Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1115
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
12,144 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 text/xml public 2026-05-04T09:36:49 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.359.401/01+02 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 text/html public 2026-05-04T09:36:36 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.359.401/01+02 Partneralimentatie. Behoeftigheid vrouw. Grieven slagen deels omdat de vrouw met ingang van 5 augustus 2025 weer aan het werk is. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummers: 200.359.401/01+02 zaaknummer rechtbank: C/15/362994 / FA RK 25-1285 beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in hoger beroep, verzoeker in het incident, verder te noemen: de man, advocaat: mr. S. Bayraktar te Haarlem, en [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verweerster in hoger beroep, verweerster in het incident, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. De man is van mening dat hij de vrouw geen partneralimentatie hoeft te betalen, dan wel maximaal voor een termijn van één jaar en met een hoogte die het hof juist acht, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de vrouw en de werkelijke lasten van de man. De vrouw is het eens met de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De man is op 18 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank). Dit is de procedure met zaaknummer: 200.359.401/01. De man heeft ook een verzoek ingediend om de werking van de bestreden beschikking te schorsen (200.359.401/02). 2.2 De vrouw heeft op 22 oktober 2025 een verweerschrift ingediend 2.3 Het hof heeft daarnaast op 30 januari 2026 een bericht van de zijde van de man ontvangen met bijlage. 2.4 De zitting heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat en - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw M.V. Babkina, tolk in de Engelse taal. 2.5 Op 13 en 23 februari 2026 zijn, naar aanleiding van het verzoek van het hof tijdens de zitting, nog financiële stukken van partijen ontvangen. 3 De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Deze zijn, aangevuld door het hof, de volgende. 3.2 Partijen hebben beiden de Pakistaanse nationaliteit. Zij verblijven sinds 2023 in Nederland. 3.3 Vast staat dat partijen op [datum] 2021 te Pakistan met elkaar zijn gehuwd en op 29 juni 2024 te Pakistan zijn gescheiden, welke echtscheiding aldaar dezelfde dag is ingeschreven. De man heeft vervolgens op 7 augustus 2024 de echtscheiding in Nederland laten registreren. 3.4 De vrouw is medio 2024 na terugkomst uit Pakistan uit de echtelijke woning vertrokken naar een opvanglocatie van de Blijf-groep. Op 20 mei 2025 heeft zij eigen woonruimte betrokken. 3.5 Vanaf 11 september 2023 was de vrouw werkzaam bij [X] B.V. op basis van een oproepovereenkomst zonder een vast aantal uren per week. De vrouw heeft op 7 juni 2024 haar werkzaamheden als tandarts- en preventieassistente bij [X] B.V. gestaakt. Vanaf 29 juni 2024 ontving de vrouw een uitkering krachtens de Participatiewet. Op 5 augustus 2025 heeft de vrouw haar werkzaamheden bij [X] B.V. hervat. Daarnaast heeft zij met ingang van 1 oktober 2025 een dienstverband bij [XX] B.V. (9 uren per week). 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 In de bestreden beschikking is bepaald dat de man: - met ingang van 14 november 2024 een bedrag van € 1.481,- bruto per maand, - met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 1.577,- bruto per maand, en - met ingang van 1 oktober 2025 een bedrag van € 145,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud, hierna te noemen partneralimentatie, toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling per maand te voldoen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. 4.2 In de zaak met zaaknummer 200.359.401/01 verzoekt de man primair de bestreden beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, het inleidende verzoek van de vrouw af te wijzen, en subsidiair, voor zover het hof overgaat tot het opleggen van partneralimentatie aan de man, te bepalen dat: a. de man slechts gehouden is tot betaling van partneralimentatie voor een termijn van maximaal één jaar; b. de hoogte van de partneralimentatie per 14 november 2024 wordt vastgesteld op een bedrag dat het hof juist acht, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de vrouw en de werkelijke lasten van de man. De vrouw voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man en tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. 4.3 De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek in de zaak met zaaknummer 200.358.042/02 ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man komt met 5 grieven op tegen de bestreden beschikking. Grief 1 en 5 zien op de duur en omvang van de alimentatieverplichting, grief 2 en 3 zien op de verdiencapaciteit en de behoeftigheid van de vrouw en grief 4 ziet op de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw. De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn grief tegen de hoogte van de behoefte van de vrouw ingetrokken, omdat hierover tijdens de zitting bij de rechtbank al overeenstemming was bereikt, zodat grief 4 uitsluitend nog ziet op de draagkracht van de man. De man heeft tot slot aangevoerd dat sprake is van grievend gedrag door de vrouw dat zou moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud. Voor alle grieven en verzoeken geldt dat de vrouw steeds gemotiveerd verweer heeft gevoerd, dat voor zover van belang aan de orde zal komen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.2 Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzochte partneralimentatie. Tegen het oordeel van de rechtbank dat op het verzoek van de vrouw Nederlands recht van toepassing is, is geen grief gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Grief 1 en 5 duur van huwelijk van invloed op duur van de onderhoudsplicht? 5.3 De man voert aan dat het huwelijk tussen hem en de vrouw dermate kort heeft geduurd dat bij de bepaling van de duur van zijn onderhoudsplicht daarmee rekening moet worden gehouden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die dit anders maken. De man vindt dat het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage vanwege het korte huwelijk behoort te worden afgewezen, dan wel dat de duur van zijn onderhoudsverplichting wordt beperkt tot maximaal één jaar. 5.4 Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen van [datum] 2021 tot 29 juni 2024 met elkaar gehuwd zijn geweest. Het huwelijk heeft daarmee 3 jaar en 39 dagen geduurd. Naar het oordeel van het hof is deze duur van het huwelijk niet dermate kort geweest dat daarmee naast de wettelijke duur van de onderhoudsplicht nog specifiek rekening moet worden gehouden. In artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren. Lid 6 van voornoemd artikel bepaalt vervolgens dat de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit brengt met zich dat in dit geval de alimentatietermijn van rechtswege eindigt op 18 januari 2026 (één jaar, zes maanden en (afgerond) 20 dagen, gerekend vanaf 29 juni 2024).
