ECLI:NL:GHAMS:2025:970
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001929-22
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-997020-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in Nieuwegein.
1 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november, 22 november, 26 november, 27 november, 11 december 2024 en 8 januari 2025 en, op grond van artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 8 april 2021 en 28 oktober 2021 toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2. ( ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten
3. ( ZD 9)
hij op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
of
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] BV op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2019 [datum eerste storting op rekening [bedrijf 1] ] tot en met 2 september 2019 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- een chauffeur te regelen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer valse containerzegels ter beschikking te stellen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer mededaders te voorzien van een (Apple) telefoon met daarop de communicatie applicatie Sky-ecc (PGP-software);
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer en het vervoer van de container met (dek)lading en heroïne, van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- één of meer geldbedragen te (laten) storten op een rekening ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf 1] waarvan vervolgens aan [bedrijf 4] een deel is doorbetaald, zijnde de verscheper van de container met voornoemde heroïne;
4. ( ZD 10)
hij op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne , zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in Belgie, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer tot nu toe onbekend gebleven personen op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 maart 2020 te Leidschendam en/of Rijswijk en/of Voorburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] en de bankrekeningen van deze rechtspersonen ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne, van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- het regelen van betalingen (via rechtspersonen) ten behoeve van de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne;
- een chauffeur te regelen voor het afhalen en het vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat;
3 Vernietiging vonnis
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere bewijsbeslissingen komt.
4 Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en de broer van de verdachte, [medeverdachte 1] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. Verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen. Alle genoemde verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de orde.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.
5 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de volgende onderdelen:
feit 2, derde gedachtestreepje (invoer van softdrugs);
feit 1 en feit 2, vijfde gedachtestreepje (valsheid in geschrifte).
6 Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat – samengevat:
Ten aanzien van de feiten 3 en 4
- er onvoldoende bewijs is voor betrokkenheid van de verdachte, als medepleger, bij de invoer van verdovende middelen;
Ten aanzien van feit 1
- er onvoldoende bewijs is dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in deze periode;
Ten aanzien van feit 2
- er onvoldoende bewijs is dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in deze periode, nu de gedraging van de verdachte (het printen en verkopen van – valse – containerzegels) niet rechtstreeks verband hielden met het oogmerk van de organisatie, te weten de invoer van verdovende middelen.
7.1 Bijnamen
[medeverdachte 4] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [medeverdachte 1] ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd. Daarnaast stelt het hof vast dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] ook met ‘ [bijnaam 2] ’ of ‘ [bijnaam 3] ’ – een verbastering van zijn voornaam – wordt aangesproken.
[medeverdachte 2] heeft, als getuige, verklaard dat hij soms “ [bijnaam 4] ” wordt genoemd. [verdachte] noemde hij [bijnaam 5] of [naam 1] .
De naam ‘ [bijnaam 6] ’ wordt gebruikt als aanduiding voor [medeverdachte 5].
7.2 Kantoorpanden
[medeverdachte 2] en de verdachte hebben gebruik gemaakt van verschillende kantoren. [betrokkene 1] , leegstandbeheerder, heeft laten weten dat [medeverdachte 2] en [verdachte] achtereenvolgens de volgende kantoorpanden in gebruik hebben gehad:
- [adres 1] (mei 2019 tot september 2019);
- [adres 2] (september 2019 tot 29 september 2020);
- [adres 3] (december 2019 tot mei 2020);
- [adres 4] (mei 2020 tot 29 september 2020).
Uit telefoongesprekken blijkt dat het kantoor [adres 1] al een aantal maanden eerder dan mei 2019 bij [medeverdachte 2] en [verdachte] in gebruik was. [medeverdachte 3] kwam daar ook, zo blijkt uit een observatie. Op 11 september 2019 werd er een bus gehuurd om kantoormeubelen te verhuizen. Op diezelfde dag zegt [medeverdachte 2] in een telefoongesprek dat hij bezig is met het verhuizen van kantoorspullen naar het kantoor waar hij op dat moment is. Dat nieuwe kantoor is [adres 2] dat tot en met 29 september 2020 werd gehuurd. Ook maken zij tot mei 2020 gebruik van [adres 3] . Ten slotte maken [medeverdachte 2] en de verdachte in de periode mei 2020 tot en met 29 september 2020 gebruik van een kantoor gevestigd aan [adres 4] .
De verdachte heeft bevestigd dat hij en [medeverdachte 2] in het kantoor op het adres [adres 1] bij elkaar kwamen en dat [medeverdachte 3] daar ook kwam. Hij maakte naar eigen zeggen ook gebruik van het kantoor aan het [adres 4] en was samen met [medeverdachte 2] vaste gebruiker van deze ruimte.
De bruikleenovereenkomst voor deze panden stond op naam van [bedrijf 7] . De bemiddelingsvergoeding bedroeg € 250,00 per maand en werd altijd contant voldaan.
In de kantoren [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] is vertrouwelijke communicatie opgenomen (OVC). Het hof gaat ervan uit dat de gesprekken die daar zijn gevoerd en opgenomen vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
7.3 Doorzoekingen
Op 22 april 2020 heeft een heimelijke inkijk plaatsgevonden in het kantoor [adres 3] . Er is toen gezien dat daar onder meer twee zwartgekleurde printers van het merk Brother en een laserapparaat stonden.
In de nacht van 30 juli 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor [adres 4] . Er stond daar een laptop, een laser-graveermachine en twee geldtelmachines. Verder stonden er dozen met daarin blanco containerzegels. In het keukenblok lag boven het systeem plafond een witte enveloppe met daarin een stapel 20 euro biljetten. Dit betreft een stapel met een geschat totaal bedrag van € 10.000,00. Ten slotte werden er ook ordners met (naar het hof begrijpt) bedrijfsadministratie aangetroffen.
Op 29 september 2020 is het kantoor aan [adres 4] wederom doorzocht. De containerzegels en printplaten werden nu ook aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de laptop en het lasergraveerapparaat. Beide apparaten waren door middel van diverse kabels met elkaar verbonden. Er lagen diverse containerzegels en printplaten met dezelfde nummers maar met een afwijkende graveerdruk ofwel graveerdikte. Dergelijke containerzegels zijn normaliter van een uniek nummer voorzien maar er lagen drie containerzegels met een zelfde nummer. Er lagen ook witte hard kunststof platen waar diverse nummers met bedrijfsgegevens op gegraveerd stonden.
