Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-14
ECLI:NL:GHAMS:2026:1033
Civiel recht
Hoger beroep
27,754 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 text/xml public 2026-05-19T08:55:40 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-14 200.312.990/01 en 200.314.187/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 text/html public 2026-05-19T08:54:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 Gerechtshof Amsterdam , 14-04-2026 / 200.312.990/01 en 200.314.187/01 Kopje voor publicatie: Vennootschap uit Chequepoint-concern is na schadestaatprocedure veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens schending voorkeursbeding in huurovereenkomst. De vordering is niet voldaan. Volgens benadeelde partij hebben betrokkenen bij het Chequepoint-concern als feitelijk beleidsbepalers bewerkstelligd dat zijn vordering onbetaald is gebleven en zijn zij daarom persoonlijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof vernietigt en wijst de vorderingen alsnog af GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummers : 200.312.990/01 en 200.314.187/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/701021/HA ZA 21-392 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026 in zaak 200.312.990/01 van [appellant 1] , wonend in [plaats 1] , Verenigde Arabische Emiraten, appellant, advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, tegen de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde] , laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te [plaats 3] , geïntimeerden, advocaat: mr. H.J. Bos te De Woude, en in zaak 200.314.187/01 van [appellant 2] in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap naar buitenlands recht van wijlen [naam 1] , wonende te [plaats 2] , Verenigd Koninkrijk, appellant, advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, tegen de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde] , laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te [plaats 3] , geïntimeerden, advocaat: mr. H.J. Bos te De Woude. Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] en de erven [geïntimeerde] of [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort Deze zaak is een uitvloeisel van een geschil tussen wijlen [geïntimeerde] en Carigna Investment N.V., een vennootschap uit het Chequepoint-concern. Carigna is na een schadestaatprocedure veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , maar diens vordering is niet voldaan. Volgens [geïntimeerde] hebben de oprichter van het Chequepoint-concern, wijlen [naam 1] , en diens zoon [appellant 1] als feitelijk beleidsbepalers van Carigna bewerkstelligd dat zijn vordering onbetaald is gebleven en zijn zij daarom persoonlijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. 2 Het geding in hoger beroep in zaak 200.312.990/01 [appellant 1] is bij dagvaarding van 16 mei 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [appellant 1] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens incidenteel verzoek tot schorsing van uitvoerbaar bij voorraadverklaring, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 21 maart 2023 heeft het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring van het bestreden vonnis afgewezen, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord tevens incidenteel verzoek tot het stellen van zekerheid, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 10 oktober 2023 heeft het hof [appellant 1] bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte uitlaten zekerheidstelling van de erven [geïntimeerde] - akte mededeling cessie van de erven [geïntimeerde] - antwoordakte van [appellant 1] , met producties - rolbeslissing van 17 september 2024 - akte van de erven [geïntimeerde] , met producties - antwoordakte van [appellant 1] , met productie - akte van de erven [geïntimeerde] , met productie - antwoordakte van [appellant 1] , met productie - rolbeslissing van 12 mei 2025, waarbij onder meer is bepaald dat beide zaken op de rol gevoegd zullen worden behandeld - akte rectificatie van [appellant 1] . in zaak 200.314.187/01 [appellant 2] is bij dagvaarding van 28 juli 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [naam 1] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens incidenteel verzoek tot schorsing van uitvoerbaar bij voorraadverklaring, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 21 maart 2023 heeft het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis afgewezen, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord tevens vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, met producties - antwoordakte van [appellant 2] - akte mededeling cessie van de erven [geïntimeerde] - antwoordakte van [appellant 2] , met producties - rolbeslissing van 17 september 2024 - akte van de erven [geïntimeerde] , met producties - antwoordakte van [appellant 2] , met productie - akte van de erven [geïntimeerde] , met productie - antwoordakte van [appellant 2] , met productie - rolbeslissing van 12 mei 2025, waarbij onder meer is bepaald dat beide zaken op de rol gevoegd zullen worden behandeld. Op 2 februari 2026 heeft in beide zaken gelijktijdig een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak doen toelichten door hun advocaten, voornoemd, en de erven [geïntimeerde] mede door mr. D.H.S. Hulsewé, advocaat te De Woude. De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd. Ten slotte is in beide zaken arrest gevraagd. 3 Feiten Het hof gaat, in beide zaken, uit van de volgende feiten. 3.1. Carigna Investments N.V. (hierna: Carigna), een vennootschap naar het recht van Curaçao, was eigenaar van een gebouw op [straat 1] en [straat 2] in [plaats 3] (hierna: het pand). Carigna dreef een geldwisselkantoor in het pand onder de naam Chequepoint, en had daarnaast filialen in andere landen. Carigna maakte deel uit van het Chequepoint-concern, een wereldwijde onderneming gericht op geldovermakings- en geldwisselactiviteiten met hoofdkantoor in [plaats 2] . 3.2. Het Chequepoint-concern werd opgericht door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [appellant 1] is een zoon van [naam 1] en is werkzaam geweest binnen het Chequepoint-concern ( [naam 1] en [appellant 1] worden hierna gezamenlijk [appellant 1] c.s. genoemd). [appellant 2] is ook een zoon van [naam 1] 3.3. Sinds 1988 huurde [geïntimeerde] van Carigna een deel van het pand. Het gehuurde werd gebruikt in het kader van de exploitatie van het aan [straat 2] gelegen Rho-hotel. De huurovereenkomst bevatte een voorkeursrecht van koop ten gunste van [geïntimeerde] : "Verhuurder verplicht zich om bij voorgenomen verkoop het perceel allereerst aan huurder te koop aan te bieden. Indien huurder de aanbiedingsprijs te hoog vindt, doch wel wenst te kopen, zal hij binnen 14 dagen een tegenvoorstel aan verhuurder doen. Indien verhuurder niet op dit tegenvoorstel ingaat, is verhuurder niet gerechtigd het pand aan derden te verkopen tegen gelijke of lagere kondities, alvorens het onderhavige pand wederom te hebben aangeboden." 3.4. In december 1998 heeft Carigna het pand te koop aangeboden voor fl 3.000.000,- k.k. [geïntimeerde] heeft een tegenvoorstel gedaan van eerst fl 1.000.000,- en daarna fl 1.200.000,- k.k. Carigna heeft dit tegenvoorstel niet aanvaard. Carigna heeft het pand daarna, zonder dit nog eens aan [geïntimeerde] aan te bieden, aan derden verkocht voor fl 2.610.866,- k.k. en op 5 februari 1999 aan deze derden geleverd. 3.5.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 text/xml public 2026-05-19T08:55:40 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-14 200.312.990/01 en 200.314.187/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 text/html public 2026-05-19T08:54:46 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1033 Gerechtshof Amsterdam , 14-04-2026 / 200.312.990/01 en 200.314.187/01 Kopje voor publicatie: Vennootschap uit Chequepoint-concern is na schadestaatprocedure veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens schending voorkeursbeding in huurovereenkomst. De vordering is niet voldaan. Volgens benadeelde partij hebben betrokkenen bij het Chequepoint-concern als feitelijk beleidsbepalers bewerkstelligd dat zijn vordering onbetaald is gebleven en zijn zij daarom persoonlijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof vernietigt en wijst de vorderingen alsnog af GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel) zaaknummers : 200.312.990/01 en 200.314.187/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/701021/HA ZA 21-392 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026 in zaak 200.312.990/01 van [appellant 1] , wonend in [plaats 1] , Verenigde Arabische Emiraten, appellant, advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, tegen de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde] , laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te [plaats 3] , geïntimeerden, advocaat: mr. H.J. Bos te De Woude, en in zaak 200.314.187/01 van [appellant 2] in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap naar buitenlands recht van wijlen [naam 1] , wonende te [plaats 2] , Verenigd Koninkrijk, appellant, advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, tegen de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [geïntimeerde] , laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te [plaats 3] , geïntimeerden, advocaat: mr. H.J. Bos te De Woude. Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] en de erven [geïntimeerde] of [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort Deze zaak is een uitvloeisel van een geschil tussen wijlen [geïntimeerde] en Carigna Investment N.V., een vennootschap uit het Chequepoint-concern. Carigna is na een schadestaatprocedure veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , maar diens vordering is niet voldaan. Volgens [geïntimeerde] hebben de oprichter van het Chequepoint-concern, wijlen [naam 1] , en diens zoon [appellant 1] als feitelijk beleidsbepalers van Carigna bewerkstelligd dat zijn vordering onbetaald is gebleven en zijn zij daarom persoonlijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. 2 Het geding in hoger beroep in zaak 200.312.990/01 [appellant 1] is bij dagvaarding van 16 mei 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [appellant 1] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens incidenteel verzoek tot schorsing van uitvoerbaar bij voorraadverklaring, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 21 maart 2023 heeft het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring van het bestreden vonnis afgewezen, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord tevens incidenteel verzoek tot het stellen van zekerheid, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 10 oktober 2023 heeft het hof [appellant 1] bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte uitlaten zekerheidstelling van de erven [geïntimeerde] - akte mededeling cessie van de erven [geïntimeerde] - antwoordakte van [appellant 1] , met producties - rolbeslissing van 17 september 2024 - akte van de erven [geïntimeerde] , met producties - antwoordakte van [appellant 1] , met productie - akte van de erven [geïntimeerde] , met productie - antwoordakte van [appellant 1] , met productie - rolbeslissing van 12 mei 2025, waarbij onder meer is bepaald dat beide zaken op de rol gevoegd zullen worden behandeld - akte rectificatie van [appellant 1] . in zaak 200.314.187/01 [appellant 2] is bij dagvaarding van 28 juli 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 mei 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [naam 1] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens incidenteel verzoek tot schorsing van uitvoerbaar bij voorraadverklaring, met producties - conclusie van antwoord in incident. Bij arrest van 21 maart 2023 heeft het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het bestreden vonnis afgewezen, en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord tevens vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, met producties - antwoordakte van [appellant 2] - akte mededeling cessie van de erven [geïntimeerde] - antwoordakte van [appellant 2] , met producties - rolbeslissing van 17 september 2024 - akte van de erven [geïntimeerde] , met producties - antwoordakte van [appellant 2] , met productie - akte van de erven [geïntimeerde] , met productie - antwoordakte van [appellant 2] , met productie - rolbeslissing van 12 mei 2025, waarbij onder meer is bepaald dat beide zaken op de rol gevoegd zullen worden behandeld. Op 2 februari 2026 heeft in beide zaken gelijktijdig een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak doen toelichten door hun advocaten, voornoemd, en de erven [geïntimeerde] mede door mr. D.H.S. Hulsewé, advocaat te De Woude. De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd. Ten slotte is in beide zaken arrest gevraagd. 3 Feiten Het hof gaat, in beide zaken, uit van de volgende feiten. 3.1. Carigna Investments N.V. (hierna: Carigna), een vennootschap naar het recht van Curaçao, was eigenaar van een gebouw op [straat 1] en [straat 2] in [plaats 3] (hierna: het pand). Carigna dreef een geldwisselkantoor in het pand onder de naam Chequepoint, en had daarnaast filialen in andere landen. Carigna maakte deel uit van het Chequepoint-concern, een wereldwijde onderneming gericht op geldovermakings- en geldwisselactiviteiten met hoofdkantoor in [plaats 2] . 3.2. Het Chequepoint-concern werd opgericht door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [appellant 1] is een zoon van [naam 1] en is werkzaam geweest binnen het Chequepoint-concern ( [naam 1] en [appellant 1] worden hierna gezamenlijk [appellant 1] c.s. genoemd). [appellant 2] is ook een zoon van [naam 1] 3.3. Sinds 1988 huurde [geïntimeerde] van Carigna een deel van het pand. Het gehuurde werd gebruikt in het kader van de exploitatie van het aan [straat 2] gelegen Rho-hotel. De huurovereenkomst bevatte een voorkeursrecht van koop ten gunste van [geïntimeerde] : "Verhuurder verplicht zich om bij voorgenomen verkoop het perceel allereerst aan huurder te koop aan te bieden. Indien huurder de aanbiedingsprijs te hoog vindt, doch wel wenst te kopen, zal hij binnen 14 dagen een tegenvoorstel aan verhuurder doen. Indien verhuurder niet op dit tegenvoorstel ingaat, is verhuurder niet gerechtigd het pand aan derden te verkopen tegen gelijke of lagere kondities, alvorens het onderhavige pand wederom te hebben aangeboden." 3.4. In december 1998 heeft Carigna het pand te koop aangeboden voor fl 3.000.000,- k.k. [geïntimeerde] heeft een tegenvoorstel gedaan van eerst fl 1.000.000,- en daarna fl 1.200.000,- k.k. Carigna heeft dit tegenvoorstel niet aanvaard. Carigna heeft het pand daarna, zonder dit nog eens aan [geïntimeerde] aan te bieden, aan derden verkocht voor fl 2.610.866,- k.k. en op 5 februari 1999 aan deze derden geleverd. 3.5.