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 text/xml public 2026-05-04T09:36:49 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.359.401/01+02 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 text/html public 2026-05-04T09:36:36 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1115 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.359.401/01+02 Partneralimentatie. Behoeftigheid vrouw. Grieven slagen deels omdat de vrouw met ingang van 5 augustus 2025 weer aan het werk is. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummers: 200.359.401/01+02 zaaknummer rechtbank: C/15/362994 / FA RK 25-1285 beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in hoger beroep, verzoeker in het incident, verder te noemen: de man, advocaat: mr. S. Bayraktar te Haarlem, en [de vrouw] , wonende te [plaats A] , verweerster in hoger beroep, verweerster in het incident, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. De man is van mening dat hij de vrouw geen partneralimentatie hoeft te betalen, dan wel maximaal voor een termijn van één jaar en met een hoogte die het hof juist acht, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de vrouw en de werkelijke lasten van de man. De vrouw is het eens met de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De man is op 18 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank). Dit is de procedure met zaaknummer: 200.359.401/01. De man heeft ook een verzoek ingediend om de werking van de bestreden beschikking te schorsen (200.359.401/02). 2.2 De vrouw heeft op 22 oktober 2025 een verweerschrift ingediend 2.3 Het hof heeft daarnaast op 30 januari 2026 een bericht van de zijde van de man ontvangen met bijlage. 2.4 De zitting heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat en - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw M.V. Babkina, tolk in de Engelse taal. 2.5 Op 13 en 23 februari 2026 zijn, naar aanleiding van het verzoek van het hof tijdens de zitting, nog financiële stukken van partijen ontvangen. 3 De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Deze zijn, aangevuld door het hof, de volgende. 3.2 Partijen hebben beiden de Pakistaanse nationaliteit. Zij verblijven sinds 2023 in Nederland. 3.3 Vast staat dat partijen op [datum] 2021 te Pakistan met elkaar zijn gehuwd en op 29 juni 2024 te Pakistan zijn gescheiden, welke echtscheiding aldaar dezelfde dag is ingeschreven. De man heeft vervolgens op 7 augustus 2024 de echtscheiding in Nederland laten registreren. 3.4 De vrouw is medio 2024 na terugkomst uit Pakistan uit de echtelijke woning vertrokken naar een opvanglocatie van de Blijf-groep. Op 20 mei 2025 heeft zij eigen woonruimte betrokken. 3.5 Vanaf 11 september 2023 was de vrouw werkzaam bij [X] B.V. op basis van een oproepovereenkomst zonder een vast aantal uren per week. De vrouw heeft op 7 juni 2024 haar werkzaamheden als tandarts- en preventieassistente bij [X] B.V. gestaakt. Vanaf 29 juni 2024 ontving de vrouw een uitkering krachtens de Participatiewet. Op 5 augustus 2025 heeft de vrouw haar werkzaamheden bij [X] B.V. hervat. Daarnaast heeft zij met ingang van 1 oktober 2025 een dienstverband bij [XX] B.V. (9 uren per week). 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 In de bestreden beschikking is bepaald dat de man: - met ingang van 14 november 2024 een bedrag van € 1.481,- bruto per maand, - met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 1.577,- bruto per maand, en - met ingang van 1 oktober 2025 een bedrag van € 145,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud, hierna te noemen partneralimentatie, toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling per maand te voldoen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. 4.2 In de zaak met zaaknummer 200.359.401/01 verzoekt de man primair de bestreden beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, het inleidende verzoek van de vrouw af te wijzen, en subsidiair, voor zover het hof overgaat tot het opleggen van partneralimentatie aan de man, te bepalen dat: a. de man slechts gehouden is tot betaling van partneralimentatie voor een termijn van maximaal één jaar; b. de hoogte van de partneralimentatie per 14 november 2024 wordt vastgesteld op een bedrag dat het hof juist acht, met inachtneming van de verdiencapaciteit van de vrouw en de werkelijke lasten van de man. De vrouw voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man en tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. 