Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-28
ECLI:NL:GHAMS:2026:1139
Civiel recht
Hoger beroep
23,652 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 text/xml public 2026-05-18T09:38:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 200.266.194/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 text/html public 2026-05-18T09:37:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 200.266.194/01 Aannemingsovereenkomst. Bewijswaardering na getuigenverhoren: wat partijen zijn overeenkomen, wat al is betaald, of de aannemer is weggestuurd of weggelopen en in wiens opdracht de loodgieter heeft gewerkt. Beoordeling van de gestelde gebreken en de daaraan verbonden herstelkosten. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel) zaaknummer : 200.266.194/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/650195/HAZA 18-644 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026 inzake 1 KUBUS STUKADOORS- EN ONDERHOUDSBEDRIJF, gevestigd te Amsterdam, 2. [appellant 1] , wonend te [plaats 1] , 3. [appellant 2] , wonend te [plaats 1] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. M. Bitter te Haarlem, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend te [plaats 2] , 2. [geïntimeerde 2] , wonend te [plaats 2] , geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, advocaat: mr. J.W.C. Bruins te Amsterdam. De partijen worden hierna weer (in enkelvoud) Kubus en [geïntimeerde 1] genoemd. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof heeft in deze zaak op 4 oktober 2022 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen. Ter uitvoering van de in het tussenarrest gegeven bewijsopdrachten hebben op 18 januari 2024, 27 maart 2024, 14 mei 2024, 11 september 2024 en 3 april 2025 getuigenverhoren plaatsgehad. De processen-verbaal daarvan bevinden zich bij de stukken. Voorafgaand aan het eerste getuigenverhoor heeft mr. Bruins een brief, gedateerd 9 januari 2024, aan het hof doen toekomen, met daarbij een productie. Mr. Bitter heeft daarop gereageerd bij brief van 17 januari 2024, met producties. Ook deze brieven bevinden zich bij de stukken. Partijen hebben de resultaten van de bewijslevering besproken in daartoe strekkende memories. Ten slotte is weer arrest gevraagd. 2 Verdere beoordeling 2.1 In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de grieven I en VII van Kubus falen, dat de eerste grief van [geïntimeerde 1] terecht is voorgedragen en dat met betrekking tot de grieven 1A, IV, V en VI van Kubus en de tweede en een impliciete grief van [geïntimeerde 1] door deze bewijs dan wel tegenbewijs moest worden geleverd. De behandeling van de grieven II, III, (tweede) VI, VIII en IX van Kubus is aangehouden. Opzegging (grief 1A van Kubus, tweede grief van [geïntimeerde 1] ) 2.2 Partijen stellen over en weer dat de andere partij de aannemingsovereenkomst op 12 juli 2017 heeft opgezegd door weg te lopen (stelling [geïntimeerde 1] ) of door Kubus weg te sturen (stelling Kubus). Op elk van partijen rust de bewijslast van de eigen stelling in deze. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat Kubus het bewijs van haar stelling voorshands al had geleverd door de inhoud van haar brief van 1 augustus 2017 en een Whatsappbericht van 19 juli 2017, waarvan de echtheid vooralsnog onvoldoende door [geïntimeerde 1] was betwist. [geïntimeerde 1] is om deze reden zowel tot bewijs van zijn eigen stelling toegelaten als tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van Kubus. 2.3 Het hof is van oordeel dat het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden dat de stelling van Kubus juist is, inmiddels is ontkracht. Dit oordeel berust op het volgende. 2.3.1 Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft Kubus een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 1] , inhoudend dat hij erbij was toen [appellant 1] (hierna: [appellant 1] ) op 12 juli 2017 door [geïntimeerde 2] (hierna: [geïntimeerde 2] ) van het werk werd weggestuurd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 4 mei 2021 heeft [geïntimeerde 1] betwist dat het [naam 1] is geweest die op 12 juli 2017 aanwezig was bij het gesprek tussen [geïntimeerde 2] en [appellant 1] . Dat zou medewerker A zijn geweest, die zichtbaar is op een in eerste aanleg overgelegde foto. 2.3.2 Medewerker A is [naam 2] . Deze heeft op 10 november 2023 op verzoek van [geïntimeerde 1] bij een notaris een schriftelijke verklaring ondertekend, die, onder veel meer, inhoudt dat [naam 2] bij het gesprek op 12 juli 2017 aanwezig is geweest en heeft gezien dat [appellant 1] toen vrijwillig het werk heeft gestaakt en is vertrokken. Deze verklaring is bij de hierboven genoemde brief van 9 januari 2024 in het geding gebracht. Vervolgens heeft [naam 2] die verklaring op 13 januari 2024 in het bijzijn van [appellant 1] en drie andere mannen ingetrokken. Van het gesprek van die vijf mannen heeft Kubus bij de hierboven genoemde brief van 17 januari 2024 beeldopnamen (met transcripties en vertalingen) in het geding gebracht. 2.3.3 [naam 1] en [naam 2] zijn beiden door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. De getuigenverklaring van [naam 1] wijkt op bepaalde onderdelen opvallend af van zijn schriftelijke verklaring (bijvoorbeeld over hoe hij naar de woning is gegaan en of hij erbij was toen [appellant 1] zou zijn weggestuurd), maar hij hield als getuige wel vol dat hij als enige medewerker met [appellant 1] in de woning aanwezig was ten tijde van de woordenwisseling tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 2] . [naam 2] daarentegen heeft verklaard dat hij degene was die bij het incident aanwezig is geweest en dat [naam 1] alleen even is langsgekomen, maar meteen is weggegaan omdat er voor hem niets te doen was. Zijn eigen aanwezigheid bij het incident is in feite het enige onderdeel van de eerdere schriftelijke verklaring dat [naam 2] in het getuigenverhoor expliciet heeft gehandhaafd. Ook verklaarde [naam 2] wegens ziekte een tijd in Turkije te hebben verbleven en recent te zijn teruggekeerd. [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat alleen [naam 2] bij het gesprek op 12 juli 2017 aanwezig is geweest. [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij samen met [naam 2] en [naam 1] bij de woning is aangekomen en dat [naam 1] meteen weer is vertrokken omdat het water niet van het dak afkomstig was. 2.3.4 Uit de hiervoor beschreven gang van zaken leidt het hof af dat Kubus in strijd met de waarheid en dus in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv. heeft gesteld dat [naam 1] aanwezig was bij de woordenwisseling tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 2] die tot het uiteengaan heeft geleid en evenzeer in strijd met artikel 21 Rv. een verklaring van [naam 1] van die strekking in het geding heeft gebracht. Het hof vermoedt dat de reden daarvoor was gelegen in de langdurige afwezigheid van [naam 2] . Hoe dan ook, dit handelen in strijd met artikel 21 Rv leidt ertoe, dat het hof niet meer voorshands kan uitgaan van de juistheid van de stelling van Kubus dat [appellant 1] is weggestuurd. 2.4 Met betrekking tot de vraag wat op 12 juli 2017 is voorgevallen, zijn de volgende bewijsmiddelen beschikbaar: a. getuigenverklaringen van [naam 2] , [naam 1] , [appellant 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [naam 3] , de buurvrouw van [geïntimeerde 1] ; b. Whatsappberichten uit de periode na 12 juli 2017, waarin [appellant 1] refereert aan het weggestuurd zijn en [geïntimeerde 1] verzoekt contact op te nemen; c. de brief van de voormalige advocaat van Kubus van 1 augustus 2017, waarin reeds melding is gemaakt van het wegsturen. Ad a . 2.5. Het hof kan niet bepalen welke verklaring van [naam 2] de juiste is, de verklaring die hij bij de notaris heeft ondertekend of de verklaring die hij tijdens het getuigenverhoor heeft afgelegd. [naam 2] werd tijdens dat verhoor, dat digitaal plaatsvond, kennelijk gesouffleerd door een persoon die bij hem in de kamer bleek te zijn. Dat gebeurde op het moment dat hij leek te bevestigen dat de bij de notaris ondertekende verklaring juist was.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 text/xml public 2026-05-18T09:38:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 200.266.194/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 text/html public 2026-05-18T09:37:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1139 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 200.266.194/01 Aannemingsovereenkomst. Bewijswaardering na getuigenverhoren: wat partijen zijn overeenkomen, wat al is betaald, of de aannemer is weggestuurd of weggelopen en in wiens opdracht de loodgieter heeft gewerkt. Beoordeling van de gestelde gebreken en de daaraan verbonden herstelkosten. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel) zaaknummer : 200.266.194/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/650195/HAZA 18-644 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026 inzake 1 KUBUS STUKADOORS- EN ONDERHOUDSBEDRIJF, gevestigd te Amsterdam, 2. [appellant 1] , wonend te [plaats 1] , 3. [appellant 2] , wonend te [plaats 1] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. M. Bitter te Haarlem, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend te [plaats 2] , 2. [geïntimeerde 2] , wonend te [plaats 2] , geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten, advocaat: mr. J.W.C. Bruins te Amsterdam. De partijen worden hierna weer (in enkelvoud) Kubus en [geïntimeerde 1] genoemd. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof heeft in deze zaak op 4 oktober 2022 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dat tussenarrest verwezen. Ter uitvoering van de in het tussenarrest gegeven bewijsopdrachten hebben op 18 januari 2024, 27 maart 2024, 14 mei 2024, 11 september 2024 en 3 april 2025 getuigenverhoren plaatsgehad. De processen-verbaal daarvan bevinden zich bij de stukken. Voorafgaand aan het eerste getuigenverhoor heeft mr. Bruins een brief, gedateerd 9 januari 2024, aan het hof doen toekomen, met daarbij een productie. Mr. Bitter heeft daarop gereageerd bij brief van 17 januari 2024, met producties. Ook deze brieven bevinden zich bij de stukken. Partijen hebben de resultaten van de bewijslevering besproken in daartoe strekkende memories. Ten slotte is weer arrest gevraagd. 2 Verdere beoordeling 2.1 In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de grieven I en VII van Kubus falen, dat de eerste grief van [geïntimeerde 1] terecht is voorgedragen en dat met betrekking tot de grieven 1A, IV, V en VI van Kubus en de tweede en een impliciete grief van [geïntimeerde 1] door deze bewijs dan wel tegenbewijs moest worden geleverd. De behandeling van de grieven II, III, (tweede) VI, VIII en IX van Kubus is aangehouden. Opzegging (grief 1A van Kubus, tweede grief van [geïntimeerde 1] ) 2.2 Partijen stellen over en weer dat de andere partij de aannemingsovereenkomst op 12 juli 2017 heeft opgezegd door weg te lopen (stelling [geïntimeerde 1] ) of door Kubus weg te sturen (stelling Kubus). Op elk van partijen rust de bewijslast van de eigen stelling in deze. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat Kubus het bewijs van haar stelling voorshands al had geleverd door de inhoud van haar brief van 1 augustus 2017 en een Whatsappbericht van 19 juli 2017, waarvan de echtheid vooralsnog onvoldoende door [geïntimeerde 1] was betwist. [geïntimeerde 1] is om deze reden zowel tot bewijs van zijn eigen stelling toegelaten als tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van Kubus. 2.3 Het hof is van oordeel dat het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden dat de stelling van Kubus juist is, inmiddels is ontkracht. Dit oordeel berust op het volgende. 2.3.1 Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft Kubus een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 1] , inhoudend dat hij erbij was toen [appellant 1] (hierna: [appellant 1] ) op 12 juli 2017 door [geïntimeerde 2] (hierna: [geïntimeerde 2] ) van het werk werd weggestuurd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 4 mei 2021 heeft [geïntimeerde 1] betwist dat het [naam 1] is geweest die op 12 juli 2017 aanwezig was bij het gesprek tussen [geïntimeerde 2] en [appellant 1] . Dat zou medewerker A zijn geweest, die zichtbaar is op een in eerste aanleg overgelegde foto. 2.3.2 Medewerker A is [naam 2] . Deze heeft op 10 november 2023 op verzoek van [geïntimeerde 1] bij een notaris een schriftelijke verklaring ondertekend, die, onder veel meer, inhoudt dat [naam 2] bij het gesprek op 12 juli 2017 aanwezig is geweest en heeft gezien dat [appellant 1] toen vrijwillig het werk heeft gestaakt en is vertrokken. Deze verklaring is bij de hierboven genoemde brief van 9 januari 2024 in het geding gebracht. Vervolgens heeft [naam 2] die verklaring op 13 januari 2024 in het bijzijn van [appellant 1] en drie andere mannen ingetrokken. Van het gesprek van die vijf mannen heeft Kubus bij de hierboven genoemde brief van 17 januari 2024 beeldopnamen (met transcripties en vertalingen) in het geding gebracht. 2.3.3 [naam 1] en [naam 2] zijn beiden door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. De getuigenverklaring van [naam 1] wijkt op bepaalde onderdelen opvallend af van zijn schriftelijke verklaring (bijvoorbeeld over hoe hij naar de woning is gegaan en of hij erbij was toen [appellant 1] zou zijn weggestuurd), maar hij hield als getuige wel vol dat hij als enige medewerker met [appellant 1] in de woning aanwezig was ten tijde van de woordenwisseling tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 2] . [naam 2] daarentegen heeft verklaard dat hij degene was die bij het incident aanwezig is geweest en dat [naam 1] alleen even is langsgekomen, maar meteen is weggegaan omdat er voor hem niets te doen was. Zijn eigen aanwezigheid bij het incident is in feite het enige onderdeel van de eerdere schriftelijke verklaring dat [naam 2] in het getuigenverhoor expliciet heeft gehandhaafd. Ook verklaarde [naam 2] wegens ziekte een tijd in Turkije te hebben verbleven en recent te zijn teruggekeerd. [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat alleen [naam 2] bij het gesprek op 12 juli 2017 aanwezig is geweest. [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij samen met [naam 2] en [naam 1] bij de woning is aangekomen en dat [naam 1] meteen weer is vertrokken omdat het water niet van het dak afkomstig was. 2.3.4 Uit de hiervoor beschreven gang van zaken leidt het hof af dat Kubus in strijd met de waarheid en dus in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv. heeft gesteld dat [naam 1] aanwezig was bij de woordenwisseling tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 2] die tot het uiteengaan heeft geleid en evenzeer in strijd met artikel 21 Rv. een verklaring van [naam 1] van die strekking in het geding heeft gebracht. Het hof vermoedt dat de reden daarvoor was gelegen in de langdurige afwezigheid van [naam 2] . Hoe dan ook, dit handelen in strijd met artikel 21 Rv leidt ertoe, dat het hof niet meer voorshands kan uitgaan van de juistheid van de stelling van Kubus dat [appellant 1] is weggestuurd. 2.4 Met betrekking tot de vraag wat op 12 juli 2017 is voorgevallen, zijn de volgende bewijsmiddelen beschikbaar: a. getuigenverklaringen van [naam 2] , [naam 1] , [appellant 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [naam 3] , de buurvrouw van [geïntimeerde 1] ; b. Whatsappberichten uit de periode na 12 juli 2017, waarin [appellant 1] refereert aan het weggestuurd zijn en [geïntimeerde 1] verzoekt contact op te nemen; c. de brief van de voormalige advocaat van Kubus van 1 augustus 2017, waarin reeds melding is gemaakt van het wegsturen. Ad a . 2.5. Het hof kan niet bepalen welke verklaring van [naam 2] de juiste is, de verklaring die hij bij de notaris heeft ondertekend of de verklaring die hij tijdens het getuigenverhoor heeft afgelegd. [naam 2] werd tijdens dat verhoor, dat digitaal plaatsvond, kennelijk gesouffleerd door een persoon die bij hem in de kamer bleek te zijn. Dat gebeurde op het moment dat hij leek te bevestigen dat de bij de notaris ondertekende verklaring juist was.