Volledig
[geïntimeerde] heeft Carigna aansprakelijk gesteld voor schending van het voorkeursbeding. Op 21 mei 1999 heeft hij Carigna gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en een verklaring voor recht gevorderd dat Carigna jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge de met hem gesloten huurovereenkomst rustende verplichtingen, alsmede veroordeling van Carigna tot vergoeding van de door hem als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. 3.6. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van de vordering van kennis te nemen en de zaak verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter stelde vast Carigna niet was verschenen en heeft bij vonnis van 18 mei 2001 de vordering van [geïntimeerde] tot verklaring voor recht dat Carigna jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge de huurovereenkomst rustende verplichtingen en tot veroordeling van Carigna tot vergoeding aan [geïntimeerde] van de door hem als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, als niet weersproken toegewezen. 3.7. In hoger beroep heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 28 januari 2004 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De rechtbank was van oordeel dat Carigna gehouden was het pand voor de koopsom van f 2.610.866,- k.k. eerst aan [geïntimeerde] aan te bieden, wat niet gebeurd was, en dat Carigna daarom het voorkeursbeding van artikel 18 had geschonden. 3.8. Als gevolg van een besluit van 12 oktober 2004 van De Nederlandsche Bank (DNB) is Carigna haar vergunning om als geldtransactiekantoor in Nederland actief te zijn, kwijtgeraakt met ingang van 15 oktober 2004. 3.9. Bij arrest van 24 juni 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT3498) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen het vonnis van 28 januari 2004 verworpen. 3.10. Op 3 oktober 2005 heeft [geïntimeerde] een schadestaat aan Carigna laten betekenen, en daarbij zijn schade begroot op € 1 miljoen wegens gederfde winst en op € 2 miljoen wegens gemiste vermogensvermeerdering van het pand, tezamen € 3 miljoen, te vermeerderen met kosten en wettelijke handelsrente, in totaal € 4.407.568,53. 3.11. Bij vonnis van 12 mei 2010 heeft de kantonrechter Carigna veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag aan schadevergoeding te betalen van € 3.858.411,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, en met veroordeling van Carigna in de proceskosten. Bij arrest van 12 februari 2013 heeft dit hof het tussen [geïntimeerde] en Carigna gewezen vonnis bekrachtigd (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6675). Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld. 3.12. Op 17 mei 2013 heeft de krant Het Financieele Dagblad (hierna: het FD) een artikel geplaatst over [naam 1] en [appellant 1] . De kop luidt “Nederlandse ondernemer jaagt op miljoenen van Chequepoint-keten” met als subkop "Britse eigenaar geldwisselkantoren zou verstoppertje spelen voor zijn schuldeiser". In het artikel staat onder meer, en voor zover hier van belang: "Een onderneming van de steenrijke Brits-Indische geldwisselaren [appellant 2] en [appellant 1] is de Nederlandse zakenman [geïntimeerde] al een jaar of tien vele miljoenen schuldig. Om precies te zijn: € 12.476.447,04. Dat is het bedrag met rente waartoe de schuld van de [appellant 1] op 31 mei zal zijn opgelopen. (…) Uiteenlopende Nederlandse rechters hebben vastgesteld dat [geïntimeerde] recht op het geld heeft. (…) Maandag verliep de laatste kans voor de [appellant 1] om in cassatie te gaan. Daarmee is het nu onherroepelijk: [appellant 1] moet [geïntimeerde] nog € 12,5 mln betalen voor een vastgoedtransactie. (…) Het imperium van de [appellant 1] bestaat volgens Bos uit zeker een honderdtal ondernemingen. 'Die zijn vrijwel allemaal gevestigd op verschillende offshore-locaties. Eén van die bedrijven is Carigna.' Dat is het bedrijf dat de Nederlandse zakenman de miljoenen schuldig is. (…) 'Daaruit blijkt dat Chequepoint indirect aandeelhouder is van Carigna. En het Britse House of Lords heeft vastgesteld dat [appellant 1] de feitelijke beleidsbepaler is van Chequepoint’. [Bos] concludeert dat Chequepoint-eigenaar [appellant 1] zijn cliënt de miljoenen schuldig is. (…) Advocaat Bos probeert nu een doorbraak te forceren. Komende week laat hij in Groot-Brittannië [appellant 2] en [appellant 1] persoonlijk dagvaarden om de verschuldigde € 12,5 mln aan zijn cliënt uit te betalen.” Het artikel bevat een aantal citaten van uitspraken van de advocaat van [geïntimeerde] , mr. Bos, die hij tegenover de journalist heeft gedaan. [geïntimeerde] advocaat heeft het artikel op de website van zijn advocatenkantoor geplaatst. Het artikel was ten tijde van het instellen van de eis in reconventie op 12 mei 2021 nog op de website van het FD te raadplegen. 3.13. Bij e-mail van 21 mei 2013 heeft mr. Van den Bosch het volgende bericht aan mr. Bos: “Namens cliënten de heren [appellant 2] [appellant 1] en Stephan [appellant 1] bericht ik u als volgt. Vorige week 17 mei 2013 verscheen in het Financieele Dagblad het artikel "Nederlandse ondernemen jaagt op miljoenen van Chequepoint-keten". Het artikel staat vol met evidente onjuistheden en is bijzonder schadelijk voor cliënten. Uit het artikel blijkt dat de onjuiste informatie in het artikel uit uw koker komt. (…)” 3.14. [naam 1] is op 26 augustus 2018 overleden. 3.15. [geïntimeerde] is op 28 september 2021 overleden. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1. De procedure bij de rechtbank is ingeleid bij dagvaarding van 18 december 2014. [geïntimeerde] heeft, in conventie, gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat [appellant 1] c.s. onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld; 2. [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] van € 3.858.411,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en in totaal € 282.964,36 aan (proces)kosten; 3. [appellant 1] c.s. veroordeelt in de proceskosten en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. 4.2. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. als feitelijk beleidsbepalers van Carigna hebben bewerkstelligd dat zij haar betalingsverplichtingen tegenover [geïntimeerde] niet nakomt, en dat hen van dit handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. 4.3. [appellant 1] heeft, in reconventie, gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] met het instellen van zijn vordering(en) tegen [appellant 1] misbruik van procesrecht maakt, althans onrechtmatig handelt; 2. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] geen vordering(en) op [appellant 1] heeft en dat [appellant 1] aan [geïntimeerde] niets verschuldigd is; 3. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] met het in het FD laten publiceren (en online beschikbaar laten maken en houden) van een artikel waarin door zijn advocaat wordt meegedeeld dat [geïntimeerde] een vordering op [appellant 1] persoonlijk had, onrechtmatig tegenover [appellant 1] handelt en aansprakelijk is voor de door hem [appellant 1] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade; 4. [geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant 1] als gevolg van de onder 2 en 3 omschreven onrechtmatige gedragingen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente; 5. [geïntimeerde] veroordeelt in de werkelijke kosten van de procedure. 4.4. De rechtbank heeft, na een reeks tussenvonnissen over haar bevoegdheid, bij het bestreden vonnis voor recht verklaard dat [appellant 1] c.s. onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] hebben gehandeld. De rechtbank heeft, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 3.858.411,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 februari 1999 tot aan de dag van de volledige betaling, en tot betaling van bedragen van € 23.942,80, € 24.010,71 en € 220.777,28 aan gemaakte kosten. [appellant 1] c.s. zijn veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft de vordering in reconventie van [appellant 1] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. 5 Vordering in hoger beroep in zaak 200.312.990/01 5.1.
