Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1070
Civiel recht
Hoger beroep
3,997 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 text/xml public 2026-05-20T17:10:17 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.332.861/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 text/html public 2026-05-20T17:09:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.332.861/01 Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.332.861/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9580824 EL 21-331 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake DEXIA NEDERLAND B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [plaats 1] (gemeente [plaats 2] ), geïntimeerde, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd. 1 Het geding in hoger beroep Dexia is bij dagvaarding van 12 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 16 juni 2022 en een eindvonnis van 27 juli 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met productie; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlaten producties Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken. 2 Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 2.1. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt: Nr. Contractnummer Datum Naam Looptijd Eindafrekening Resultaat 1. [nummer 1] 15-5-1997 17-5-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 2.196,43 2. [nummer 2] 15-5-1997 17-5-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 2.196,43 3. [nummer 3] 5-6-1997 7-6-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 748,91 2.2. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. 2.3. Bij brief van 26 januari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. 3 Beoordeling 3.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt. 3.2. Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging. 3.3. De kantonrechter heeft voor zover hier van belang voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen. 3.4. Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. Dexia heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verlengingsovereenkomsten zijn vernietigd. 3.5. Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven. 3.6. Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 3.7. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomsten en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid. 3.8. Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). 3.9. Dexia heeft gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd: naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (€ 156.614,34); de effectenleaseovereenkomsten zijn via een tussenpersoon tot stand gekomen. Dit wordt door de echtgenote erkend en zij stelt dat zij enkel heeft begrepen dat het om een spaarregeling ging en niet wist waar of op welke wijze deze werd afgesloten. Doorgaans informeerden tussenpersonen afnemers tijdens een huisbezoek over de werking van de producten die zij aan de man brachten.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 text/xml public 2026-05-20T17:10:17 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.332.861/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 text/html public 2026-05-20T17:09:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1070 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.332.861/01 Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.332.861/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9580824 EL 21-331 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake DEXIA NEDERLAND B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [plaats 1] (gemeente [plaats 2] ), geïntimeerde, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd. 1 Het geding in hoger beroep Dexia is bij dagvaarding van 12 september 2023 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 16 juni 2022 en een eindvonnis van 27 juli 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met productie; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlaten producties Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken. 2 Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 2.1. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt: Nr. Contractnummer Datum Naam Looptijd Eindafrekening Resultaat 1. [nummer 1] 15-5-1997 17-5-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 2.196,43 2. [nummer 2] 15-5-1997 17-5-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 2.196,43 3. [nummer 3] 5-6-1997 7-6-2002 WinstVerdubbelaar verlenging 60 mnd 36 mnd 16-02-2004 € 748,91 2.2. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. 2.3. Bij brief van 26 januari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. 3 Beoordeling 3.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt. 3.2. Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging. 3.3. De kantonrechter heeft voor zover hier van belang voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen. 3.4. Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. Dexia heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verlengingsovereenkomsten zijn vernietigd. 3.5. Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven. 3.6. Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 3.7. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomsten en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid. 3.8. Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). 3.9. Dexia heeft gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd: naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (€ 156.614,34); de effectenleaseovereenkomsten zijn via een tussenpersoon tot stand gekomen. Dit wordt door de echtgenote erkend en zij stelt dat zij enkel heeft begrepen dat het om een spaarregeling ging en niet wist waar of op welke wijze deze werd afgesloten. Doorgaans informeerden tussenpersonen afnemers tijdens een huisbezoek over de werking van de producten die zij aan de man brachten.