Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-14
ECLI:NL:GHAMS:2026:1043
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.353.985/01 zaaknummer rechtbank : C/15/348961 HA RK 24-16 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026 inzake (het bestuur van) de stichting [appellant] , gevestigd te [plaats 1] , appellant, advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , gevestigd te [plaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.M. Blanco Fernández te Amsterdam. Partijen worden hierna enerzijds het bestuur of de stichting genoemd en anderzijds het bisdom. 1 De zaak in het kort Het bestuur van de stichting wenst de statuten te wijzigen. Het bisdom, dat volgens de geldende statuten die wijziging moet goedkeuren, verzet zich daartegen. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de stichting een burgerlijke stichting is als bedoeld in artikel 2:285 BW of een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap , waarop de bepalingen van titel 6 van Boek 2 BW niet van toepassing zijn. De rechtbank heeft op verzoek van het bisdom voor recht verklaard dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het kerkgenootschap . 2 Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 28 april 2025, is het bestuur in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Noord-Holland op 31 januari 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven. Op 4 augustus 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van het bisdom ingekomen. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 laten toelichten, het bestuur door mr. J. van der Steenhoven voornoemd, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, en het bisdom door mr. J.M. Blanco Fernández voornoemd. Uitspraak is (nader) bepaald op heden. 3 Feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1. De stichting heeft in [plaats 1] sinds het einde van de 19e eeuw een begraafplaats in eigendom en in beheer. Het doel van de stichting volgens de huidige statuten is – kort gezegd – ervoor zorg te dragen dat rooms-katholieke ingezetenen, behorende tot één van de [plaats 1] parochies, in gewijde aarde en volgens de voorschriften van de Rooms-Katholieke Kerk kunnen worden begraven. 3.2. In 1853 is in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. In 1855 is ingevoerd het Algemeen Reglement voor de Besturen der Parochiale en andere Katholijke Instellingen van Liefdadigheid in het Bisdom van [plaats 2] (hierna: het AR 1855). Daarin is onder meer het volgende bepaald: “(…) EERSTE HOOFDSTUK. ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 1. Het katholijke armwezen en de daaruit voortgevloeide of daarmede verband houdende instellingen van liefdadigheid, staan in de geheele uitgestrektheid van het Bisdom, onder het kerkelijk gezag en oppertoezigt van den Bisschop. De bestuurders dezer instellingen zijn aan hem verantwoordelijk wegens hun beheer. Zij nemen de bepalingen in acht, welke bij dit reglement zijn voorgeschreven. Art. 2. De katholijke armenverzorging geschiedt, ter eere Gods, uit liefde tot den naaste, door het beoefenen van geestelijke en ligchamelijke werken van barmhartigheid. Art. 3. De verschillende katholijke inrigtingen van armenverzorging worden, in betrekking tot de toepassing van dit reglement, onderscheiden in twee klassen , namelijk: 1º. Parochiale en 2º. Niet parochiale . Parochiale inrigtingen zijn die, welke voor de behoeften van het parochiaal armwezen in het algemeen, als zoodanig door den Bisschop ingestelde of bevestigd worden, om, voor rekening der parochie of uit daartoe aan haar verstrekte middelen, te voorzien in den nood der in de parochie aanwezige armen en hulpbehoevenden. Zij worden beheerd door het parochiaal Armbestuur . Alle overige inrigtingen van armenverzorging maken de klasse der niet parochiale uit, en worden in dit reglement genoemd bijzondere instellingen of inrigtingen van liefdadigheid . Hare inrigting en haar bestuur regelen zich naar hare eigen stichtingsbrieven, stat 10.000,-- conditioneel hebben aangekocht, waarvan na den aanleg van de begraafplaats, omstreeks drie-vierde gedeelte zal kunnen verhuurd worden; en dat zij, alvorens bij burgemeester en wethouder verlof aan te vragen tot aanleg van eene begraafplaats, verlangen en eerbiedig verzoeken door [naam ] als Commissie voor gemeld doel erkend en tot een en ander geauthoriseerd te worden, onder belofte dat zij 1o vóór het effectueren der zaak een reglement aan de goedkeuring van [naam ] onderwerpen zullen, en 2o jaarlijks rekening en verantwoording aan [naam ] zullen overleggen. Met verschuldigde hoogachting en eerbied noemen zij zich van [naam ] de onderdanigste dienaren, (…) 3.7. De vicaris-generaal heeft op 5 mei 1887 de verzochte erkenning verleend en het volgende geschreven: “(…) Met genoegen hebben