Volledig
Het kan zijn dat [naam 2] de desbetreffende vraag van de raadsheer-commissaris niet goed had begrepen, maar het souffleren op zichzelf doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [naam 2] . 2.6 Om de hiervoor onder 2.3 genoemde redenen acht het hof de verklaringen van [naam 1] niet betrouwbaar. Het hof slaat daarop voor het bewijs dan ook geen acht. 2.7 De verklaringen van [appellant 1] enerzijds en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] anderzijds staan diametraal tegenover elkaar. [appellant 1] heeft verklaard dat hij is weggestuurd door [geïntimeerde 2] . Het echtpaar [geïntimeerde 1] heeft verklaard dat [appellant 1] uit zichzelf zijn spullen heeft gepakt en is vertrokken. Er is in de inhoud van die verklaringen geen grond te vinden om aan de ene verklaring meer geloof te hechten dan aan de andere. Overigens zou de waarheid ook ergens in het midden kunnen liggen, omdat partijen elk hun eigen beleving hebben gehad van de woordenwisseling. 2.8 De buurvrouw heeft schriftelijk verklaard dat de aannemer weigerde iets aan de wateroverlast te doen, omdat die de eigen schuld van [geïntimeerde 2] zou zijn en vervolgens zijn spullen heeft verzameld en is vertrokken. Als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord, heeft de buurvrouw de juistheid van haar eerdere schriftelijke verklaring niet kunnen bevestigen. Zij heeft weliswaar verklaard dat zij in haar schriftelijke verklaring destijds alleen heeft opgeschreven wat zij zelf had waargenomen en niet ook wat zij slechts had gehoord van [geïntimeerde 2] , maar die opmerking op zichzelf vormt voor het hof onvoldoende bevestiging. Het mag toch worden aangenomen dat als de buurvrouw zelf aanwezig was geweest bij de woordenwisseling tussen [geïntimeerde 2] en daarover anderhalf jaar later een schriftelijke verklaring had afgelegd, zij zich die gebeurtenis vijf jaar later nog wel zou moeten kunnen herinneren. De schriftelijke verklaring van deze getuige legt het hof om die reden terzijde. Ad b . 2.9 [geïntimeerde 1] heeft de echtheid van de door Kubus overgelegde Whatsappberichten uit de periode na 12 juli 2017 gemotiveerd betwist. De berichten zijn overgelegd in de vorm van screenshots. Kubus heeft een verklaring overgelegd van [naam 4] over onderzoek dat hij heeft verricht aan een oude telefoon van [appellant 1] . Uit dat onderzoek volgt volgens hem dat de screenshots op 6 februari 2018 met die telefoon zijn gemaakt, zich nu nog op die telefoon bevinden en niet zijn gemanipuleerd. [naam 4] heeft niet vastgesteld of de gefotografeerde berichten daadwerkelijk zijn verzonden. Kubus biedt aan de telefoon beschikbaar te stellen voor een deskundigenonderzoek naar die laatste vraag. [geïntimeerde 1] heeft echter in zijn memorie na enquête gemotiveerd aangevoerd dat voor dat onderzoek benodigde gegevens niet meer op de telefoon beschikbaar zijn. Kubus heeft zich in haar memorie na enquête niet erover uitgelaten of het bedoelde onderzoek werkelijk mogelijk is. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding dat onderzoek alsnog te gelasten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Kubus dat onderzoek al eerder zelf had kunnen laten uitvoeren, als dat onderzoek mogelijk was. Verder acht het hof met de vaststelling dat de screenshots niet zijn vervalst, nog niet aangetoond dat de desbetreffende berichten werkelijk aan [geïntimeerde 1] zijn gestuurd. Ook de screenshots legt het hof daarom als bewijs terzijde. Ad c. 2.10 De hiervoor besproken bewijsmiddelen wijzen niet duidelijk in de ene of in de andere richting. Onder die omstandigheden is het enkele feit dat Kubus in de brief van 1 augustus 2017 al heeft gemeld dat zij was weggestuurd, onvoldoende bewijs van de juistheid van haar stelling. Bewijswaardering 2.11 Hetgeen hiervoor onder 2.5 tot en met 2.10 is overwogen, leidt tot de slotsom dat geen van partijen erin is geslaagd aan te tonen dat de eigen versie van de gebeurtenissen op 12 juli 2017 de juiste is. Het hof volgt dus de redenering van de rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat het project in de periode 12 juli 2017 tot 7 november 2017 heeft stilgelegen zonder dat partijen elkaar daarop kunnen aanspreken. Dit betekent dat grief 1A van Kubus en de tweede grief van [geïntimeerde 1] geen succes hebben. Aanneemsom van € 22.000,= (impliciete grief van [geïntimeerde 1] ) 2.12 In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het ongebruikelijk is dat een particulier een opdracht aan een aannemer geeft zonder vooraf een prijs (hetzij een aanneemsom, hetzij een uurtarief in het geval van regie) overeen te komen. Het door Kubus gevoerde verweer impliceert echter dat dat het geval is geweest. Met betrekking tot de stelling van [geïntimeerde 1] dat een vaste prijs van € 22.000,= is afgesproken, zijn de volgende bewijsmiddelen beschikbaar: - getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [naam 5] – [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] (hierna: mevrouw [appellant 1] ); - een offerte gedateerd 20 maart 2017 ten bedrage van € 20.000,= exclusief btw en een offerte gedateerd 2 juni 2017 ten bedrage van € 8.400,= exclusief btw. 2.13 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben als getuige het volgende verklaard. Zij hebben tijdens een bespreking met [appellant 1] op 24 februari 2017 in hun woning een vaste prijs van € 16.500,= afgesproken voor alle werkzaamheden (uitbouw, wc beneden, badkamer, aanbrengen scheidingswand boven). Daarbij was de moeder van [geïntimeerde 2] aanwezig. ‘s Avonds belde [appellant 1] hen om te zeggen dat hij bepaalde kosten niet had meegenomen in de prijs, waarna [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] akkoord zijn gegaan met een bedrag van € 22.000,=. [geïntimeerde 2] heeft verder verklaard dat de vermelding in haar eerdere schriftelijke verklaring van een bedrag van € 22.500,= op een vergissing berustte, evenals de vermelding dat de prijsverhoging in maart 2017 plaatsvond; dat betrof een bevestiging van de afgesproken prijs. 2.14 De getuige [naam 5] – [geïntimeerde 2] heeft bevestigd dat zij het gesprek tussen [appellant 1] en haar dochter en schoonzoon heeft bijgewoond en heeft kunnen volgen voor zover in het Nederlands gevoerd. Zij heeft toen gehoord dat voor de werkzaamheden aan de aanbouw, de tuin, de badkamer, het toilet beneden en de scheidingswand boven een prijs van € 16.500,= werd afgesproken. Dat in haar eerdere schriftelijke verklaring staat dat zij dit na afloop van haar dochter had gehoord, berust op een vertaalfout, aldus de getuige. 2.15 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat Kubus aan [geïntimeerde 1] drie offertes heeft uitgebracht, een voor € 20.000,= voor de uitbouw, die hij heeft overhandigd, een van, naar hij zich herinnerde, € 8.000,= voor het splitsen van de kinderkamer, stucwerk en schilderen en een van € 16.000,= voor de werkzaamheden aan de badkamer. Ermee geconfronteerd dat het bedrag van € 16.000,= geen betrekking heeft op een offerte, maar op een factuur, heeft [appellant 1] verklaard dat hij niet meer zeker wist of hij een schriftelijke offerte heeft uitgebracht voor de badkamer, maar dat hij wel mondeling heeft meegedeeld wat de werkzaamheden zouden gaan kosten. [appellant 1] kon niet meer zeggen welk bedrag in totaal is geoffreerd. Over de geoffreerde vaste bedragen hebben partijen volgens [appellant 1] overeenstemming bereikt. Daarnaast werd er door [geïntimeerde 1] ook telkens opdracht gegeven voor meerwerk, nadat [appellant 1] had gezegd wat dat zou gaan kosten. Ermee geconfronteerd dat hij in het gesprek met [naam 2] en de drie andere mannen zelf heeft gesproken over een bedrag van € 22.000,=, hoewel dat eerder in de procedure was betwist, heeft [appellant 1] verklaard dat dat bedrag alleen de uitbouw betrof, niet het totaal en dat hij het bedrag van € 22.000,= nooit heeft ontkend. 2.16 Mevrouw [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat zij de twee offertes die zich in het dossier bevinden, dus die van 20 maart 2017 en 2 juni 2017, aan [geïntimeerde 1] heeft gemaild en ook aan haar echtgenoot heeft meegegeven. Die offertes zijn ook geaccepteerd, want anders zouden de werkzaamheden niet zijn gestart, aldus mevrouw [appellant 1] .