4.3 De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek in de zaak met zaaknummer 200.358.042/02 ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man komt met 5 grieven op tegen de bestreden beschikking. Grief 1 en 5 zien op de duur en omvang van de alimentatieverplichting, grief 2 en 3 zien op de verdiencapaciteit en de behoeftigheid van de vrouw en grief 4 ziet op de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw. De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn grief tegen de hoogte van de behoefte van de vrouw ingetrokken, omdat hierover tijdens de zitting bij de rechtbank al overeenstemming was bereikt, zodat grief 4 uitsluitend nog ziet op de draagkracht van de man. De man heeft tot slot aangevoerd dat sprake is van grievend gedrag door de vrouw dat zou moeten leiden tot een afwijzing van het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud. Voor alle grieven en verzoeken geldt dat de vrouw steeds gemotiveerd verweer heeft gevoerd, dat voor zover van belang aan de orde zal komen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.2 Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzochte partneralimentatie. Tegen het oordeel van de rechtbank dat op het verzoek van de vrouw Nederlands recht van toepassing is, is geen grief gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Grief 1 en 5 duur van huwelijk van invloed op duur van de onderhoudsplicht? 5.3 De man voert aan dat het huwelijk tussen hem en de vrouw dermate kort heeft geduurd dat bij de bepaling van de duur van zijn onderhoudsplicht daarmee rekening moet worden gehouden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die dit anders maken. De man vindt dat het verzoek van de vrouw om een onderhoudsbijdrage vanwege het korte huwelijk behoort te worden afgewezen, dan wel dat de duur van zijn onderhoudsverplichting wordt beperkt tot maximaal één jaar. 5.4 Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen van [datum] 2021 tot 29 juni 2024 met elkaar gehuwd zijn geweest. Het huwelijk heeft daarmee 3 jaar en 39 dagen geduurd. Naar het oordeel van het hof is deze duur van het huwelijk niet dermate kort geweest dat daarmee naast de wettelijke duur van de onderhoudsplicht nog specifiek rekening moet worden gehouden. In artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren. Lid 6 van voornoemd artikel bepaalt vervolgens dat de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit brengt met zich dat in dit geval de alimentatietermijn van rechtswege eindigt op 18 januari 2026 (één jaar, zes maanden en (afgerond) 20 dagen, gerekend vanaf 29 juni 2024).
Volledig
Hetgeen de man heeft aangevoerd is onvoldoende om de uitkering tot levensonderhoud in duur te limiteren als bedoeld in art 1:156 lid 3 BW. Dit leidt ertoe dat de grieven 1 en 5 falen. Grief 2 en 3 behoeftigheid vrouw 5.5 De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw zelf geheel in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien, waardoor geen sprake is van behoeftigheid. De vrouw heeft een opleiding tot tandarts afgerond in Pakistan en zij heeft tijdens het huwelijk in Nederland gewerkt als tandartsassistente en mondhygiëniste. De vrouw heeft op 7 juni 2024 haar werkzaamheden op eigen initiatief gestaakt onder het voorwendsel dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld. De man betwist dat sprake is geweest van huiselijk geweld en hij is van mening dat de vrouw in deze periode gewoon kon werken. In het geval de vrouw daadwerkelijk niet kon werken dan had zij zich ziek moeten melden bij haar werkgevers zodat zij een uitkering op grond van de Ziektewet had kunnen ontvangen. Het verlies van inkomen moet voor rekening en risico van de vrouw komen, aldus de man. De man is het er niet mee eens dat de rechtbank de vrouw pas met ingang van 1 oktober 2025 een fictief inkomen heeft toegekend vanwege haar verdiencapaciteit. Volgens de man had de rechtbank de vrouw al eerder een fictief inkomen moeten toekennen en wel ter hoogte van een bruto jaarinkomen van € 36.093,60. 5.6 De vrouw voert aan dat zij vanwege huiselijk geweld, te weten ernstige bedreigingen door de man, de echtelijke woning na terugkomst uit Pakistan in juli 2024 heeft moeten verlaten. Zij is toen opgevangen door de crisisdienst van Veilig Thuis. De vrouw heeft door de voor haar traumatische gebeurtenissen last gekregen van onder meer paniekstoornissen en daarvoor psychische hulp gekregen. Vanwege de crisissituatie moest de vrouw ook stoppen met haar werkzaamheden bij [X] . Ter onderbouwing van de door de vrouw genoemde gebeurtenissen in de eindfase van het huwelijk verwijst de vrouw naar het proces-verbaal van aangifte tegen de man van 17 juli 2024, naar medische informatie van haar huisarts en naar een verklaring van 28 december 2024 van haar in Pakistan gevestigde online therapeut. De vrouw heeft ook overgelegd een brief van 22 oktober 2025 van de Blijf Groep met daarbij een rapportage met een beschrijving van hetgeen de vrouw in juli 2024 met de Blijf Groep heeft gedeeld over hetgeen haar is overkomen. Het gaat nu weer beter met de vrouw. Zij heeft inmiddels zelfstandige woonruimte en per augustus 2025 heeft zij haar werkzaamheden als tandarts- en preventieassistente hervat, eerst bij [X] B.V. en daarna ook, voor een beperkt aantal uren, bij [XX] B.V. 5.7 Het hof overweegt dat de vrouw op 5 augustus 2025 haar werkzaamheden bij [X] B.V. weer heeft hervat, zodat de door de man te betalen partneralimentatie in twee periodes uiteen valt. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 14 november 2024 is niet in geschil. De eerste periode loopt van 14 november 2024 tot 5 augustus 2025. In deze periode had de vrouw geen inkomen. De tweede periode loopt van 5 augustus 2025 tot 18 januari 2026. Behoeftigheid vrouw periode 14 november 2024 tot 5 augustus 2025 5.8 Het hof is van oordeel dat het niet aan de vrouw kan worden verweten dat zij in deze periode geen inkomen uit arbeid of ziektewet uitkering heeft ontvangen. In deze periode had de vrouw naar het oordeel van het hof ook geen verdiencapaciteit. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw in deze periode behoeftig was. Het hof licht dit als volgt toe. 5.9 De vrouw heeft gedetailleerd verklaard over gebeurtenissen welke zich tussen haar en de man in de eindfase van het huwelijk hebben afgespeeld. De vrouw heeft de beschrijving van de gebeurtenissen onderbouwd met onder meer medische stukken en een gedetailleerde rapportage van de Blijf Groep en een brief van de crisisdienst van Veilig Thuis. Aan de hand van hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht acht het hof het aannemelijk en geloofwaardig dat tussen de man en de vrouw vanaf in ieder geval medio 2024 ernstige spanningen zijn ontstaan die een traumatische werking op de vrouw hebben gehad. De man heeft deze gebeurtenissen en mishandelingen uitdrukkelijk betwist. Deze betwisting geeft het hof echter geen aanleiding om hetgeen de vrouw heeft verklaard buiten beschouwing te laten. Voor het hof staat vast dat de vrouw vanaf juli 2024 te kampen heeft gehad met ernstige spanningen die het voor haar niet mogelijk hebben gemaakt om een inkomen uit arbeid te behouden en/of te verkrijgen. Dat de vrouw in deze periode een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen, in plaats van een uitkering op grond van de Ziektewet, valt haar – bij de beoordeling van haar behoeftigheid – niet te verwijten. De vrouw heeft in juli 2024, in de voor haar spanningsvolle periode, met ondersteuning van de Blijf groep, een uitkering krachtens de Participatiewet aangevraagd bij de gemeente [gemeente] . Deze aanvraag is, naar moet worden aangenomen, door de gemeente beoordeeld waarna de gemeente het recht van de vrouw op de uitkering krachtens de Participatiewet heeft vastgesteld. Uit deze vaststelling maakt het hof op dat de gemeente zich niet op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw aanspraak moest maken op een uitkering krachtens de Ziektewet. Naar het oordeel van het hof behoefde van de vrouw in de voor haar spanningsvolle periode niet te worden gevergd dat zij andere stappen zou zetten dan het doen van een aanvraag voor de uitkering krachtens de Participatiewet. 5.10 Al het voorgaande brengt voor de periode van 14 november 2024 tot 5 augustus 2025 met zich dat de grief van de man over de behoeftigheid van de vrouw faalt. Behoeftigheid vrouw periode 5 augustus 2025 tot 18 januari 2026 5.11 Voor de tweede periode slaagt de grief van de man over de behoeftigheid van de vrouw. De vrouw ontvangt immers vanaf 5 augustus 2025 weer een inkomen uit arbeid en zij kan daarmee (deels) in haar huwelijksgerelateerde behoefte van netto € 2.620,- voorzien. Het hof berekent daarom de door de man met ingang van 5 augustus 2025 te betalen partneralimentatie opnieuw. De door het hof gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht. 5.12 De man heeft gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de vrouw. De vrouw gaat in de procedure in hoger beroep in haar eigen berekening uit van een brutoloon van € 32.550,- per jaar, te vermeerderen met de vakantietoeslag en te verminderen met een bruto pensioenpremie van € 238,- per jaar. Uit de door de vrouw bij haar verweerschrift overgelegde salarisspecificaties blijkt dat zij vanaf 5 augustus 2025 een bruto inkomen geniet van € 1.419,- per maand bij [X] B.V. en € 1.418,- per maand bij [XX] B.V. Dit leidt, vermeerderd met de vakantietoeslag en verminderd met een pensioenpremie van respectievelijk € 99,- en € 139,- per maand tot een bruto belastbaar jaarloon van € 33.912,-. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en arbeidskorting levert dit een netto besteedbaar inkomen, hierna NBI, op van € 2.490,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw staat vast en bedraagt na indexering € 2.620,- netto per maand in 2025. Rekening houdende met het hiervoor genoemde eigen inkomen, bedraagt de resterende behoefte van de vrouw dan € 130,- netto per maand. Bruto komt dit neer op een bedrag van € 249,- per maand. Grief 4 draagkracht 5.13 Het hof berekent vervolgens de draagkracht van de man om te bezien welke partneralimentatie de man aan de vrouw kan voldoen. Er is door de vrouw niet gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de man, zodat het hof uitgaat van de door de rechtbank genoemde gegevens, te weten een bruto inkomen van € 5.563,- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag en te verminderen met een pensioenpremie van € 109,- per maand. In 2024 leidt dat volgens de -in zoverre niet bestreden - berekening van de rechtbank tot een NBI van € 4.038,- per maand. Voor 2025 becijfert het hof, uitgaande van de door de rechtbank toegepaste berekeningswijze, een NBI van € 4.089,- per maand.