wij met uw schrijven van den 4e dezer uw plan vernomen om u tot eene Commissie te vormen voor aanleg en beheer van een RK Begraafplaats ter uwe stede, waarmede aan het godsdienstig verlangen der Katholieken van [plaats 1] zal voldaan worden. Volgaarne geven wij dan ook onze goedkeuring aan dat plan en erkennen uwe nu reeds bij deze als Commissie voor aanleg en beheer eener R.K. Begraafplaats te [plaats 1] en alzoo als een onder bisschoppelijk oppertoezigt gezag staande kerkelijke instelling; terwijl wij u tevens in die hoedanigheid magtigen om de noodige stappen bij Heeren Burgemeester en Wethouders te doen, ten einde de bij Art. 14 der Wet van 10 april 1869 gevorderde vergunning tot de aanleg der Begraafplaats te erlangen. Overigens geven wij onze goedkeuring aan den reeds bij voorbaat gedane aankoop van terrein en magtigen wij u verder tot alles wat aanvankelijk voor uw doel noodig is. Uw nader vast te stellen Reglement, dat u belooft ons ter goedkeuring te zullen toezenden, zullen wij binnen kort te gemoet zien. (…)” 3.8. Bij besluit van 27 juni 1887 van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1] is onder meer het volgende bepaald: “(…) Burgemeester en Wethouders van [plaats 1] gezien het verzoek van de heeren (…), bij bisschoppelijk besluit van 5 mei jo aangesteld tot eene commissie voor aanleg eener roomsch katholiek begraafplaats te [plaats 1] , om vergunning tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats voor roomsch katholieken (…); Overwegende dat tegen het aanleggen dezer bijzondere begraafsplaats geen enkel bezwaar bestaat, zijnde voorschreven stuk land op geruimen afstand van de bebouwde kom dezer gemeente gelegen; Gelet op artikel 14, 16 en 18 der wet van 10 april 1869 / Staatsblad no 65 / tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisrechten; Besluiten: I. aan genoemde heeren de gevraagde vergunning te verlenen, onder bepaling dat deze begraafplaats afgesloten worde met inachtneming van het bij artikel 18 der aangehaalde wet (…).” 3.9. Bij oprichting van de stichting op 8 juli 1887 is onder meer het volgende opgenomen in de (handgeschreven) statuten: “(…) Artikel 2. Het doel der Stichting is bij voortduring te zorgen dat de Roomsch Katholieke ingezetenen, behoorende tot de parochiën van [plaats 1] , op gewijde aarde en volgens de voorschriften der Roomsch Katholieke Kerk kunnen worden begraven. Daartoe zal uit en met de fondsen of eigendommen der Stichting worden aangelegd een afzonderlijk kerkhof voor Roomsch Katholieken. De wijze waarop verder het doel der Stichting zal worden bereikt en de voorwaarden waarop eventueel de begraving op [onleesbaar] den, zoomede het aan derden afstaan van het recht van begraven in eene bepaalde grafruimte, zullen door het Bestuur der Stichting bij afzonderlijke reglementen worden bepaald. Deze reglementen zullen niet van kracht zijn, tenzij goedge [onleesbaar] digheid den Bisschop van [plaats 2] of diens wettigen plaatsbekleeder. Zoo daarin niet door andere Besturen is voorzien, zullen aan arme geloofsgenooten, wanneer de fondsen dit toelaten, vanwege de Stichting kosteloos grafruimte worden afgestaan. Artikel 3. De St Ieder bisdom wordt bovendien verdeeld in op zich zelf staande districten, die uit verschillende parochiën bestaan, en decanaten genoemd worden (…). V. In ieder bisdom zijn een of meer seminariën (…). VI. Naast de inrichting der bisdommen, parochiën enz. bestaan er door het bevoegde kerkelijk gezag erkende gemeenschappen, (…) welke onderscheiden worden in religieuse orden en congregaties (…). VII. Alle andere instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den R.K. godsdienst ten doel hebben, worden niet als onderdeelen van het R.K. Kerkgenootschap beschouwd, indien zij niet door den Bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zoodanig wettig zijn erkend (can. 100 § 1). (…) 5. Bestuur der R.K. Instellingen van liefdadigheid. De R.K. Instellingen van Liefdadigheid worden bestuurd volgens het voor elk bisdom van kracht zijnde Algemeene reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid. (…)” 3.13. Op 2 september 1964 is het Algemeen Reglement voor katholieke instellingen op charitatief en maatschappelijk gebied in de Nederlandse R.K. Kerkprovincie (hierna: het AR 1965) vastgesteld. Het AR 1965 houdt onder meer in dat: de op charitatief en maatschappelijke gebied bestaande katholieke, zowel parochiale als niet-parochiale, instellingen van liefdadigheid, worden geregeerd door een voor ieder bisdom geldend Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid; dat de omstandigheden zich op dit gebied zodanig hebben gewijzigd, dat het gewenst is een nieuwe regeling te treffen; dat de bestaande voor ieder bisdom geldende reglementen worden vervangen door één regeling die geldt voor de hele Nederlandse R.K. Kerkprovincie. In artikel 2 AR 1965 is bepaald: “Onder katholieke instellingen wordt in dit Reglement verstaan iedere instelling die zich ten doel stelt de hulpbehoevende medemens te helpen en de naam katholiek voert of op andere wijze als katholieke instelling optreedt.” Artikel 4 AR 1965 luidt: “Deze katholieke instellingen worden onderscheiden in kerkelijke en niet kerkelijke. De kerkelijke instellingen zijn die instellingen, die door het bevoegde kerkelijk gezag zijn ingesteld, of door hetzelve als zodanig erkend. Krachtens deze instelling of erkenning zijn zij een onderdeel van het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland. De overige instellingen zijn niet-kerkelijke instellingen.” De in het AR 1965 opgenomen overgangsbepaling luidt: “De katholieke niet-parochiale instellingen van liefdadigheid, bedoeld in (…) het bij dit besluit opgeheven “Algemeen Reglement voor de Besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid” worden bij het in werking treden van dit Reglement beschouwd als katholieke niet-kerkelijke instelling, met uitzondering van de instelling die door de bisschop als kerkelijke instelling is opgericht of als zodanig erkend.” 3.14. In 1978 zijn ter vervanging van het AR 1965 de Algemene Bepalingen 1978 voor katholieke instellingen op pastoraal, charitatief of maatschappelijk gebied of op het terrein van onderwijs of vorming in de R.K. Kerkprovincie in Nederland (hierna: de AB 1978) van kracht geworden. In artikel 3 daarvan is bepaald dat kerkelijke instellingen zijn de kerkelijke rechtspersonen, die door de bisschoppenconferentie of bisschop(-pen) zijn opgericht of als zodanig zijn erkend, dat erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, en dat zij krachtens deze oprichting of erkenning zelfstandig onderdeel zijn van het R.K. Kerkgenootschap en uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid bezitten. In artikel 6 is onder meer bepaald dat een wijziging van de statuten in een notariële akte wordt vastgelegd waarin wordt vermeld dat de kerkelijke instelling een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het reglement van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland. 3.15. In 1983 is de CIC 1983 ingevoerd ter vervanging van d De stichting is een publieke kerkelijke rechtspersoon in de zin van canon 116 paragraaf 1 van de Codex Juris Canonici, als bedoeld in artikel 10 van de Algemene bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, en bezit als zodanig rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht op grond van artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek. 3. De Algemene Bepalingen voor Kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, voor de laatste maal vastgesteld door de Bisschoppenconferentie van RK Kerkprovincie op twaalf/dertien december negentienhonderd vier en negentig, zijn van toepassing op de rechtspersoon.” 3.20. Het bestuur van de stichting wenst de statuten te wijzigen en heeft daarvoor conceptstatuten laten opstellen. Het bisdom heeft geweigerd de voor de statutenwijziging benodigde goedkeuring te verlenen. 4 Eerste Aanleg 4.1. Het bestuur heeft in eerste aanleg, samengevat, verzocht om bij beschikking de huidige statuten van de stichting te wijzigen zodat daarin niet langer is bepaald dat de stichting een publieke kerkelijke rechtspersoon is waarop de AB 1995 van toepassing zijn, althans ontheffing te verlenen van het vereiste van bisschoppelijke goedkeuring voor deze wijziging. 4.2. Het bisdom heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om, samengevat, bij beschikking voor recht te verklaren dat de stichting een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is in de vorm van een publieke kerkelijke rechtspersoon als bedoeld in canon 116 paragraaf 1 van de CIC 1983. 4.3. De rechtbank heeft in de beschikking, voor zover relevant, (het bestuur van) de stichting niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek omdat de stichting moet worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW niet van toepassing zijn en, op het tegenverzoek, voor recht verklaard dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de vorm van een publieke kerkelijke rechtspersoon als bedoeld in canon 116 paragraaf 1 van de CIC 1983. 5 Beoordeling 5.1. ( Het bestuur van) de stichting heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en tot het alsnog toewijzen van het verzoek en afwijzen van tegenverzoek van het bisdom, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van het bisdom in de proceskosten van beide instanties. 5.2. Het bisdom heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de stichting in de proceskosten, met begroting van de nakosten. 