Volledig
Het kan zijn dat [naam 2] de desbetreffende vraag van de raadsheer-commissaris niet goed had begrepen, maar het souffleren op zichzelf doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [naam 2] . 2.6 Om de hiervoor onder 2.3 genoemde redenen acht het hof de verklaringen van [naam 1] niet betrouwbaar. Het hof slaat daarop voor het bewijs dan ook geen acht. 2.7 De verklaringen van [appellant 1] enerzijds en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] anderzijds staan diametraal tegenover elkaar. [appellant 1] heeft verklaard dat hij is weggestuurd door [geïntimeerde 2] . Het echtpaar [geïntimeerde 1] heeft verklaard dat [appellant 1] uit zichzelf zijn spullen heeft gepakt en is vertrokken. Er is in de inhoud van die verklaringen geen grond te vinden om aan de ene verklaring meer geloof te hechten dan aan de andere. Overigens zou de waarheid ook ergens in het midden kunnen liggen, omdat partijen elk hun eigen beleving hebben gehad van de woordenwisseling. 2.8 De buurvrouw heeft schriftelijk verklaard dat de aannemer weigerde iets aan de wateroverlast te doen, omdat die de eigen schuld van [geïntimeerde 2] zou zijn en vervolgens zijn spullen heeft verzameld en is vertrokken. Als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord, heeft de buurvrouw de juistheid van haar eerdere schriftelijke verklaring niet kunnen bevestigen. Zij heeft weliswaar verklaard dat zij in haar schriftelijke verklaring destijds alleen heeft opgeschreven wat zij zelf had waargenomen en niet ook wat zij slechts had gehoord van [geïntimeerde 2] , maar die opmerking op zichzelf vormt voor het hof onvoldoende bevestiging. Het mag toch worden aangenomen dat als de buurvrouw zelf aanwezig was geweest bij de woordenwisseling tussen [geïntimeerde 2] en daarover anderhalf jaar later een schriftelijke verklaring had afgelegd, zij zich die gebeurtenis vijf jaar later nog wel zou moeten kunnen herinneren. De schriftelijke verklaring van deze getuige legt het hof om die reden terzijde. Ad b . 2.9 [geïntimeerde 1] heeft de echtheid van de door Kubus overgelegde Whatsappberichten uit de periode na 12 juli 2017 gemotiveerd betwist. De berichten zijn overgelegd in de vorm van screenshots. Kubus heeft een verklaring overgelegd van [naam 4] over onderzoek dat hij heeft verricht aan een oude telefoon van [appellant 1] . Uit dat onderzoek volgt volgens hem dat de screenshots op 6 februari 2018 met die telefoon zijn gemaakt, zich nu nog op die telefoon bevinden en niet zijn gemanipuleerd. [naam 4] heeft niet vastgesteld of de gefotografeerde berichten daadwerkelijk zijn verzonden. Kubus biedt aan de telefoon beschikbaar te stellen voor een deskundigenonderzoek naar die laatste vraag. [geïntimeerde 1] heeft echter in zijn memorie na enquête gemotiveerd aangevoerd dat voor dat onderzoek benodigde gegevens niet meer op de telefoon beschikbaar zijn. Kubus heeft zich in haar memorie na enquête niet erover uitgelaten of het bedoelde onderzoek werkelijk mogelijk is. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding dat onderzoek alsnog te gelasten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Kubus dat onderzoek al eerder zelf had kunnen laten uitvoeren, als dat onderzoek mogelijk was. Verder acht het hof met de vaststelling dat de screenshots niet zijn vervalst, nog niet aangetoond dat de desbetreffende berichten werkelijk aan [geïntimeerde 1] zijn gestuurd. Ook de screenshots legt het hof daarom als bewijs terzijde. Ad c. 2.10 De hiervoor besproken bewijsmiddelen wijzen niet duidelijk in de ene of in de andere richting. Onder die omstandigheden is het enkele feit dat Kubus in de brief van 1 augustus 2017 al heeft gemeld dat zij was weggestuurd, onvoldoende bewijs van de juistheid van haar stelling. Bewijswaardering 2.11 Hetgeen hiervoor onder 2.5 tot en met 2.10 is overwogen, leidt tot de slotsom dat geen van partijen erin is geslaagd aan te tonen dat de eigen versie van de gebeurtenissen op 12 juli 2017 de juiste is. Het hof volgt dus de redenering van de rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat het project in de periode 12 juli 2017 tot 7 november 2017 heeft stilgelegen zonder dat partijen elkaar daarop kunnen aanspreken. Dit betekent dat grief 1A van Kubus en de tweede grief van [geïntimeerde 1] geen succes hebben. Aanneemsom van € 22.000,= (impliciete grief van [geïntimeerde 1] ) 2.12 In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het ongebruikelijk is dat een particulier een opdracht aan een aannemer geeft zonder vooraf een prijs (hetzij een aanneemsom, hetzij een uurtarief in het geval van regie) overeen te komen. Het door Kubus gevoerde verweer impliceert echter dat dat het geval is geweest. Met betrekking tot de stelling van [geïntimeerde 1] dat een vaste prijs van € 22.000,= is afgesproken, zijn de volgende bewijsmiddelen beschikbaar: - getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [naam 5] – [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] (hierna: mevrouw [appellant 1] ); - een offerte gedateerd 20 maart 2017 ten bedrage van € 20.000,= exclusief btw en een offerte gedateerd 2 juni 2017 ten bedrage van € 8.400,= exclusief btw. 2.13 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben als getuige het volgende verklaard. Zij hebben tijdens een bespreking met [appellant 1] op 24 februari 2017 in hun woning een vaste prijs van € 16.500,= afgesproken voor alle werkzaamheden (uitbouw, wc beneden, badkamer, aanbrengen scheidingswand boven). Daarbij was de moeder van [geïntimeerde 2] aanwezig. ‘s Avonds belde [appellant 1] hen om te zeggen dat hij bepaalde kosten niet had meegenomen in de prijs, waarna [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] akkoord zijn gegaan met een bedrag van € 22.000,=. [geïntimeerde 2] heeft verder verklaard dat de vermelding in haar eerdere schriftelijke verklaring van een bedrag van € 22.500,= op een vergissing berustte, evenals de vermelding dat de prijsverhoging in maart 2017 plaatsvond; dat betrof een bevestiging van de afgesproken prijs. 2.14 De getuige [naam 5] – [geïntimeerde 2] heeft bevestigd dat zij het gesprek tussen [appellant 1] en haar dochter en schoonzoon heeft bijgewoond en heeft kunnen volgen voor zover in het Nederlands gevoerd. Zij heeft toen gehoord dat voor de werkzaamheden aan de aanbouw, de tuin, de badkamer, het toilet beneden en de scheidingswand boven een prijs van € 16.500,= werd afgesproken. Dat in haar eerdere schriftelijke verklaring staat dat zij dit na afloop van haar dochter had gehoord, berust op een vertaalfout, aldus de getuige. 2.15 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat Kubus aan [geïntimeerde 1] drie offertes heeft uitgebracht, een voor € 20.000,= voor de uitbouw, die hij heeft overhandigd, een van, naar hij zich herinnerde, € 8.000,= voor het splitsen van de kinderkamer, stucwerk en schilderen en een van € 16.000,= voor de werkzaamheden aan de badkamer. Ermee geconfronteerd dat het bedrag van € 16.000,= geen betrekking heeft op een offerte, maar op een factuur, heeft [appellant 1] verklaard dat hij niet meer zeker wist of hij een schriftelijke offerte heeft uitgebracht voor de badkamer, maar dat hij wel mondeling heeft meegedeeld wat de werkzaamheden zouden gaan kosten. [appellant 1] kon niet meer zeggen welk bedrag in totaal is geoffreerd. Over de geoffreerde vaste bedragen hebben partijen volgens [appellant 1] overeenstemming bereikt. Daarnaast werd er door [geïntimeerde 1] ook telkens opdracht gegeven voor meerwerk, nadat [appellant 1] had gezegd wat dat zou gaan kosten. Ermee geconfronteerd dat hij in het gesprek met [naam 2] en de drie andere mannen zelf heeft gesproken over een bedrag van € 22.000,=, hoewel dat eerder in de procedure was betwist, heeft [appellant 1] verklaard dat dat bedrag alleen de uitbouw betrof, niet het totaal en dat hij het bedrag van € 22.000,= nooit heeft ontkend. 2.16 Mevrouw [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat zij de twee offertes die zich in het dossier bevinden, dus die van 20 maart 2017 en 2 juni 2017, aan [geïntimeerde 1] heeft gemaild en ook aan haar echtgenoot heeft meegegeven. Die offertes zijn ook geaccepteerd, want anders zouden de werkzaamheden niet zijn gestart, aldus mevrouw [appellant 1] .
Volledig
Bewijswaardering 2.17 Op grond van de hiervoor beschreven bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat partijen voor de verrichte werkzaamheden (samengevat: uitbouw, tuin, badkamer, toilet beneden en scheidingswand boven) een vaste prijs van € 22.000,= hebben afgesproken. Hierbij speelt een rol dat Kubus in dit geding over wat partijen hebben afgesproken steeds wisselende standpunten heeft ingenomen. Dat partijen een vaste prijs hadden afgesproken is steeds ontkend. Laatstelijk is nog gesteld (zie ro. 3.12 van het tussenarrest) dat in regie is gewerkt. Uit de verklaringen van [appellant 1] en mevrouw [appellant 1] zou echter volgen dat wel degelijk een vaste prijs (opgebouwd uit meerdere offertebedragen) is afgesproken (naast meerwerk). Wat het geoffreerde totaalbedrag zou zijn geweest is in de verklaringen van [appellant 1] en mevrouw [appellant 1] echter onduidelijk gebleven. Twee van de door [appellant 1] genoemde offertes zijn pas in hoger beroep voor het eerst overgelegd en de derde is in het geheel niet overgelegd. Dat die offertes daadwerkelijk zijn verstuurd is niet aangetoond. [geïntimeerde 1] heeft daarentegen consequent verklaard over de vaste prijs en de manier waarop die tot stand is gekomen. De hierboven aangestipte inconsequenties doen voor het hof niet wezenlijk af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van het echtpaar [geïntimeerde 1] . Bovendien vinden die verklaringen steun in die van de getuige [naam 5] – [geïntimeerde 2] . De impliciete grief van [geïntimeerde 1] is dus terecht voorgedragen. De rol van loodgieter [bedrijf 1] (grief IV en V van Kubus) 2.18 [geïntimeerde 1] is opgedragen te bewijzen dat de door loodgieter [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden onderdeel zijn van de aan Kubus gegeven opdracht, zodat [bedrijf 1] in onderaanneming voor Kubus heeft gewerkt. In dit verband zijn als bewijsmiddelen beschikbaar getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [bedrijf 1] en [appellant 1] . 2.19 [geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat hij [bedrijf 1] niet kent en hem nooit heeft gezien, hem niet heeft betaald en zich tegenover [bedrijf 1] nooit heeft beklaagd over de loodgieterswerkzaamheden. De aan Kubus gegeven opdracht omvatte ook het loodgieterswerk van de badkamer en de wc, [appellant 1] zou dat allemaal zelf doen. Naar aanleiding van de schriftelijke verklaring van [bedrijf 1] heeft [geïntimeerde 1] uitgevonden dat een medewerker van hem wel eens voor de zorginstelling een opdracht aan [bedrijf 1] heeft gegeven. 2.20 [geïntimeerde 2] heeft als getuige eveneens verklaard dat zij [bedrijf 1] niet kent en hem nooit heeft gezien. Tijdens de werkzaamheden van Kubus hebben zij en haar echtgenoot niemand een rechtstreekse opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten, aldus [geïntimeerde 2] . 2.21 [bedrijf 1] heeft als getuige verklaard dat hij door [appellant 1] bij het project is gehaald om hem te helpen bij een klus die hij zelf niet kon. Hij heeft voor die werkzaamheden geen offerte opgesteld. - dat hij met [appellant 1] ongeveer een dagdeel werk, zo’n € 300,- heeft verrekend. Het eerste deel van de werkzaamheden zou worden verrekend met werkzaamheden die [appellant 1] in het verleden voor [bedrijf 1] had gedaan. Dit betrof ongeveer een dagdeel werk, zo’n € 300,=. Daarna heeft [bedrijf 1] netjes bijgehouden hoeveel uur hij heeft gewerkt, maar hij heeft nooit duidelijkheid erover gekregen wie hem moest betalen. Dat was een grijs gebied. [bedrijf 1] had de beschikking over het telefoonnummer van [geïntimeerde 1] en heeft met hem overlegd over de uitvoering van de werkzaamheden. Na afloop van zijn werkzaamheden in het huis van de familie [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 1] voor zijn bedrijf nog een opdracht aan [bedrijf 1] gegeven. Dat zou hij niet hebben gedaan als hij ontevreden was over de prestaties van [bedrijf 1] , aldus de getuige. 