7.4 Feit 3 – invoer van 6,58 gram heroïne
In de nacht van 30 op 31 augustus 2019 is door de Engelse autoriteiten in de haven van Felixtowe in Engeland een zeecontainer voorzien van het nummer [containernummer] gecontroleerd. De container was afkomstig uit Pakistan. De container was verzegeld met een blauwkleurig zegel van [bedrijf 4] en voorzien van het nummer [zegelnummer 1] . In de container zaten witte handdoeken en tussen de handdoeken zijn pakketten aangetroffen met (in totaal) 1.297 kilogram heroïne De Engelse autoriteiten hebben een hoeveelheid van 6,58 gram van de heroïne teruggeplaatst in de container en de overige heroïne vervangen door dummy’s. De container is vervolgens naar de haven van Antwerpen verscheept. De container was bestemd voor [bedrijf 1] gevestigd te Schiphol.
Op 1 september 2019 wordt de container in de haven van Antwerpen gelost. Op die dag heeft [bedrijf 2] B.V. op het emailadres [e-mailadres 1] een emailbericht van [bedrijf 1] ontvangen, welke was verzonden vanaf het emailadres [e-mailadres 2] . In dat emailbericht wordt opdracht gegeven om de container in de haven van Antwerpen op te halen en naar Rotterdam te brengen. Uit de bijlage bij dat emailbericht blijkt dat het onder meer om de container met nummer [containernummer] gaat. [bedrijf 2] B.V. ( [e-mailadres 1] ) stuurt deze opdracht vervolgens door naar [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) ( [e-mailadres 3] ), de latere chauffeur van het transport.
Voor het ophalen van deze container heeft [betrokkene 2] op 20 augustus 2019 CMR documenten van [medeverdachte 3] gekregen. [medeverdachte 3] heeft de documenten aan [betrokkene 2] overhandigd bij een benzinestation in Rotterdam. Kort voorafgaand aan deze ontmoeting heeft hij een ontmoeting met [medeverdachte 2] gehad.
Op 2 september 2019 haalt [betrokkene 2] de container [containernummer] op uit Antwerpen met een vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] in combinatie met een oplegger met kenteken [kenteken 2] . Hij rijdt vervolgens naar het terrein van ‘ [bedrijf 8] ’, [adres 5] waar hij om 11.00 uur arriveert. Hij heeft daar contact met [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Vervolgens wordt daar de container gelost door [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . Zij worden om 12.06 uur, in de directe nabijheid van de container, in of nabij de loods aangehouden. Kort daarna wordt ook [betrokkene 4] aangehouden bij de afslag Odijk/Bunnik aan de A12.
Eerste tussenconclusie
Op 2 september 2019 is in de haven van Antwerpen een container opgehaald door [betrokkene 2] waarin zich 6,58 gram heroïne bevond. Deze heroïne maakte deel uit van een grotere partij van 1.297 kilogram heroïne die in de nacht van 30 op 31 augustus 2019 door de Engelse autoriteiten is onderschept en met uitzondering van die 6,58 gram inbeslaggenomen is. De container met daarin de 6,58 gram heroïne is, via de Westerschelde, Nederland binnen gekomen en afgeleverd in de haven van Antwerpen. Vanaf de haven van Antwerpen is de container naar Bergschenhoek (Nederland) vervoerd door [betrokkene 2] , waarna de container door [betrokkene 5] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] werd gelost. De CMR documenten, ten behoeve van het wegvervoer, had [betrokkene 2] twee weken eerder ontvangen van [medeverdachte 3] die kort daarvoor een ontmoeting heeft gehad met [medeverdachte 2] . De container was bestemd voor [bedrijf 1] .
[bedrijf 1]
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene 6] , enig bestuurder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) is.
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie zal dus moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; gelet op de tenlastelegging in dit geval specifiek Opiumwetfeiten en witwassen.
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Algemeen
Het hof stelt voorop dat de uitvoering van een internationaal drugstransport van een omvang en complexiteit zoals die is bewezen verklaard onder 3 en 4 een criminele organisatie vergt die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij de uitvoering van deze transporten is immers sprake geweest van verschillende in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, zoals het vervoer, de aflevering, de invoer en het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De op daarop gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers moeten dus onderling nauw op elkaar zijn afgestemd en droegen naar hun aard een planmatig karakter. Gelet hierop kan feit 2 reeds bewezen worden verklaard. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende.
Criminele organisatie in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 (feit 2)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de bewezen verklaarde drugstransporten van 31 augustus 2019 (feit 3) en 30 maart 2020 (feit 4) is overwogen volgt dat de criminele organisatie in deze periode bestond uit de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Oogmerk
De wijze van ten laste leggen dwingt het oogmerk van die criminele organisatie nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en – gelet op het geld dat tijdens de eerste (heimelijke) doorzoeking is aangetroffen, het storten van contant geld door [medeverdachte 2] op de rekening van het dekmantelbedrijf [bedrijf 5] en het gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 2] om geld van de rekening van dat bedrijf te halen en het storten van geld, waarbij ze niet in beeld moeten komen – witwassen.
Criminele organisatie in de periode van 18 juli 2018 tot 1 maart 2019 (feit 1)
Uit het dossier blijkt dat enkele medeverdachten, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , zich in periode van 18 juli 2018 tot 1 maart 2019 hebben schuldig gemaakt aan de gezamenlijke invoer van verdovende middelen met gebruikmaking van dekmantelbedrijven. Van rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij deze transporten is echter niet gebleken. Hij is daarvoor ook niet vervolgd. Uit het dossier blijkt nog wel het volgende.
In het dossier zit een uitgewerkt OVC-gesprek van 17 maart 2020 op de [adres 2] tussen [medeverdachte 2] , de verdachte en [betrokkene 10] . De verdachte heeft het in dat gesprek over een chauffeur, waaruit het hof begrijpt dat hij doelt op [medeverdachte 4] , en zegt:
We hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die heeft vroeger (…) gewerkt voor ons als groep zijnde (…) en die groep is uit elkaar gegaan, er zat 1 oplichter in (…) die is er dus uitgewerkt en die komt nergens meer aan de bak. Alleen die chauffeur krijgt nog geld van die oplichter en die blijft een beetje plakken aan die oplichter. Voor die chauffeur hebben wij zat werk.