5.3. Met grief 1 bestrijdt het bestuur de vaststelling van de feiten. Uit deze grief volgt echter niet waarom de vastgestelde feiten onjuist zouden zijn, zodat deze grief faalt. Grief 2 kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, zoals volgt uit de beoordeling hierna. Met grieven 3 t/m 19 richt het bestuur zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de stichting moet worden beschouwd als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW – die ten grondslag liggen aan het verzoek van het bestuur – niet van toepassing zijn. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 5.4. Het hof stelt voorop dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid bezitten, zo volgt uit artikel 2:2 lid 1 BW. Ook vóór de invoering van Boek 2 in 1976 werd algemeen aangenomen dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersonen waren. Kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functio Daardoor konden burgemeester en wethouders het verlof – gelet op het bepaalde in artikel 14 van de wet van 1869 – niet weigeren. 5.11. De oprichting van de stichting, op 8 juli 1887, is in lijn met het bepaalde in artikel 49 van het AR 1855. Het in de statuten beschreven doel (artikel 2), te weten de aanleg en het beheer van een kerkhof voor rooms-katholieken, waarbij onder meer is voorzien in kosteloze grafruimte voor arme geloofsgenoten, bevestigt dat de stichting binnen bereik viel van (artikel 1 van) het AR 1855. De bepalingen van de statuten met betrekking tot onder meer de goedkeuring van benoeming van bestuurders, de bevoegdheid tot het aangaan van rechtshandelingen en het beschikken over (onroerende) goederen, het jaarlijks doen van rekening en verantwoording, en bisschoppelijke bekrachtiging van wijziging van de statuten (zie 3.9) zijn in lijn met de voorschriften van het AR 1855 (zie 3.2) en bevestigen dat de stichting onder gezag van de bisschop kwam te staan. 5.12. Op grond van het voorgaande, en gelet op wat voortvloeit uit het bepaalde in de statuten en het AR 1855 over de organisatie en bevoegdheden van de stichting en de gezagsverhouding met de bisschop, is het hof van oordeel dat de stichting ten tijde van haar oprichting diende te worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap . Wat het bestuur voor het overige heeft aangevoerd, legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. 5.13. Uit de canonieke regelgeving die nadien is ingevoerd, en die eveneens tot het statuut van het R.K. Kerkgenootschap behoort, volgt dat de stichting nog steeds als zodanig heeft te gelden. Gelet op het bepaalde in artikel VII van het reglement van 1927 gold de stichting vanwege de erkenning van de bisschop als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap . Op grond van artikel 4 en de overgangsbepaling van het AR 1965 was de stichting een kerkelijke instelling. Volgens artikel 3 van de AB 1978 was de stichting een kerkelijke instelling die krachtens de bisschoppelijke erkenning zelfstandig onderdeel was van het R.K Kerkgenootschap. Gelet op het bepaalde in de artikelen 2, 10 en 39 van de AB 1995 is de stichting sindsdien aan te merken als een publieke kerkelijke rechtspersoon en als zodanig zelfstandig onderdeel van het R.K Kerkgenootschap. Het bepaalde in artikel 1 lid 2 van de statuten van de stichting, zoals gewijzigd in 2010, is daarmee in overeenstemming. 5.14. Het hof is, op grond van het voorgaande, van oordeel dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K Kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, en geen burgerlijke stichting in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW. De artikelen 2:8 en 2:294 BW, die het bestuur ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek tot wijziging van de statuten, zijn daarom niet van toepassing. De rechtbank heeft onder 5.23 daarom terecht geconcludeerd dat het verzoek van het bestuur van de stichting moet worden afgewezen. De grieven falen in zoverre. In haar beslissing heeft de rechtbank vervolgens onder 6.1 de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen grief gericht. Waar het aan de burgerlijke rechter is om te beoordelen of de stichting kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap (vgl. Hof Amsterdam, 30 juni 2020, GHAMS:2020:1834, (Maagdenhuis) rov. 3.7), moet het ervoor worden gehouden dat de stichting wel ontvankelijk was in haar verzoek. In zoverre kleeft er een gebrek aan de beslissing van de rechtbank. Nu dit geen gevolgen heeft, laat het hof dit verder rusten. 5.15. Het tegenverzoek van het bisdom strekt tot het vaststellen van de rechtsverhouding tussen het bisdom en de stichting. Het bisdom heeft daarbij voldoende belang, aangezien deze rechtsverhouding, gelet op het verzoek van de stichting, in geschil is. Anders dan de stichting met grief 20 betoogt, blijft de door het bisdom gevraagde verklaring voor recht binnen de grenzen van artikel 2:2 lid 1 BW en is deze beperkt tot de