2.22 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij de loodgieterswerkzaamheden van de badkamer en de wc niet heeft aangenomen, maar tegen [bedrijf 1] heeft gezegd dat hij een afspraak met [geïntimeerde 1] moest maken. Het eerste deel van de werkzaamheden van [bedrijf 1] , het verhelpen van een lekkage, was wel onderdeel van de opdracht van Kubus, maar de resterende werkzaamheden waren dat niet. Bewijswaardering 2.23 Over wat er aangaande de loodgieterswerkzaamheden tussen partijen is besproken lopen de verklaringen van [appellant 1] enerzijds en het echtpaar [geïntimeerde 1] anderzijds uiteen. Op basis van de verklaringen van het echtpaar [geïntimeerde 1] en van [bedrijf 1] staat wel vast dat tussen [geïntimeerde 1] en [bedrijf 1] nooit een gesprek heeft plaatsgevonden waarin [geïntimeerde 1] aan [bedrijf 1] de opdracht heeft gegeven tot de door deze verrichte werkzaamheden. [bedrijf 1] wist eigenlijk niet goed wie zijn opdrachtgever was. Nu wel vast staat dat [appellant 1] degene is die [bedrijf 1] heeft aangezocht om werkzaamheden bij de verbouwing te verrichten, moet hij als de opdrachtgever van [bedrijf 1] worden aangemerkt. [geïntimeerde 1] is dus in deze bewijsopdracht geslaagd en de grieven IV en V van Kubus falen. Contante betaling van € 15.000,= (eerste grief VI van Kubus) 2.24 [geïntimeerde 1] is opgedragen te bewijzen dat hij drie keer een contante betaling van € 5.000,= aan Kubus heeft gedaan, namelijk een voorschot voor de aanvang van de werkzaamheden en twee betalingen op 16 en 26 mei 2017. Met betrekking tot dit bewijsthema zijn er de volgende bewijsmiddelen: a. getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [naam 6] , [naam 9] , [geïntimeerde 2] , [naam 5] – [geïntimeerde 2] , [appellant 1] , [naam 7] en [naam 8] ; b. schriftelijk stuk, getiteld “Lening” en gedateerd 10 april 2017, waarin [naam 9] en [geïntimeerde 1] hebben verklaard dat [naam 9] € 10.000,= contant in leen heeft verstrekt aan [geïntimeerde 1] voor de verbouwing van diens woning. c. overzicht van bankopnamen van [geïntimeerde 1] ; d. parkeeroverzicht van de bedrijfsauto van Kubus;. Ad a. en b. 2.25 [geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat met Kubus contante betaling in delen was afgesproken en dat hij één bedrag van € 5.000,= heeft opgenomen van de bank en € 10.000,= heeft geleend van zijn vader. De eerste betaling van € 5.000,= is verricht door [geïntimeerde 2] op 18 april 2017, de startdatum van de verbouwing. [geïntimeerde 1] had het geld voor haar in de diepvries klaargelegd. De tweede en de derde keer heeft [geïntimeerde 1] een bedrag van € 5.000,= aan [appellant 1] overhandigd. Een kennis van [geïntimeerde 1] , [naam 6] is er getuige van geweest dat [geïntimeerde 1] op 14 juli 2017 nog een ontmoeting heeft gehad met [appellant 1] voor het kantoor van [geïntimeerde 1] op [straat 1] . Tijdens deze ontmoeting eiste [appellant 1] betaling van € 7.000,=, waarop [geïntimeerde 1] hem heeft meegedeeld dat hij al € 15.000,= had betaald en dat [appellant 1] eerst de werkzaamheden moest afmaken voor hij meer kreeg. 2.26 [naam 6] heeft als getuige dit laatste bevestigd. De ontmoeting zou hebben plaatsgevonden in de middag na 12.00 uur. 2.27 [naam 9] heeft als getuige verklaard dat hij op 10 april 2017 met zijn zoon [geïntimeerde 1] de in het geding gebrachte schriftelijke overeenkomst van geldlening heeft gesloten. Zijn zoon had het geld nodig voor de bouw. De getuige heeft ervoor gekozen de lening op schrift te stellen omdat hij nog meer kinderen heeft, die anders ook geld willen. 2.28 [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat zij op 18 april (2017) een contant bedrag van € 5.000,= heeft betaald aan [appellant 1] . Zij haalde dit bedrag uit de diepvries, waar [geïntimeerde 1] het voor de veiligheid had ingelegd. Haar moeder was daarbij aanwezig. Dit bedrag en het door [geïntimeerde 1] betaalde tweede bedrag van € 5.000,= was geleend van de vader van [geïntimeerde 1] en het door [geïntimeerde 1] betaalde derde bedrag van € 5.000,= was door [geïntimeerde 1] gepind. 2.29 [naam 5] – [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat zij een keer erbij was toen haar dochter een envelop met geld uit de diepvries in haar woning haalde en aan [appellant 1] heeft gegeven.
Volledig
Bewijswaardering 2.17 Op grond van de hiervoor beschreven bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat partijen voor de verrichte werkzaamheden (samengevat: uitbouw, tuin, badkamer, toilet beneden en scheidingswand boven) een vaste prijs van € 22.000,= hebben afgesproken. Hierbij speelt een rol dat Kubus in dit geding over wat partijen hebben afgesproken steeds wisselende standpunten heeft ingenomen. Dat partijen een vaste prijs hadden afgesproken is steeds ontkend. Laatstelijk is nog gesteld (zie ro. 3.12 van het tussenarrest) dat in regie is gewerkt. Uit de verklaringen van [appellant 1] en mevrouw [appellant 1] zou echter volgen dat wel degelijk een vaste prijs (opgebouwd uit meerdere offertebedragen) is afgesproken (naast meerwerk). Wat het geoffreerde totaalbedrag zou zijn geweest is in de verklaringen van [appellant 1] en mevrouw [appellant 1] echter onduidelijk gebleven. Twee van de door [appellant 1] genoemde offertes zijn pas in hoger beroep voor het eerst overgelegd en de derde is in het geheel niet overgelegd. Dat die offertes daadwerkelijk zijn verstuurd is niet aangetoond. [geïntimeerde 1] heeft daarentegen consequent verklaard over de vaste prijs en de manier waarop die tot stand is gekomen. De hierboven aangestipte inconsequenties doen voor het hof niet wezenlijk af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van het echtpaar [geïntimeerde 1] . Bovendien vinden die verklaringen steun in die van de getuige [naam 5] – [geïntimeerde 2] . De impliciete grief van [geïntimeerde 1] is dus terecht voorgedragen. De rol van loodgieter [bedrijf 1] (grief IV en V van Kubus) 2.18 [geïntimeerde 1] is opgedragen te bewijzen dat de door loodgieter [bedrijf 1] verrichte werkzaamheden onderdeel zijn van de aan Kubus gegeven opdracht, zodat [bedrijf 1] in onderaanneming voor Kubus heeft gewerkt. In dit verband zijn als bewijsmiddelen beschikbaar getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [bedrijf 1] en [appellant 1] . 2.19 [geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat hij [bedrijf 1] niet kent en hem nooit heeft gezien, hem niet heeft betaald en zich tegenover [bedrijf 1] nooit heeft beklaagd over de loodgieterswerkzaamheden. De aan Kubus gegeven opdracht omvatte ook het loodgieterswerk van de badkamer en de wc, [appellant 1] zou dat allemaal zelf doen. Naar aanleiding van de schriftelijke verklaring van [bedrijf 1] heeft [geïntimeerde 1] uitgevonden dat een medewerker van hem wel eens voor de zorginstelling een opdracht aan [bedrijf 1] heeft gegeven. 2.20 [geïntimeerde 2] heeft als getuige eveneens verklaard dat zij [bedrijf 1] niet kent en hem nooit heeft gezien. Tijdens de werkzaamheden van Kubus hebben zij en haar echtgenoot niemand een rechtstreekse opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten, aldus [geïntimeerde 2] . 2.21 [bedrijf 1] heeft als getuige verklaard dat hij door [appellant 1] bij het project is gehaald om hem te helpen bij een klus die hij zelf niet kon. Hij heeft voor die werkzaamheden geen offerte opgesteld. - dat hij met [appellant 1] ongeveer een dagdeel werk, zo’n € 300,- heeft verrekend. Het eerste deel van de werkzaamheden zou worden verrekend met werkzaamheden die [appellant 1] in het verleden voor [bedrijf 1] had gedaan. Dit betrof ongeveer een dagdeel werk, zo’n € 300,=. Daarna heeft [bedrijf 1] netjes bijgehouden hoeveel uur hij heeft gewerkt, maar hij heeft nooit duidelijkheid erover gekregen wie hem moest betalen. Dat was een grijs gebied. [bedrijf 1] had de beschikking over het telefoonnummer van [geïntimeerde 1] en heeft met hem overlegd over de uitvoering van de werkzaamheden. Na afloop van zijn werkzaamheden in het huis van de familie [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 1] voor zijn bedrijf nog een opdracht aan [bedrijf 1] gegeven. Dat zou hij niet hebben gedaan als hij ontevreden was over de prestaties van [bedrijf 1] , aldus de getuige. 2.22 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij de loodgieterswerkzaamheden van de badkamer en de wc niet heeft aangenomen, maar tegen [bedrijf 1] heeft gezegd dat hij een afspraak met [geïntimeerde 1] moest maken. Het eerste deel van de werkzaamheden van [bedrijf 1] , het verhelpen van een lekkage, was wel onderdeel van de opdracht van Kubus, maar de resterende werkzaamheden waren dat niet. Bewijswaardering 2.23 Over wat er aangaande de loodgieterswerkzaamheden tussen partijen is besproken lopen de verklaringen van [appellant 1] enerzijds en het echtpaar [geïntimeerde 1] anderzijds uiteen. Op basis van de verklaringen van het echtpaar [geïntimeerde 1] en van [bedrijf 1] staat wel vast dat tussen [geïntimeerde 1] en [bedrijf 1] nooit een gesprek heeft plaatsgevonden waarin [geïntimeerde 1] aan [bedrijf 1] de opdracht heeft gegeven tot de door deze verrichte werkzaamheden. [bedrijf 1] wist eigenlijk niet goed wie zijn opdrachtgever was. Nu wel vast staat dat [appellant 1] degene is die [bedrijf 1] heeft aangezocht om werkzaamheden bij de verbouwing te verrichten, moet hij als de opdrachtgever van [bedrijf 1] worden aangemerkt. [geïntimeerde 1] is dus in deze bewijsopdracht geslaagd en de grieven IV en V van Kubus falen. Contante betaling van € 15.000,= (eerste grief VI van Kubus) 2.24 [geïntimeerde 1] is opgedragen te bewijzen dat hij drie keer een contante betaling van € 5.000,= aan Kubus heeft gedaan, namelijk een voorschot voor de aanvang van de werkzaamheden en twee betalingen op 16 en 26 mei 2017. Met betrekking tot dit bewijsthema zijn er de volgende bewijsmiddelen: a. getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] , [naam 6] , [naam 9] , [geïntimeerde 2] , [naam 5] – [geïntimeerde 2] , [appellant 1] , [naam 7] en [naam 8] ; b. schriftelijk stuk, getiteld “Lening” en gedateerd 10 april 2017, waarin [naam 9] en [geïntimeerde 1] hebben verklaard dat [naam 9] € 10.000,= contant in leen heeft verstrekt aan [geïntimeerde 1] voor de verbouwing van diens woning. c. overzicht van bankopnamen van [geïntimeerde 1] ; d. parkeeroverzicht van de bedrijfsauto van Kubus;. Ad a. en b. 2.25 [geïntimeerde 1] heeft als getuige verklaard dat met Kubus contante betaling in delen was afgesproken en dat hij één bedrag van € 5.000,= heeft opgenomen van de bank en € 10.000,= heeft geleend van zijn vader. De eerste betaling van € 5.000,= is verricht door [geïntimeerde 2] op 18 april 2017, de startdatum van de verbouwing. [geïntimeerde 1] had het geld voor haar in de diepvries klaargelegd. De tweede en de derde keer heeft [geïntimeerde 1] een bedrag van € 5.000,= aan [appellant 1] overhandigd. Een kennis van [geïntimeerde 1] , [naam 6] is er getuige van geweest dat [geïntimeerde 1] op 14 juli 2017 nog een ontmoeting heeft gehad met [appellant 1] voor het kantoor van [geïntimeerde 1] op [straat 1] . Tijdens deze ontmoeting eiste [appellant 1] betaling van € 7.000,=, waarop [geïntimeerde 1] hem heeft meegedeeld dat hij al € 15.000,= had betaald en dat [appellant 1] eerst de werkzaamheden moest afmaken voor hij meer kreeg. 2.26 [naam 6] heeft als getuige dit laatste bevestigd. De ontmoeting zou hebben plaatsgevonden in de middag na 12.00 uur. 2.27 [naam 9] heeft als getuige verklaard dat hij op 10 april 2017 met zijn zoon [geïntimeerde 1] de in het geding gebrachte schriftelijke overeenkomst van geldlening heeft gesloten. Zijn zoon had het geld nodig voor de bouw. De getuige heeft ervoor gekozen de lening op schrift te stellen omdat hij nog meer kinderen heeft, die anders ook geld willen. 2.28 [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat zij op 18 april (2017) een contant bedrag van € 5.000,= heeft betaald aan [appellant 1] . Zij haalde dit bedrag uit de diepvries, waar [geïntimeerde 1] het voor de veiligheid had ingelegd. Haar moeder was daarbij aanwezig. Dit bedrag en het door [geïntimeerde 1] betaalde tweede bedrag van € 5.000,= was geleend van de vader van [geïntimeerde 1] en het door [geïntimeerde 1] betaalde derde bedrag van € 5.000,= was door [geïntimeerde 1] gepind. 2.29 [naam 5] – [geïntimeerde 2] heeft als getuige verklaard dat zij een keer erbij was toen haar dochter een envelop met geld uit de diepvries in haar woning haalde en aan [appellant 1] heeft gegeven.
