Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-30
ECLI:NL:GHAMS:2026:1186
beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.362.097/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 30 april 2026 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [aandeelhouder A] , gevestigd te [plaats] , VERZOEKSTER , advocaat: mrs. A.S. Frommelt , kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [aandeelhouder B] , gevestigd te [plaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, J-MERCE HOLDING B.V. , gevestigd te Voorschoten, VERWEERSTERS , advocaten: mrs. O.J. Hennis en L.M. Noordzij , kantoorhoudende te Amsterdam, en tegen 1 [indirect aandeelhouder B] , wonende te [plaats] , BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. O.J. Hennis en L.M. Noordzij , kantoorhoudende te Amsterdam, en tegen 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, FINANCIEEL VISIE HOLDING B.V. , gevestigd te Best, BELANGHEBBENDE , advocaten: mrs. M.N. Stoop en C.W.J. Loomans , kantoorhoudende te Amsterdam. Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid: Verzoekster als: [aandeelhouder A] Verweerster sub 1 als: [aandeelhouder B] Verweerster sub 2 als: JMH belanghebbende sub 1 als: [indirect aandeelhouder B] belanghebbende sub 2 als: FVH [indirect aandeelhouder A] als: [indirect aandeelhouder A] FVH en dochtermaatschappijen Hypotheek Visie Centrale B.V., Financieel Visie B.V., Hypotheek Visie Amsterdam B.V. en Online Advies B.V. gezamenlijk als: HV-Groep 1 Het verloop van het geding 1.1 [aandeelhouder A] heeft bij verzoekschrift van 1 december 2025 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, A. ten aanzien van het verzoek tot uittreding: 1. [aandeelhouder B] en JMH te veroordelen tot overname van de door [aandeelhouder A] gehouden aandelen in JMH; 2. primair, de prijs nader te bepalen; subsidiair, een deskundige te benoemen die bericht zal uitbrengen over de prijs bij een peildatum van medio juli 2023 en een prijs op basis van de reële marktwaarde; 3. de prijs te vermeerderen met wettelijke rente, te berekenen vanaf twee weken na de datum van de uitspraak waarbij de Ondernemingskamer de prijs vaststelt; B. ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en/of samenhangende vorderingen: 1. voor de duur van de procedure [aandeelhouder B] , JMH en [indirect aandeelhouder B] te verbieden verdere executiemaatregelen te treffen op grond van de aandeelhoudersovereenkomst, de gestelde aanbiedingsplicht en het arbitraal kort geding vonnis, zulks op straffe van een dwangsom; 2. [aandeelhouder B] , JMH, [indirect aandeelhouder B] en FVH te gebieden inzage te verschaffen in (i) de informatie die binnen de HV-Groep is gedeeld over MDK en (ii) de digitale werkomgeving van [indirect aandeelhouder A] binnen de HV-Groep. C. ten aanzien van A en B: [aandeelhouder B] en JMH te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.2 [aandeelhouder B] en JMH hebben bij verweerschrift van 19 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, zich onbevoegd te verklaren, dan wel [aandeelhouder A] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek en vorderingen af te wijzen en [aandeelhouder A] te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.3 FVH heeft bij verweerschrift van 19 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, zich onbevoegd te verklaren, dan wel [aandeelhouder A] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek en vorderingen af te wijzen en [aandeelhouder A] te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.4 Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 19 maart 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Zowel [aandeelhouder A] als [aandeelhouder B] en JMH hebben van tevoren nadere producties toegestuurd en hebben die in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwo ” 2.4 Op 31 maart 2017 heeft [aandeelhouder A] , de persoonlijke vennootschap van [indirect aandeelhouder A] , het 