Volledig
[geïntimeerde] heeft Carigna aansprakelijk gesteld voor schending van het voorkeursbeding. Op 21 mei 1999 heeft hij Carigna gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en een verklaring voor recht gevorderd dat Carigna jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge de met hem gesloten huurovereenkomst rustende verplichtingen, alsmede veroordeling van Carigna tot vergoeding van de door hem als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. 3.6. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van de vordering van kennis te nemen en de zaak verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter stelde vast Carigna niet was verschenen en heeft bij vonnis van 18 mei 2001 de vordering van [geïntimeerde] tot verklaring voor recht dat Carigna jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar ingevolge de huurovereenkomst rustende verplichtingen en tot veroordeling van Carigna tot vergoeding aan [geïntimeerde] van de door hem als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, als niet weersproken toegewezen. 3.7. In hoger beroep heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 28 januari 2004 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De rechtbank was van oordeel dat Carigna gehouden was het pand voor de koopsom van f 2.610.866,- k.k. eerst aan [geïntimeerde] aan te bieden, wat niet gebeurd was, en dat Carigna daarom het voorkeursbeding van artikel 18 had geschonden. 3.8. Als gevolg van een besluit van 12 oktober 2004 van De Nederlandsche Bank (DNB) is Carigna haar vergunning om als geldtransactiekantoor in Nederland actief te zijn, kwijtgeraakt met ingang van 15 oktober 2004. 3.9. Bij arrest van 24 juni 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT3498) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen het vonnis van 28 januari 2004 verworpen. 3.10. Op 3 oktober 2005 heeft [geïntimeerde] een schadestaat aan Carigna laten betekenen, en daarbij zijn schade begroot op € 1 miljoen wegens gederfde winst en op € 2 miljoen wegens gemiste vermogensvermeerdering van het pand, tezamen € 3 miljoen, te vermeerderen met kosten en wettelijke handelsrente, in totaal € 4.407.568,53. 3.11. Bij vonnis van 12 mei 2010 heeft de kantonrechter Carigna veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag aan schadevergoeding te betalen van € 3.858.411,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, en met veroordeling van Carigna in de proceskosten. Bij arrest van 12 februari 2013 heeft dit hof het tussen [geïntimeerde] en Carigna gewezen vonnis bekrachtigd (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6675). Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld. 3.12. Op 17 mei 2013 heeft de krant Het Financieele Dagblad (hierna: het FD) een artikel geplaatst over [naam 1] en [appellant 1] . De kop luidt “Nederlandse ondernemer jaagt op miljoenen van Chequepoint-keten” met als subkop "Britse eigenaar geldwisselkantoren zou verstoppertje spelen voor zijn schuldeiser". In het artikel staat onder meer, en voor zover hier van belang: "Een onderneming van de steenrijke Brits-Indische geldwisselaren [appellant 2] en [appellant 1] is de Nederlandse zakenman [geïntimeerde] al een jaar of tien vele miljoenen schuldig. Om precies te zijn: € 12.476.447,04. Dat is het bedrag met rente waartoe de schuld van de [appellant 1] op 31 mei zal zijn opgelopen. (…) Uiteenlopende Nederlandse rechters hebben vastgesteld dat [geïntimeerde] recht op het geld heeft. (…) Maandag verliep de laatste kans voor de [appellant 1] om in cassatie te gaan. Daarmee is het nu onherroepelijk: [appellant 1] moet [geïntimeerde] nog € 12,5 mln betalen voor een vastgoedtransactie. (…) Het imperium van de [appellant 1] bestaat volgens Bos uit zeker een honderdtal ondernemingen. 'Die zijn vrijwel allemaal gevestigd op verschillende offshore-locaties. Eén van die bedrijven is Carigna.' Dat is het bedrijf dat de Nederlandse zakenman de miljoenen schuldig is. (…) 'Daaruit blijkt dat Chequepoint indirect aandeelhouder is van Carigna. En het Britse House of Lords heeft vastgesteld dat [appellant 1] de feitelijke beleidsbepaler is van Chequepoint’. [Bos] concludeert dat Chequepoint-eigenaar [appellant 1] zijn cliënt de miljoenen schuldig is. (…) Advocaat Bos probeert nu een doorbraak te forceren. Komende week laat hij in Groot-Brittannië [appellant 2] en [appellant 1] persoonlijk dagvaarden om de verschuldigde € 12,5 mln aan zijn cliënt uit te betalen.” Het artikel bevat een aantal citaten van uitspraken van de advocaat van [geïntimeerde] , mr. Bos, die hij tegenover de journalist heeft gedaan. [geïntimeerde] advocaat heeft het artikel op de website van zijn advocatenkantoor geplaatst. Het artikel was ten tijde van het instellen van de eis in reconventie op 12 mei 2021 nog op de website van het FD te raadplegen. 3.13. Bij e-mail van 21 mei 2013 heeft mr. Van den Bosch het volgende bericht aan mr. Bos: “Namens cliënten de heren [appellant 2] [appellant 1] en Stephan [appellant 1] bericht ik u als volgt. Vorige week 17 mei 2013 verscheen in het Financieele Dagblad het artikel "Nederlandse ondernemen jaagt op miljoenen van Chequepoint-keten". Het artikel staat vol met evidente onjuistheden en is bijzonder schadelijk voor cliënten. Uit het artikel blijkt dat de onjuiste informatie in het artikel uit uw koker komt. (…)” 3.14. [naam 1] is op 26 augustus 2018 overleden. 3.15. [geïntimeerde] is op 28 september 2021 overleden. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1. De procedure bij de rechtbank is ingeleid bij dagvaarding van 18 december 2014. [geïntimeerde] heeft, in conventie, gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat [appellant 1] c.s. onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld; 2. [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] van € 3.858.411,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en in totaal € 282.964,36 aan (proces)kosten; 3. [appellant 1] c.s. veroordeelt in de proceskosten en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. 4.2. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. als feitelijk beleidsbepalers van Carigna hebben bewerkstelligd dat zij haar betalingsverplichtingen tegenover [geïntimeerde] niet nakomt, en dat hen van dit handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. 4.3. [appellant 1] heeft, in reconventie, gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] met het instellen van zijn vordering(en) tegen [appellant 1] misbruik van procesrecht maakt, althans onrechtmatig handelt; 2. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] geen vordering(en) op [appellant 1] heeft en dat [appellant 1] aan [geïntimeerde] niets verschuldigd is; 3. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] met het in het FD laten publiceren (en online beschikbaar laten maken en houden) van een artikel waarin door zijn advocaat wordt meegedeeld dat [geïntimeerde] een vordering op [appellant 1] persoonlijk had, onrechtmatig tegenover [appellant 1] handelt en aansprakelijk is voor de door hem [appellant 1] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade; 4. [geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant 1] als gevolg van de onder 2 en 3 omschreven onrechtmatige gedragingen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente; 5. [geïntimeerde] veroordeelt in de werkelijke kosten van de procedure. 4.4. De rechtbank heeft, na een reeks tussenvonnissen over haar bevoegdheid, bij het bestreden vonnis voor recht verklaard dat [appellant 1] c.s. onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] hebben gehandeld. De rechtbank heeft, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 3.858.411,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 februari 1999 tot aan de dag van de volledige betaling, en tot betaling van bedragen van € 23.942,80, € 24.010,71 en € 220.777,28 aan gemaakte kosten. [appellant 1] c.s. zijn veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft de vordering in reconventie van [appellant 1] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. 5 Vordering in hoger beroep in zaak 200.312.990/01 5.1.
Volledig
[appellant 1] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen van de erven [geïntimeerde] afwijst en de vorderingen van [appellant 1] toewijst, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de erven [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten met nakosten en rente. 5.2. De erven [geïntimeerde] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant 1] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten met nakosten en rente. in zaak 200.314.187/01 5.3. [appellant 2] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen van de erven [geïntimeerde] afwijst met veroordeling van de erven [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten met nakosten en rente. 5.4. De erven [geïntimeerde] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant 2] althans tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant 2] in de proceskosten met nakosten en rente. 5.5. In beide zaken stellen de erven [geïntimeerde] in hoger beroep, op dezelfde grondslag, ook vergoeding te vorderen van de kosten van het hoger beroep in de zaak tegen Carigna omdat deze kosten niet zijn betaald. 6 Beoordeling Ontvankelijkheid / partijen 6.1.1. Het hof dient ambtshalve te onderzoeken in hoeverre partijen ontvankelijk zijn in hoger beroep; tijdens de procedure in eerste aanleg zijn aan beide zijden procespartijen overleden. Volgens vaste rechtspraak is van openbare orde of en voor wie een rechtsmiddel openstaat en ten opzichte van welke partijen een rechtsmiddel en de daarop gedane uitspraak werking kunnen hebben. Dit staat niet ter vrije bepaling van partijen. 6.1.2. De bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel komt in beginsel slechts toe aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden. Uitgangspunt is dat de procespartijen in een volgende instantie dezelfde moeten zijn als in de vorige instantie. Op het uitgangspunt dat de procespartijen in hoger beroep dezelfde moeten zijn als in eerste aanleg, moet een uitzondering worden gemaakt in geval van partijwisseling door rechtsopvolging. Hoger beroep moet dan worden ingesteld door of tegen de rechtsopvolger van de oorspronkelijke partij. 6.1.3. Oorspronkelijk gedaagde partij [naam 1] is in de loop van de procedure in eerste aanleg overleden. Hoger beroep tegen het bestreden vonnis is ingesteld door [appellant 2] “in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap naar buitenlands recht van wijlen [naam 1] ”. De vraag is of daarmee hoger beroep is ingesteld door de rechtsopvolger van [naam 1] Deze vraag moet worden beantwoord naar het recht dat van toepassing is op de erfopvolging in de nalatenschap van [naam 1] 6.1.4. [naam 1] is in 2018 in het Verenigd Koninkrijk overleden. De Erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012) geeft het voor die situatie geldende recht. Op grond van de Erfrechtverordening geldt dat bij gebreke van een rechtskeuze, op de erfopvolging van toepassing is het recht van de staat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had (artikelen 20 en 21 lid 1). Dit recht regelt onder andere de bevoegdheden van de erfgenamen, van de executeurs-testamentair en van andere beheerders van de nalatenschap (artikel 23 lid 2 sub f). Het toepasselijk recht omvat het internationaal privaatrecht van dat land (artikel 34). Volgens [appellant 2] is er geen testament en is er geen rechtskeuze gemaakt, en was de laatste feitelijke verblijfplaats van [naam 1] in [plaats 2] . Dit heeft [geïntimeerde] niet weersproken. Dit betekent dat in beginsel Engels recht van toepassing is op de nalatenschap. Naar Engels internationaal privaatrecht is in beginsel Engels recht van toepassing als de overledene ten tijde van zijn overlijden woonplaats ( domicile ) had in Engeland. Hoewel [naam 1] niet is geboren in Engeland, zoals [appellant 2] stelt, en Engeland dus niet zijn domicile of origin was, geldt dat iemands domicile of origin wordt vervangen door iemands domicile of choice als iemand in een ander land dan zijn domicile of origin verblijft met de intentie in dat andere land permanent of voor onbepaalde tijd te blijven. Gelet op de stellingen van [appellant 2] dat [naam 1] in 2005 vanuit België is verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en vanaf 2005 kantoor heeft gehouden op het hoofdkantoor van Chequepoint te [plaats 2] , en dat ook zijn laatste feitelijke verblijfplaats was, welke stellingen [geïntimeerde] niet heeft weersproken, gaat het hof ervan uit dat [naam 1] ten tijde van zijn overlijden woonplaats ( domicile ) had in Engeland, zodat op de erfopvolging in zijn nalatenschap Engels recht van toepassing is. 6.1.5. Naar Engels erfrecht is er bij overlijden van een natuurlijke persoon geen rechtsopvolging onder algemene titel. Het vermogen van de nalatenschap is afgescheiden van dat van de erfgenamen en wordt in beginsel beheerd door een executor (bij testament aangewezen) of administrator (als zodanig door de rechter benoemd bij gebreke van een executor ). Er is dus geen gemeenschap met erfgenamen als deelgenoten. Aangezien er geen testament is, kan er dus geen executor zijn aangesteld; hooguit kan er sprake zijn van een administrator (hierna: beheerder). Volgens [appellant 2] is er momenteel niemand belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Van de zijde van [geïntimeerde] is dit ter zitting in hoger beroep betwist, waarbij is verwezen naar het feit dat in een Ierse procedure een Nigeriaanse advocaat als beheerder van de nalatenschap is aangesteld. Dat betrof echter een administrator ad litem wiens bevoegdheden beperkt waren tot die procedure en niet gesteld of gebleken is dat die voor het overige is belast met het beheer van de nalatenschap. [appellant 2] heeft ter zitting bij het hof toegelicht dat de erfgenamen doende zijn geweest met de aanstelling van een beheerder voor de afwikkeling van de nalatenschap, dat de erfgenamen het niet eens zijn over wie als beheerder moet worden benoemd, en dat de benoemingsprocedure sindsdien stil ligt. Deze stellingen heeft [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof ervan uitgaat dat er geen beheerder is voor de nalatenschap die haar in rechte kan vertegenwoordigen. 6.1.6. Indien hangende een procedure een partij overlijdt en er geen beheerder is van de nalatenschap, voorziet het Engels (proces)recht erin dat de zaaksrechter bepaalt dat de procedure wordt voortgezet zonder aanwezigheid van een persoon die de nalatenschap vertegenwoordigt of dat een dergelijke persoon door de zaaksrechter voor de procedure wordt aangewezen. Bij de beslissing daarover is van belang of sprake is van een gezamenlijk belang van degene die in de procedure optreedt voor de nalatenschap en de andere belanghebbenden bij de nalatenschap, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de wijze waarop wordt geprocedeerd ook de belangen dient van de betrokkenen die geen procespartij zijn (High Court of Justice in Bourlakova & Ors v Bourlakov & Ors [2024] EWHC 765 (Ch)). Een uitspraak is vervolgens bindend voor de nalatenschap. Het Nederlands recht kent in de regels voor zaakwaarneming (artikel 6:198 e.v. BW) eveneens de mogelijkheid dat een partij zich, al dan niet in eigen naam, inlaat met de behartiging van eens anders belang zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen. Er is naar het oordeel van het hof daarom naar Engels en Nederlands (proces)recht in dit geval geen beletsel voor het optreden in eigen naam van [appellant 2] als procespartij ten behoeve van de nalatenschap. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. [naam 1] was als gedaagde betrokken in de procedure op het moment dat hij overleed. De erfgenamen zijn door [geïntimeerde] gedagvaard en verschenen in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 7 september 2016 en 26 september 2018, zodat ze bekend kunnen worden verondersteld met de procedure die heeft geleid tot het bestreden vonnis.
Volledig
[appellant 1] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen van de erven [geïntimeerde] afwijst en de vorderingen van [appellant 1] toewijst, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de erven [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten met nakosten en rente. 5.2. De erven [geïntimeerde] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant 1] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten met nakosten en rente. in zaak 200.314.187/01 5.3. [appellant 2] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de vorderingen van de erven [geïntimeerde] afwijst met veroordeling van de erven [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten met nakosten en rente. 5.4. De erven [geïntimeerde] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant 2] althans tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant 2] in de proceskosten met nakosten en rente. 5.5. In beide zaken stellen de erven [geïntimeerde] in hoger beroep, op dezelfde grondslag, ook vergoeding te vorderen van de kosten van het hoger beroep in de zaak tegen Carigna omdat deze kosten niet zijn betaald. 6 Beoordeling Ontvankelijkheid / partijen 6.1.1. Het hof dient ambtshalve te onderzoeken in hoeverre partijen ontvankelijk zijn in hoger beroep; tijdens de procedure in eerste aanleg zijn aan beide zijden procespartijen overleden. Volgens vaste rechtspraak is van openbare orde of en voor wie een rechtsmiddel openstaat en ten opzichte van welke partijen een rechtsmiddel en de daarop gedane uitspraak werking kunnen hebben. Dit staat niet ter vrije bepaling van partijen. 6.1.2. De bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel komt in beginsel slechts toe aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden. Uitgangspunt is dat de procespartijen in een volgende instantie dezelfde moeten zijn als in de vorige instantie. Op het uitgangspunt dat de procespartijen in hoger beroep dezelfde moeten zijn als in eerste aanleg, moet een uitzondering worden gemaakt in geval van partijwisseling door rechtsopvolging. Hoger beroep moet dan worden ingesteld door of tegen de rechtsopvolger van de oorspronkelijke partij. 6.1.3. Oorspronkelijk gedaagde partij [naam 1] is in de loop van de procedure in eerste aanleg overleden. Hoger beroep tegen het bestreden vonnis is ingesteld door [appellant 2] “in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap naar buitenlands recht van wijlen [naam 1] ”. De vraag is of daarmee hoger beroep is ingesteld door de rechtsopvolger van [naam 1] Deze vraag moet worden beantwoord naar het recht dat van toepassing is op de erfopvolging in de nalatenschap van [naam 1] 6.1.4. [naam 1] is in 2018 in het Verenigd Koninkrijk overleden. De Erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012) geeft het voor die situatie geldende recht. Op grond van de Erfrechtverordening geldt dat bij gebreke van een rechtskeuze, op de erfopvolging van toepassing is het recht van de staat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had (artikelen 20 en 21 lid 1). Dit recht regelt onder andere de bevoegdheden van de erfgenamen, van de executeurs-testamentair en van andere beheerders van de nalatenschap (artikel 23 lid 2 sub f). Het toepasselijk recht omvat het internationaal privaatrecht van dat land (artikel 34). Volgens [appellant 2] is er geen testament en is er geen rechtskeuze gemaakt, en was de laatste feitelijke verblijfplaats van [naam 1] in [plaats 2] . Dit heeft [geïntimeerde] niet weersproken. Dit betekent dat in beginsel Engels recht van toepassing is op de nalatenschap. Naar Engels internationaal privaatrecht is in beginsel Engels recht van toepassing als de overledene ten tijde van zijn overlijden woonplaats ( domicile ) had in Engeland. Hoewel [naam 1] niet is geboren in Engeland, zoals [appellant 2] stelt, en Engeland dus niet zijn domicile of origin was, geldt dat iemands domicile of origin wordt vervangen door iemands domicile of choice als iemand in een ander land dan zijn domicile of origin verblijft met de intentie in dat andere land permanent of voor onbepaalde tijd te blijven. Gelet op de stellingen van [appellant 2] dat [naam 1] in 2005 vanuit België is verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en vanaf 2005 kantoor heeft gehouden op het hoofdkantoor van Chequepoint te [plaats 2] , en dat ook zijn laatste feitelijke verblijfplaats was, welke stellingen [geïntimeerde] niet heeft weersproken, gaat het hof ervan uit dat [naam 1] ten tijde van zijn overlijden woonplaats ( domicile ) had in Engeland, zodat op de erfopvolging in zijn nalatenschap Engels recht van toepassing is. 6.1.5. Naar Engels erfrecht is er bij overlijden van een natuurlijke persoon geen rechtsopvolging onder algemene titel. Het vermogen van de nalatenschap is afgescheiden van dat van de erfgenamen en wordt in beginsel beheerd door een executor (bij testament aangewezen) of administrator (als zodanig door de rechter benoemd bij gebreke van een executor ). Er is dus geen gemeenschap met erfgenamen als deelgenoten. Aangezien er geen testament is, kan er dus geen executor zijn aangesteld; hooguit kan er sprake zijn van een administrator (hierna: beheerder). Volgens [appellant 2] is er momenteel niemand belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Van de zijde van [geïntimeerde] is dit ter zitting in hoger beroep betwist, waarbij is verwezen naar het feit dat in een Ierse procedure een Nigeriaanse advocaat als beheerder van de nalatenschap is aangesteld. Dat betrof echter een administrator ad litem wiens bevoegdheden beperkt waren tot die procedure en niet gesteld of gebleken is dat die voor het overige is belast met het beheer van de nalatenschap. [appellant 2] heeft ter zitting bij het hof toegelicht dat de erfgenamen doende zijn geweest met de aanstelling van een beheerder voor de afwikkeling van de nalatenschap, dat de erfgenamen het niet eens zijn over wie als beheerder moet worden benoemd, en dat de benoemingsprocedure sindsdien stil ligt. Deze stellingen heeft [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof ervan uitgaat dat er geen beheerder is voor de nalatenschap die haar in rechte kan vertegenwoordigen. 6.1.6. Indien hangende een procedure een partij overlijdt en er geen beheerder is van de nalatenschap, voorziet het Engels (proces)recht erin dat de zaaksrechter bepaalt dat de procedure wordt voortgezet zonder aanwezigheid van een persoon die de nalatenschap vertegenwoordigt of dat een dergelijke persoon door de zaaksrechter voor de procedure wordt aangewezen. Bij de beslissing daarover is van belang of sprake is van een gezamenlijk belang van degene die in de procedure optreedt voor de nalatenschap en de andere belanghebbenden bij de nalatenschap, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de wijze waarop wordt geprocedeerd ook de belangen dient van de betrokkenen die geen procespartij zijn (High Court of Justice in Bourlakova & Ors v Bourlakov & Ors [2024] EWHC 765 (Ch)). Een uitspraak is vervolgens bindend voor de nalatenschap. Het Nederlands recht kent in de regels voor zaakwaarneming (artikel 6:198 e.v. BW) eveneens de mogelijkheid dat een partij zich, al dan niet in eigen naam, inlaat met de behartiging van eens anders belang zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen. Er is naar het oordeel van het hof daarom naar Engels en Nederlands (proces)recht in dit geval geen beletsel voor het optreden in eigen naam van [appellant 2] als procespartij ten behoeve van de nalatenschap. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. [naam 1] was als gedaagde betrokken in de procedure op het moment dat hij overleed. De erfgenamen zijn door [geïntimeerde] gedagvaard en verschenen in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 7 september 2016 en 26 september 2018, zodat ze bekend kunnen worden verondersteld met de procedure die heeft geleid tot het bestreden vonnis.
Volledig
De identiteit van de erfgenamen is bij beide partijen bekend, zo volgt uit de memorie van antwoord van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep tegen de tussenvonnissen. Er is geen beheerder die bevoegd is om voor de nalatenschap in deze procedure op te treden. Er zijn geen aanwijzingen dat de belangen van [appellant 2] en (de overige erfgenamen in) de nalatenschap, wat betreft de vorderingen die in deze procedure aan de orde zijn, niet gelijk lopen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het verweer van [appellant 2] tegen de vorderingen van [geïntimeerde] ook in het belang is van de nalatenschap. Het is daarom gerechtvaardigd dat [appellant 2] de belangen van de nalatenschap behartigt en in deze procedure als procespartij ten behoeve van de nalatenschap optreedt, waarbij de nalatenschap als materiële procespartij gebonden is aan dit arrest. 6.1.7. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, volgt uit de dagvaarding in hoger beroep – gelet op de aanduiding “in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap” – voldoende duidelijk dat [appellant 2] niet optreedt voor zichzelf maar in eigen naam ten behoeve van de nalatenschap van [naam 1] Dit is bovendien consistent met de aanduiding van zijn hoedanigheid in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen. 6.1.8. Uit het voorgaande volgt dat [appellant 2] ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis. 6.1.9. Aan de zijde van de erven [geïntimeerde] volgt uit de rolbeslissing van 12 mei 2025 – over een cessie van de vordering van de erven [geïntimeerde] aan een derde – dat in beide zaken wordt voortgeprocedeerd op naam van de erven [geïntimeerde] , bij welke beslissing de erven [geïntimeerde] zich naar eigen zeggen hebben neergelegd. Bevoegdheid en toepasselijk recht 6.2.1. De vorderingen van [geïntimeerde] jegens [naam 1] zijn gegrond op onrechtmatige daad, waarbij het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan aangezien [geïntimeerde] destijds woonplaats had in [plaats 3] . De Nederlandse rechter is daarom bevoegd op grond van artikel 5 lid 3 van Verordening (EG) nr. 44/2001. Ook ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellant 1] is de Nederlandse rechter bevoegd, gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening (EG) nr. 44/2001 en artikelen 6 sub e en 7 lid 1 Rv. Ten aanzien van de vorderingen in reconventie van [appellant 1] is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Rv. 6.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op alle vorderingen. Dit is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Vorderingen [geïntimeerde] 6.3.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aan zijn vordering jegens [appellant 1] c.s. ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, door als feitelijk beleidsbepalers van Carigna te bewerkstelligen dat Carigna haar betalingsverplichting jegens hem niet nakomt en die verplichting inmiddels niet meer kan nakomen. Van dit handelen/nalaten kan [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. [appellant 1] c.s. hadden Carigna een voorziening moeten laten treffen voor de vordering van [geïntimeerde] , zeker toen steeds duidelijker kwam vast te staan dat Carigna [geïntimeerde] schadevergoeding zou moeten betalen. In ieder geval tot 2005 was voldoende vermogen bij Carigna aanwezig om de vordering van [geïntimeerde] te kunnen voldoen en daarvoor een voorziening te treffen. [appellant 1] c.s. hebben dat echter niet gedaan en hebben Carigna leeggehaald, althans het vermogen van de vennootschap over de wereld verschoven teneinde het aan executie te onttrekken, aldus [geïntimeerde] . 6.3.2. [appellant 1] c.s. betwisten dat zij als feitelijk beleidsbepalers van Carigna kunnen worden aangemerkt. Ze betwisten daarnaast dat Carigna gehouden was een voorziening te treffen voor de vordering van [geïntimeerde] , en ook dat hen van het achterwege blijven daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ten slotte betwisten zij vermogen aan de vennootschap te hebben onttrokken. 6.3.3. Het hof stelt voorop dat ter zake van de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Dezelfde maatstaf voor aansprakelijkheid geldt op grond van artikel 6:162 BW voor een feitelijk beleidsbepaler, dat wil zeggen degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. 6.3.4. Daaruit volgt dat voor aansprakelijkheid hoe dan ook moet komen vast te staan dat [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. 6.3.5. Wat betreft het verwijt dat [appellant 1] c.s. het er niet toe hebben geleid dat Carigna een voorziening heeft getroffen voor de vordering van [geïntimeerde] , stelt het hof het volgende voorop. Als Curaçaose naamloze vennootschap gold voor Carigna de regel dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht moet geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap (Landsverordening van de 29ste december 2003 houdende vaststelling van de tekst van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 116 lid 4). Hierbij is van belang dat op de balans voorzieningen kunnen worden opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. Voor zover [geïntimeerde] ervan uitgaat dat met het opnemen van een voorziening in de jaarrekening de vennootschap ook daadwerkelijk een bedrag opzij moet zetten, miskent dit dat het hier (slechts) gaat om een boekhoudkundige raming aan de passiefzijde. 6.3.6. Ten aanzien van het bestaan van een betalingsverplichting van Carigna jegens [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant 1] c.s.