Volledig
Het was een bedrag van € 5.000,=, dat [geïntimeerde 2] in haar aanwezigheid heeft gecontroleerd alvorens het te overhandigen. 2.30 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij in de hele periode van drie maanden waarin hij in het huis van [geïntimeerde 1] heeft gewerkt, geen betaling heeft ontvangen, hoewel hij daar wel om heeft gevraagd. [naam 6] heeft hij niet eerder dan in de zittingzaal gezien. Hij kan bewijzen dat hij andere dingen aan het doen was op de dag waarop die ontmoeting zou hebben plaatsgevonden, 14 juli 2017. 2.31 [naam 7] heeft als getuige verklaard dat [appellant 1] op 14 juli 2017 zeker tot de middagpauze aan het werk geweest is op een werk op [straat 2] . Toen ze zaten te schaften (tussen 13.00 uur en 13.30 uur) moest [appellant 1] opeens haastig weg, volgens de getuige naar de moskee. [appellant 1] is later teruggekomen om het werk af te maken. 2.32 [naam 8] heeft als getuige verklaard dat hij met [appellant 1] had afgesproken om op 14 juli 2017 samen naar de moskee te gaan. Ze zagen elkaar rond 13.00 uur bij de moskee. Na het middaggebed zijn ze samen in de auto van [appellant 1] naar Haarlem gereden voor een prijsopgave. Op de terugweg zijn [appellant 1] en hij nog langs [straat 2] gegaan, waar ze drie kwartier zijn gebleven. Daarna zijn ze nog drie kwartier bij een klant van de getuige geweest, waarna [appellant 1] en hij samen naar een restaurant zijn gegaan voor een maaltijd met een groep vrienden. Ad c. 2.33 Uit het door [geïntimeerde 1] overgelegde bankoverzicht blijkt dat [geïntimeerde 1] op 25 mei 2017 in totaal een bedrag van € 5.300,= heeft gepind. Ad d. 2.34 Uit het door Kubus overgelegde parkeeroverzicht blijkt dat de bedrijfsauto van Kubus op 14 juli 2017 tussen 10:27 uur en 13:07 uur geparkeerd heeft gestaan op [straat 2] en ook tussen 16:48 uur en 17:13 uur. Bewijswaardering 2.35 Het hof acht [geïntimeerde 1] geslaagd in het bewijs van de gestelde betalingen. De betalingen blijken uit de verklaringen van [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote, welke verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de vader van [geïntimeerde 1] , de moeder van [geïntimeerde 2] en [naam 6] , alsmede door het overgelegde bankoverzicht. Dat de verklaring van [naam 6] over het gesprek op 14 juli 2017 niet waar kan zijn, omdat [appellant 1] rond het genoemde tijdstip steeds in het gezelschap van anderen was, is het hof niet gebleken. [naam 8] heeft in zijn eerdere schriftelijke verklaring vermeld dat hij [appellant 1] tussen 13.30 en 13.45 uur bij de moskee heeft ontmoet, dus veel later dan hij heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor. Daarvan uitgaande was er voor een (korte) ontmoeting met [geïntimeerde 1] wel degelijk tijd. Bij de bewijswaardering speelt een rol, dat het hof het hoogst onaannemelijk acht dat [appellant 1] drie maanden heeft gewerkt aan de verbouwing zonder één eurocent betaald te krijgen. Het hof acht dit des te onwaarschijnlijker vanwege het feit dat uit de getuigenverklaring van [naam 1] blijkt dat [appellant 1] hem voor zijn werkzaamheden aan het project (contant) ongeveer € 4.000,= heeft betaald. Dit alles betekent dat de eerste grief VI van Kubus doel mist en het hof, met de rechtbank, uitgaat van een betaling door [geïntimeerde 1] van € 15.000,=. Grieven II en III van Kubus 2.36 Uit hetgeen hiervoor onder 2.11 is overwogen volgt dat het hof blijft bij het in het tussenarrest onder 3.17 al voorlopig geformuleerde oordeel dat Kubus op 7 december 2017 in verzuim is geraakt. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of aan de door Kubus uitgevoerde werkzaamheden gebreken kleefden die niet al vóór 7 december 2017 in opdracht van [geïntimeerde 1] door derden waren hersteld. De rechtbank heeft dit onderzocht, uitgaande van de verzuimdatum 19 december 2017, en is zo gekomen tot een schadebedrag van in totaal € 24.184,73. In randnummer 109 van de memorie van antwoord/grieven heeft [geïntimeerde 1] naar voren gebracht dat als zijn tweede grief niet slaagt - wat dus het geval is - hij zich kan vinden in het door de rechtbank toegewezen schadebedrag. Dit standpunt impliceert dat het hof ondanks de gehanteerde verzuimdatum de berekening van de rechtbank kan volgen, voor zover daartegen niet door Kubus met succes bezwaar is gemaakt. Het gaat dan in het bijzonder om de grieven II en III van Kubus. 2.37 Met grief II betoogt Kubus dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel mede heeft gebaseerd op het door BouwCheck in opdracht van [geïntimeerde 1] opgemaakte rapport van 29 september 2017. Kubus voert aan dat zij niet was uitgenodigd voor het onderzoek en ook geen contra-expertise heeft kunnen uitvoeren. Voorafgaand aan de inspectie door BouwCheck op 15 september 2017 had [geïntimeerde 1] door derden in de woning al verscheidene werkzaamheden laten uitvoeren en ook na 15 september 2017 is dat doorgegaan. Rond 12 oktober 2017 heeft Kubus het rapport van BouwCheck ontvangen. Toen waren dus al vele werkzaamheden door derden verricht, aldus Kubus. 2.38 Nadat zij het rapport van BouwCheck had ontvangen, heeft Kubus daar niet inhoudelijk op gereageerd. Evenmin heeft zij de wens kenbaar gemaakt een contra-expertise uit te voeren. Een contra-expertise zou wel degelijk nog mogelijk zijn geweest, ook al waren in de tussentijd al werkzaamheden door derden uitgevoerd. Een contra-expertise zou dat laatste juist aan het licht hebben kunnen brengen. Aangezien Kubus zelf ervoor heeft gekozen na 12 oktober 2017 geen tegenonderzoek te doen, is het feit dat Kubus niet voor de inspectie is uitgenodigd, onvoldoende grond om het rapport van BouwCheck terzijde te leggen. Het rapport is gedetailleerd en voorzien van foto’s, dus het biedt Kubus alle mogelijkheid om daartegen gemotiveerd verweer te voeren, bijvoorbeeld in het geval iets is beoordeeld wat niet door Kubus is aangebracht. Grief II van Kubus heeft daarom geen succes. 2.39 De rechtbank is aan de hand van de standpunten van partijen en de onderbouwingen daarvan per post nagegaan wat de inhoud van de aan Kubus gegeven opdracht is geweest. Vervolgens heeft de rechtbank de omvang van de schade vastgesteld op basis van de individuele schadeposten en de begroting daarvan in het rapport van BouwCheck, die zij onvoldoende concreet door Kubus bestreden achtte, en de facturen van na de verzuimdatum daadwerkelijk verrichte herstelwerkzaamheden. Tegen deze werkwijze en de uitkomsten daarvan is grief III van Kubus gericht. Kubus voert om te beginnen aan dat te laat is geklaagd, dat al haar werkzaamheden - bewijsbaar - van goede kwaliteit waren en dat haar alleen niet de kans is gegeven die werkzaamheden te voltooien. Dit betoog wordt verworpen. Aan Kubus is wel degelijk de kans geboden de werkzaamheden af te maken en doordat zij die niet heeft gegrepen, is zij in verzuim geraakt. Een klacht op 12 oktober 2017 acht het hof onder de gegeven omstandigheden ook niet te laat. Partijen hebben ruzie gekregen, waardoor de werkzaamheden zijn komen stil liggen. Nadat Kubus aanspraak is gaan maken op verdere betaling, heeft [geïntimeerde 1] kennelijk pas besloten haar aan te spreken voor de gebreken. De vraag of de opgedragen werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, zal het hof, met de rechtbank, per toegewezen post beantwoorden voor zover Kubus daarop is ingegaan in de memorie van grieven. Badkamer 2.40 Van een aantal posten onder deze noemer heeft Kubus gesteld dat die niet tot haar opdracht, maar die van [bedrijf 1] behoorden. Dit argument stuit af op hetgeen hiervoor onder 2.23 is overwogen. 2.41 Verder heeft Kubus aangevoerd dat BouwCheck in haar rapport ten onrechte de schuld voor de problemen met de plaats van de radiator bij de aannemer legt. De stalen cv-leidingen zijn op last van [geïntimeerde 1] verlengd. [geïntimeerde 1] heeft verkeerd gemeten of hij heeft de verkeerde radiator besteld, of beide, aldus Kubus. Het hof verwerpt dit verweer als onvoldoende gemotiveerd. BouwCheck heeft vastgesteld dat de plek waar de cv-leidingen uit de muur komen, tot gevolg heeft dat een radiator met standaardmaten niet kan worden geplaatst. Dat Kubus [geïntimeerde 1] voor dit gevaar heeft gewaarschuwd, zoals op haar weg lag, is gesteld noch gebleken. Dit valt haar aan te rekenen.
