de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van artikelen 164, negende lid WVW1994 als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk). Gelet op het voorgaande is het hof -anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding. Verzocht wordt om een vergoeding van € 30,00 per dag in plaats van de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde forfaitaire dagvergoeding, volgens de advocaat van verzoeker € 10,00 per dag, omdat naast immateriële schade ook sprake is van loonderving. Verzoeker heeft hiertoe -kort gezegd- gesteld dat hij gymdocent was en dat het hem gedurende de invordering van zijn rijbewijs deels onmogelijk was om te werken. Het hof overweegt dat de forfaitaire vergoeding voor schade ten gevolge van de invordering van het rijbewijs, zoals vastgesteld door het LOVS, -in beginsel- wordt geacht zowel de immateriële schade als materiële schade te vergoeden. Mits deugdelijk beredeneerd en met (verifieerbare) stukken gestaafd kan bijkomende materiële schade, zoals inkomensschade, worden vergoed. Het hof is van oordeel dat niet aan deze voorwaarden is voldaan en zal het verzoek daarom afwijzen voor zover het verzoek uitgaat boven de forfaitair toe te kennen dagvergoeding. De inname van het rijbewijs heeft 180 dagen geduurd. Het hof kent aan verzoeker een vergoeding toe van (180 dagen tegen een tarief van € 15,00) € 2.700,00. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van: schade ten gevolge van de inname van zijn rijbewijs tot een bedrag van € 2.700,00; van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 680,00. 4 Beslissing Het hof : Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 3.380,00 (drieduizend driehonderdtachtig euro). Wijst het anders of meer verzochte af. Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, N. van der Wijngaart en D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij ontstentenis van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 1 april 2026. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.380,00 (drieduizend driehonderdtachtig euro) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Dekker Defense B.V. o.v.v. [nummer] . Amsterdam, 1 april 2026, mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.