Met ‘oplichter’ wordt door de verdachte gedoeld op zijn broer [medeverdachte 1] met wie hij op enig moment in onmin is geraakt.
En in het OVC-gesprek van 19 maart 2020 op de [adres 2] zegt [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 4] :
De reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met en, ehm [bijnaam 5] (het hof: [verdachte] ) samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende.
Dit levert zonder meer een belangrijke aanwijzing op dat de verdachte ook in de eerste periode deel uitmaakte van een criminele organisatie waartoe onder andere [medeverdachte 2] en zijn broer, [medeverdachte 1] behoorden. Het is echter onvoldoende om enig handelen van de verdachte, nu daarvan niet op enige wijze uit het dossier blijkt, te kwalificeren als deelneming aan een organisatie. Ook de door de advocaat-generaal aangehaalde ontmoeting tussen de verdachte, zijn broer en [medeverdachte 2] op 24 januari 2019 is daartoe onvoldoende. Dat betekent dat de verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken.
8 Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 primair (eerste alternatief) en 4 primair (eerste alternatief) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. Uit de iCOV-bevraging blijkt dat [betrokkene 6] op geen enkele wijze inkomsten ontvangt uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] . Er zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat hij daadwerkelijk enige bemoeienis heeft met [bedrijf 1] . Hij kan dan ook, mede gelet op zijn verklaring bij de politie waarin hij zegt niets van de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] te weten en geen handelingen uit te voeren voor dat bedrijf, worden gezien als katvanger.
Oprichtingsdocumenten met betrekking tot [bedrijf 1] alsmede correspondentie tussen de Belastingdienst en [bedrijf 1] zijn aangetroffen op een USB-stick in het kantoorpand aan het [adres 4] . [medeverdachte 2] (als getuige) en de verdachte hebben (ook) in hoger beroep verklaard dat zij – ten tijde van de doorzoekingen in juli en september 2020 – van dat kantoorpand gebruik maakten. Tijdens de tweede doorzoeking werd in het pand aan het [adres 4] een Asus-laptop inbeslaggenomen. Op deze laptop zijn drie mailboxen opgeslagen. Het betreft onder meer:
de mailbox van [e-mailadres 2] in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 september 2019 met ruim 50 e-mailberichten;
de mailbox van [e-mailadres 1] in de periode van 30 mei 2019 tot en met 2 september 2019 met ruim 300 e-mailberichten.
Bij de doorzoeking is ook een HP-laptop in beslag genomen waarop de mailbox van [e-mailadres 2] stond opgeslagen met daarin ruim 160 e-mailberichten in de periode van 12 februari 2019 tot en met 12 juli 2019. Op deze laptop werden verder de volgende documenten aangetroffen:
Arrival notice [bedrijf 4] met betrekking tot de zending van de containers met nummer [containernummer] met als consignee [bedrijf 1] en als contactpersoon [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] );
Delivery order [bedrijf 4] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer] ;
T1-document met betrekking tot de zending van container met nummer: [containernummer] , waarin ook melding wordt gemaakt van de lading te weten 100% katoenen handdoeken;
Importfactuur [bedrijf 4] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer] ten name van [bedrijf 1] van 28 augustus 2019 van € 450,00
Op de USB-stick waarop ook het e-mailbericht staat van 1 september 2019 waarin [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] B.V. de opdracht geeft om de container uit Antwerpen op te halen, staat ook een Word-document getiteld “huurovereenkomst [bestandsnaam] ”. Uit deze overeenkomst blijkt dat het bedrijf [bedrijf 9] , vertegenwoordigd door [betrokkene 4] geboren op [geboortedatum 2] , een bedrijfsruimte verhuurt gelegen aan [adres 6] . Deze ruimte wordt verhuurd aan het bedrijf [bedrijf 7] . Op dit bedrijf komt het hof hierna nog terug.
[bedrijf 2] B.V.
Behalve administratie met betrekking tot [bedrijf 1] werd tijdens de doorzoeking in juli 2020 op het [adres 4] ook papieren administratie met betrekking tot de onderneming [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) aangetroffen. Verder werd een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 2] , een kopie rijbewijs van [betrokkene 2] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 2] aangetroffen.
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 1] was een dekmantelbedrijf dat gebruikt is voor de invoer van heroïne. Aangenomen moet worden dat degenen die de feitelijke zeggenschap hadden over [bedrijf 1] verantwoordelijk zijn voor deze invoer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen waren dat de verdachte en [medeverdachte 2] . Bij die conclusie betrekt het hof nog het volgende.
[adres 1]
Ten tijde van het hiervoor genoemde transport maakten de verdachte en [medeverdachte 2] gebruik van het kantoorpand aan de [adres 1] . Ook [medeverdachte 3] kwam in dat kantoorpand. Hij heeft in opdracht van een ander/anderen websites (en de daaraan gekoppelde emailadressen) gemaakt. Dit blijken onder meer de websites voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te zijn. Bovendien blijkt dat de bruikleenovereenkomst voor het pand aan de [adres 1] op naam stond van [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 3] ). Dit bedrijf betaalde hostingbedrijf [bedrijf 10] dat weer diensten verleende aan [bedrijf 1] . [bedrijf 3] betaalde ook aan [bedrijf 10] voor de website van [bedrijf 2] . Het bedrijf [bedrijf 3] had als enig aandeelhouder en bestuurder Stichting [bedrijf 3] . Van deze stichting was van 1 maart 2015 tot en met 17 mei 2019 [betrokkene 7] , de zus van [medeverdachte 3] , enig aandeelhouder en bestuurder. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] hebben contante geldbedragen op de rekening van het bedrijf [bedrijf 3] gestort.
Verder blijkt uit het dossier dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van de MIFI-router met IMEI-nummer [IMEI-nummer] en voorzien van IMSI-nummer [IMSI-nummer] . Uit onderzoek naar deze MIFI-router in combinatie met de informatie over het onlinebankieren met rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [bedrijf 1] stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] in de periode van 20 november 2019 tot en met 10 december 2019 veertig maal heeft ingelogd op genoemde bankrekening van [bedrijf 1] .
Op 2 september 2019 – de ochtend dat de container door [betrokkene 2] in de haven van Antwerpen wordt opgehaald en vervolgens in Bergschenhoek wordt gelost – arriveert omstreeks 09.48 uur [medeverdachte 3] bij de [adres 1] . Op dat moment stralen de telefoons van de verdachte en [medeverdachte 2] zendmasten in de nabije omgeving aan. Het hof gaat er – gelet hierop en gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 2] op dat moment de vaste gebruikers waren van de [adres 1] – van uit dat alle drie de verdachten op dat moment in het kantoor op de [adres 1] aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft, volgens zijn in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring, eerder die ochtend – op zijn telefoon van een Sky-contact (het hof begrijpt: een contact dat hij op zijn Sky-telefoon had) – het verzoek ontvangen om twee Sky-telefoons te wissen. Eerder had hij op verzoek Sky-applicaties op telefoons geïnstalleerd. Hoewel hij heeft verklaard niet te weten wie hem vroeg de Sky-telefoons te wissen, heeft hij hieraan wel gevolg gegeven. Diezelfde ochtend merkte hij dat er paniek was in een van de kantoren op de [adres 1] . Hem werd door de ‘aanwezigen’ ook verzocht een tweetal Sky-telefoons op afstand te wissen, waarna hij aangaf dat al te hebben gedaan.
De hiervoor genoemde [betrokkene 5] en [betrokkene 3] hadden allebei een Sky-telefoon. Hun toestellen zijn voorzien van IMSI-nummers die slechts één cijfer afwijken. De telefoons zijn op 30 augustus 2019 kort na elkaar (om 13.27 en 13.28 uur) actief geworden, waarbij zendmasten zijn aangestraald op de locaties [adres 7] en [adres 8] . Deze locaties zijn beide gelegen in de directe omgeving van de [straatnaam] in [plaatsnaam] . Op het moment van aanhouding – op 2 september 2019 – stonden de telefoons weer op fabrieksinstelling.
Derde tussenconclusie
[medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 3] hebben elk een relatie met de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , die gerelateerd kunnen worden aan het heroïnetransport. Op de dag dat de container met de heroïne in Bergschenhoek in beslag wordt genomen, is er paniek op het kantoor op de [adres 1] , de kantoorruimte die door de verdachte en [medeverdachte 2] werd gebruikt, waar [medeverdachte 3] toen aanwezig was en het verzoek kreeg van de aanwezigen om twee Sky-telefoons te wissen. Het hof gaat er gelet hierop vanuit dat het verzoek van de verdachte en [medeverdachte 2] kwam.
( ZD 11)
hij in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
3. ( ZD 9)
primair, eerste alternatief
hij op 2 september 2019 te Bergschenhoek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 6,58 gram heroïne;
4. ( ZD 10)
primair, eerste alternatief
hij op 30 maart 2020 via de Westerschelde (in Nederland), tezamen en in vereniging anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 750 kilogram cocaïne.
Hetgeen onder 2, 3 primair (eerste alternatief) en 4 primair (eerste alternatief) meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
9 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 primair (eerste alternatief) en 4 primair (eerste alternatief) bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 primair, eerste alternatief en 4 primair, eerste alternatief bewezenverklaarde levert telkens op:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
10 Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2, 3 primair (eerste alternatief) en 4 primair (eerste alternatief) bewezenverklaarde uitsluit.
11 Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, 3 primair (eerste alternatief) en 4 primair (eerste alternatief) bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor deze feiten, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en 7 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn; de gevolgen van de gewijzigde VI-regeling; de eerdere Belgische veroordeling en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie. Het doel van de organisatie was onder andere de invoer van cocaïne en heroïne naar Nederland. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van een complexe structuur van bedrijven waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was en waarvan door de organisatie ingeschakelde katvangers de formele bestuurders waren. Op geraffineerde wijze werd zo getracht buiten het zicht te blijven. De verdachte vervulde een belangrijke rol binnen die organisatie, zo regelde hij bedrijven voor de transporten en maakte hij namaakzegels.
Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de misdrijven die worden beoogd. Internationale drugstransporten worden als ernstige misdrijven gezien.
De verdachte heeft zich ook, tezamen met anderen, schuldig gemaakt aan twee internationale drugstransporten. Daarbij gaat het om zeer grote hoeveelheden: 750 kilogram cocaïne en ten aanzien van feit 3 gaat het hof in het kader van de straftoemeting uit van een hoeveelheid van 1.279 kilogram heroïne, zijnde de oorspronkelijke inhoud van de container.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van ernstige overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen. Dit acht het hof zeer kwalijk.
De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd maar heeft daarbij geen openheid van zaken gegeven over de bewezen verklaarde feiten. Het hof ziet in de proceshouding van de verdachte en in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden betreffende zijn minderjarige zoon geen aanknopingspunten om te komen tot een lagere straf dan passend bij de ernst van de feiten. Hoewel het begrijpelijk is dat de situatie met betrekking tot zijn zoon de verdachte veel zorgen geeft, heeft hij zelf een bewuste keuze gemaakt om zich in te laten met de handel in verdovende middelen. De gevolgen hiervan komen dan ook voor zijn rekening.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 8 november 2024 blijkt dat hij op 17 november 2023 in België is veroordeeld tot onder meer 4 jaren gevangenisstraf voor handel in verdovende middelen. Er heeft vervolgens strafoverdracht plaatsgevonden op basis van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties waarbij is bepaald dat 1460 dagen gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Nu het een vonnis van een buitenlandse rechter betreft is artikel 63 Sr niet van toepassing. Het hof ziet dit evenmin als een omstandigheid waarmee in dit geval in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden.
Alles overziend, ook gelet op de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de op 24 juni 2021 door dit hof aan medeverdachten [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] voor hun rollen als feitelijke “uithalers” van de heroïne in het onderzoek Astoria opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 7 jaar, 7 jaar en 6 maanden en 6 jaar en 6 maanden, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren in beginsel voor de drie bewezenverklaarde feiten passend en geboden is.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden.
Bij de uithalers van de heroïne, [betrokkene 5] en [betrokkene 3] , zijn Sky-telefoons aangetroffen die kennelijk kort daarvoor weer naar de fabrieksstand zijn gezet. Het hof begrijpt hieruit dat ze zijn ‘gewist’. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 3] de telefoons van deze personen heeft gewist. Aanwijzingen dat het om heel andere telefoons zou gaan zijn er niet.
Nadere overwegingen
Er zijn nog enkele omstandigheden die het hof betrekt bij het oordeel dat de genoemde verdachten betrokken zijn geweest bij dit transport. Tijdens de doorzoeking in de loods gelegen aan de [adres 5] werden nagemaakte transportzegels voorzien van het opschriftnummer [bedrijf 4] [zegelnummer 1] aangetroffen. De container met nummer [containernummer] was op het moment dat deze door de Engelse autoriteiten werd gecontroleerd afgesloten en verzegeld door middel van een daarvoor bestemde transportzegel. Dit zegel komt voor wat betreft het opschrift geheel overeen met de aangetroffen (valse) transportzegels in de loods in Bergschenhoek. Deze transportzegels zaten in een Jumbotas die door [betrokkene 5] naar de loods is meegenomen en naar is binnengebracht.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij valse containerzegels maakte. Hij heeft ook verklaard dat hij hier pas mee gestart is na het transport van 2 september 2019. Het hof acht dat laatste niet aannemelijk nu in het OVC-gesprek van 10 februari 2020 tussen [verdachte] , [betrokkene 8] , de verdachte en nog een onbekende man, in het kantoor aan de [adres 2] , door [verdachte] wordt gezegd: “Er staan vier zegels, vier keer een zegel gemaakt en daar is nooit voor betaald.” Even later zegt hij: “Dat is nog. Toen zaten we nog in het ouwe kantoortje. (Ntv) gemaakt, een paar CMA zegels gemaakt nog.” [verdachte] zegt nog wat later: “Ik heb. De [bedrijf 11] heb ik nog een paar van gemaakt van zelfs, CMA. Naar het oordeel van het hof was er dus al sprake van het namaken van zegels toen ze nog in het ‘oude kantoortje’ (het hof begrijpt: op de [adres 1] ) zaten.
Dat ook [medeverdachte 2] hierbij betrokken was, leidt het hof af uit de opmerking van de verdachte in hetzelfde gesprek dat zij met z’n drieën werken. En verder uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] op een gegeven moment zegt: “Als we met ze allen willen verdienen aan die zegels, moet je samen ook natuurlijk betalen.”
OVC-gesprekken
Dat de verdachte en [medeverdachte 2] betrokkenheid hadden bij dit transport blijkt verder uit de OVC-gesprekken die de verdachte en [medeverdachte 2] samen en/of met anderen in 2020 hebben gevoerd in hun kantoorruimte op de [adres 2] die onmiskenbaar betrekking hebben op het onderhavige transport (onderzoek Astoria).
Op 19 maart 2020 zijn de verdachte (P), [medeverdachte 2] (H) en [medeverdachte 4] (K) op de [adres 2] en wordt het volgende besproken:
P: Bergschenhoek, waar in Bergschenhoek.
K: Bij eh [bedrijf 12] daar eigenlijk hè eh. Groot bedrijventerrein. En die gozer die is toen gevlucht, dat heb ik wel meegekregen, die is bij de A12 bij Utrecht is die eh, is van de weg afgehaald en eh, ja, opgepakt en verder, verder niks.
Het hof merkt op dat op het adres [adres 9] [bedrijf 12] is gevestigd. Dit is op hetzelfde industrieterrein als [bedrijf 8] , [adres 5] , alwaar de container [containernummer] met de heroïne is afgeleverd. De aanhouding van [betrokkene 4] vond plaats op de A12 nabij Utrecht.
Het gesprek gaat als volgt verder:
P: Is dat eh eh, dat waren eh badjassen, met handdoeken derin.
K: Nou, [betrokkene 9] die hoorde ...
P: Ja, ja.
K: En toen hoorde ik het ook, eh, geen cocaïne, maar heroïne.
H: Ja.
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
P: Ja, towels.
K: Ja, towels.
De lading betrof handdoeken voor welke bestelling ook een factuur en overschrijvingen zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 1] , aangetroffen op het [adres 4] . Maar ook in eerdere gesprekken wordt al gerefereerd aan dit transport, in het bijzonder wordt er gesproken over de aanhouding van [betrokkene 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] .
Op 19 februari 2020 hebben de verdachte en [betrokkene 8] in de kantoorruimte op de [adres 2] een gesprek over een dossier en een rechtszitting. De verdachte zegt onder andere het volgende: “Ik was gister even bij die advocaat van die neger. Even doorgenomen”. En: “Dit is zo’n dossiertje. Ik heb gisteren daar alles doorgenomen.” En: “Nee, hij was gezien met een plastic tasje toch, naar binnenlopen en in die tas zaten stanleymessen en de zegels.”. En “zegel geknipt” en “Die andere gozer die [betrokkene 3] ook, die andere, die met die andere bril”. Het hof leidt uit dit gesprek af dat met ‘die neger’ [betrokkene 2] wordt bedoeld. Hij is samen met [betrokkene 3] aangehouden en is de enige van de vier aangehouden verdachten in onderzoek Astoria met een zwarte huidskleur. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat met “die neger” [betrokkene 2] bedoeld kan zijn.
Op 13 maart 2020 spreken [medeverdachte 2] (H) en de verdachte (P) elkaar en is ook [betrokkene 10] (RH) aanwezig. In dit gesprek wordt het volgende gezegd:
RH: Een van de, een van de chauffies die heef 8 jaar boven ze hoof?
P: Een van de wat?
RH: Die gechauffeurd heeft, zeg maar? 8 jaar? Eis?
P: Die gechauffeurd heeft?
RH: [bijnaam 7] of [bijnaam 8] , hoe die heet? [bijnaam 7] of [bijnaam 8] of [bijnaam 8] of [bijnaam 7] ? Is 8 jaar tegen geëist? En die gaat in hoger beroep?
P: Ja.
Later die dag om 12.21 uur wordt het volgende gezegd:
RH: Hij staat in verbinding, [naam 2] , met die advocaat, die [bijnaam 9] , die (ntv). Wist je dat?
(…)
P: Die advocaat van die [bijnaam 9] , dat is onze advocaat.
RH: Ja.
P: Die staat op de payroll bij ons.
RH: Ja.
H: Onze advocaat.
P: Hier.
H: Die betale wij. Al die mensen die der al aan vast zitte, dat zijn.
RH: Ja, ja. Dat zijn der meer, die bierbuike.
H: Die advocaat, die betale we.
De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat met [bijnaam 9] , [betrokkene 4] wordt bedoeld.
Tot slot acht het hof het navolgende OVC-gesprek relevant.
OVC-gesprek 12 september 2019
Op 12 september 2019 zegt de moeder van [medeverdachte 3] , [betrokkene 11] , tegen [betrokkene 12] , de partner van [medeverdachte 2] , in een gesprek waarin het onder anderen gaat over [naam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en [bijnaam 5] (het hof begrijpt: de verdachte) dat toen het twee weken terug misging, die jongen ‘gewoon alles [heeft] gedaan!’ Zij zegt vervolgens dat [medeverdachte 3] gelijk ingreep en dat hij (het hof begrijpt: de verdachte) daar maar stond met zijn handen in het haar te vloeken en te schelden en helemaal niets deed en toen tegen [medeverdachte 3] zei wat hij moest doen en dat [medeverdachte 3] toen heeft gezegd dat hij dat allang had gedaan.
De inverzekeringstelling van de verdachte heeft plaatsgevonden op 29 september 2020, terwijl de rechtbank eindvonnis heeft gewezen op 8 juli 2022. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ruim 5 maanden. Bij de vraag of sprake is van een overschrijding waar in strafmatigende zin rekening mee dient te worden gehouden betrekt het hof dat sprake is van een omvangrijke zaak met meerdere verdachten. Voor een zaak met de omvang van de onderhavige is deze zaak bij de rechtbank relatief snel op zitting aangebracht, namelijk op 26, 27, 28 oktober en 9 november 2021, tegelijk met de zaken van medeverdachten. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst in verband met nader onderzoek. Als gezegd is vonnis gewezen op 8 juli 2022. Het tijdsverloop in deze fase was vooral het gevolg van de omvang en complexiteit van de zaak met meerdere verdachten. Het hof is van oordeel dat er in dit geval en in deze fase geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die tot strafmatiging zou moeten leiden. Dat is anders voor wat betreft de fase in hoger beroep. Namens de verdachte is appel ingesteld op 19 juli 2022, terwijl het hof arrest wijst op 10 januari 2025. In hoger beroep is daarmee de redelijke termijn overschreden met iets minder dan 14 maanden. Deze overschrijding, die niet aan de verdediging te wijten is, zal het hof verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en 7 maanden.
Wet Straffen beschermen
Met ingang van 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Deze wet strekt tot wijziging van de regeling inzake detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de Penitentiaire beginselenwet en in het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, met een maximum van twee jaar. De wet bevat geen overgangsbepaling zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op arresten van na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is.
Het hof ziet in onderhavige situatie geen aanleiding om, zoals door de verdediging verzocht, bij de strafoplegging rekening te houden met het gewijzigde VI-regime. Het hof wijst erop dat onder het oude regime geen zekerheid bestond dat voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden verleend. De veroordeelde kwam van rechtswege in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling maar of dit plaatsvond was afhankelijk van het gedrag van de veroordeelde. Bij het bepalen van de straf heeft het hof zich rekenschap gegeven van de gevolgen voor de verdachte van de invoering van de nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
12 Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen, die nog niet zijn teruggegeven:
twee tabletteermachines (Robary tablet press machine);
zak met losgeld (€ 378,80);
veel muntgeld (€ 1.354,05);
vals 50 eurobiljet;
horloge (Rolex);
administratie (stukken die duiden op lekken);
€ 500,00;
€ 750,00;
€ 1.695,00;
€ 4.250,00;
administratie;
zwarte telefoon (Blackberry vierkant model);
zwarte telefoon (Alcatel);
USB-stick (memorykaart) San Disk Cruzer Edge;
17. zwarte telefoon (Samsung);
18. zwarte telefoon (Nokia 2730c-1);
19. witte telefoon (iPhone, encryptie device);
20. telefoon (Aquaris X, encryptie device);
21. telefoon (Blackberry classic, encryptie device);
22. telefoon (Blackberry model 8900, encryptie device);
23. telefoon (encryptie device).
De hierboven weergegeven nummering komt overeen met de in het dossier aanwezige lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Standpunten advocaat-generaal en verdediging
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwerpen genoemd onder 6, 11 en 19 tot en met 23 worden verbeurdverklaard. Het onder 4 genoemde valse 50 eurobiljet moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De overige voorwerpen kunnen aan de verdachte worden teruggegeven.
De verdediging heeft verzocht ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen te beslissen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank.
Verbeurdverklaring
Van de voorwerpen genoemd onder 6 en 11, te weten administratie, blijkt uit de kennisgevingen van inbeslagneming dat er geen eigenaar bekend is. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd over deze voorwerpen. Ondanks dat niet kan worden vastgesteld aan wie voornoemde voorwerpen toebehoren, kunnen de voorwerpen wel verbeurd worden verklaard op grond van artikel 33a lid 2 sub b Sr, nu het gaat om voorwerpen als bedoeld in artikel 33a lid 1 sub a tot en met e Sr. Voor voornoemde voorwerpen geldt namelijk dat het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen dan wel dat deze voorwerpen tot het begaan van die misdrijven waren bestemd. Uit het dossier blijkt immers dat de onder 6 genoemde ‘administratie’ die is aangetroffen in het kantoorpand op het [adres 4] , documenten betreft die zien op de handel in verdovende middelen, waar het oogmerk van de onder 2 bewezenverklaarde criminele organisatie mede op gericht was. Ten aanzien van de onder 11 genoemde ‘administratie’ gaat het om een mapje met stukken erin, waaronder een kopie van het paspoort van [betrokkene 10] . Dit mapje is aangetroffen in de woning van de verdachte. Eerder is bewezenverklaard dat [betrokkene 10] als katvanger bestuurder is geweest van een van de bedrijven die is gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Aldus zijn voornoemde goederen dienstig geweest aan de criminele organisatie.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Ten aanzien van het valse biljet van € 50, genoemd onder 4, overweegt het hof allereerst dat vals geld, voor zover het bezit ervan niet is gecontroleerd, zoveel mogelijk uit het maatschappelijk verkeer moet worden verwijderd. Het valse geld heeft geen relatie met de bewezen te verklaren feiten (een en ander zoals bedoeld in artikel 36c Sr). Ook kan het niet in relatie komen te staan met soortgelijke feiten (een en ander zoals bedoeld in artikel 36d Sr). Onttrekking aan het verkeer is daarom als beslissing niet mogelijk. Verplichte verbeurdverklaring (artikel 214bis Sr) is ook niet aan de orde. Anderzijds kan het hof bezwaarlijk vals geld aan de verdachte teruggeven. De enige rechtens toegestane en verantwoorde beslissing die het hof kan nemen, is de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten.
Van de encryptie-telefoons genoemd onder 19 tot en met 23 blijkt uit de kennisgevingen van inbeslagneming dat er geen eigenaar bekend is. Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu niet is gebleken dat deze voorwerpen in relatie staan tot enig bewezenverklaard strafbaar feit.
Teruggave aan de verdachte
Het hof zal gelasten dat de overige voorwerpen (genoemd onder 1 t/m 3, 5, 7 t/m 10 en 12 t/m 18), die aan de verdachte toebehoren, aan de verdachte worden teruggegeven, nu niet is gebleken van een verband tussen deze inbeslaggenomen voorwerpen en de bewezenverklaarde feiten, noch van enig andere mogelijke beslagbeslissing. Daarbij wordt opgemerkt dat mogelijk andere beslagtitels bestaan die aan feitelijke teruggave in de weg staan.
13 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en bijkomende straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 primair eerste alternatief en 4 primair eerste alternatief tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2, 3 primair eerste alternatief en 4 primair eerste alternatief bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar en 7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
6. administratie (stukken die duiden op lekken);
11. administratie.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende:
4. vals 50 eurobiljet;
19. witte telefoon (iPhone, encryptie device);
20. telefoon (Aquaris X, encryptie device);
21. telefoon (Blackberry classic, encryptie device);
22. telefoon (Blackberry model 8900, encryptie device);
23. telefoon (encryptie device).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. twee tabletteermachines (Robary tablet press machine);
2. zak met losgeld (€ 378,80);
3. veel muntgeld (€ 1.354,05);
5. horloge (Rolex);
7. € 500,00;
8. € 750,00;
9. € 1.695,00;
10. € 4.250,00;
11. administratie;
12. zwarte telefoon (Blackberry vierkant model);
13. zwarte telefoon (Alcatel);
14. USB-stick (memorykaart) San Disk Cruzer Edge;
17. zwarte telefoon (Samsung);
18. zwarte telefoon (Nokia 2730c-1);
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 januari 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
In [...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 2] en de verdachte als medeplegers betrokken zijn geweest bij de invoer van 6,58 gram heroïne. Het is dan aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven.
Daarin is hij echter niet geslaagd. De verklaring van de verdachte komt er in de kern op neer dat hij niets te maken heeft met de invoer van deze verdovende middelen, dat hij enkel voor zichzelf in – valse – containerzegels handelde voor importeurs van fruit die eerder dan de Douane in een container wilde kijken om daar eventueel vast rot fruit uit te halen en dat hij zich bezig hield met het opzetten van en de handel in bedrijven, en dat de aangetroffen administratie en andere bescheiden met betrekking tot de bovengenoemde bedrijven afkomstig zijn van de eerdere huurder van de kantoor aan de [adres 1] . Het in de verklaring van de verdachte gestelde is echter onvoldoende onderbouwd en bovendien ongeloofwaardig wat betreft de aangetroffen administratie en dus niet aannemelijk geworden. Bij dat oordeel betrekt het hof hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt over de betrokkenheid van de verdachte bij feit 6.
Het bewijsverweer van de verdediging is met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.5 Feit 6 – invoer 750 kilo cocaïne
Op 3 maart 2020 worden er vanaf de bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van [bedrijf 6] drie betalingen van steeds € 12.464,36 gedaan aan [bedrijf 13] . In de omschrijving staat ‘ [bedrijf 5] ’ genoemd. De reeks betalingen heeft een opeenvolgende nummering.
Eind maart 2020 worden drie containers met bananen verscheept met kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] . De afzender/shipper is [bedrijf 15] uit Guayaquil, Ecuador. De containers zijn bestemd voor [bedrijf 5] , [adres 10] Nederland.
OVC-gesprekken
Op 17 maart 2020 vindt een gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 10] in de kantoorruimte aan de [adres 2] . In dat gesprek zegt de verdachte tegen [betrokkene 10] dat hij nog een ander klusje voor hem heeft waar een beetje voorzichtigheid bij gepast is. De verdachte zegt vervolgens: “Wij hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die (…) vroeger voor ons als groep [heeft gewerkt]”. Hij zegt verder dat zij zat werk voor die chauffeur hebben en hij dan wat kan verdienen. En dat hij zijn nummer heeft.
De volgende dag, 18 maart 2020, vindt er, eveneens op de [adres 2] , tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [betrokkene 10] een gesprek plaats. De verdachte zegt in dat gesprek “Ik heb eerst gezegd, laten we eerst even die chauffeur regelen, dat is effe prioriteit”. Hij zegt verder dat die chauffeur voor hun groep heeft gereden en dat zij een klus voor die chauffeur hebben. [medeverdachte 2] zegt dat zij hem voor hen willen laten rijden. De verdachte zegt dat hij ‘volle boxen, dozen’ ‘en gewoon met’ kan rijden. De verdachte zegt dat [betrokkene 10] tegen hem moet zeggen: “We hebben gewoon werk voor je, je kan gewoon werk sowieso onder continuïteit, we kunnen een truck voor je regelen, want hij heeft ook zelf een transportbedrijf en weet niet of ie een vrachtwagen heeft. Dus we kunnen zeggen, joh, luister es, we kunnen voor jouw transportbedrijf een vrachtwagen leasen. Die financieren wij.” Op een gegeven moment zegt [medeverdachte 2] dat het gaat om [medeverdachte 4] . [betrokkene 10] vraagt op een gegeven moment of hij de naam [bedrijf 5] mag noemen. De verdachte zegt dan dat hij dat niet mag doen en de [medeverdachte 2] zegt vervolgens dat het nu nog niet mag en er even moet worden gekeken hoe het gesprek is en hoe het gaat. Uit het gesprek kan worden opgemaakt dat er snel met [medeverdachte 4] moet worden afgesproken. Zo zegt [medeverdachte 2] “en liefst misschien nog vandaag, vanmiddag” (…) “want der moet echt eh” (…) ”gas op gezet worde.” [betrokkene 10] neemt vervolgens telefonisch contact op met [medeverdachte 4] .
