Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1106
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,083 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 text/xml public 2026-05-04T14:12:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.364.206/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 text/html public 2026-05-04T14:06:53 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.364.206/01 Huurrecht echtelijke woning. Bekrachtiging bestreden beschikking. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.364.206/01 zaaknummer rechtbank: C/15/366037/FA RK 25-2815 beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoeker in hoger beroep, hierna: de man, advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam, en [de vrouw] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verweerster in hoger beroep, hierna: de vrouw, advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de echtscheiding tussen de man en de vrouw (hierna gezamenlijk: partijen) en het huurrecht van de echtelijke woning. 1.2 De rechtbank heeft op 25 november 2025 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend. De man is het niet eens met die beslissing. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding alsnog wordt afgewezen en dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toekomt. De vrouw is het eens met de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De man is op 23 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank). 2.2 De vrouw heeft op 23 februari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast een bericht van de man van 29 januari 2026, met bijlagen ontvangen. 2.4 De zitting heeft op 13 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in het Tamil, A.P. Shanthan; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 3 De feiten 3.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2007 in [gemeente] . 3.2 Partijen wonen in een huurwoning aan het adres [A-straat] [plaats A] (de echtelijke woning). 3.3 Partijen hebben twee thuiswonende meerderjarige zoons, te weten [zoon 1] , geboren [in] 2007 en [zoon 2] , geboren [in] 2005. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het verzoek van de vrouw, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.2 De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidende verzoeken met betrekking tot de echtscheiding tussen partijen en het huurrecht dan wel deze verzoeken alsnog af te wijzen. Verder verzoekt de man te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning. 4.3 De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met compensatie van de proceskosten. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Hij heeft een grief geformuleerd met betrekking tot de echtscheiding en een grief met betrekking tot het huurrecht. De vrouw voert daartegen verweer. Het hof bespreekt beide onderwerpen in het navolgende. Echtscheiding 5.2 Echtscheiding wordt op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is (artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een huwelijk duurzaam is ontwricht indien de voorzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. 5.3 De man is van mening dat van duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen geen sprake is. Partijen hebben zich, na een eerdere echtscheidingsprocedure, juist verzoend. Volgens de man bestond er nog een redelijke verwachting dat het huwelijk kon worden voortgezet. Partijen wonen nog steeds samen, waarbij zij leven als echtgenoten. 5.4 Volgens de vrouw is het huwelijk duurzaam ontwricht. De huwelijkse relatie is ernstig verstoord vanwege het agressieve en dreigende gedrag van de man en de ruzies. De man heeft psychische problemen en heeft haar tijdens het huwelijk fysiek en psychisch mishandeld. De man heeft op 1 februari 2025 de woning verlaten, maar de vrouw heeft hem omstreeks september 2025 weer tot de woning toegelaten alleen omdat zij medelijden met de man had en niet wilde dat hij op straat zou rondzwerven. De huwelijkse relatie is echter wel degelijk ontwricht en de man weet ook dat de vrouw nog steeds wil scheiden. 5.5 Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep handhaaft de vrouw haar (onderbouwde) stelling dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en volhardt zij in haar verzoek tot echtscheiding. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is bovendien door beide partijen verklaard dat zij al twee jaar niet meer als man en vrouw samenleven. Gelet op de toelichting van de vrouw en haar volharding bij het verzoek tot echtscheiding is er naar het oordeel van het hof geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Aan het vereiste van duurzame ontwrichting is voldaan en het hof zal de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen. Huurrecht van de echtelijke woning 5.6 In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de echtelijke huurwoning zal zijn. Daarbij moeten de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar worden afgewogen. 5.7 De man verzoekt het huurrecht aan hem toe te delen, met een redelijke termijn van zes maanden voor de vrouw om andere woonruimte te zoeken. Bij afweging van de wederzijdse belangen weegt volgens de man zijn belang bij behoud van de woning zwaarder. De man ontvangt een WIA-uitkering en kampt met ernstige lichamelijke (waaronder diabetes) en psychische klachten. Hierdoor is hij niet in staat te werken of zelfstandig andere woonruimte te vinden. Hij beschikt niet over spaargeld of een sociaal netwerk en heeft in het verleden een traumatische periode van dakloosheid doorgemaakt. Verlies van de woning brengt een reëel risico op ernstige verslechtering van zijn gezondheid en hernieuwde dakloosheid mee, aldus de man. 5.8 De vrouw stelt dat de man, door zijn psychische gezondheid, niet in staat is alleen te wonen en zichzelf te verzorgen. De man is niet afhankelijk van de woning, maar van zorg. Als de man de woning moet verlaten, zal hij in verband met zijn psychische klachten via spoedopvang direct opgevangen worden in een opvanglocatie. Het is de vrouw die altijd voor de kinderen heeft gezorgd en dat doet zij nog steeds. Zij kookt en eet met hen, doet de was, maakt schoon en begeleidt ze bij school en werk. De vrouw heeft enkele familieleden in Nederland, maar die wonen ver weg en kunnen haar en de kinderen niet opvangen. De vrouw stelt in de buurt van [luchthaven] te moeten wonen omdat zij daar werkt. De vrouw heeft een inkomen van ongeveer € 2.700,- bruto per maand. Hiervan kan zij geen woning kopen en ook geen woning in de vrije sector huren, aldus de vrouw. 5.9 Het hof overweegt als volgt. Voor de toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van partijen dient door het hof een afweging van de belangen van partijen te worden gemaakt. Zowel de man als de vrouw hebben groot belang bij het huurrecht van de echtelijke woning. De man is arbeidsongeschikt en heeft geen zicht op andere woonruimte. Het verlaten van de woning is van invloed op zijn welzijn. Hij heeft eerder in een hostel moeten verblijven.