Volledig
Hetgeen de man heeft aangevoerd is onvoldoende om de uitkering tot levensonderhoud in duur te limiteren als bedoeld in art 1:156 lid 3 BW. Dit leidt ertoe dat de grieven 1 en 5 falen. Grief 2 en 3 behoeftigheid vrouw 5.5 De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw zelf geheel in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien, waardoor geen sprake is van behoeftigheid. De vrouw heeft een opleiding tot tandarts afgerond in Pakistan en zij heeft tijdens het huwelijk in Nederland gewerkt als tandartsassistente en mondhygiëniste. De vrouw heeft op 7 juni 2024 haar werkzaamheden op eigen initiatief gestaakt onder het voorwendsel dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld. De man betwist dat sprake is geweest van huiselijk geweld en hij is van mening dat de vrouw in deze periode gewoon kon werken. In het geval de vrouw daadwerkelijk niet kon werken dan had zij zich ziek moeten melden bij haar werkgevers zodat zij een uitkering op grond van de Ziektewet had kunnen ontvangen. Het verlies van inkomen moet voor rekening en risico van de vrouw komen, aldus de man. De man is het er niet mee eens dat de rechtbank de vrouw pas met ingang van 1 oktober 2025 een fictief inkomen heeft toegekend vanwege haar verdiencapaciteit. Volgens de man had de rechtbank de vrouw al eerder een fictief inkomen moeten toekennen en wel ter hoogte van een bruto jaarinkomen van € 36.093,60. 5.6 De vrouw voert aan dat zij vanwege huiselijk geweld, te weten ernstige bedreigingen door de man, de echtelijke woning na terugkomst uit Pakistan in juli 2024 heeft moeten verlaten. Zij is toen opgevangen door de crisisdienst van Veilig Thuis. De vrouw heeft door de voor haar traumatische gebeurtenissen last gekregen van onder meer paniekstoornissen en daarvoor psychische hulp gekregen. Vanwege de crisissituatie moest de vrouw ook stoppen met haar werkzaamheden bij [X] . Ter onderbouwing van de door de vrouw genoemde gebeurtenissen in de eindfase van het huwelijk verwijst de vrouw naar het proces-verbaal van aangifte tegen de man van 17 juli 2024, naar medische informatie van haar huisarts en naar een verklaring van 28 december 2024 van haar in Pakistan gevestigde online therapeut. De vrouw heeft ook overgelegd een brief van 22 oktober 2025 van de Blijf Groep met daarbij een rapportage met een beschrijving van hetgeen de vrouw in juli 2024 met de Blijf Groep heeft gedeeld over hetgeen haar is overkomen. Het gaat nu weer beter met de vrouw. Zij heeft inmiddels zelfstandige woonruimte en per augustus 2025 heeft zij haar werkzaamheden als tandarts- en preventieassistente hervat, eerst bij [X] B.V. en daarna ook, voor een beperkt aantal uren, bij [XX] B.V. 5.7 Het hof overweegt dat de vrouw op 5 augustus 2025 haar werkzaamheden bij [X] B.V. weer heeft hervat, zodat de door de man te betalen partneralimentatie in twee periodes uiteen valt. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 14 november 2024 is niet in geschil. De eerste periode loopt van 14 november 2024 tot 5 augustus 2025. In deze periode had de vrouw geen inkomen. De tweede periode loopt van 5 augustus 2025 tot 18 januari 2026. Behoeftigheid vrouw periode 14 november 2024 tot 5 augustus 2025 5.8 Het hof is van oordeel dat het niet aan de vrouw kan worden verweten dat zij in deze periode geen inkomen uit arbeid of ziektewet uitkering heeft ontvangen. In deze periode had de vrouw naar het oordeel van het hof ook geen verdiencapaciteit. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw in deze periode behoeftig was. Het hof licht dit als volgt toe. 5.9 De vrouw heeft gedetailleerd verklaard over gebeurtenissen welke zich tussen haar en de man in de eindfase van het huwelijk hebben afgespeeld. De vrouw heeft de beschrijving van de gebeurtenissen onderbouwd met onder meer medische stukken en een gedetailleerde rapportage van de Blijf Groep en een brief van de crisisdienst van Veilig Thuis. Aan de hand van hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht acht het hof het aannemelijk en geloofwaardig dat tussen de man en de vrouw vanaf in ieder geval medio 2024 ernstige spanningen zijn ontstaan die een traumatische werking op de vrouw hebben gehad. De man heeft deze gebeurtenissen en mishandelingen uitdrukkelijk betwist. Deze betwisting geeft het hof echter geen aanleiding om hetgeen de vrouw heeft verklaard buiten beschouwing te laten. Voor het hof staat vast dat de vrouw vanaf juli 2024 te kampen heeft gehad met ernstige spanningen die het voor haar niet mogelijk hebben gemaakt om een inkomen uit arbeid te behouden en/of te verkrijgen. Dat de vrouw in deze periode een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen, in plaats van een uitkering op grond van de Ziektewet, valt haar – bij de beoordeling van haar behoeftigheid – niet te verwijten. De vrouw heeft in juli 2024, in de voor haar spanningsvolle periode, met ondersteuning van de Blijf groep, een uitkering krachtens de Participatiewet aangevraagd bij de gemeente [gemeente] . Deze aanvraag is, naar moet worden aangenomen, door de gemeente beoordeeld waarna de gemeente het recht van de vrouw op de uitkering krachtens de Participatiewet heeft vastgesteld. Uit deze vaststelling maakt het hof op dat de gemeente zich niet op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw aanspraak moest maken op een uitkering krachtens de Ziektewet. Naar het oordeel van het hof behoefde van de vrouw in de voor haar spanningsvolle periode niet te worden gevergd dat zij andere stappen zou zetten dan het doen van een aanvraag voor de uitkering krachtens de Participatiewet. 