Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1167
Civiel recht
Hoger beroep
3,999 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 text/xml public 2026-04-30T15:56:15 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.334.567 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 text/html public 2026-04-30T15:55:26 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.334.567 Tussenarrest in procedure over de betaling van achterstallige royalties. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.334.567/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/12/723412 / HA ZA 22-782 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake 1 [appellant 1] , wonend te [plaats 1] , 2. [appellant 2] , gevestigd te [plaats 1] , appellanten, advocaat: mr. M. Steenhuis te Den Bosch, tegen [geïntimeerde] ., gevestigd te [plaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. R. van Dongen te Amsterdam. Appellanten worden hierna [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten] genoemd en geïntimeerde wordt [geïntimeerde] genoemd. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1. Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 4 november 2025. 1.2. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - de akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] van 9 februari 2026, met bijlagen; - de akte uitlating van de zijde van [appellanten] van 9 februari 2026. 1.3. Op 9 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens is arrest gevraagd. 2 De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1. Het hof heeft in het tussenarrest van 4 november 2025 een mondelinge behandeling gelast, onder meer om de mogelijkheid van een regeling te onderzoeken, al dan niet beperkt tot afspraken over een nader te verrichten audit. Tevens konden partijen zich uitlaten over de duur van een op de VSO gebaseerde nabetalingsplicht, waarover het hof in het tussenarrest voorlopig had geoordeeld dat al naar gelang de 5% drempel telkens wel of niet wordt gehaald, de auditperiode in stappen kan worden uitgebreid tot enerzijds het begin van de exploitatie en anderzijds de take down date van 28 september 2020. 2.2. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen er niet in geslaagd om een regeling ter beëindiging van het geschil te treffen. 2.3. Wel zijn procesafspraken gemaakt over een door het hof te gelasten (nadere) audit (deskundigenbericht). Daarbij heeft het hof partijen voorgehouden dat de in de tussenarresten reeds gegeven oordelen inhouden dat de grondslag voor een zodanige audit is gelegen in de meer subsidiaire nakomingsvordering (v) en dat op die grondslag in de onderhavige procedure (in hoofdsom) niet méér kan worden toegewezen dan de som van de onder die nakomingsvordering concreet ingestelde deelvorderingen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en kosten. Partijen hebben het hof verzocht om op genoemde grondslag een deskundigenbericht te gelasten. Zij hebben ter zitting geen (gemotiveerde) bezwaren gemaakt tegen het door het hof in het laatste tussenarrest gegeven (voorlopig) oordeel over de periode waarover de audit zich al naar gelang de 5% drempel wordt gehaald (stapsgewijs, per statement period ) kan uitbreiden. Het hof blijft daarom bij dit oordeel. 2.4. Het deskundigenbericht zal, kortom, plaatsvinden ter beoordeling van de toewijsbaarheid van de onder v ingestelde vordering tot nakoming van de VSO. De deskundige zal, met inachtneming van de in art. 2 VSO en bijlage 3 bij de VSO gemaakte afspraken over de wijze waarop de audit zal plaatsvinden, dienen te onderzoeken of en zo ja hoeveel [geïntimeerde] ter zake van de onder vordering v ingestelde deelvorderingen aan [appellant 1] aan achterstallige royalties verschuldigd is. De audit strekt zich daarbij in beginsel uit over de periode juli 2016 – juni 2018, maar kan stapsgewijs worden uitgebreid tot enerzijds het begin van de exploitatie en anderzijds de take down date van 28 september 2020 al naar gelang voor de afzonderlijke deelvorderingen de in de VSO overeengekomen 5% drempel wordt gehaald. 