50%-belang van Flaton Beheer in het kapitaal van JMH verworven. Sindsdien hielden [aandeelhouder A] en [aandeelhouder B] ieder 50% van de aandelen in JMH en vormden zij gezamenlijk het bestuur van JMH. 2.5 Sinds 31 januari 2018 houdt JMH alle aandelen in FVH en (indirect) in de HV-Groep. De belangrijkste werkmaatschappij van de HV-Groep, Hypotheek Visie Centrale B.V., fungeert als franchisegever van de landelijk opererende hypotheekadviesketen "Hypotheek Visie" en anderzijds als centrale vergunninghouder onder toezicht van de AFM voor het adviseren en bemiddelen in hypotheken en het verlenen van aanverwante financiële diensten. 2.6 In aanloop naar een voorgenomen verkoop van de HV-Groep, hebben [aandeelhouder A] en [aandeelhouder B] hun onderlinge verhoudingen geformaliseerd. De gemaakte afspraken zijn notarieel vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst van 22 november 2022 (hierna: de Aandeelhoudersovereenkomst). [indirect aandeelhouder A] , [aandeelhouder A] , [indirect aandeelhouder B] , [aandeelhouder B] , JMH en FVH zijn allen partij bij de Aandeelhoudersovereenkomst. 2.7 In de Aandeelhoudersovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “ Vervreemdingsverbod van de aandelen in de holdings. Artikel 1. 1. Zolang een holding aandelen houdt in het kapitaal van JMH zal de betrokken natuurlijke persoon geen aandelen in het kapitaal van die holding vervreemden aan derden dan na schriftelijk verkregen toestemming van de andere natuurlijke persoon. Onder "vervreemden" wordt mede begrepen het aangaan van overeenkomsten strekkende tot vervreemding, het vestigen van beperkte rechten of het aangaan van daartoe strekkende rechtshandelingen, alsmede het uitgeven van aandelen en toekennen van rechten strekkende tot het verkrijgen van aandelen (claims) aan een ander dan de betrokken natuurlijke persoon. 2. […] Verbod zeggenschap van derden in de holdings. Artikel 2. Zolang een holding aandelen houdt in het kapitaal van JMH zal die holding aan geen ander dan aan de betrokken natuurlijke persoon zeggenschap verlenen als directeur, commissaris of in enige andere statutaire functie anders dan na schriftelijk verkregen toestemming van de andere natuurlijke persoon. […] Artikel 4. […] 3. Indien zich ten aanzien van een natuurlijke persoon een feit voordoet dat, indien hij rechtstreeks aandelen in het kapitaal van JMH zou hebben gehouden ingevolge de statuten van JMH zou hebben geleid tot het ontstaan van de verplichting tot aanbieding van die aandelen, zal de betrokken holding gehouden zijn de aandelen die zij houdt in het kapitaal van JMH aan te bieden aan de mede-aandeelhouder dan wel aan de persoon/personen aan wie bij gedwongen aanbieding van aandelen ingevolge de statuten van JMH de aandelen moeten worden aangeboden. Hetzelfde geldt indien een natuurlijke persoon en/ of een holding enige in de artikelen 1, 2 of 3 opgenomen bepaling opzettelijk overtreedt/overtreden of niet nakomt/nakomen. 4. Op de wijze van aanbieding, de prijsvaststelling en al hetgeen met één en ander verband houdt, zijn van toepassing de bepalingen die op dat tijdstip zijn opgenomen in de statuten van JMH inzake de verplichte aanbieding van aandelen. Tenzij de statuten van JMH het tijdstip aangeven naar de toestand per hetwelk de prijs voor de aandelen moet worden vastgesteld, geldt als zodanig het tijdstip waarop de aanbiedingsplicht is ontstaan. 5. De in de statuten van JMH vervatte vertegenwoordigingsbevoegdheid van JMH strekkend tot het bewerkstelligen van de overdracht van aandelen terzake waarvan een statutaire aanbiedingsplicht is ontstaan voor het geval die aanbiedingsplicht niet wordt nagekomen, wordt bij deze door de holdings aan JMH verleend, doordat zij bij deze dienovereenkomstige, onherroepelijke, volmacht aan JMH verlenen. 6. Ingeval de statuten van JMH ten tijde van het ontstaan van een verplichting tot aanbieding als in d 2.16 In het arbitraal kortgedingvonnis van 8 september 2025 (hierna: het Arbitraal Vonnis) heeft de arbiter voorshands geoordeeld dat op [aandeelhouder A] een aanbiedingsplicht rust op grond van artikel 15 lid 1 sub d van de Statuten en artikel 1 en 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst en dat JMH op basis van de onherroepelijke volmacht in artikel 15 lid 3 van de Statuten en artikel 4 lid 3 van de Aandeelhoudersovereenkomst gevolmachtigd is de aandelen van [aandeelhouder A] in JMH aan [aandeelhouder B] over te dragen. Ten aanzien van de prijsbepaling heeft de arbiter verwezen naar de regeling in artikel 14 lid 3 van de Statuten en artikel 4 lid 3 van de Aandeelhoudersovereenkomst. Op grond van die bepaling dienen [aandeelhouder A] en [aandeelhouder B] – tenzij zij eenparig anders overeenkomen – een of meer onafhankelijke deskundige(n) te benoemen om de prijs vast te stellen. De peildatum is door de arbiter op grond van artikel 4 lid 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst vastgesteld op 18 juli 2023. 2.17 Op 11 september 2025 heeft JMH aan [aandeelhouder A] medegedeeld dat ter uitvoering van de in het Arbitraal Vonnis vastgestelde aanbiedingsplicht, met gebruikmaking van de onherroepelijke volmacht van artikel 15 lid 3 van de statuten, het 40%-belang van [aandeelhouder A] in JMH aan [aandeelhouder B] zal worden aangeboden. 2.18 Op 24 november 2025 hebben JMH en [aandeelhouder B] op grond van artikel 14 lid 3 van de statuten een verzoek ingediend bij de sectie kanton van de rechtbank Den Haag tot benoeming van drie onafhankelijke deskundigen voor het bepalen van de prijs voor de door [aandeelhouder A] over te dragen aandelen. Op 25 februari 2026 vond in die zaak een mondelinge behandeling plaats. 2.19 Bij vonnis van 4 maart 2026 heeft de rechtbank Den Haag (onder meer) [aandeelhouder B] veroordeeld tot aflossing van de lening (zie 2.14) door betaling aan [aandeelhouder A] van € 900.000, vermeerderd met de contractuele rente. 3 De gronden van de beslissing 3.1 [aandeelhouder A] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij door de gedragingen van [aandeelhouder B] en JMH zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in JMH in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. 3.2 Daartegenover hebben [aandeelhouder B] en JMH gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de Ondernemingskamer niet bevoegd is over het geschil te oordelen, omdat er een arbitraal beding is overeengekomen. Mocht de Ondernemingskamer oordelen dat zij wel bevoegd is, moet het verzoek worden afgewezen wegens het bestaan van een eigen regeling als bedoeld in artikel 2.337 lid 1 BW. 3.3 De Ondernemingskamer overweegt als volgt. In deze zaak speelt zowel de vraag of partijen een eigen regeling als bedoeld in artikel 2:337 lid 1 BW hebben getroffen, die voorrang heeft op de wettelijke geschillenregeling, als de vraag of partijen over die regeling arbitrage zijn overeengekomen (artikel 2:337 lid 2 BW). 3.4 Van een eigen regeling als bedoeld in artikel 2:337 lid 1 BW is sprake wanneer (kortweg) de regeling binnen afzienbare tijd leidt tot daadwerkelijke overdracht van de aandelen; de eigen regeling mag de overdracht verder niet onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maken en mag evenmin leiden tot een kennelijk onredelijke prijs. 3.5 In geval van schending van de artikelen 1 en 2 van de Aandeelhoudersovereenkomst leiden de leden 1, 2 en 3 van artikel 4 van die overeenkomst tot een aanbiedingsverplichting van de aandelen ingevolge de statutaire regeling over verplichte aanbieding van aandelen. In geval van niet-medewerking van de tot aanbieding verplichte partij kan de levering van de aandelen worden bewerkstelligd door JMH, met gebruikmaking van de onherroepelijke volmacht die is opgenomen in artikel 15 lid 3 van de statuten. De prijs van de aandelen zal ingevolge de statuten worden bepaald door drie onafhankelijke deskundigen die, bij gebreke van overeenstemming daaromtrent tus