Volledig
De identiteit van de erfgenamen is bij beide partijen bekend, zo volgt uit de memorie van antwoord van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep tegen de tussenvonnissen. Er is geen beheerder die bevoegd is om voor de nalatenschap in deze procedure op te treden. Er zijn geen aanwijzingen dat de belangen van [appellant 2] en (de overige erfgenamen in) de nalatenschap, wat betreft de vorderingen die in deze procedure aan de orde zijn, niet gelijk lopen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het verweer van [appellant 2] tegen de vorderingen van [geïntimeerde] ook in het belang is van de nalatenschap. Het is daarom gerechtvaardigd dat [appellant 2] de belangen van de nalatenschap behartigt en in deze procedure als procespartij ten behoeve van de nalatenschap optreedt, waarbij de nalatenschap als materiële procespartij gebonden is aan dit arrest. 6.1.7. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, volgt uit de dagvaarding in hoger beroep – gelet op de aanduiding “in zijn hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap” – voldoende duidelijk dat [appellant 2] niet optreedt voor zichzelf maar in eigen naam ten behoeve van de nalatenschap van [naam 1] Dit is bovendien consistent met de aanduiding van zijn hoedanigheid in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen. 6.1.8. Uit het voorgaande volgt dat [appellant 2] ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis. 6.1.9. Aan de zijde van de erven [geïntimeerde] volgt uit de rolbeslissing van 12 mei 2025 – over een cessie van de vordering van de erven [geïntimeerde] aan een derde – dat in beide zaken wordt voortgeprocedeerd op naam van de erven [geïntimeerde] , bij welke beslissing de erven [geïntimeerde] zich naar eigen zeggen hebben neergelegd. Bevoegdheid en toepasselijk recht 6.2.1. De vorderingen van [geïntimeerde] jegens [naam 1] zijn gegrond op onrechtmatige daad, waarbij het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan aangezien [geïntimeerde] destijds woonplaats had in [plaats 3] . De Nederlandse rechter is daarom bevoegd op grond van artikel 5 lid 3 van Verordening (EG) nr. 44/2001. Ook ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellant 1] is de Nederlandse rechter bevoegd, gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening (EG) nr. 44/2001 en artikelen 6 sub e en 7 lid 1 Rv. Ten aanzien van de vorderingen in reconventie van [appellant 1] is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Rv. 6.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op alle vorderingen. Dit is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Vorderingen [geïntimeerde] 6.3.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aan zijn vordering jegens [appellant 1] c.s. ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, door als feitelijk beleidsbepalers van Carigna te bewerkstelligen dat Carigna haar betalingsverplichting jegens hem niet nakomt en die verplichting inmiddels niet meer kan nakomen. Van dit handelen/nalaten kan [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. [appellant 1] c.s. hadden Carigna een voorziening moeten laten treffen voor de vordering van [geïntimeerde] , zeker toen steeds duidelijker kwam vast te staan dat Carigna [geïntimeerde] schadevergoeding zou moeten betalen. In ieder geval tot 2005 was voldoende vermogen bij Carigna aanwezig om de vordering van [geïntimeerde] te kunnen voldoen en daarvoor een voorziening te treffen. [appellant 1] c.s. hebben dat echter niet gedaan en hebben Carigna leeggehaald, althans het vermogen van de vennootschap over de wereld verschoven teneinde het aan executie te onttrekken, aldus [geïntimeerde] . 6.3.2. [appellant 1] c.s. betwisten dat zij als feitelijk beleidsbepalers van Carigna kunnen worden aangemerkt. Ze betwisten daarnaast dat Carigna gehouden was een voorziening te treffen voor de vordering van [geïntimeerde] , en ook dat hen van het achterwege blijven daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ten slotte betwisten zij vermogen aan de vennootschap te hebben onttrokken. 6.3.3. Het hof stelt voorop dat ter zake van de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Dezelfde maatstaf voor aansprakelijkheid geldt op grond van artikel 6:162 BW voor een feitelijk beleidsbepaler, dat wil zeggen degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. 6.3.4. Daaruit volgt dat voor aansprakelijkheid hoe dan ook moet komen vast te staan dat [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. 6.3.5. Wat betreft het verwijt dat [appellant 1] c.s. het er niet toe hebben geleid dat Carigna een voorziening heeft getroffen voor de vordering van [geïntimeerde] , stelt het hof het volgende voorop. Als Curaçaose naamloze vennootschap gold voor Carigna de regel dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht moet geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap (Landsverordening van de 29ste december 2003 houdende vaststelling van de tekst van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 116 lid 4). Hierbij is van belang dat op de balans voorzieningen kunnen worden opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. Voor zover [geïntimeerde] ervan uitgaat dat met het opnemen van een voorziening in de jaarrekening de vennootschap ook daadwerkelijk een bedrag opzij moet zetten, miskent dit dat het hier (slechts) gaat om een boekhoudkundige raming aan de passiefzijde. 6.3.6. Ten aanzien van het bestaan van een betalingsverplichting van Carigna jegens [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant 1] c.s.
Volledig
sinds het schenden van het voorkeursbeding in 1999 op de hoogte waren van de vordering van [geïntimeerde] en dat het, na het vonnis van de kantonrechter van 18 mei 2001, zeer waarschijnlijk was dat Carigna schadevergoeding verschuldigd zou zijn aan [geïntimeerde] , welke verplichting na het vonnis in hoger beroep van 28 januari 2004 en het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005 kwam vast te staan. 6.3.7. Het hof overweegt dat uit het feit dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen niet zonder meer volgt dat Carigna schadevergoeding verschuldigd zou zijn aan [geïntimeerde] . De vordering was in de desbetreffende procedure immers toegewezen omdat Carigna niet was verschenen (zie 3.6). In het daaropvolgende hoger beroep heeft Carigna kennelijk het standpunt ingenomen dat de verkoop van het pand aan derden niet in strijd was met het voorkeursbeding. Gelet op de inhoud van het voorkeursbeding (zie 3.2) en de voorstellen die tussen [geïntimeerde] en Carigna zijn gedaan (zie 3.3) was dat geen onverdedigbaar standpunt, wat rechtvaardigt dat hangende deze procedure geen voorziening is getroffen gelet op de daarvoor vereiste mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van een betalingsverplichting. 6.3.8. Bovendien is voor het treffen van een voorziening vereist dat het bedrag betrouwbaar kan worden geschat. [geïntimeerde] heeft in dit verband gesteld dat een vordering ter hoogte van minstens de koopprijs waarvoor het pand aan de derden is verkocht, in de rede lag. Daarin volgt het hof [geïntimeerde] niet. Als het pand aan [geïntimeerde] was aangeboden voor die prijs en [geïntimeerde] dit had aanvaard, dan had [geïntimeerde] dit bedrag moeten betalen voor het pand. Daaruit volgt niet zonder meer dat [geïntimeerde] , bij verkoop door Carigna van het pand aan derden, schade zou leiden en wat de omvang van die schade zou zijn. Niet is gesteld dat [geïntimeerde] aan Carigna inzicht heeft gegeven in de omvang van de schade die hij meende te lijden gedurende de procedure over schending van het voorkeursbeding. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt dat niet eerder dan bij het betekenen van de schadestaat op 3 oktober 2005 bij Carigna aanspraak is gemaakt op een (globaal) bedrag aan schadevergoeding. Concrete feiten waaruit volgt dat Carigna al (veel) eerder een betrouwbare schatting kon maken van de omvang van de schadevergoeding waarop [geïntimeerde] aanspraak maakte, heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Ook om deze reden was aan de voorwaarden voor het treffen van een voorziening, in elk geval tot aan het moment van betekenen van de globale schadestaat op 3 oktober 2005, niet voldaan. 6.3.9. Wat betreft de financiële positie van Carigna in de desbetreffende periode hebben [appellant 1] c.s. toegelicht dat Carigna sinds de invoering van de euro in 2002 circa tweederde van haar omzet uit geldwisselactiviteiten had verloren, en dat dit heeft geleid tot aanzienlijke verliezen in de jaren nadien. [appellant 1] c.s. stellen dat Carigna haar onderneming tot eind 2004 heeft voortgezet. Zij heeft tot dat moment huur betaald voor haar kantoren, het salaris van haar werknemers en andere operationele kosten voldaan. Ook heeft Carigna, conform afspraken met groepsmaatschappijen, gedeeld in verliezen van joint ventures die zij had met deze maatschappijen. Vervolgens heeft Carigna door het besluit van DNB van 12 oktober 2004 daarna (een deel van) haar activiteiten niet meer kunnen voortzetten en geen omzet of andere inkomsten meer kunnen genereren (afgezien van een boekhoudkundige omzet van € 109 in 2005). Zij heeft toen haar onderneming afgewikkeld, en daarbij hoge kosten gemaakt voor het afvloeien van personeel en beëindigen van de huurovereenkomst, en ten slotte haar activiteiten gestaakt. Bij gebrek aan middelen heeft Carigna de in 2010 aan [geïntimeerde] toegewezen schadevergoeding daarom niet kunnen betalen, aldus [appellant 1] c.s. 6.3.10. De stellingen van [appellant 1] c.s. over de financiële positie van Carigna worden bevestigd door de overgelegde voorlopige publicatiestukken 2000, Financial Statements 2000 en de overgelegde aangifte vennootschapsbelasting over 2005. Hieruit volgt dat Carigna in de jaren vanaf 2001 steeds meer verlies leed en dat haar eigen vermogen steeds negatiever werd. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat Carigna haar onderneming heeft gestaakt na het besluit van DNB van 12 oktober 2004. In 2005 had Carigna dus geen onderneming meer waaruit inkomsten te verwachten waren, terwijl de omvang van haar schulden op dat moment haar bezittingen overtroffen. Over de vraag of en zo ja hoeveel schadevergoeding Carigna aan [geïntimeerde] verschuldigd zou zijn, moest op dat moment nog worden geprocedeerd. Toen in het najaar van 2005 de schadestaat werd betekend, was er als gevolg van de hiervoor geschetste omstandigheden dus al geen sprake meer van een onderneming die omzet genereerde terwijl zij wel nog verplichtingen had, en had het opnemen van een voorziening in de boeken dus hoe dan ook geen zin meer. Het achterwege laten daarvan door bestuurders of feitelijk beleidsbepalers van Carigna kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet als zodanig onzorgvuldig ten opzichte van [geïntimeerde] worden aangemerkt dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het lag immers voor de hand dat Carigna met de nog aanwezige activa van haar opeisbare schulden zou voldoen, en het stond haar ook vrij om dat te doen. Enig reëel perspectief op het beschikbaar komen van middelen waarmee uiteindelijk een eventuele schadevergoeding aan [geïntimeerde] zou kunnen worden voldaan, was er niet. 6.3.11. [geïntimeerde] heeft de betrouwbaarheid van de door [appellant 1] c.s. overgelegde financiële stukken betwist, waaronder de legitimiteit van de door Carigna geboekte verliezen uit joint ventures. [geïntimeerde] heeft echter geen concrete feiten gesteld waaruit volgt dat deze verliezen niet voor rekening van Carigna behoorden te komen of dat deze of andere gegevens over de financiële positie van Carigna in de financiële stukken en de aangifte vennootschapsbelasting anderszins onjuist zijn. [geïntimeerde] heeft gesteld dat Carigna na 2004 nog over middelen beschikte en dat dit blijkt uit het feit dat zij betrokken is geweest in verschillende procedures en kennelijk geld had voor de juridische kosten daarvan. [appellant 1] c.s. hebben in dit verband toegelicht dat voor zover Carigna kosten heeft gemaakt in de desbetreffende procedures, deze kosten zijn gefinancierd door andere vennootschappen uit het Chequepoint-concern of door derden. Dit heeft [geïntimeerde] niet gemotiveerd weersproken. Het betalen van schulden door groepsvennootschappen is op zichzelf niet verboden. Daarmee kan uit het feit dat Carigna betrokken is geweest in deze procedures niet worden afgeleid dat Carigna naast de proceskostenfinanciering ook over middelen beschikte om de vordering van [geïntimeerde] te voldoen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Carigna of een aan haar gelieerde partij, na een faillissementsverzoek van [geïntimeerde] een steunvordering heeft voldaan, zoals [geïntimeerde] stelt. 6.3.12. [geïntimeerde] stelt verder dat [appellant 1] c.s. vermogen heeft onttrokken aan Carigna. In het kader hiervan stelt [geïntimeerde] dat [naam 1] in de periode 2001, 2002 en 2003 opdrachten gaf om vreemde valuta (van Carigna) af te storten bij groepsmaatschappijen Harada en Louise Management in verband met kosten, zonder daarvan specificaties te verstrekken aan Carigna. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat geen grondslag bestond voor deze stortingen of dat het gestelde handelen van [naam 1] , mede gelet op het feit dat in de desbetreffende periode het einde van de onderneming van Carigna nog niet werd voorzien, ten opzichte van [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig was dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen concrete feiten gesteld waaruit volgt dat [appellant 1] c.s. vermogen aan Carigna hebben onttrokken. 6.3.13.
Volledig
sinds het schenden van het voorkeursbeding in 1999 op de hoogte waren van de vordering van [geïntimeerde] en dat het, na het vonnis van de kantonrechter van 18 mei 2001, zeer waarschijnlijk was dat Carigna schadevergoeding verschuldigd zou zijn aan [geïntimeerde] , welke verplichting na het vonnis in hoger beroep van 28 januari 2004 en het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005 kwam vast te staan. 6.3.7. Het hof overweegt dat uit het feit dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen niet zonder meer volgt dat Carigna schadevergoeding verschuldigd zou zijn aan [geïntimeerde] . De vordering was in de desbetreffende procedure immers toegewezen omdat Carigna niet was verschenen (zie 3.6). In het daaropvolgende hoger beroep heeft Carigna kennelijk het standpunt ingenomen dat de verkoop van het pand aan derden niet in strijd was met het voorkeursbeding. Gelet op de inhoud van het voorkeursbeding (zie 3.2) en de voorstellen die tussen [geïntimeerde] en Carigna zijn gedaan (zie 3.3) was dat geen onverdedigbaar standpunt, wat rechtvaardigt dat hangende deze procedure geen voorziening is getroffen gelet op de daarvoor vereiste mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van een betalingsverplichting. 6.3.8. Bovendien is voor het treffen van een voorziening vereist dat het bedrag betrouwbaar kan worden geschat. [geïntimeerde] heeft in dit verband gesteld dat een vordering ter hoogte van minstens de koopprijs waarvoor het pand aan de derden is verkocht, in de rede lag. Daarin volgt het hof [geïntimeerde] niet. Als het pand aan [geïntimeerde] was aangeboden voor die prijs en [geïntimeerde] dit had aanvaard, dan had [geïntimeerde] dit bedrag moeten betalen voor het pand. Daaruit volgt niet zonder meer dat [geïntimeerde] , bij verkoop door Carigna van het pand aan derden, schade zou leiden en wat de omvang van die schade zou zijn. Niet is gesteld dat [geïntimeerde] aan Carigna inzicht heeft gegeven in de omvang van de schade die hij meende te lijden gedurende de procedure over schending van het voorkeursbeding. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt dat niet eerder dan bij het betekenen van de schadestaat op 3 oktober 2005 bij Carigna aanspraak is gemaakt op een (globaal) bedrag aan schadevergoeding. Concrete feiten waaruit volgt dat Carigna al (veel) eerder een betrouwbare schatting kon maken van de omvang van de schadevergoeding waarop [geïntimeerde] aanspraak maakte, heeft [geïntimeerde] niet gesteld. Ook om deze reden was aan de voorwaarden voor het treffen van een voorziening, in elk geval tot aan het moment van betekenen van de globale schadestaat op 3 oktober 2005, niet voldaan. 6.3.9. Wat betreft de financiële positie van Carigna in de desbetreffende periode hebben [appellant 1] c.s. toegelicht dat Carigna sinds de invoering van de euro in 2002 circa tweederde van haar omzet uit geldwisselactiviteiten had verloren, en dat dit heeft geleid tot aanzienlijke verliezen in de jaren nadien. [appellant 1] c.s. stellen dat Carigna haar onderneming tot eind 2004 heeft voortgezet. Zij heeft tot dat moment huur betaald voor haar kantoren, het salaris van haar werknemers en andere operationele kosten voldaan. Ook heeft Carigna, conform afspraken met groepsmaatschappijen, gedeeld in verliezen van joint ventures die zij had met deze maatschappijen. Vervolgens heeft Carigna door het besluit van DNB van 12 oktober 2004 daarna (een deel van) haar activiteiten niet meer kunnen voortzetten en geen omzet of andere inkomsten meer kunnen genereren (afgezien van een boekhoudkundige omzet van € 109 in 2005). Zij heeft toen haar onderneming afgewikkeld, en daarbij hoge kosten gemaakt voor het afvloeien van personeel en beëindigen van de huurovereenkomst, en ten slotte haar activiteiten gestaakt. Bij gebrek aan middelen heeft Carigna de in 2010 aan [geïntimeerde] toegewezen schadevergoeding daarom niet kunnen betalen, aldus [appellant 1] c.s. 6.3.10. De stellingen van [appellant 1] c.s. over de financiële positie van Carigna worden bevestigd door de overgelegde voorlopige publicatiestukken 2000, Financial Statements 2000 en de overgelegde aangifte vennootschapsbelasting over 2005. Hieruit volgt dat Carigna in de jaren vanaf 2001 steeds meer verlies leed en dat haar eigen vermogen steeds negatiever werd. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat Carigna haar onderneming heeft gestaakt na het besluit van DNB van 12 oktober 2004. In 2005 had Carigna dus geen onderneming meer waaruit inkomsten te verwachten waren, terwijl de omvang van haar schulden op dat moment haar bezittingen overtroffen. Over de vraag of en zo ja hoeveel schadevergoeding Carigna aan [geïntimeerde] verschuldigd zou zijn, moest op dat moment nog worden geprocedeerd. Toen in het najaar van 2005 de schadestaat werd betekend, was er als gevolg van de hiervoor geschetste omstandigheden dus al geen sprake meer van een onderneming die omzet genereerde terwijl zij wel nog verplichtingen had, en had het opnemen van een voorziening in de boeken dus hoe dan ook geen zin meer. Het achterwege laten daarvan door bestuurders of feitelijk beleidsbepalers van Carigna kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet als zodanig onzorgvuldig ten opzichte van [geïntimeerde] worden aangemerkt dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het lag immers voor de hand dat Carigna met de nog aanwezige activa van haar opeisbare schulden zou voldoen, en het stond haar ook vrij om dat te doen. Enig reëel perspectief op het beschikbaar komen van middelen waarmee uiteindelijk een eventuele schadevergoeding aan [geïntimeerde] zou kunnen worden voldaan, was er niet. 6.3.11. [geïntimeerde] heeft de betrouwbaarheid van de door [appellant 1] c.s. overgelegde financiële stukken betwist, waaronder de legitimiteit van de door Carigna geboekte verliezen uit joint ventures. [geïntimeerde] heeft echter geen concrete feiten gesteld waaruit volgt dat deze verliezen niet voor rekening van Carigna behoorden te komen of dat deze of andere gegevens over de financiële positie van Carigna in de financiële stukken en de aangifte vennootschapsbelasting anderszins onjuist zijn. [geïntimeerde] heeft gesteld dat Carigna na 2004 nog over middelen beschikte en dat dit blijkt uit het feit dat zij betrokken is geweest in verschillende procedures en kennelijk geld had voor de juridische kosten daarvan. [appellant 1] c.s. hebben in dit verband toegelicht dat voor zover Carigna kosten heeft gemaakt in de desbetreffende procedures, deze kosten zijn gefinancierd door andere vennootschappen uit het Chequepoint-concern of door derden. Dit heeft [geïntimeerde] niet gemotiveerd weersproken. Het betalen van schulden door groepsvennootschappen is op zichzelf niet verboden. Daarmee kan uit het feit dat Carigna betrokken is geweest in deze procedures niet worden afgeleid dat Carigna naast de proceskostenfinanciering ook over middelen beschikte om de vordering van [geïntimeerde] te voldoen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Carigna of een aan haar gelieerde partij, na een faillissementsverzoek van [geïntimeerde] een steunvordering heeft voldaan, zoals [geïntimeerde] stelt. 6.3.12. [geïntimeerde] stelt verder dat [appellant 1] c.s. vermogen heeft onttrokken aan Carigna. In het kader hiervan stelt [geïntimeerde] dat [naam 1] in de periode 2001, 2002 en 2003 opdrachten gaf om vreemde valuta (van Carigna) af te storten bij groepsmaatschappijen Harada en Louise Management in verband met kosten, zonder daarvan specificaties te verstrekken aan Carigna. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat geen grondslag bestond voor deze stortingen of dat het gestelde handelen van [naam 1] , mede gelet op het feit dat in de desbetreffende periode het einde van de onderneming van Carigna nog niet werd voorzien, ten opzichte van [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig was dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen concrete feiten gesteld waaruit volgt dat [appellant 1] c.s. vermogen aan Carigna hebben onttrokken. 6.3.13.
Volledig
Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat toen Carigna, bij vonnis van 12 mei 2010, werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , Carigna niet over de middelen beschikte om die vordering te voldoen, terwijl niet is gebleken dat [appellant 1] c.s. daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat ook al hadden [appellant 1] c.s. bewerkstelligd dat Carigna op enig moment een voorziening had getroffen voor de vordering van [geïntimeerde] , dit uiteindelijk niet zou hebben geleid tot voldoening van zijn vordering. Ook het causaal verband tussen het handelen of nalaten dat [appellant 1] c.s. wordt verweten en het onbetaald blijven van de vordering van [geïntimeerde] ontbreekt dus. 6.3.14. Voor zover [geïntimeerde] heeft willen aanvoeren dat er ook zonder dat er een verplichting was om een voorziening in de jaarrekening op te nemen, vanwege het verloop van de door hem aangespannen procedures, door Carigna hoe dan ook geld opzij had moeten worden gezet althans had moeten worden vastgehouden, miskent dit dat de betalingsverplichting voor Carigna pas is vastgesteld in het vonnis van 12 mei 2010 en Carigna tot dat moment zonder meer al haar schuldeisers met een opeisbare vordering mocht betalen. Voor zover [geïntimeerde] heeft beoogd te stellen dat anderszins sprake is geweest van verhaalsfrustratie of selectieve betaling door Carigna waarvan [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is het hof van oordeel dat tegenover de gemotiveerde betwisting van [appellant 1] c.s. [geïntimeerde] geen, althans onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [appellant 1] c.s. zich daaraan schuldig hebben gemaakt, zodat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. 6.3.15. Uit het voorgaande volgt dat grieven 4 tot en met 7 van [appellant 1] en grieven 5 tot en met 8 van [appellant 2] slagen. Daarmee behoeft de vraag of [appellant 1] c.s. zijn te beschouwen als feitelijk beleidsbepalers geen beantwoording. 6.3.16. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aan de door hem gestelde bestuurdersaansprakelijkheid tevens ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. destijds (in 1999) een verplichting zijn aangegaan namens de vennootschap door het bewust schenden van het voorkeursbeding, terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Carigna die verplichting – het hof begrijpt: de verplichting om schade te vergoeden – niet zou (kunnen) nakomen en geen verhaal zou (willen) bieden voor de schade. Dit betoog strandt reeds op het feit dat deze grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid slechts geldt voor het aangaan van verbintenissen door de vennootschap (vgl. rov. 6.3.3) en het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van een contractuele verplichting niet als zodanig is te beschouwen. Bovendien heeft op grond van hetgeen het hof heeft overwogen in 6.3.6 en 6.3.7 te gelden dat [appellant 1] c.s. niet al ten tijde van de verkoop van het pand aan derden behoefden te begrijpen dat dit een schending van het voorkeursbeding zou opleveren die zou kunnen leiden tot een schadevergoedingsverplichting en dat Carigna die niet zou kunnen nakomen. Ook op deze grond zijn de vorderingen van [geïntimeerde] dus niet toewijsbaar. Vorderingen [appellant 1] 6.4.1. Grief 10 van [appellant 1] is gericht tegen de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen. Misbruik van procesrecht 6.4.2. [appellant 1] vordert een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] met het instellen van zijn vorderingen tegen [appellant 1] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, althans onrechtmatig heeft gehandeld, en vordert in dit verband veroordeling van de erven [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten. 6.4.3. Het hof overweegt dat van misbruik van procesrecht pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Uit wat [appellant 1] aanvoert ter onderbouwing van het gestelde misbruik van procesrecht, volgt hooguit dat de vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Daaruit volgt niet dat aan genoemde hoge drempel voor misbruik is voldaan. Anders dan [appellant 1] stelt, bevat de feitelijke grondslag van de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant 1] wel degelijk stellingen die specifiek betrekking hebben op de gestelde rol van [appellant 1] (als feitelijk beleidsbepaler). Van het rauwelijks mee-dagvaarden van [appellant 1] in een zaak tegen zijn vader, zoals [appellant 1] stelt, is daarom geen sprake. De vorderingen van [appellant 1] die zijn gegrond op misbruik van procesrecht zijn dus niet toewijsbaar. Publicatie in FD 6.4.4. [appellant 1] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] met het in het FD laten publiceren (en online beschikbaar laten maken en houden) van een artikel waarin door zijn advocaat wordt meegedeeld dat [geïntimeerde] een vordering op [appellant 1] persoonlijk had, onrechtmatig tegenover [appellant 1] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellant 1] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, en veroordeling van de erven [geïntimeerde] tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat. 6.4.5. Het hof stelt voorop dat het bij de vraag of deze uitlating onrechtmatig is twee grondrechten aan de orde zijn: aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) en aan de andere kant het recht op eerbiediging van de eer en goede naam (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen deze twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde, deze zijn in beginsel gelijkwaardig. Deze rechten kunnen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn zoals neergelegd in artikel 6:162 BW. Daarnaast moet de verzochte beperking proportioneel zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, zoals de inhoud en vorm van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de beschikbare feiten, en de mate waarin de uitlatingen een bijdrage leveren aan een (publiek) debat van algemeen belang. Voor wat betreft de inhoud van uitlatingen geldt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen uitlatingen die als feit worden gebracht en uitlatingen die als waardeoordeel worden gebracht. 6.4.6. Het hof overweegt dat waar in het artikel wordt gesproken over een verplichting om schadevergoeding te betalen aan [geïntimeerde] , uit de context voldoende duidelijk is dat het hierbij gaat om een verplichting van Carigna die definitief is geworden omdat geen cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van dit hof van 12 februari 2013. Bij de minder precieze formuleringen (‘de schuld van de [appellant 1] ’ en ‘Daarmee is het nu onherroepelijk: [appellant 1] moet [geïntimeerde] nog € 12,5 mln betalen’) gaat het bovendien om formuleringen van de journalist, niet van mr. Bos. Waar mr. Bos wordt aangehaald, is duidelijk dat het de opvatting is van mr. Bos als advocaat van [geïntimeerde] dat [appellant 1] c.s. persoonlijk aansprakelijk zijn en dat [geïntimeerde] voornemens is daarover een procedure te starten, zodat ook duidelijk is dat deze aansprakelijkheid nog niet vaststaat. Het hof is daarom van oordeel dat de uitlatingen in het artikel over persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant 1] , voor zover het doen van deze uitlatingen door mr.
Volledig
Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat toen Carigna, bij vonnis van 12 mei 2010, werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , Carigna niet over de middelen beschikte om die vordering te voldoen, terwijl niet is gebleken dat [appellant 1] c.s. daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat ook al hadden [appellant 1] c.s. bewerkstelligd dat Carigna op enig moment een voorziening had getroffen voor de vordering van [geïntimeerde] , dit uiteindelijk niet zou hebben geleid tot voldoening van zijn vordering. Ook het causaal verband tussen het handelen of nalaten dat [appellant 1] c.s. wordt verweten en het onbetaald blijven van de vordering van [geïntimeerde] ontbreekt dus. 6.3.14. Voor zover [geïntimeerde] heeft willen aanvoeren dat er ook zonder dat er een verplichting was om een voorziening in de jaarrekening op te nemen, vanwege het verloop van de door hem aangespannen procedures, door Carigna hoe dan ook geld opzij had moeten worden gezet althans had moeten worden vastgehouden, miskent dit dat de betalingsverplichting voor Carigna pas is vastgesteld in het vonnis van 12 mei 2010 en Carigna tot dat moment zonder meer al haar schuldeisers met een opeisbare vordering mocht betalen. Voor zover [geïntimeerde] heeft beoogd te stellen dat anderszins sprake is geweest van verhaalsfrustratie of selectieve betaling door Carigna waarvan [appellant 1] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is het hof van oordeel dat tegenover de gemotiveerde betwisting van [appellant 1] c.s. [geïntimeerde] geen, althans onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [appellant 1] c.s. zich daaraan schuldig hebben gemaakt, zodat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. 6.3.15. Uit het voorgaande volgt dat grieven 4 tot en met 7 van [appellant 1] en grieven 5 tot en met 8 van [appellant 2] slagen. Daarmee behoeft de vraag of [appellant 1] c.s. zijn te beschouwen als feitelijk beleidsbepalers geen beantwoording. 6.3.16. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] aan de door hem gestelde bestuurdersaansprakelijkheid tevens ten grondslag gelegd dat [appellant 1] c.s. destijds (in 1999) een verplichting zijn aangegaan namens de vennootschap door het bewust schenden van het voorkeursbeding, terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Carigna die verplichting – het hof begrijpt: de verplichting om schade te vergoeden – niet zou (kunnen) nakomen en geen verhaal zou (willen) bieden voor de schade. Dit betoog strandt reeds op het feit dat deze grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid slechts geldt voor het aangaan van verbintenissen door de vennootschap (vgl. rov. 6.3.3) en het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van een contractuele verplichting niet als zodanig is te beschouwen. Bovendien heeft op grond van hetgeen het hof heeft overwogen in 6.3.6 en 6.3.7 te gelden dat [appellant 1] c.s. niet al ten tijde van de verkoop van het pand aan derden behoefden te begrijpen dat dit een schending van het voorkeursbeding zou opleveren die zou kunnen leiden tot een schadevergoedingsverplichting en dat Carigna die niet zou kunnen nakomen. Ook op deze grond zijn de vorderingen van [geïntimeerde] dus niet toewijsbaar. Vorderingen [appellant 1] 6.4.1. Grief 10 van [appellant 1] is gericht tegen de afwijzing van zijn reconventionele vorderingen. Misbruik van procesrecht 6.4.2. [appellant 1] vordert een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] met het instellen van zijn vorderingen tegen [appellant 1] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, althans onrechtmatig heeft gehandeld, en vordert in dit verband veroordeling van de erven [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten. 6.4.3. Het hof overweegt dat van misbruik van procesrecht pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Uit wat [appellant 1] aanvoert ter onderbouwing van het gestelde misbruik van procesrecht, volgt hooguit dat de vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Daaruit volgt niet dat aan genoemde hoge drempel voor misbruik is voldaan. Anders dan [appellant 1] stelt, bevat de feitelijke grondslag van de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant 1] wel degelijk stellingen die specifiek betrekking hebben op de gestelde rol van [appellant 1] (als feitelijk beleidsbepaler). Van het rauwelijks mee-dagvaarden van [appellant 1] in een zaak tegen zijn vader, zoals [appellant 1] stelt, is daarom geen sprake. De vorderingen van [appellant 1] die zijn gegrond op misbruik van procesrecht zijn dus niet toewijsbaar. Publicatie in FD 6.4.4. [appellant 1] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] met het in het FD laten publiceren (en online beschikbaar laten maken en houden) van een artikel waarin door zijn advocaat wordt meegedeeld dat [geïntimeerde] een vordering op [appellant 1] persoonlijk had, onrechtmatig tegenover [appellant 1] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellant 1] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade, en veroordeling van de erven [geïntimeerde] tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat. 6.4.5. Het hof stelt voorop dat het bij de vraag of deze uitlating onrechtmatig is twee grondrechten aan de orde zijn: aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) en aan de andere kant het recht op eerbiediging van de eer en goede naam (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen deze twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde, deze zijn in beginsel gelijkwaardig. Deze rechten kunnen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn zoals neergelegd in artikel 6:162 BW. Daarnaast moet de verzochte beperking proportioneel zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, zoals de inhoud en vorm van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de beschikbare feiten, en de mate waarin de uitlatingen een bijdrage leveren aan een (publiek) debat van algemeen belang. Voor wat betreft de inhoud van uitlatingen geldt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen uitlatingen die als feit worden gebracht en uitlatingen die als waardeoordeel worden gebracht. 6.4.6. Het hof overweegt dat waar in het artikel wordt gesproken over een verplichting om schadevergoeding te betalen aan [geïntimeerde] , uit de context voldoende duidelijk is dat het hierbij gaat om een verplichting van Carigna die definitief is geworden omdat geen cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van dit hof van 12 februari 2013. Bij de minder precieze formuleringen (‘de schuld van de [appellant 1] ’ en ‘Daarmee is het nu onherroepelijk: [appellant 1] moet [geïntimeerde] nog € 12,5 mln betalen’) gaat het bovendien om formuleringen van de journalist, niet van mr. Bos. Waar mr. Bos wordt aangehaald, is duidelijk dat het de opvatting is van mr. Bos als advocaat van [geïntimeerde] dat [appellant 1] c.s. persoonlijk aansprakelijk zijn en dat [geïntimeerde] voornemens is daarover een procedure te starten, zodat ook duidelijk is dat deze aansprakelijkheid nog niet vaststaat. Het hof is daarom van oordeel dat de uitlatingen in het artikel over persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant 1] , voor zover het doen van deze uitlatingen door mr.