2.5. Partijen hebben in hun verschillende aktes allereerst vragen voorgesteld die niet in een arrest hoeven te worden opgenomen omdat deze namens het hof reeds voorafgaand aan zijn of haar benoeming aan de deskundige worden voorgelegd, om te kunnen beoordelen of de beoogde persoon benoemd kan worden als gerechtelijk deskundige. Daarnaast hebben zij vragen geformuleerd die uitgaan van een herbeoordeling van het rapport [naam] , terwijl de procesafspraken thans luiden dat de deskundige zelf een hernieuwde audit verricht overeenkomstig de daarvoor in de VSO afgesproken methodologie. Ook die vragen laat het hof hier verder buiten beschouwing. 2.6. Het hof is gelet op al het voorgaande (voorshands) van oordeel dat aan de deskundige(n) de (hoofd)vraag moet worden voorgelegd of [geïntimeerde] aan [appellant 1] nog royalties verschuldigd is ter zake van de volgende door [appellanten] onder v ingestelde deelvorderingen: a. a) bij Ultra ingehouden 12% distributionfee; b) correctie royaltypercentages; c) correctie slidingscale; d) correctie afwijking 11% voor ten onrechte niet ‘at source’ afrekenen; e) correctie op basis van publiek domein contract [geïntimeerde] USA en Spotify; f) correctie onbetaalde PP&B gelden; g) correctie aanpassing % inlopen voorschot Albumovereenkomst; h) correctie niet afgerekende inkomsten RS album; i. i) op het Post Term Income ingehouden 12%; j) Vevo inkomsten. 2.7. Voor de te verrichten audit gelden de volgende randvoorwaarden. a. a) Het onderzoek strekt zich in beginsel uit tot de periode juli 2016 – juni 2018, maar kan stapsgewijs worden uitgebreid indien voor een deelvordering de 5% drempel wordt gehaald (zie hiervoor onder 2.3 en 2.4). b) Omdat de audit plaatsvindt in verband met de op de VSO gebaseerde nakomingsvordering, gelden daarvoor de in de VSO overeengekomen nadere voorwaarden. De audit dient dan ook plaats te vinden aan de hand van de methodologie en sample lijst als vervat in bijlage 3 bij de VSO. [geïntimeerde] dient zich verder in te spannen om voor het onderzoek relevante informatie die zich bij derden bevindt op te vragen en aan de deskundige te verstrekken, waarbij [geïntimeerde] afschrift verstrekt van de desbetreffende (e-mail-)correspondentie waaruit die (redelijke) inspanningen blijken. c) Informatie waarvoor [geïntimeerde] zich tot geheimhouding heeft verplicht, kan aan de deskundige onder eenzelfde geheimhoudingsverplichting ter beschikking worden gesteld. d) De deskundige dient zich (zo mogelijk) uit te spreken over de gebruikelijkheid en betrouwbaarheid van de gehanteerde (al dan niet door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde) audittool(s). 2.8. Ter zitting is verder besproken welke deskundige(n) zou(den) moeten worden benoemd. Het hof heeft partijen voorgehouden dat een te benoemen deskundige het onderzoek in beginsel zelf dient uit te voeren. Het hof blijft verder bij zijn eerder gegeven oordeel dat een in Nederland gevestigde deskundige om praktische redenen de voorkeur verdient, maar voegt daaraan toe dat indien een zodanige deskundige niet kan worden gevonden zonodig naar het buitenland moet worden uitgeweken. Mogelijk is ook dat een in Nederland gevestigde deskundige het onderzoek tezamen met een buitenlandse deskundige uitvoert indien dit vanwege de specialistische materie nodig is. Denkbaar is verder dat partijen overeenstemming bereiken over een combinatie van twee deskundigen. 2.9. Het hof zal partijen opnieuw in de gelegenheid stellen om, met inachtneming van het voorgaande, zo mogelijk alsnog tot een gezamenlijke voordracht van één of meer deskundigen te komen. Indien partijen hierin niet slagen, zal het hof zelf een (of meer) deskundige(n) moeten aanwijzen. In dat laatste geval gaat het om een (of meer) door een of beide partijen voorgestelde deskundigen, dan wel één of meer door het hof zelf uitgekozen deskundigen. 2.10.