Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-28
ECLI:NL:GHAMS:2026:1125
Strafrecht
Hoger beroep
3,341 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 text/xml public 2026-05-06T11:52:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 23-000952-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 text/html public 2026-05-06T11:51:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 23-000952-24 Vrijspraak van poging tot zware mishandeling en mishandeling afdeling strafrecht parketnummer: 23-000952-24 datum uitspraak: 28 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-243318-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2 De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van feit 2. Haar hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat: 1. primair zij op of omstreeks 23 september 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar gezicht/hoofd/lichaam geeft gestompt/geslagen, en/of voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar buik, althans haar lichaam, heeft geschopt/getrapt, en/of (met kracht) haar knie in/op/tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd (terwijl voornoemde [slachtoffer] op dit moment zwanger was) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiair zij op of omstreeks 23 september 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar gezicht/hoofd/lichaam te slaan/stompen, en/of voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar buik, althans haar lichaam, te schoppen/trappen, en/of (met kracht) haar knie in/op/tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] te duwen (terwijl voornoemde [slachtoffer] op dit moment zwanger was). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak Het hof is van oordeel dat de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware) mishandeling van de aangeefster niet wettig én overtuigend kan worden bewezen. De verklaringen die de aangeefster enerzijds en de verdachte anderzijds hebben afgelegd over het incident dat zich op 23 september 2022 te Amsterdam op de openbare weg heeft afgespeeld lopen zeer uiteen. In het scenario van de aangeefster is de verdachte de agressor, terwijl de verdachte een scenario schetst waarin zij (en haar auto) werd(en) belaagd door de aangeefster en zij slechts reageerde. Het hof gaat er in ieder geval vanuit dat er een worsteling is geweest. Op het door de verdachte gemaakte korte filmfragment is het begin van, althans de aanloop naar het incident te zien. Duidelijk is dat de beelden iets wezenlijk anders laten zien dan wat de aangeefster hierover heeft verklaard. Een ander objectief bewijsmiddel, te weten het in het dossier beschreven en gefotografeerde letsel van de aangeefster, kan passen in zowel het door de aangeefster als het door de verdachte aangevoerde scenario, terwijl het scenario van de aangeefster voor het overige niet in doorslaggevende mate door ander bewijs wordt ondersteund. In dat verband heeft de verklaring van getuige Schiltmeijer onvoldoende bewijskracht, nu zij slechts een deel, het laatste deel, van het incident heeft gezien en het incident als getuige bij de politie feitelijk met name heeft omschreven als het over en weer schoppen en slaan. De getuige verklaart daarnaast “Omdat de zwangere vrouw in de auto bleef ging de rasta vrouw met haar rechterknie op de buik van de zwangere vrouw zitten”. Van die vorm van geweld valt op dat de aangeefster daarover niet spreekt en dat dit ook overigens onvoldoende steun vindt in het dossier. Bij de raadsheer-commissaris is zij nader als getuige bevraagd, maar heeft zij - in verband met haar persoonlijke omstandigheden - aangegeven geen antwoord te willen geven op vragen over wat voor geweld zij gezien heeft. Voorts viel het hof in hoger beroep op dat de verdachte bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat ook zij aangifte heeft willen doen van wat haar nu juist was overkomen, maar dat dat zou zijn geweigerd of afgeraden, omdat zij al als verdachte was aangemerkt. Gelet op al het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de verdachte (wederrechtelijk) heeft gehandeld zoals door de aangeefster is verklaard en aan de verdachte is tenlastegelegd, wat betekent dat de verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. R. van der Heijden en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2026. De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 text/xml public 2026-05-06T11:52:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 23-000952-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 text/html public 2026-05-06T11:51:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1125 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 23-000952-24 Vrijspraak van poging tot zware mishandeling en mishandeling afdeling strafrecht parketnummer: 23-000952-24 datum uitspraak: 28 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-243318-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2 De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van feit 2. Haar hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat: 1. primair zij op of omstreeks 23 september 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar gezicht/hoofd/lichaam geeft gestompt/geslagen, en/of voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar buik, althans haar lichaam, heeft geschopt/getrapt, en/of (met kracht) haar knie in/op/tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd (terwijl voornoemde [slachtoffer] op dit moment zwanger was) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiair zij op of omstreeks 23 september 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar gezicht/hoofd/lichaam te slaan/stompen, en/of voornoemde [slachtoffer] (meermalen) in/op/tegen haar buik, althans haar lichaam, te schoppen/trappen, en/of (met kracht) haar knie in/op/tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] te duwen (terwijl voornoemde [slachtoffer] op dit moment zwanger was). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak Het hof is van oordeel dat de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware) mishandeling van de aangeefster niet wettig én overtuigend kan worden bewezen. De verklaringen die de aangeefster enerzijds en de verdachte anderzijds hebben afgelegd over het incident dat zich op 23 september 2022 te Amsterdam op de openbare weg heeft afgespeeld lopen zeer uiteen. In het scenario van de aangeefster is de verdachte de agressor, terwijl de verdachte een scenario schetst waarin zij (en haar auto) werd(en) belaagd door de aangeefster en zij slechts reageerde. Het hof gaat er in ieder geval vanuit dat er een worsteling is geweest. Op het door de verdachte gemaakte korte filmfragment is het begin van, althans de aanloop naar het incident te zien. Duidelijk is dat de beelden iets wezenlijk anders laten zien dan wat de aangeefster hierover heeft verklaard. Een ander objectief bewijsmiddel, te weten het in het dossier beschreven en gefotografeerde letsel van de aangeefster, kan passen in zowel het door de aangeefster als het door de verdachte aangevoerde scenario, terwijl het scenario van de aangeefster voor het overige niet in doorslaggevende mate door ander bewijs wordt ondersteund. In dat verband heeft de verklaring van getuige Schiltmeijer onvoldoende bewijskracht, nu zij slechts een deel, het laatste deel, van het incident heeft gezien en het incident als getuige bij de politie feitelijk met name heeft omschreven als het over en weer schoppen en slaan. De getuige verklaart daarnaast “Omdat de zwangere vrouw in de auto bleef ging de rasta vrouw met haar rechterknie op de buik van de zwangere vrouw zitten”. Van die vorm van geweld valt op dat de aangeefster daarover niet spreekt en dat dit ook overigens onvoldoende steun vindt in het dossier. Bij de raadsheer-commissaris is zij nader als getuige bevraagd, maar heeft zij - in verband met haar persoonlijke omstandigheden - aangegeven geen antwoord te willen geven op vragen over wat voor geweld zij gezien heeft. Voorts viel het hof in hoger beroep op dat de verdachte bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat ook zij aangifte heeft willen doen van wat haar nu juist was overkomen, maar dat dat zou zijn geweigerd of afgeraden, omdat zij al als verdachte was aangemerkt. Gelet op al het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de verdachte (wederrechtelijk) heeft gehandeld zoals door de aangeefster is verklaard en aan de verdachte is tenlastegelegd, wat betekent dat de verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. R. van der Heijden en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2026. De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.