Volledig
Het was een bedrag van € 5.000,=, dat [geïntimeerde 2] in haar aanwezigheid heeft gecontroleerd alvorens het te overhandigen. 2.30 [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat hij in de hele periode van drie maanden waarin hij in het huis van [geïntimeerde 1] heeft gewerkt, geen betaling heeft ontvangen, hoewel hij daar wel om heeft gevraagd. [naam 6] heeft hij niet eerder dan in de zittingzaal gezien. Hij kan bewijzen dat hij andere dingen aan het doen was op de dag waarop die ontmoeting zou hebben plaatsgevonden, 14 juli 2017. 2.31 [naam 7] heeft als getuige verklaard dat [appellant 1] op 14 juli 2017 zeker tot de middagpauze aan het werk geweest is op een werk op [straat 2] . Toen ze zaten te schaften (tussen 13.00 uur en 13.30 uur) moest [appellant 1] opeens haastig weg, volgens de getuige naar de moskee. [appellant 1] is later teruggekomen om het werk af te maken. 2.32 [naam 8] heeft als getuige verklaard dat hij met [appellant 1] had afgesproken om op 14 juli 2017 samen naar de moskee te gaan. Ze zagen elkaar rond 13.00 uur bij de moskee. Na het middaggebed zijn ze samen in de auto van [appellant 1] naar Haarlem gereden voor een prijsopgave. Op de terugweg zijn [appellant 1] en hij nog langs [straat 2] gegaan, waar ze drie kwartier zijn gebleven. Daarna zijn ze nog drie kwartier bij een klant van de getuige geweest, waarna [appellant 1] en hij samen naar een restaurant zijn gegaan voor een maaltijd met een groep vrienden. Ad c. 2.33 Uit het door [geïntimeerde 1] overgelegde bankoverzicht blijkt dat [geïntimeerde 1] op 25 mei 2017 in totaal een bedrag van € 5.300,= heeft gepind. Ad d. 2.34 Uit het door Kubus overgelegde parkeeroverzicht blijkt dat de bedrijfsauto van Kubus op 14 juli 2017 tussen 10:27 uur en 13:07 uur geparkeerd heeft gestaan op [straat 2] en ook tussen 16:48 uur en 17:13 uur. Bewijswaardering 2.35 Het hof acht [geïntimeerde 1] geslaagd in het bewijs van de gestelde betalingen. De betalingen blijken uit de verklaringen van [geïntimeerde 1] en zijn echtgenote, welke verklaringen worden ondersteund door de verklaringen van de vader van [geïntimeerde 1] , de moeder van [geïntimeerde 2] en [naam 6] , alsmede door het overgelegde bankoverzicht. Dat de verklaring van [naam 6] over het gesprek op 14 juli 2017 niet waar kan zijn, omdat [appellant 1] rond het genoemde tijdstip steeds in het gezelschap van anderen was, is het hof niet gebleken. [naam 8] heeft in zijn eerdere schriftelijke verklaring vermeld dat hij [appellant 1] tussen 13.30 en 13.45 uur bij de moskee heeft ontmoet, dus veel later dan hij heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor. Daarvan uitgaande was er voor een (korte) ontmoeting met [geïntimeerde 1] wel degelijk tijd. Bij de bewijswaardering speelt een rol, dat het hof het hoogst onaannemelijk acht dat [appellant 1] drie maanden heeft gewerkt aan de verbouwing zonder één eurocent betaald te krijgen. Het hof acht dit des te onwaarschijnlijker vanwege het feit dat uit de getuigenverklaring van [naam 1] blijkt dat [appellant 1] hem voor zijn werkzaamheden aan het project (contant) ongeveer € 4.000,= heeft betaald. Dit alles betekent dat de eerste grief VI van Kubus doel mist en het hof, met de rechtbank, uitgaat van een betaling door [geïntimeerde 1] van € 15.000,=. Grieven II en III van Kubus 2.36 Uit hetgeen hiervoor onder 2.11 is overwogen volgt dat het hof blijft bij het in het tussenarrest onder 3.17 al voorlopig geformuleerde oordeel dat Kubus op 7 december 2017 in verzuim is geraakt. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of aan de door Kubus uitgevoerde werkzaamheden gebreken kleefden die niet al vóór 7 december 2017 in opdracht van [geïntimeerde 1] door derden waren hersteld. De rechtbank heeft dit onderzocht, uitgaande van de verzuimdatum 19 december 2017, en is zo gekomen tot een schadebedrag van in totaal € 24.184,73. In randnummer 109 van de memorie van antwoord/grieven heeft [geïntimeerde 1] naar voren gebracht dat als zijn tweede grief niet slaagt - wat dus het geval is - hij zich kan vinden in het door de rechtbank toegewezen schadebedrag. Dit standpunt impliceert dat het hof ondanks de gehanteerde verzuimdatum de berekening van de rechtbank kan volgen, voor zover daartegen niet door Kubus met succes bezwaar is gemaakt. Het gaat dan in het bijzonder om de grieven II en III van Kubus. 2.37 Met grief II betoogt Kubus dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel mede heeft gebaseerd op het door BouwCheck in opdracht van [geïntimeerde 1] opgemaakte rapport van 29 september 2017. Kubus voert aan dat zij niet was uitgenodigd voor het onderzoek en ook geen contra-expertise heeft kunnen uitvoeren. Voorafgaand aan de inspectie door BouwCheck op 15 september 2017 had [geïntimeerde 1] door derden in de woning al verscheidene werkzaamheden laten uitvoeren en ook na 15 september 2017 is dat doorgegaan. Rond 12 oktober 2017 heeft Kubus het rapport van BouwCheck ontvangen. Toen waren dus al vele werkzaamheden door derden verricht, aldus Kubus. 2.38 Nadat zij het rapport van BouwCheck had ontvangen, heeft Kubus daar niet inhoudelijk op gereageerd. Evenmin heeft zij de wens kenbaar gemaakt een contra-expertise uit te voeren. Een contra-expertise zou wel degelijk nog mogelijk zijn geweest, ook al waren in de tussentijd al werkzaamheden door derden uitgevoerd. Een contra-expertise zou dat laatste juist aan het licht hebben kunnen brengen. Aangezien Kubus zelf ervoor heeft gekozen na 12 oktober 2017 geen tegenonderzoek te doen, is het feit dat Kubus niet voor de inspectie is uitgenodigd, onvoldoende grond om het rapport van BouwCheck terzijde te leggen. Het rapport is gedetailleerd en voorzien van foto’s, dus het biedt Kubus alle mogelijkheid om daartegen gemotiveerd verweer te voeren, bijvoorbeeld in het geval iets is beoordeeld wat niet door Kubus is aangebracht. Grief II van Kubus heeft daarom geen succes. 2.39 De rechtbank is aan de hand van de standpunten van partijen en de onderbouwingen daarvan per post nagegaan wat de inhoud van de aan Kubus gegeven opdracht is geweest. Vervolgens heeft de rechtbank de omvang van de schade vastgesteld op basis van de individuele schadeposten en de begroting daarvan in het rapport van BouwCheck, die zij onvoldoende concreet door Kubus bestreden achtte, en de facturen van na de verzuimdatum daadwerkelijk verrichte herstelwerkzaamheden. Tegen deze werkwijze en de uitkomsten daarvan is grief III van Kubus gericht. Kubus voert om te beginnen aan dat te laat is geklaagd, dat al haar werkzaamheden - bewijsbaar - van goede kwaliteit waren en dat haar alleen niet de kans is gegeven die werkzaamheden te voltooien. Dit betoog wordt verworpen. Aan Kubus is wel degelijk de kans geboden de werkzaamheden af te maken en doordat zij die niet heeft gegrepen, is zij in verzuim geraakt. Een klacht op 12 oktober 2017 acht het hof onder de gegeven omstandigheden ook niet te laat. Partijen hebben ruzie gekregen, waardoor de werkzaamheden zijn komen stil liggen. Nadat Kubus aanspraak is gaan maken op verdere betaling, heeft [geïntimeerde 1] kennelijk pas besloten haar aan te spreken voor de gebreken. De vraag of de opgedragen werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, zal het hof, met de rechtbank, per toegewezen post beantwoorden voor zover Kubus daarop is ingegaan in de memorie van grieven. Badkamer 2.40 Van een aantal posten onder deze noemer heeft Kubus gesteld dat die niet tot haar opdracht, maar die van [bedrijf 1] behoorden. Dit argument stuit af op hetgeen hiervoor onder 2.23 is overwogen. 2.41 Verder heeft Kubus aangevoerd dat BouwCheck in haar rapport ten onrechte de schuld voor de problemen met de plaats van de radiator bij de aannemer legt. De stalen cv-leidingen zijn op last van [geïntimeerde 1] verlengd. [geïntimeerde 1] heeft verkeerd gemeten of hij heeft de verkeerde radiator besteld, of beide, aldus Kubus. Het hof verwerpt dit verweer als onvoldoende gemotiveerd. BouwCheck heeft vastgesteld dat de plek waar de cv-leidingen uit de muur komen, tot gevolg heeft dat een radiator met standaardmaten niet kan worden geplaatst. Dat Kubus [geïntimeerde 1] voor dit gevaar heeft gewaarschuwd, zoals op haar weg lag, is gesteld noch gebleken. Dit valt haar aan te rekenen.
Volledig
2.42 Kubus heeft daarnaast aangevoerd dat zij het ophangen van de toiletpotten in de badkamer en de wc beneden goed en vakkundig heeft uitgevoerd en dat het “onzin” is dat de zaak niet stabiel zou zijn en dat BouwCheck er “absurde krachten” op heeft losgelaten. Dit verder ongemotiveerde betoog vormt geen afdoende weerlegging van de gedetailleerde bevindingen van BouwCheck, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat [geïntimeerde 1] heeft gezegd dat de ophanging van de toiletpot er mooi uitzag vormt geen acceptatie van de geconstateerde bouwkundige gebreken. 2.43 BouwCheck heeft tevens geconstateerd dat de toiletpot boven en die beneden op verschillende hoogten zijn opgehangen. Kubus verweert zich hiertegen met het betoog dat de hoogte van de toiletpotten door [geïntimeerde 1] is bepaald. [geïntimeerde 1] ontkent dit. Wat hiervan ook zij, vanwege de andere gebreken moet de ophanging van de toiletpotten toch al worden aangepast. Het hof neemt aan dat dit punt niet tot extra kosten leidt. 2.44 Met betrekking tot de door BouwCheck geconstateerde gebreken aan de elektra in de badkamer heeft Kubus aangevoerd, naar het hof begrijpt, dat alles is uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van [geïntimeerde 1] . Dit vormt echter geen toereikende verklaring voor de geconstateerde gebreken, zijnde een scheef aangebrachte schakelaar (waarbij ook nog een tegel is beschadigd) en een stroomsnoer dat op verboden wijze in de muur is ingebracht. 2.45 BouwCheck heeft vastgesteld dat het wandtegelwerk op een paar plaatsen niet correct is uitgevoerd met wisseling (stootkanten) van het wandtegelwerk. Kubus heeft hiertegen ingebracht dat het tegelwerk er keurig uitziet en [geïntimeerde 1] daartegen ook geen klacht heeft geuit, hoewel het was opgeleverd vóór het onderzoek door BouwCheck. Dit verweer slaagt niet. Het hof is niet gebleken van een echte (deel)oplevering van het tegelwerk. Dat [geïntimeerde 1] wellicht op een eerder moment heeft gezegd dat het tegelwerk er goed uitzag, wil niet zeggen dat hij zich niet meer kan beroepen op gebreken die pas bij een nauwkeuriger controle zijn opgemerkt. Verder acht het hof de geconstateerde gebreken onvoldoende gemotiveerd weersproken. 2.46 Van de betegelde nisjes in de badkamer zijn de hoekjes volgens BouwCheck nergens netjes afgewerkt. Hierop heeft Kubus gereageerd met de stelling dat dit gebrek aan [geïntimeerde 1] te wijten is, omdat deze, ondanks waarschuwing van Kubus, niet wilde wachten op hoekjes van de leverancier, maar verlangde dat Kubus deze zou vervaardigen. Dit betoog kan niet afdoen aan de verplichting van Kubus om het werk dat zij op zich heeft genomen, netjes af te werken. Toilet begane grond 2.47 Met betrekking tot het fonteintje in de wc beneden heeft Kubus, naast het reeds verworpen verweer dat [bedrijf 1] hiervoor verantwoordelijk was, aangevoerd dat BouwCheck kennelijk het werk van [bedrijf 2] en niet dat van Kubus heeft beoordeeld, omdat door [geïntimeerde 1] ter zake daarvan een factuur van [bedrijf 2] van 9 september 2017 is overgelegd. Dit verweer faalt, omdat uit het “Overzicht herstel van werkzaamheden en vervolgschade technische bouwfouten” van [geïntimeerde 1] blijkt dat [bedrijf 2] weliswaar is benaderd om iets te doen aan (onder meer) het fonteintje, maar niets heeft kunnen uitrichten. Begane grond: stuc- en sauswerk, laminaat leggen, plaatsen koof 2.48 Kubus heeft, na haar betwisting in eerste aanleg, in hoger beroep erkend (alinea 36 MvG) dat het stuc- en sauswerk tot haar opdracht behoorde, maar niet is uitgevoerd. Zij heeft zich in dit verband erop beroepen dat zij door [geïntimeerde 1] van het werk is gestuurd, welk verweer hiervoor al is verworpen. 2.49 Met betrekking tot het laminaat, dat voorkomt op de door Kubus verzonden factuur met nummer [nummer] , betwist Kubus dat het tot de opdracht behoorde. In hoger beroep heeft Kubus dit verweer aangevuld met de stelling dat de factuur [nummer] valselijk is opgemaakt op verzoek van [geïntimeerde 1] om diens verzekeraar op te lichten. Kubus heeft in dit verband verwezen naar Whatsappberichten. Het hof acht dat verweer van Kubus in het licht van de betwisting daarvan door [geïntimeerde 1] , onvoldoende gemotiveerd. In de Whatsappberichten waarnaar Kubus verwijst wordt over het laminaat slechts opgemerkt door mevrouw [appellant 1] : “Maar laminaat; gaan wij dat uitvoeren”, waarop [geïntimeerde 1] antwoordt: “De rest blijft.” Hieruit blijkt voor het hof niet dat het laminaat geen deel was van de opdracht, integendeel. Bovendien heeft [geïntimeerde 1] aangetoond dat hij de schade uit mei 2017 heeft laten herstellen door het schadeherstelbedrijf van zijn verzekeraar. 2.50 De plaatsing van de koof behoorde onbetwist tot de opdracht van Kubus. BouwCheck heeft in haar rapport geconstateerd dat de koof niet op de juiste manier was geplaatst en dat dit kon worden hersteld voor een bedrag van € 2.200,=. Blijkens een overgelegde factuur heeft het herstel uiteindelijk € 2.057,= gekost. Kubus heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij heeft gewaarschuwd dat met de door [geïntimeerde 1] gekozen werkwijze de koof scheef zou komen te staan, maar [geïntimeerde 1] vond dat het “best kon”. [geïntimeerde 1] heeft dit betwist. Waarom [geïntimeerde 1] de door Kubus afgeraden werkwijze zou hebben gewenst, blijkt niet uit de stellingen van Kubus. Zoals het er nu voor staat, is het hof van oordeel dat Kubus, als het is gegaan zoals zij stelt, onvoldoende heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht, nu [geïntimeerde 1] kennelijk heeft gedacht dat de door hem gewenste werkwijze best kon, terwijl Kubus beter wist. Dat [geïntimeerde 1] de plaatsing van de koof heeft goedgekeurd blijkt niet uit de Whatsappberichten waarnaar Kubus in dit verband verwijst. Ook in zoverre faalt de grief van Kubus. Tuin en aanbouw 2.51 BouwCheck heeft een koudebrug geconstateerd in de beganegrondvloer. Kubus heeft dit gebrek betwist met het argument dat de in het rapport gebruikte foto’s zijn gemaakt tijdens de uitvoering door Kubus en dat BouwCheck het werk zo niet kan hebben aangetroffen. Dit acht het hof een onvoldoende motivering van de betwisting van het gebrek, aangezien Kubus niet stelt dat zij de werkzaamheden die BouwCheck noodzakelijk acht, daadwerkelijk zelf heeft uitgevoerd. Het betoog dat zij “conform richtlijnen en geldende normen” zou hebben gewerkt, is in dit verband te vaag. 2.52 De dakbedekking van het platte dak heeft volgens BouwCheck te weinig afschot. Verder is smeltlaag van de dakbedekking te heet verwarmd geweest, waardoor de levensduur van de dakbedekking is verminderd. Tegenover deze bevindingen is de enkele mededeling van [naam 1] dat hij de werkzaamheden “volgens voorschriften” en “naar wensen van (…) [geïntimeerde 1] ” heeft uitgevoerd, onvoldoende. Ook de tegenwerping dat het werk nog niet af was treft geen doel. 2.53 Om het metselwerk boven de kunststof schuifpui te dragen is door Kubus een stalen latei gemaakt van hoekstaal. Dit hoekstaal is volgens BouwCheck te licht van uitvoering, waardoor het is doorgebogen en de schuifpui niet meer te openen is. In reactie op deze bevinding stelt Kubus wederom dat zij conform richtlijnen en geldende normen heeft gewerkt en tevens dat de zwaarte van het hoekstaal is gekozen door [geïntimeerde 1] om geld uit te sparen, ondanks de waarschuwing van Kubus. Met dat laatste erkent Kubus feitelijk dat zij te licht hoekstaal heeft toegepast en dus níet volgens de geldende normen heeft gewerkt. In de relatie met de consument [geïntimeerde 1] is Kubus de deskundige, dus zij kan zich niet succesvol verschuilen achter diens – beweerdelijke – wens kosten te besparen. 2.54 BouwCheck heeft geconstateerd dat door Kubus een te zwakke H-balk is gebruikt om de achtergevel op te vangen na de plaatsing van de uitbouw. Het factuurbedrag voor het verzwaren van die balk, ten bedrage van € 4.174,50, is door de rechtbank niet toegewezen, kennelijk omdat dit herstel al voor het verzuim was verricht. De te lichte balk heeft echter ook tot gevolgschade geleid in de vorm van scheuren in de borstwering. Het weer stabiel maken van de borstwering zou € 450,= kosten. Dit bedrag is door de rechtbank wel toegewezen.