5.10 Al het voorgaande brengt voor de periode van 14 november 2024 tot 5 augustus 2025 met zich dat de grief van de man over de behoeftigheid van de vrouw faalt. Behoeftigheid vrouw periode 5 augustus 2025 tot 18 januari 2026 5.11 Voor de tweede periode slaagt de grief van de man over de behoeftigheid van de vrouw. De vrouw ontvangt immers vanaf 5 augustus 2025 weer een inkomen uit arbeid en zij kan daarmee (deels) in haar huwelijksgerelateerde behoefte van netto € 2.620,- voorzien. Het hof berekent daarom de door de man met ingang van 5 augustus 2025 te betalen partneralimentatie opnieuw. De door het hof gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht. 5.12 De man heeft gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de vrouw. De vrouw gaat in de procedure in hoger beroep in haar eigen berekening uit van een brutoloon van € 32.550,- per jaar, te vermeerderen met de vakantietoeslag en te verminderen met een bruto pensioenpremie van € 238,- per jaar. Uit de door de vrouw bij haar verweerschrift overgelegde salarisspecificaties blijkt dat zij vanaf 5 augustus 2025 een bruto inkomen geniet van € 1.419,- per maand bij [X] B.V. en € 1.418,- per maand bij [XX] B.V. Dit leidt, vermeerderd met de vakantietoeslag en verminderd met een pensioenpremie van respectievelijk € 99,- en € 139,- per maand tot een bruto belastbaar jaarloon van € 33.912,-. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en arbeidskorting levert dit een netto besteedbaar inkomen, hierna NBI, op van € 2.490,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw staat vast en bedraagt na indexering € 2.620,- netto per maand in 2025. Rekening houdende met het hiervoor genoemde eigen inkomen, bedraagt de resterende behoefte van de vrouw dan € 130,- netto per maand. Bruto komt dit neer op een bedrag van € 249,- per maand. Grief 4 draagkracht 5.13 Het hof berekent vervolgens de draagkracht van de man om te bezien welke partneralimentatie de man aan de vrouw kan voldoen. Er is door de vrouw niet gegriefd tegen het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de man, zodat het hof uitgaat van de door de rechtbank genoemde gegevens, te weten een bruto inkomen van € 5.563,- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag en te verminderen met een pensioenpremie van € 109,- per maand. In 2024 leidt dat volgens de -in zoverre niet bestreden - berekening van de rechtbank tot een NBI van € 4.038,- per maand. Voor 2025 becijfert het hof, uitgaande van de door de rechtbank toegepaste berekeningswijze, een NBI van € 4.089,- per maand.
Volledig
De man heeft na toepassing van de zogeheten draagkrachtformule op zijn inkomen, in 2024 een bedrag van € 1.481,- bruto per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Deze draagkracht is toereikend voor de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie tot 1 januari 2025. Uit een door het hof zelf gemaakte berekening volgt voor de periode vanaf 1 januari 2025 tot 5 augustus 2025 dat de man een bedrag van € 1.489,- bruto per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Dat is lager dan de door de rechtbank becijferde (geïndexeerde) bijdrage van € 1.577,- bruto per maand. Het hof ziet hierin aanleiding om de door de man te betalen bijdrage vanaf 1 januari 2025 te bepalen op € 1.489,- bruto per maand. In zoverre zal de bestreden beschikking worden vernietigd. Voor de periode vanaf 5 augustus 2025 geldt dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt om aan de vrouw een partneralimentatie te betalen van € 249,- bruto per maand. Grief 4 draagkracht overig 5.14 De man heeft ook nog aangevoerd dat de rechtbank zijn draagkracht onjuist heeft berekend waar het zijn lasten betreft. De man is van mening dat in de berekening uitgegaan moet worden van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het zogeheten woonlastenforfait en dat rekening moet worden gehouden met een maandelijkse bijdrage van € 500,- aan zijn ouders in Pakistan. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De man onderbouwt zijn extra lasten volgens haar niet. Daarnaast betwist de vrouw, bij gebrek aan wetenschap, dat de man maandelijks geld overmaakt aan zijn ouders. De onderhoudsverplichting van de man jegens haar gaat bovendien voor op deze bijdrage aan zijn ouders, aldus de vrouw 5.15 Het hof stelt voorop dat de onderhoudsbijdrage aan de vrouw volgens de wet voorgaat op de bijdrage van de man aan zijn ouders in Pakistan. Overigens is ook niet gebleken dat de bijdrage van de man aan zijn ouders noodzakelijk is. De man dient deze bijdrage dan ook uit zijn zogenoemde vrije ruimte te voldoen. Die is daarvoor toereikend. Vanaf 5 augustus 2025 heeft de man sowieso voldoende financiële armslag om de bijdrage aan zijn ouders te betalen. Het hof zal gezien het voorgaande geen rekening houden met de door de man opgevoerde bijdrage aan zijn ouders. Het hof zal bij de vaststelling van de draagkracht van de man evenmin afwijken van de forfaitaire benadering van de woonlasten en dus geen rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man. Die woonlasten zijn weliswaar hoger dan het woonlastenforfait (uit de door de man overgelegde productie 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg blijkt een kale huur van € 1.603,- per maand vanaf 1 april 2024), maar daartegenover staat het volgende. Bij de vaststelling door de rechtbank van de draagkracht van de man is kennelijk geen rekening gehouden met het belastingvoordeel dat de man geniet door de 30% expatregeling. Die regeling houdt in dat de man over 30% van zijn bruto inkomen geen belasting hoeft te betalen. Feitelijk ligt het netto inkomen van de man ongeveer € 500,- per maand hoger dan het inkomen waarmee de rechtbank heeft gerekend. De man heeft daardoor voldoende financiële ruimte om zijn werkelijke woonlasten te voldoen. De conclusie is dat grief 4 faalt. 5.16 De man heeft nog aangevoerd dat zijn werkgever een reorganisatie heeft doorgevoerd, waardoor zijn inkomen met ingang van 1 maart 2026 zal wegvallen, zodat hij niet in staat is de partneralimentatie te voldoen. Het hof overweegt dat dit verweer ziet op de periode gelegen na het van rechtswege eindigen van de alimentatieverplichting van de man, zodat het door de man genoemde verlies aan inkomen niet relevant is voor de beoordeling door het hof. Indexering 5.17 Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de man verschuldigde partneralimentatie te verhogen per 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de partneralimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (14 november 2024). Duidelijk is dat de vrouw belang heeft bij een verhoging, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de man verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2026 zijn verhoogd met 4,6 %. Daarnaast laat de draagkracht van de man voldoende ruimte voor een dergelijke verhoging. Ten slotte gaat het slechts om een beperkte periode waarover de man het verhoogde bedrag verschuldigd is (1 januari 2026 tot 18 januari 2026). Het hof zal de partneralimentatie per 1 januari 2026 dan ook vaststellen op € 260,- bruto per maand. Grievend gedrag? 5.18 De man heeft tot slot aangevoerd dat het aan hem opleggen van een alimentatieverplichting onredelijk en disproportioneel is nu de vrouw in strijd met de goede trouw heeft gehandeld en de man schade heeft berokkend. De man doelt daarbij op de melding van de vrouw over huiselijk geweld. Het gestelde huiselijk geweld heeft volgens de man nooit plaatsgevonden. 5.19 Het hof begrijpt het verweer van de man aldus dat het wegens het grievend gedrag van de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van hem een bijdrage in de kosten van levensonderhoud te verlangen. Bij de beantwoording van de vraag of aan één van de ex-echtgenoten ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, kunnen ook niet financiële factoren, zoals grievend gedrag, een rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één van de ex-echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat van laatstgenoemde echtgenoot wordt gevergd dat hij (ten volle) bijdraagt in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, r.o. 3.3.5). In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een dergelijke beëindiging. Niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen, te matigen of te limiteren. 5.20 Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, dat sprake is van zodanig grievend gedrag dat dit moet leiden tot het niet (langer) aannemen van een alimentatieverplichting of tot matiging van de alimentatie, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof verwijst in dit verband ook naar de overwegingen hierboven onder 5.9. Terugbetaling? 5.21 Het hof verlaagt gedeeltelijk de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. De vraag of van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij de eventueel door de man teveel betaalde partneralimentatie aan hem terugbetaalt behoeft echter niet te worden beantwoord. Vast staat immers dat de man van de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie tot heden nog niets heeft voldaan. 5.22 Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing Het hof: in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2025 voor wat betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vanaf 1 januari 2025, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen: - met ingang van 1 januari 2025 tot 5 augustus 2025 een bedrag van € 1.489,- bruto per maand, met ingang van 5 augustus 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 249,- bruto per maand, en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 260,- bruto per maand, verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige; wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. F. Kleefmann en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar.