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 text/xml public 2026-05-04T14:12:19 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.364.206/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 text/html public 2026-05-04T14:06:53 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1106 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.364.206/01 Huurrecht echtelijke woning. Bekrachtiging bestreden beschikking. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.364.206/01 zaaknummer rechtbank: C/15/366037/FA RK 25-2815 beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoeker in hoger beroep, hierna: de man, advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam, en [de vrouw] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verweerster in hoger beroep, hierna: de vrouw, advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de echtscheiding tussen de man en de vrouw (hierna gezamenlijk: partijen) en het huurrecht van de echtelijke woning. 1.2 De rechtbank heeft op 25 november 2025 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend. De man is het niet eens met die beslissing. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding alsnog wordt afgewezen en dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toekomt. De vrouw is het eens met de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De man is op 23 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank). 2.2 De vrouw heeft op 23 februari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast een bericht van de man van 29 januari 2026, met bijlagen ontvangen. 2.4 De zitting heeft op 13 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in het Tamil, A.P. Shanthan; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 3 De feiten 3.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2007 in [gemeente] . 3.2 Partijen wonen in een huurwoning aan het adres [A-straat] [plaats A] (de echtelijke woning). 3.3 Partijen hebben twee thuiswonende meerderjarige zoons, te weten [zoon 1] , geboren [in] 2007 en [zoon 2] , geboren [in] 2005. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het verzoek van de vrouw, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.2 De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidende verzoeken met betrekking tot de echtscheiding tussen partijen en het huurrecht dan wel deze verzoeken alsnog af te wijzen. Verder verzoekt de man te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning. 4.3 De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met compensatie van de proceskosten. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Hij heeft een grief geformuleerd met betrekking tot de echtscheiding en een grief met betrekking tot het huurrecht. De vrouw voert daartegen verweer. Het hof bespreekt beide onderwerpen in het navolgende. Echtscheiding 5.2 Echtscheiding wordt op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is (artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een huwelijk duurzaam is ontwricht indien de voorzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. 5.3 De man is van mening dat van duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen geen sprake is. Partijen hebben zich, na een eerdere echtscheidingsprocedure, juist verzoend. Volgens de man bestond er nog een redelijke verwachting dat het huwelijk kon worden voortgezet. Partijen wonen nog steeds samen, waarbij zij leven als echtgenoten. 5.4 Volgens de vrouw is het huwelijk duurzaam ontwricht. De huwelijkse relatie is ernstig verstoord vanwege het agressieve en dreigende gedrag van de man en de ruzies. De man heeft psychische problemen en heeft haar tijdens het huwelijk fysiek en psychisch mishandeld. De man heeft op 1 februari 2025 de woning verlaten, maar de vrouw heeft hem omstreeks september 2025 weer tot de woning toegelaten alleen omdat zij medelijden met de man had en niet wilde dat hij op straat zou rondzwerven. De huwelijkse relatie is echter wel degelijk ontwricht en de man weet ook dat de vrouw nog steeds wil scheiden. 5.5 Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep handhaaft de vrouw haar (onderbouwde) stelling dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en volhardt zij in haar verzoek tot echtscheiding. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is bovendien door beide partijen verklaard dat zij al twee jaar niet meer als man en vrouw samenleven. Gelet op de toelichting van de vrouw en haar volharding bij het verzoek tot echtscheiding is er naar het oordeel van het hof geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Aan het vereiste van duurzame ontwrichting is voldaan en het hof zal de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen. Huurrecht van de echtelijke woning 5.6 In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de echtelijke huurwoning zal zijn. Daarbij moeten de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar worden afgewogen. 5.7 De man verzoekt het huurrecht aan hem toe te delen, met een redelijke termijn van zes maanden voor de vrouw om andere woonruimte te zoeken. Bij afweging van de wederzijdse belangen weegt volgens de man zijn belang bij behoud van de woning zwaarder. De man ontvangt een WIA-uitkering en kampt met ernstige lichamelijke (waaronder diabetes) en psychische klachten. Hierdoor is hij niet in staat te werken of zelfstandig andere woonruimte te vinden. Hij beschikt niet over spaargeld of een sociaal netwerk en heeft in het verleden een traumatische periode van dakloosheid doorgemaakt. Verlies van de woning brengt een reëel risico op ernstige verslechtering van zijn gezondheid en hernieuwde dakloosheid mee, aldus de man. 5.8 De vrouw stelt dat de man, door zijn psychische gezondheid, niet in staat is alleen te wonen en zichzelf te verzorgen. De man is niet afhankelijk van de woning, maar van zorg. Als de man de woning moet verlaten, zal hij in verband met zijn psychische klachten via spoedopvang direct opgevangen worden in een opvanglocatie. Het is de vrouw die altijd voor de kinderen heeft gezorgd en dat doet zij nog steeds. Zij kookt en eet met hen, doet de was, maakt schoon en begeleidt ze bij school en werk. De vrouw heeft enkele familieleden in Nederland, maar die wonen ver weg en kunnen haar en de kinderen niet opvangen. De vrouw stelt in de buurt van [luchthaven] te moeten wonen omdat zij daar werkt. De vrouw heeft een inkomen van ongeveer € 2.700,- bruto per maand. Hiervan kan zij geen woning kopen en ook geen woning in de vrije sector huren, aldus de vrouw. 5.9 Het hof overweegt als volgt. Voor de toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van partijen dient door het hof een afweging van de belangen van partijen te worden gemaakt. Zowel de man als de vrouw hebben groot belang bij het huurrecht van de echtelijke woning. De man is arbeidsongeschikt en heeft geen zicht op andere woonruimte. Het verlaten van de woning is van invloed op zijn welzijn. Hij heeft eerder in een hostel moeten verblijven.