Volledig
2.42 Kubus heeft daarnaast aangevoerd dat zij het ophangen van de toiletpotten in de badkamer en de wc beneden goed en vakkundig heeft uitgevoerd en dat het “onzin” is dat de zaak niet stabiel zou zijn en dat BouwCheck er “absurde krachten” op heeft losgelaten. Dit verder ongemotiveerde betoog vormt geen afdoende weerlegging van de gedetailleerde bevindingen van BouwCheck, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat [geïntimeerde 1] heeft gezegd dat de ophanging van de toiletpot er mooi uitzag vormt geen acceptatie van de geconstateerde bouwkundige gebreken. 2.43 BouwCheck heeft tevens geconstateerd dat de toiletpot boven en die beneden op verschillende hoogten zijn opgehangen. Kubus verweert zich hiertegen met het betoog dat de hoogte van de toiletpotten door [geïntimeerde 1] is bepaald. [geïntimeerde 1] ontkent dit. Wat hiervan ook zij, vanwege de andere gebreken moet de ophanging van de toiletpotten toch al worden aangepast. Het hof neemt aan dat dit punt niet tot extra kosten leidt. 2.44 Met betrekking tot de door BouwCheck geconstateerde gebreken aan de elektra in de badkamer heeft Kubus aangevoerd, naar het hof begrijpt, dat alles is uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van [geïntimeerde 1] . Dit vormt echter geen toereikende verklaring voor de geconstateerde gebreken, zijnde een scheef aangebrachte schakelaar (waarbij ook nog een tegel is beschadigd) en een stroomsnoer dat op verboden wijze in de muur is ingebracht. 2.45 BouwCheck heeft vastgesteld dat het wandtegelwerk op een paar plaatsen niet correct is uitgevoerd met wisseling (stootkanten) van het wandtegelwerk. Kubus heeft hiertegen ingebracht dat het tegelwerk er keurig uitziet en [geïntimeerde 1] daartegen ook geen klacht heeft geuit, hoewel het was opgeleverd vóór het onderzoek door BouwCheck. Dit verweer slaagt niet. Het hof is niet gebleken van een echte (deel)oplevering van het tegelwerk. Dat [geïntimeerde 1] wellicht op een eerder moment heeft gezegd dat het tegelwerk er goed uitzag, wil niet zeggen dat hij zich niet meer kan beroepen op gebreken die pas bij een nauwkeuriger controle zijn opgemerkt. Verder acht het hof de geconstateerde gebreken onvoldoende gemotiveerd weersproken. 2.46 Van de betegelde nisjes in de badkamer zijn de hoekjes volgens BouwCheck nergens netjes afgewerkt. Hierop heeft Kubus gereageerd met de stelling dat dit gebrek aan [geïntimeerde 1] te wijten is, omdat deze, ondanks waarschuwing van Kubus, niet wilde wachten op hoekjes van de leverancier, maar verlangde dat Kubus deze zou vervaardigen. Dit betoog kan niet afdoen aan de verplichting van Kubus om het werk dat zij op zich heeft genomen, netjes af te werken. Toilet begane grond 2.47 Met betrekking tot het fonteintje in de wc beneden heeft Kubus, naast het reeds verworpen verweer dat [bedrijf 1] hiervoor verantwoordelijk was, aangevoerd dat BouwCheck kennelijk het werk van [bedrijf 2] en niet dat van Kubus heeft beoordeeld, omdat door [geïntimeerde 1] ter zake daarvan een factuur van [bedrijf 2] van 9 september 2017 is overgelegd. Dit verweer faalt, omdat uit het “Overzicht herstel van werkzaamheden en vervolgschade technische bouwfouten” van [geïntimeerde 1] blijkt dat [bedrijf 2] weliswaar is benaderd om iets te doen aan (onder meer) het fonteintje, maar niets heeft kunnen uitrichten. Begane grond: stuc- en sauswerk, laminaat leggen, plaatsen koof 2.48 Kubus heeft, na haar betwisting in eerste aanleg, in hoger beroep erkend (alinea 36 MvG) dat het stuc- en sauswerk tot haar opdracht behoorde, maar niet is uitgevoerd. Zij heeft zich in dit verband erop beroepen dat zij door [geïntimeerde 1] van het werk is gestuurd, welk verweer hiervoor al is verworpen. 2.49 Met betrekking tot het laminaat, dat voorkomt op de door Kubus verzonden factuur met nummer [nummer] , betwist Kubus dat het tot de opdracht behoorde. In hoger beroep heeft Kubus dit verweer aangevuld met de stelling dat de factuur [nummer] valselijk is opgemaakt op verzoek van [geïntimeerde 1] om diens verzekeraar op te lichten. Kubus heeft in dit verband verwezen naar Whatsappberichten. Het hof acht dat verweer van Kubus in het licht van de betwisting daarvan door [geïntimeerde 1] , onvoldoende gemotiveerd. In de Whatsappberichten waarnaar Kubus verwijst wordt over het laminaat slechts opgemerkt door mevrouw [appellant 1] : “Maar laminaat; gaan wij dat uitvoeren”, waarop [geïntimeerde 1] antwoordt: “De rest blijft.” Hieruit blijkt voor het hof niet dat het laminaat geen deel was van de opdracht, integendeel. Bovendien heeft [geïntimeerde 1] aangetoond dat hij de schade uit mei 2017 heeft laten herstellen door het schadeherstelbedrijf van zijn verzekeraar. 2.50 De plaatsing van de koof behoorde onbetwist tot de opdracht van Kubus. BouwCheck heeft in haar rapport geconstateerd dat de koof niet op de juiste manier was geplaatst en dat dit kon worden hersteld voor een bedrag van € 2.200,=. Blijkens een overgelegde factuur heeft het herstel uiteindelijk € 2.057,= gekost. Kubus heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij heeft gewaarschuwd dat met de door [geïntimeerde 1] gekozen werkwijze de koof scheef zou komen te staan, maar [geïntimeerde 1] vond dat het “best kon”. [geïntimeerde 1] heeft dit betwist. Waarom [geïntimeerde 1] de door Kubus afgeraden werkwijze zou hebben gewenst, blijkt niet uit de stellingen van Kubus. Zoals het er nu voor staat, is het hof van oordeel dat Kubus, als het is gegaan zoals zij stelt, onvoldoende heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht, nu [geïntimeerde 1] kennelijk heeft gedacht dat de door hem gewenste werkwijze best kon, terwijl Kubus beter wist. Dat [geïntimeerde 1] de plaatsing van de koof heeft goedgekeurd blijkt niet uit de Whatsappberichten waarnaar Kubus in dit verband verwijst. Ook in zoverre faalt de grief van Kubus. Tuin en aanbouw 2.51 BouwCheck heeft een koudebrug geconstateerd in de beganegrondvloer. Kubus heeft dit gebrek betwist met het argument dat de in het rapport gebruikte foto’s zijn gemaakt tijdens de uitvoering door Kubus en dat BouwCheck het werk zo niet kan hebben aangetroffen. Dit acht het hof een onvoldoende motivering van de betwisting van het gebrek, aangezien Kubus niet stelt dat zij de werkzaamheden die BouwCheck noodzakelijk acht, daadwerkelijk zelf heeft uitgevoerd. Het betoog dat zij “conform richtlijnen en geldende normen” zou hebben gewerkt, is in dit verband te vaag. 2.52 De dakbedekking van het platte dak heeft volgens BouwCheck te weinig afschot. Verder is smeltlaag van de dakbedekking te heet verwarmd geweest, waardoor de levensduur van de dakbedekking is verminderd. Tegenover deze bevindingen is de enkele mededeling van [naam 1] dat hij de werkzaamheden “volgens voorschriften” en “naar wensen van (…) [geïntimeerde 1] ” heeft uitgevoerd, onvoldoende. Ook de tegenwerping dat het werk nog niet af was treft geen doel. 2.53 Om het metselwerk boven de kunststof schuifpui te dragen is door Kubus een stalen latei gemaakt van hoekstaal. Dit hoekstaal is volgens BouwCheck te licht van uitvoering, waardoor het is doorgebogen en de schuifpui niet meer te openen is. In reactie op deze bevinding stelt Kubus wederom dat zij conform richtlijnen en geldende normen heeft gewerkt en tevens dat de zwaarte van het hoekstaal is gekozen door [geïntimeerde 1] om geld uit te sparen, ondanks de waarschuwing van Kubus. Met dat laatste erkent Kubus feitelijk dat zij te licht hoekstaal heeft toegepast en dus níet volgens de geldende normen heeft gewerkt. In de relatie met de consument [geïntimeerde 1] is Kubus de deskundige, dus zij kan zich niet succesvol verschuilen achter diens – beweerdelijke – wens kosten te besparen. 2.54 BouwCheck heeft geconstateerd dat door Kubus een te zwakke H-balk is gebruikt om de achtergevel op te vangen na de plaatsing van de uitbouw. Het factuurbedrag voor het verzwaren van die balk, ten bedrage van € 4.174,50, is door de rechtbank niet toegewezen, kennelijk omdat dit herstel al voor het verzuim was verricht. De te lichte balk heeft echter ook tot gevolgschade geleid in de vorm van scheuren in de borstwering. Het weer stabiel maken van de borstwering zou € 450,= kosten. Dit bedrag is door de rechtbank wel toegewezen.
