Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1028
afdeling strafrecht parketnummer: 23-000137-26 datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-299419-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960, adres: [adres] ), thans gedetineerd in [detentieadres] 1 Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2026 en 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. 2 Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straffen (gevangenisstraf en verbeurdverklaring). In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voorts zal het hof ingeval van beroep in cassatie de bewijsmiddelen aanvullen en vervangt het hof de strafmotivering door de navolgende overweging. 3 Oplegging van straffen 3.1. Inleiding De onderhavige zaak is één van twaalf zaken die het hof op een zogeheten themazitting heeft behandeld. Deze themazitting is georganiseerd naar aanleiding van nieuw beleid van de rechtbank Noord-Holland bij de staftoemeting in zaken die zien op koeriers van (in- of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). De rechtbank is in deze twaalf zaken in de straftoemeting in het voordeel van de verdachten afgeweken van de (landelijk vastgestelde) oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zij heeft daarbij eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd. Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank op hieronder aangegeven wijze drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes (verderop in dit arrest weergegeven). De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd. De reden voor voornoemde (beleidsmatige) aanpassing van de straftoemeting in koerierszaken heeft de rechtbank als volgt gemotiveerd: “Ten aanzien van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt [het hof begrijpt: met betrekking tot de in onderhavige zaak vastgestelde invoer van 9.013,90 gram cocaïne] overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestra het VN-drugsverdrag en het kaderbesluit van de Europese Unie (EU) 2004/757/AZ) om zich in te spannen drugssmokkel tegen te gaan, onder andere door straffen op te leggen die evenredig zijn aan de ernst van de strafbare feiten. Daarbij komt dat Nederland minder zwaar straft voor de in- en uitvoer van harddrugs dan een aantal andere EU-landen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, conform de LOVS-oriëntatiepunten (waarin voor de in- en uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 9.000 tot 10.000 gram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 46 tot 48 maanden als oriëntatiepunt is geformuleerd) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden. Daarnaast is gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren. 3.3. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de verdachte dezelfde straf op te leggen als de rechtbank heeft gedaan, omdat zij zich kan vinden in de nieuwe uitgangspunten van de rechtbank. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in de rechtspraak sprake is van scheefgroei tussen de zaken waarin grote hoeveelheden verdovende middelen worden ingevoerd ten opzichte van zaken als de onderhavige. De verdediging heeft het hof voorts verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheden dat de verdachte financieel voorziet in het onderhoud van zijn ex-partner en dochter en hij aan gezondheidsklachten lijdt. 3.4. Overwegingen van het hof 3.4.1. Algemeen Het hof zal in deze overwegingen zaaksoverstijgend ook ingaan op aspecten die in andere zaken op deze themazitting door de verdediging van andere verdachten naar voren is gebracht. Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote mate van straftoemetingsvrijheid brengt evenwel ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee, dat hij met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging, en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging, inzicht geeft in de overwegingen die tot de opgelegde straf hebben geleid. Tegen die achtergrond bevat het Wetboek van Strafvordering in artikel 359 leden 5 en 6 enkele (algemene) motiveringsvoorschriften en in artikel 359 lid 2, tweede volzin, het voorschrift dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Uit deze wettelijke voorschriften vloeit voort dat het hof, gelet op de strafmotivering als geheel en in het licht van de uiteenlopende zienswijzen van de verdediging en het openbaar ministerie over het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland in koerierszaken, voldoende inzichtelijk dient te maken waarom het hof is gekomen tot zijn beslissing over de strafoplegging en welke de gronden zijn die daartoe hebben geleid, Voorts dient te worden vooropgesteld dat de LOVS-oriëntatiepunten geen ‘recht’ zijn in de zin van het bepaalde in artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Omdat zij geen (dwingend) recht vormen , is de feitenrechter niet aan de LOVS-oriëntatiepunten gehouden en is de uitleg hiervan aan hem voorbehouden, zij het dat die uitleg en toepassing wel begrijpelijk dient te zijn. Bij dit laatste aanknopend, verdient hier verder opmerking dat blijkens de inleiding bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afs Indien deze door de rechtbank genoemde disbalans als meewegende factor in de straftoemeting zou moeten leiden tot aanpassing van de oriëntatiepunten, is het aan de Commissie Rechtseenheid om het LOVS daarover te adviseren; daarop zal het hof niet vooruitlopen door gebruik te maken van andere uitgangspunten dan de LOVS-oriëntatiepunten. Bij een (hernieuwde) doordenking van de oriëntatiepunten door de Commissie Rechtseenheid zou de gedachte kunnen worden betrokken van een oriënterend strafplafond (bijvoorbeeld van 40 maanden gevangenisstraf) voor de ‘koerierszaken’. Daarbij komt dat het hof geen aanwijzingen heeft (verkregen) dat de Nederlandse samenleving in algemene zin milder over de straftoemeting in zaken betreffende harddrugs is gaan denken dan voorheen. Eerder lijkt het tegendeel het geval. Het hof wijst in dat verband op het op 7 maart 2025 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet (‘verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)’ , dat tot doel heeft om (ondermijnende) drugscriminaliteit strenger te normeren en de maximaal op te leggen straffen te verhogen. Het hof merkt in deze algemene beschouwingen tot slot op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft. Het hof plaatst daarbij wel de kanttekening dat de wijze waarop een straf mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd, waaronder regelingen met betrekking tot strafonderbreking en voorwaardelijke invrijheidsstelling, in de regel geen rol speelt bij de straftoemeting. 3.4.2. Toepassing op deze zaak Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 9.013 gram cocaïne, door deze in een koffer vanuit Panama naar Nederland te vervoeren. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Gezien de hoeveelheid moet deze cocaïne bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en verhandeling. Met zijn handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit. Op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de straffen genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten. Daarin wordt voor de invoer van 9.000 tot 10.000 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 46 tot 48 maanden genoemd. Het hof neemt dit dan ook als uitgangspunt, hetgeen meebrengt dat het hof alleen een vrijheidsbenemende straf passend acht. Het hof houdt in strafverminderende zin rekening met de omstandigheden dat bij de verdachte sprake is van forse schuldenproblematiek, dat familieleden afhankelijk zijn van zijn financiële bijdrages en dat hij problemen heeft met zijn gezondheid. Het hof acht, alles af