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 text/xml public 2026-04-30T15:56:15 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.334.567 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 text/html public 2026-04-30T15:55:26 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1167 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.334.567 Tussenarrest in procedure over de betaling van achterstallige royalties. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.334.567/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/12/723412 / HA ZA 22-782 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake 1 [appellant 1] , wonend te [plaats 1] , 2. [appellant 2] , gevestigd te [plaats 1] , appellanten, advocaat: mr. M. Steenhuis te Den Bosch, tegen [geïntimeerde] ., gevestigd te [plaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. R. van Dongen te Amsterdam. Appellanten worden hierna [appellant 1] respectievelijk [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten] genoemd en geïntimeerde wordt [geïntimeerde] genoemd. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1. Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 4 november 2025. 1.2. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - de akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] van 9 februari 2026, met bijlagen; - de akte uitlating van de zijde van [appellanten] van 9 februari 2026. 1.3. Op 9 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens is arrest gevraagd. 2 De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1. Het hof heeft in het tussenarrest van 4 november 2025 een mondelinge behandeling gelast, onder meer om de mogelijkheid van een regeling te onderzoeken, al dan niet beperkt tot afspraken over een nader te verrichten audit. Tevens konden partijen zich uitlaten over de duur van een op de VSO gebaseerde nabetalingsplicht, waarover het hof in het tussenarrest voorlopig had geoordeeld dat al naar gelang de 5% drempel telkens wel of niet wordt gehaald, de auditperiode in stappen kan worden uitgebreid tot enerzijds het begin van de exploitatie en anderzijds de take down date van 28 september 2020. 2.2. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen er niet in geslaagd om een regeling ter beëindiging van het geschil te treffen. 2.3. Wel zijn procesafspraken gemaakt over een door het hof te gelasten (nadere) audit (deskundigenbericht). Daarbij heeft het hof partijen voorgehouden dat de in de tussenarresten reeds gegeven oordelen inhouden dat de grondslag voor een zodanige audit is gelegen in de meer subsidiaire nakomingsvordering (v) en dat op die grondslag in de onderhavige procedure (in hoofdsom) niet méér kan worden toegewezen dan de som van de onder die nakomingsvordering concreet ingestelde deelvorderingen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en kosten. Partijen hebben het hof verzocht om op genoemde grondslag een deskundigenbericht te gelasten. Zij hebben ter zitting geen (gemotiveerde) bezwaren gemaakt tegen het door het hof in het laatste tussenarrest gegeven (voorlopig) oordeel over de periode waarover de audit zich al naar gelang de 5% drempel wordt gehaald (stapsgewijs, per statement period ) kan uitbreiden. Het hof blijft daarom bij dit oordeel. 2.4. Het deskundigenbericht zal, kortom, plaatsvinden ter beoordeling van de toewijsbaarheid van de onder v ingestelde vordering tot nakoming van de VSO. De deskundige zal, met inachtneming van de in art. 2 VSO en bijlage 3 bij de VSO gemaakte afspraken over de wijze waarop de audit zal plaatsvinden, dienen te onderzoeken of en zo ja hoeveel [geïntimeerde] ter zake van de onder vordering v ingestelde deelvorderingen aan [appellant 1] aan achterstallige royalties verschuldigd is. De audit strekt zich daarbij in beginsel uit over de periode juli 2016 – juni 2018, maar kan stapsgewijs worden uitgebreid tot enerzijds het begin van de exploitatie en anderzijds de take down date van 28 september 2020 al naar gelang voor de afzonderlijke deelvorderingen de in de VSO overeengekomen 5% drempel wordt gehaald. 2.5. Partijen hebben in hun verschillende aktes allereerst vragen voorgesteld die niet in een arrest hoeven te worden opgenomen omdat deze namens het hof reeds voorafgaand aan zijn of haar benoeming aan de deskundige worden voorgelegd, om te kunnen beoordelen of de beoogde persoon benoemd kan worden als gerechtelijk deskundige. Daarnaast hebben zij vragen geformuleerd die uitgaan van een herbeoordeling van het rapport [naam] , terwijl de procesafspraken thans luiden dat de deskundige zelf een hernieuwde audit verricht overeenkomstig de daarvoor in de VSO afgesproken methodologie. Ook die vragen laat het hof hier verder buiten beschouwing. 2.6. Het hof is gelet op al het voorgaande (voorshands) van oordeel dat aan de deskundige(n) de (hoofd)vraag moet worden voorgelegd of [geïntimeerde] aan [appellant 1] nog royalties verschuldigd is ter zake van de volgende door [appellanten] onder v ingestelde deelvorderingen: a. a) bij Ultra ingehouden 12% distributionfee; b) correctie royaltypercentages; c) correctie slidingscale; d) correctie afwijking 11% voor ten onrechte niet ‘at source’ afrekenen; e) correctie op basis van publiek domein contract [geïntimeerde] USA en Spotify; f) correctie onbetaalde PP&B gelden; g) correctie aanpassing % inlopen voorschot Albumovereenkomst; h) correctie niet afgerekende inkomsten RS album; i. i) op het Post Term Income ingehouden 12%; j) Vevo inkomsten. 2.7. Voor de te verrichten audit gelden de volgende randvoorwaarden. a. a) Het onderzoek strekt zich in beginsel uit tot de periode juli 2016 – juni 2018, maar kan stapsgewijs worden uitgebreid indien voor een deelvordering de 5% drempel wordt gehaald (zie hiervoor onder 2.3 en 2.4). b) Omdat de audit plaatsvindt in verband met de op de VSO gebaseerde nakomingsvordering, gelden daarvoor de in de VSO overeengekomen nadere voorwaarden. De audit dient dan ook plaats te vinden aan de hand van de methodologie en sample lijst als vervat in bijlage 3 bij de VSO. [geïntimeerde] dient zich verder in te spannen om voor het onderzoek relevante informatie die zich bij derden bevindt op te vragen en aan de deskundige te verstrekken, waarbij [geïntimeerde] afschrift verstrekt van de desbetreffende (e-mail-)correspondentie waaruit die (redelijke) inspanningen blijken. c) Informatie waarvoor [geïntimeerde] zich tot geheimhouding heeft verplicht, kan aan de deskundige onder eenzelfde geheimhoudingsverplichting ter beschikking worden gesteld. d) De deskundige dient zich (zo mogelijk) uit te spreken over de gebruikelijkheid en betrouwbaarheid van de gehanteerde (al dan niet door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde) audittool(s). 2.8. Ter zitting is verder besproken welke deskundige(n) zou(den) moeten worden benoemd. Het hof heeft partijen voorgehouden dat een te benoemen deskundige het onderzoek in beginsel zelf dient uit te voeren. Het hof blijft verder bij zijn eerder gegeven oordeel dat een in Nederland gevestigde deskundige om praktische redenen de voorkeur verdient, maar voegt daaraan toe dat indien een zodanige deskundige niet kan worden gevonden zonodig naar het buitenland moet worden uitgeweken. Mogelijk is ook dat een in Nederland gevestigde deskundige het onderzoek tezamen met een buitenlandse deskundige uitvoert indien dit vanwege de specialistische materie nodig is. Denkbaar is verder dat partijen overeenstemming bereiken over een combinatie van twee deskundigen. 2.9. Het hof zal partijen opnieuw in de gelegenheid stellen om, met inachtneming van het voorgaande, zo mogelijk alsnog tot een gezamenlijke voordracht van één of meer deskundigen te komen. Indien partijen hierin niet slagen, zal het hof zelf een (of meer) deskundige(n) moeten aanwijzen. In dat laatste geval gaat het om een (of meer) door een of beide partijen voorgestelde deskundigen, dan wel één of meer door het hof zelf uitgekozen deskundigen. 2.10.