Volledig
De man heeft na toepassing van de zogeheten draagkrachtformule op zijn inkomen, in 2024 een bedrag van € 1.481,- bruto per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Deze draagkracht is toereikend voor de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie tot 1 januari 2025. Uit een door het hof zelf gemaakte berekening volgt voor de periode vanaf 1 januari 2025 tot 5 augustus 2025 dat de man een bedrag van € 1.489,- bruto per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Dat is lager dan de door de rechtbank becijferde (geïndexeerde) bijdrage van € 1.577,- bruto per maand. Het hof ziet hierin aanleiding om de door de man te betalen bijdrage vanaf 1 januari 2025 te bepalen op € 1.489,- bruto per maand. In zoverre zal de bestreden beschikking worden vernietigd. Voor de periode vanaf 5 augustus 2025 geldt dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt om aan de vrouw een partneralimentatie te betalen van € 249,- bruto per maand. Grief 4 draagkracht overig 5.14 De man heeft ook nog aangevoerd dat de rechtbank zijn draagkracht onjuist heeft berekend waar het zijn lasten betreft. De man is van mening dat in de berekening uitgegaan moet worden van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het zogeheten woonlastenforfait en dat rekening moet worden gehouden met een maandelijkse bijdrage van € 500,- aan zijn ouders in Pakistan. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De man onderbouwt zijn extra lasten volgens haar niet. Daarnaast betwist de vrouw, bij gebrek aan wetenschap, dat de man maandelijks geld overmaakt aan zijn ouders. De onderhoudsverplichting van de man jegens haar gaat bovendien voor op deze bijdrage aan zijn ouders, aldus de vrouw 5.15 Het hof stelt voorop dat de onderhoudsbijdrage aan de vrouw volgens de wet voorgaat op de bijdrage van de man aan zijn ouders in Pakistan. Overigens is ook niet gebleken dat de bijdrage van de man aan zijn ouders noodzakelijk is. De man dient deze bijdrage dan ook uit zijn zogenoemde vrije ruimte te voldoen. Die is daarvoor toereikend. Vanaf 5 augustus 2025 heeft de man sowieso voldoende financiële armslag om de bijdrage aan zijn ouders te betalen. Het hof zal gezien het voorgaande geen rekening houden met de door de man opgevoerde bijdrage aan zijn ouders. Het hof zal bij de vaststelling van de draagkracht van de man evenmin afwijken van de forfaitaire benadering van de woonlasten en dus geen rekening houden met de werkelijke woonlasten van de man. Die woonlasten zijn weliswaar hoger dan het woonlastenforfait (uit de door de man overgelegde productie 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg blijkt een kale huur van € 1.603,- per maand vanaf 1 april 2024), maar daartegenover staat het volgende. Bij de vaststelling door de rechtbank van de draagkracht van de man is kennelijk geen rekening gehouden met het belastingvoordeel dat de man geniet door de 30% expatregeling. Die regeling houdt in dat de man over 30% van zijn bruto inkomen geen belasting hoeft te betalen. Feitelijk ligt het netto inkomen van de man ongeveer € 500,- per maand hoger dan het inkomen waarmee de rechtbank heeft gerekend. De man heeft daardoor voldoende financiële ruimte om zijn werkelijke woonlasten te voldoen. De conclusie is dat grief 4 faalt. 5.16 De man heeft nog aangevoerd dat zijn werkgever een reorganisatie heeft doorgevoerd, waardoor zijn inkomen met ingang van 1 maart 2026 zal wegvallen, zodat hij niet in staat is de partneralimentatie te voldoen. Het hof overweegt dat dit verweer ziet op de periode gelegen na het van rechtswege eindigen van de alimentatieverplichting van de man, zodat het door de man genoemde verlies aan inkomen niet relevant is voor de beoordeling door het hof. Indexering 5.17 Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de man verschuldigde partneralimentatie te verhogen per 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de partneralimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (14 november 2024). Duidelijk is dat de vrouw belang heeft bij een verhoging, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de man verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2026 zijn verhoogd met 4,6 %. Daarnaast laat de draagkracht van de man voldoende ruimte voor een dergelijke verhoging. Ten slotte gaat het slechts om een beperkte periode waarover de man het verhoogde bedrag verschuldigd is (1 januari 2026 tot 18 januari 2026). Het hof zal de partneralimentatie per 1 januari 2026 dan ook vaststellen op € 260,- bruto per maand. Grievend gedrag? 5.18 De man heeft tot slot aangevoerd dat het aan hem opleggen van een alimentatieverplichting onredelijk en disproportioneel is nu de vrouw in strijd met de goede trouw heeft gehandeld en de man schade heeft berokkend. De man doelt daarbij op de melding van de vrouw over huiselijk geweld. Het gestelde huiselijk geweld heeft volgens de man nooit plaatsgevonden. 5.19 Het hof begrijpt het verweer van de man aldus dat het wegens het grievend gedrag van de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van hem een bijdrage in de kosten van levensonderhoud te verlangen. Bij de beantwoording van de vraag of aan één van de ex-echtgenoten ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, kunnen ook niet financiële factoren, zoals grievend gedrag, een rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één van de ex-echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat van laatstgenoemde echtgenoot wordt gevergd dat hij (ten volle) bijdraagt in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, r.o. 3.3.5). In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een dergelijke beëindiging. Niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te beëindigen, te matigen of te limiteren. 5.20 Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, dat sprake is van zodanig grievend gedrag dat dit moet leiden tot het niet (langer) aannemen van een alimentatieverplichting of tot matiging van de alimentatie, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof verwijst in dit verband ook naar de overwegingen hierboven onder 5.9. Terugbetaling? 5.21 Het hof verlaagt gedeeltelijk de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. De vraag of van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij de eventueel door de man teveel betaalde partneralimentatie aan hem terugbetaalt behoeft echter niet te worden beantwoord. Vast staat immers dat de man van de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie tot heden nog niets heeft voldaan. 5.22 Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing Het hof: in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2025 voor wat betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vanaf 1 januari 2025, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen: - met ingang van 1 januari 2025 tot 5 augustus 2025 een bedrag van € 1.489,- bruto per maand, met ingang van 5 augustus 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 249,- bruto per maand, en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 260,- bruto per maand, verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige; wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. F. Kleefmann en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar.