Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1058
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummer : 200.350.925/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/351442/ HA ZA 24-209 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 in de zaak van [appellant] , gevestigd te [plaats 2] , België, appellante, advocaat: mr. D.E. Thiescheffer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [plaats 1] , geïntimeerde, advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort [geïntimeerde] heeft een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De huurauto is WAM-verzekerd bij [appellant] . [appellant] heeft de schade van het slachtoffer vergoed. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het gedrag van [geïntimeerde] dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens [appellant] kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald, verhalen op [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van [appellant] afgewezen. Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld. Het hof komt tot de conclusie dat de schade niet is veroorzaakt door roekeloosheid van [geïntimeerde] en bekrachtigt het bestreden vonnis. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 15 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet en [geïntimeerde] als oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met één productie; - memorie van antwoord. Op 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [appellant] heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 3 Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2. Op 10 september 2019 omstreeks 02.18 uur heeft bij de kruising Stadhouderskade en Leidseplein te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een fietser en een personenauto die werd bestuurd door [geïntimeerde] . De fietser heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. 3.3. De auto waarin [geïntimeerde] reed, had hij kort voor het ongeval gehuurd van de eigenaar, [bedrijf 1] . De auto was door [bedrijf 1] in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [appellant] . De PM 16 polisvoorwaarden (de Algemene Voorwaarden bij de [appellant] Auto- en Motorverzekering, hierna: de polisvoorwaarden) maken onderdeel uit van de tussen [bedrijf 1] en [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst. 3.4. In opdracht van [appellant] heeft [bedrijf 2] een toedrachtonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft de politie Amsterdam uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Vastgesteld is dat [geïntimeerde] aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde. Hij reed door rood licht en heeft pas geremd toen hij de fietser raakte. Bij het ongeval reed [geïntimeerde] met een snelheid van tussen de 61 en 68 kilometer per uur, terwijl maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan. 3.5. [geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van [geïntimeerde] als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam (Rb. Amsterdam, 23 juni 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:3176). 3.6. In artikel 7 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [appellant] schade die met opzet is veroorzaakt of het gevolg is van roekeloosheid niet betaalt. Het artikel luid Artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer dat schade die het gevolg is van roekeloosheid van dekking is uitgesloten. Omdat [geïntimeerde] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat [appellant] alleen de schade op [geïntimeerde] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164). Hiervoor is in deze zaak allereerst bepalend of de schade is ontstaan door roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het is aan [appellant] de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd. 6.5. Het hof is met partijen van oordeel dat voor de uitleg van het begrip roekeloosheid van artikel 7 van de polisvoorwaarden aangesloten dient te worden bij dat begrip in art. 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Dit artikel bepaalt dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. 6.6. Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld (HR 12 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:9, MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 19). Daarvan is ook sprake in geval van zogeheten onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn (MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, p. 13). De invulling van het begrip roekeloosheid wordt ingekleurd door het rechtsgebied waar het wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om aansprakelijkheid onder de WAM. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Dat is veelal aan de orde in het geval een bestuurder van een motorrijtuig een (verkeers)fout heeft gemaakt. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de (verplichte) WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt. 6.7. Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] roekeloosheid kan worden verweten, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [appellant] heeft in het bijzonder gewezen op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat het ongeval het gevolg is van roekeloosheid van [geïntimeerde] : - [geïntimeerde] reed in het donker met een gemiddelde snelheid van 61 tot 68 km/u op een van de drukste en gevaarlijkste verkeerslocaties van Amsterdam, gelegen in een uitgaansgebied, waar een maximumsnelheid van 50 km/u geldt en waarvan bekend is dat in het gebied ook na middernacht nog voetgangers en fietsers aanwezig zijn die mogelijk onder invloed van alcohol verkeren. - In plaats van af te remmen, nam zijn snelheid in de laatste 35 meter vóór de kruising toe tot tussen de 66 en 78 km/u; - [geïntimeerde] negeerde de aan beide zijden van de weg rood uitstralende verkeerslichten, terwijl deze op dat moment al meer dan 32 seconden op rood stonden; - De Stadhouderskade is vanaf de Overtoom een recht stuk rijbaan in de richting van de stoplichten en [geïntimeerde] heeft ongeveer vijf tot zes seconden ongehinderd en goed zicht gehad op de verkeerslichten; - [geïntimeerde] passeerde een voertuig op de linkerrijstrook dat wél voor rood licht stilstond; - [geïntimeerde] remde niet af voor een fietser die op dat moment door groen licht de kruising overstak; -