Volledig
Het hiertegen opgeworpen verweer van Kubus dat [geïntimeerde 1] de te lichte H-balk ondanks haar waarschuwing heeft uitgekozen is betwist en faalt om de hierboven onder 2.53 genoemde reden. Het argument dat scheurtjes na de plaatsing van een uitbouw een normaal verschijnsel zouden zijn, slaagt niet, omdat uit het rapport voldoende blijkt dat de scheuren in kwestie zijn veroorzaakt door verzakking als gevolg van een, naar Kubus impliciet heeft erkend, te lichte H-balk. 2.55 De hemelwaterafvoeren aan de achterzijde van de woning moesten volgens BouwCheck worden vastgemaakt en gecompleteerd, kosten € 700,=. Kubus heeft onder verwijzing naar een verklaring van [naam 1] hiertegen ingebracht dat [geïntimeerde 1] tegen haar heeft gezegd dat hij de kwestie van de hemelwaterafvoer van de buurman, die door het aanbrengen van aanbouw niet kon blijven zitten, al in goed overleg met de buurman had geregeld, zodat er voor haar hierin geen taak meer was weggelegd. [geïntimeerde 1] heeft dit betwist. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt slechts dat [geïntimeerde 1] en de buurman overeenstemming hebben bereikt over wat er moest gebeuren om de hemelwaterafvoer na het plaatsen van de uitbouw weer in orde te maken, dus over de nieuwe loop daarvan. Daaruit blijkt niet dat die werkzaamheden niet (meer) tot de opdracht van Kubus zouden horen. Het hof gaat daarom aan dit verweer, als onvoldoende gemotiveerd, voorbij. 2.56 De rechtbank heeft € 350,= toegewezen voor het aanbrengen van een doorvoer in de dakbedekking ten behoeve van de schotelantenne. Volgens BouwCheck was de wijze waarop Kubus een doorvoer ten behoeve van de schotelantenne had gemaakt, niet correct vanwege een groot risico op lekkage. Ook ten aanzien van dit gebrek heeft Kubus gesteld dat het is voorgeschreven door [geïntimeerde 1] . Het verweer is uiterst onwaarschijnlijk en faalt bovendien om de onder 2.53 genoemde reden. Kosten expertiseonderzoek 2.57 De rechtbank heeft de kosten van het onderzoek door BouwCheck ten bedrage van € 850,= toewijsbaar geoordeeld op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Gelet op het gebruik dat het hof, net als de rechtbank, van het rapport van BouwCheck heeft kunnen maken, is die toewijzing terecht. Grief III van Kubus mist dus ook in zoverre doel. Tweede grief VI van Kubus 2.58 Met haar tweede grief VI betoogt Kubus dat de rechtbank ten onrechte haar facturen van 5 juli 2017 en de tijdens de procedure nog uitgebrachte slotfactuur heeft afgewezen en tevens ten onrechte heeft overwogen dat de betaalde € 15.000,= een redelijke prijs is voor de door haar verrichte werkzaamheden. Met betrekking tot deze grief overweegt het hof het volgende. 2.59 Hiervoor in rechtsoverweging 2.17 is het hof tot het oordeel gekomen dat partijen voor de verrichte werkzaamheden (samengevat: de uitbouw, de tuin, de badkamer, het toilet beneden en de scheidingswand boven) een vaste aanneemsom van € 22.000,= zijn overeengekomen. Dat zo zijnde ligt het op de weg van Kubus om gemotiveerd te stellen welke concrete werkzaamheden als meerwerk bovenop het aangenomen werk hebben te gelden en dat en op welke wijze aan [geïntimeerde 1] is duidelijk gemaakt dat voor die werkzaamheden extra zou moeten worden betaald. Dat alles is niet gebeurd, zodat het hof niet van verschuldigdheid van kosten voor het meerwerk kan uitgaan. De facturen van Kubus zijn terecht door de rechtbank afgewezen. 2.60 Nadat Kubus in verzuim was geraakt heeft [geïntimeerde 1] niet langer aanspraak gemaakt op nakoming, maar in plaats daarvan vervangende schadevergoeding gevorderd. Die schadevergoeding is door de rechtbank toegewezen voor de gebreken die [geïntimeerde 1] niet reeds voor het verzuim had laten herstellen. Kennelijk in verband met deze peildatum zijn bepaalde posten niet toegewezen, zoals punt 6 uit het rapport van BouwCheck, de verzwaring van de H-balk (begroot op € 5.500,=), punt 4, de te hoge bestrating van de tuin, waardoor bij regen het water vanuit de tuin onder de schuifpui het huis binnenloopt (begroot op € 1.900,=) en punt 16, het kitwerk in de badkamer (begroot op € 550,=). Deze bedragen bij elkaar leveren een hoger bedrag op dan het bedrag van € 7.500,= dat van de aanneemsom nog onbetaald is gebleven. Door toewijzing van het bedrag van € 24.184,73 aan vervangende schadevergoeding is [geïntimeerde 1] dus niet in een betere positie gekomen dan hij zou zijn geweest bij volledige en vlekkeloze nakoming van de aanneemovereenkomst door Kubus. Ook deze grief is dus tevergeefs voorgedragen. Overige grieven van Kubus 2.61 Grief VIII van Kubus is gericht tegen de veroordeling van Kubus in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is die kostenveroordeling echter terecht. 2.62 Grief IX van Kubus is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven van Kubus. Slotsom en kosten 2.63 De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Het vonnis wordt bekrachtigd. Dit betekent dat Kubus in het principale hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd en de kosten moet dragen van het hoger beroep. Dit is inclusief de kosten van de getuigenverhoren en de taxen, omdat die verhoren in overwegende mate op het principale hoger beroep betrekking hadden. [geïntimeerde 1] is in incidenteel hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij en moet daarvan de kosten dragen. 3 Beslissing Het hof: bekrachtigt vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2019, onder zaak-/rolnummer C/13/650195/HAZA 18-644 gewezen tussen Kubus als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie; veroordeelt Kubus hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op € 1.813,20 aan verschotten (inclusief taxen) en € 12.171,50 voor salaris; veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot heden aan de zijde van Kubus begroot op € 2.766,25 voor salaris en € 189,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen 21 dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, M.A. Wabeke en M.E. van Neck en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Volledig
Het hiertegen opgeworpen verweer van Kubus dat [geïntimeerde 1] de te lichte H-balk ondanks haar waarschuwing heeft uitgekozen is betwist en faalt om de hierboven onder 2.53 genoemde reden. Het argument dat scheurtjes na de plaatsing van een uitbouw een normaal verschijnsel zouden zijn, slaagt niet, omdat uit het rapport voldoende blijkt dat de scheuren in kwestie zijn veroorzaakt door verzakking als gevolg van een, naar Kubus impliciet heeft erkend, te lichte H-balk. 2.55 De hemelwaterafvoeren aan de achterzijde van de woning moesten volgens BouwCheck worden vastgemaakt en gecompleteerd, kosten € 700,=. Kubus heeft onder verwijzing naar een verklaring van [naam 1] hiertegen ingebracht dat [geïntimeerde 1] tegen haar heeft gezegd dat hij de kwestie van de hemelwaterafvoer van de buurman, die door het aanbrengen van aanbouw niet kon blijven zitten, al in goed overleg met de buurman had geregeld, zodat er voor haar hierin geen taak meer was weggelegd. [geïntimeerde 1] heeft dit betwist. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt slechts dat [geïntimeerde 1] en de buurman overeenstemming hebben bereikt over wat er moest gebeuren om de hemelwaterafvoer na het plaatsen van de uitbouw weer in orde te maken, dus over de nieuwe loop daarvan. Daaruit blijkt niet dat die werkzaamheden niet (meer) tot de opdracht van Kubus zouden horen. Het hof gaat daarom aan dit verweer, als onvoldoende gemotiveerd, voorbij. 2.56 De rechtbank heeft € 350,= toegewezen voor het aanbrengen van een doorvoer in de dakbedekking ten behoeve van de schotelantenne. Volgens BouwCheck was de wijze waarop Kubus een doorvoer ten behoeve van de schotelantenne had gemaakt, niet correct vanwege een groot risico op lekkage. Ook ten aanzien van dit gebrek heeft Kubus gesteld dat het is voorgeschreven door [geïntimeerde 1] . Het verweer is uiterst onwaarschijnlijk en faalt bovendien om de onder 2.53 genoemde reden. Kosten expertiseonderzoek 2.57 De rechtbank heeft de kosten van het onderzoek door BouwCheck ten bedrage van € 850,= toewijsbaar geoordeeld op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Gelet op het gebruik dat het hof, net als de rechtbank, van het rapport van BouwCheck heeft kunnen maken, is die toewijzing terecht. Grief III van Kubus mist dus ook in zoverre doel. Tweede grief VI van Kubus 2.58 Met haar tweede grief VI betoogt Kubus dat de rechtbank ten onrechte haar facturen van 5 juli 2017 en de tijdens de procedure nog uitgebrachte slotfactuur heeft afgewezen en tevens ten onrechte heeft overwogen dat de betaalde € 15.000,= een redelijke prijs is voor de door haar verrichte werkzaamheden. Met betrekking tot deze grief overweegt het hof het volgende. 2.59 Hiervoor in rechtsoverweging 2.17 is het hof tot het oordeel gekomen dat partijen voor de verrichte werkzaamheden (samengevat: de uitbouw, de tuin, de badkamer, het toilet beneden en de scheidingswand boven) een vaste aanneemsom van € 22.000,= zijn overeengekomen. Dat zo zijnde ligt het op de weg van Kubus om gemotiveerd te stellen welke concrete werkzaamheden als meerwerk bovenop het aangenomen werk hebben te gelden en dat en op welke wijze aan [geïntimeerde 1] is duidelijk gemaakt dat voor die werkzaamheden extra zou moeten worden betaald. Dat alles is niet gebeurd, zodat het hof niet van verschuldigdheid van kosten voor het meerwerk kan uitgaan. De facturen van Kubus zijn terecht door de rechtbank afgewezen. 2.60 Nadat Kubus in verzuim was geraakt heeft [geïntimeerde 1] niet langer aanspraak gemaakt op nakoming, maar in plaats daarvan vervangende schadevergoeding gevorderd. Die schadevergoeding is door de rechtbank toegewezen voor de gebreken die [geïntimeerde 1] niet reeds voor het verzuim had laten herstellen. Kennelijk in verband met deze peildatum zijn bepaalde posten niet toegewezen, zoals punt 6 uit het rapport van BouwCheck, de verzwaring van de H-balk (begroot op € 5.500,=), punt 4, de te hoge bestrating van de tuin, waardoor bij regen het water vanuit de tuin onder de schuifpui het huis binnenloopt (begroot op € 1.900,=) en punt 16, het kitwerk in de badkamer (begroot op € 550,=). Deze bedragen bij elkaar leveren een hoger bedrag op dan het bedrag van € 7.500,= dat van de aanneemsom nog onbetaald is gebleven. Door toewijzing van het bedrag van € 24.184,73 aan vervangende schadevergoeding is [geïntimeerde 1] dus niet in een betere positie gekomen dan hij zou zijn geweest bij volledige en vlekkeloze nakoming van de aanneemovereenkomst door Kubus. Ook deze grief is dus tevergeefs voorgedragen. Overige grieven van Kubus 2.61 Grief VIII van Kubus is gericht tegen de veroordeling van Kubus in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is die kostenveroordeling echter terecht. 2.62 Grief IX van Kubus is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven van Kubus. Slotsom en kosten 2.63 De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Het vonnis wordt bekrachtigd. Dit betekent dat Kubus in het principale hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd en de kosten moet dragen van het hoger beroep. Dit is inclusief de kosten van de getuigenverhoren en de taxen, omdat die verhoren in overwegende mate op het principale hoger beroep betrekking hadden. [geïntimeerde 1] is in incidenteel hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij en moet daarvan de kosten dragen. 3 Beslissing Het hof: bekrachtigt vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2019, onder zaak-/rolnummer C/13/650195/HAZA 18-644 gewezen tussen Kubus als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie; veroordeelt Kubus hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op € 1.813,20 aan verschotten (inclusief taxen) en € 12.171,50 voor salaris; veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot heden aan de zijde van Kubus begroot op € 2.766,25 voor salaris en € 189,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen 21 dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, M.A. Wabeke en M.E. van Neck en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.