Volledig
Bos en het online beschikbaar maken en houden daarvan al aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, niet onrechtmatig zijn. De vorderingen van [appellant 1] zijn daarom niet toewijsbaar. 6.4.7. De vordering tot vergoeding van schade is bovendien verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. Gelet op de e-mail van zijn advocaat (geciteerd bij 3.13) was [appellant 1] immers uiterlijk 21 mei 2013 bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De schade die [appellant 1] stelt later te hebben ondervonden, in 2019 en 2020, is schade van dezelfde aard als de schade waarover in de e-mail wordt gesproken, en waarvan dus te verwachten was dat zij (ook) in de toekomst zou worden geleden, zodat de verjaringstermijn op die momenten niet opnieuw is gaan lopen. Dit betekent dat de schadevergoedingsvordering op 21 mei 2018 is verjaard, en de pas op 12 mei 2021 ingesteld vordering dus niet toewijsbaar is. Verklaringen voor recht 6.4.8. Gelet op het voorgaande zijn de gevraagde verklaringen voor recht niet toewijsbaar, althans heeft [appellant 1] daarbij onvoldoende belang (vordering sub 2). Conclusie 6.5.1. Het hoger beroep van [appellant 1] slaagt deels. Het bestreden vonnis gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] zal worden vernietigd voor zover gewezen in conventie, en bekrachtigd voor zover gewezen in reconventie. De erven [geïntimeerde] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van de eerste aanleg in conventie en in hoger beroep, met uitzondering van de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging. In het incident zekerheidstelling proceskosten zullen, gelet op de uitkomst in de hoofdzaak, de erven [geïntimeerde] in de kosten worden veroordeeld. Vanwege het feit dat [appellant 1] c.s. met dezelfde advocaat procederen en hun memories grotendeels gelijkluidend zijn, ziet het hof aanleiding om bij de begroting van de proceskosten in de hoofdzaak in hoger beroep in beide zaken de helft van het aantal punten toe te kennen voor de memorie van grieven en de mondelinge behandeling. Hetzelfde geldt voor het incident schorsing tenuitvoerlegging. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant 1] als volgt: Eerste aanleg – conventie - salaris advocaat € 7.998,- (tarief VIII, 2 punten). Hoger beroep - explootkosten € 103,33 - griffierecht € 1.780,- - salaris advocaat € 9.913,50 (tarief VIII, 3 punten x ½) - incident zekerheid € 1.290,- (tarief II, 1 punt) Totaal € 13.086,83. 6.5.2. In het incident schorsing tenuitvoerlegging is [appellant 1] in het ongelijk gesteld, zodat het hof hem in de proceskosten zal veroordelen. Het hof begroot de proceskosten van dit incident aan de zijde van de erven [geïntimeerde] als volgt: salaris advocaat € 645,- (tarief II, 0,5 punt). 6.5.3. Het hoger beroep van [appellant 2] slaagt. Het bestreden vonnis in de hoofdzaak gewezen tussen [geïntimeerde] en [naam 1] zal worden vernietigd. De erven [geïntimeerde] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van de eerste aanleg en in hoger beroep, met uitzondering van de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant 2] als volgt: Eerste aanleg – conventie - griffierecht € 1.533,- - salaris advocaat € 11.997,- (tarief VIII, 3 punten) Totaal € 13.530,-. Hoger beroep - explootkosten € 125,03 - griffierecht € 1.780,- - salaris advocaat € 9.913,50 (tarief VIII, 3 punten x ½) Totaal € 11.818,53. 6.5.4. In het incident schorsing tenuitvoerlegging is [appellant 2] in het ongelijk gesteld, zodat het hof hem in de proceskosten zal veroordelen. Het hof begroot de proceskosten van het incident aan de zijde van de erven [geïntimeerde] als volgt: salaris advocaat € 645,- (tarief II, 0,5 punt). 7 Beslissing Het hof: in zaak 200.312.990/01 vernietigt het bestreden vonnis voor zover gewezen in conventie, en opnieuw recht doende: wijst de vorderingen van de erven [geïntimeerde] af; bekrachtigt het bestreden vonnis gewezen in reconventie; veroordeelt de erven [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en van het hoger beroep, waaronder het incident zekerheidstelling proceskosten, tot nu toe aan de zijde van [appellant 1] vastgesteld op € 7.998,- voor de eerste aanleg en op € 13.086,83 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; veroordeelt de erven [geïntimeerde] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan; veroordeelt [appellant 1] in de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging, tot nu toe aan de zijde van de erven [geïntimeerde] vastgesteld op € 645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af; in zaak 200.314.187/01 vernietigt het bestreden vonnis voor zover gewezen in de hoofdzaak, en opnieuw recht doende: wijst de vorderingen van de erven [geïntimeerde] af; veroordeelt de erven [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, tot nu toe aan de zijde van [appellant 2] vastgesteld op € 13.530,- voor de eerste aanleg en op € 11.818,53 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; veroordeelt de erven [geïntimeerde] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan; veroordeelt [appellant 2] in de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging, tot nu toe aan de zijde van de erven [geïntimeerde] vastgesteld op € 645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, J.W.M. Tromp en M.A.M. Vaessen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Volledig
Bos en het online beschikbaar maken en houden daarvan al aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, niet onrechtmatig zijn. De vorderingen van [appellant 1] zijn daarom niet toewijsbaar. 6.4.7. De vordering tot vergoeding van schade is bovendien verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. Gelet op de e-mail van zijn advocaat (geciteerd bij 3.13) was [appellant 1] immers uiterlijk 21 mei 2013 bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De schade die [appellant 1] stelt later te hebben ondervonden, in 2019 en 2020, is schade van dezelfde aard als de schade waarover in de e-mail wordt gesproken, en waarvan dus te verwachten was dat zij (ook) in de toekomst zou worden geleden, zodat de verjaringstermijn op die momenten niet opnieuw is gaan lopen. Dit betekent dat de schadevergoedingsvordering op 21 mei 2018 is verjaard, en de pas op 12 mei 2021 ingesteld vordering dus niet toewijsbaar is. Verklaringen voor recht 6.4.8. Gelet op het voorgaande zijn de gevraagde verklaringen voor recht niet toewijsbaar, althans heeft [appellant 1] daarbij onvoldoende belang (vordering sub 2). Conclusie 6.5.1. Het hoger beroep van [appellant 1] slaagt deels. Het bestreden vonnis gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] zal worden vernietigd voor zover gewezen in conventie, en bekrachtigd voor zover gewezen in reconventie. De erven [geïntimeerde] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van de eerste aanleg in conventie en in hoger beroep, met uitzondering van de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging. In het incident zekerheidstelling proceskosten zullen, gelet op de uitkomst in de hoofdzaak, de erven [geïntimeerde] in de kosten worden veroordeeld. Vanwege het feit dat [appellant 1] c.s. met dezelfde advocaat procederen en hun memories grotendeels gelijkluidend zijn, ziet het hof aanleiding om bij de begroting van de proceskosten in de hoofdzaak in hoger beroep in beide zaken de helft van het aantal punten toe te kennen voor de memorie van grieven en de mondelinge behandeling. Hetzelfde geldt voor het incident schorsing tenuitvoerlegging. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant 1] als volgt: Eerste aanleg – conventie - salaris advocaat € 7.998,- (tarief VIII, 2 punten). Hoger beroep - explootkosten € 103,33 - griffierecht € 1.780,- - salaris advocaat € 9.913,50 (tarief VIII, 3 punten x ½) - incident zekerheid € 1.290,- (tarief II, 1 punt) Totaal € 13.086,83. 6.5.2. In het incident schorsing tenuitvoerlegging is [appellant 1] in het ongelijk gesteld, zodat het hof hem in de proceskosten zal veroordelen. Het hof begroot de proceskosten van dit incident aan de zijde van de erven [geïntimeerde] als volgt: salaris advocaat € 645,- (tarief II, 0,5 punt). 6.5.3. Het hoger beroep van [appellant 2] slaagt. Het bestreden vonnis in de hoofdzaak gewezen tussen [geïntimeerde] en [naam 1] zal worden vernietigd. De erven [geïntimeerde] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van de eerste aanleg en in hoger beroep, met uitzondering van de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant 2] als volgt: Eerste aanleg – conventie - griffierecht € 1.533,- - salaris advocaat € 11.997,- (tarief VIII, 3 punten) Totaal € 13.530,-. Hoger beroep - explootkosten € 125,03 - griffierecht € 1.780,- - salaris advocaat € 9.913,50 (tarief VIII, 3 punten x ½) Totaal € 11.818,53. 6.5.4. In het incident schorsing tenuitvoerlegging is [appellant 2] in het ongelijk gesteld, zodat het hof hem in de proceskosten zal veroordelen. Het hof begroot de proceskosten van het incident aan de zijde van de erven [geïntimeerde] als volgt: salaris advocaat € 645,- (tarief II, 0,5 punt). 7 Beslissing Het hof: in zaak 200.312.990/01 vernietigt het bestreden vonnis voor zover gewezen in conventie, en opnieuw recht doende: wijst de vorderingen van de erven [geïntimeerde] af; bekrachtigt het bestreden vonnis gewezen in reconventie; veroordeelt de erven [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en van het hoger beroep, waaronder het incident zekerheidstelling proceskosten, tot nu toe aan de zijde van [appellant 1] vastgesteld op € 7.998,- voor de eerste aanleg en op € 13.086,83 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; veroordeelt de erven [geïntimeerde] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan; veroordeelt [appellant 1] in de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging, tot nu toe aan de zijde van de erven [geïntimeerde] vastgesteld op € 645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af; in zaak 200.314.187/01 vernietigt het bestreden vonnis voor zover gewezen in de hoofdzaak, en opnieuw recht doende: wijst de vorderingen van de erven [geïntimeerde] af; veroordeelt de erven [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, tot nu toe aan de zijde van [appellant 2] vastgesteld op € 13.530,- voor de eerste aanleg en op € 11.818,53 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; veroordeelt de erven [geïntimeerde] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan; veroordeelt [appellant 2] in de proceskosten van het incident schorsing tenuitvoerlegging, tot nu toe aan de zijde van de erven [geïntimeerde] vastgesteld op € 645,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, J.W.M. Tromp en M.A.M. Vaessen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.