Op 19 maart 2020 vindt er in het kantoor aan de [adres 2] een gesprek plaats tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt onder meer: “Ik weet altijd of ik een pretpakket meekrijg ja, of nee”. [medeverdachte 2] zegt even later: “Eh, we zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh.” (…) “In de havens”. En kort daarna zegt [medeverdachte 4] : “(…) in januari een volle bak d’r uit gehaald? Nah, nou, je weet het bedrag wat ik krijg? Een halve ton per bak?” Hij zegt ook: “Ik [heb] er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak” en dan zegt [medeverdachte 2] “ook uit Antwerpen”.
Uit gesprekken die op dezelfde dag plaatsvinden tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] leidt het hof af dat met een “pretpakket” en een “volle bak” een container met verdovende middelen wordt bedoeld. Zo zegt de verdachte: “En toen als laatst, had ie nog twee paar pretpakketten gereden” en de verdachte zegt “Ja, eentje weten we denk ik. Dat is een eh, een, met eh bruin derin.” Even later heeft [medeverdachte 4] het over de laatste keer dat hij een bak heeft gereden en dat dat fout is gegaan. [medeverdachte 2] vraagt dan welke fout is gegaan, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: “ze hebben ‘m in Engeland onderschept, toen hebben ze hem eh leeggehaald? Dummy’s erin gegooid.” “Was in Bergschenhoek, bij eh [bedrijf 12] .” [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 4] of hij iets daarover heeft gehoord. Uit de daarop volgende reactie van [medeverdachte 4] volgt dat hij daarvoor bij de politie Rotterdam is geweest. [medeverdachte 4] zegt dat hij toen hoorde dat het niet om cocaïne maar heroïne ging. Wanneer [medeverdachte 2] vraagt wanneer dat (kennelijk doelend op het transport) geweest is antwoordt de verdachte: “Dat was net voor die van ons”.
Als [medeverdachte 2] vraagt “Eh, ben jij nog, ben jij nog oké om eh, om bakken te rijden?” zegt [medeverdachte 4] daarop “ja”. In het vervolg van het gesprek zegt [medeverdachte 2] : “Oké, maar effe kijke eh, wij hebben, wij hebben wel zat te doen alleen we hebben voor één transportbedrijf wat we hebben eh moeten we alleen eh even een wagen gaan huren, tolkastje halen”. De verdachte benadrukt “Er is één voorwaarde. Je mag niks, maar dan ook niks met [bijnaam 1] of weet ik vee, iemand toegaan dat wij merken, dat we iets doen.” Op de vraag van [medeverdachte 2] hoe snel zij een havenpas hebben, vraagt [medeverdachte 4] of zij dan een bedrijf hebben. [medeverdachte 2] antwoordt daarop dat zij een ‘tp-bedrijf’ hebben. En daarna zegt hij dat ze moeten kijken waar zij een tijdelijk een trekker en een trailer kunnen huren. [medeverdachte 2] vraagt dan aan [medeverdachte 4] of hij daar nog welkom is. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij dat niet weet en dat hij eerst een nieuwe pas wil hebben, een Alfapass (het toegangssysteem tot de haven van Antwerpen). De verdachte zegt vervolgens: “Ja, maar dan moeten we dan nu effe snel regelen.”
Eerste tussenconclusie
Uit voorgaande gesprekken valt af te leiden dat [medeverdachte 2] en de verdachte willen dat [medeverdachte 4] voor hen als chauffeur containers gaat rijden en dat [medeverdachte 4] daarop positief reageert. In de gesprekken wordt ook (veelal) in versluierde taal (‘volle boxen’, ‘bruin’) gesproken over eerder vervoerde containers met verdovende middelen. De woorden cocaïne en heroïne vallen ook letterlijk. Uit de gesprekken volgt verder dat [medeverdachte 2] en de verdachte een transportbedrijf (‘tp’) hebben, dat zij voor [medeverdachte 4] een trekker, een trailer en een toegangspas voor de haven in Antwerpen gaan regelen en dat er haast bij is.
Uit al het voorgaande volgt dat elf dagen nadat [medeverdachte 4] door [medeverdachte 2] en de verdachte is gevraagd voor hen containers te vervoeren en daarvoor een Alfapass is geregeld, [medeverdachte 4] een container met 750 kilogram cocaïne in de haven van Antwerpen heeft opgehaald. De verdachte heeft een (valse) zegel gemaakt die is gebruikt bij dit transport. De container was afkomstig uit Ecuador en bestemd voor [bedrijf 5] over welk bedrijf [medeverdachte 2] en de verdachte de feitelijke zeggenschap hadden.
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte met [medeverdachte 2] betrokken is bij de invoer van de 750 kilogram cocaïne op 30 maart 2020. Het is onder deze omstandigheden aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven voor deze belastende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets met het transport te maken heeft. Hij heeft [medeverdachte 4] gepolst om containers te vervoeren maar hij heeft hem niet gevraagd om een container met drugs te vervoeren. Verder is de aangetroffen administratie van [bedrijf 5] en [bedrijf 2] niet van hem maar van vorige huurders van kantoorpanden waar de verdachte en [achternaam] vóór het [adres 4] in hadden gezeten. De door die huurders achtergelaten spullen hebben de verdachte en [medeverdachte 2] (telkens) meegenomen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden. Dat in het OVC-gesprek van 19 maart 2020 niet letterlijk door de verdachte aan [medeverdachte 4] de vraag is gesteld of hij containers met cocaïne wil vervoeren doet aan het hiervoor vastgestelde niet af. Bovendien werd in dat gesprek, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, in versluierde taal gesproken over containers met verdovende middelen. Uit het gesprek kan worden afgeleid dat de gespreksdeelnemers begrepen waarover men sprak.
Het hof hecht evenmin geloof, zoals hiervoor reeds overwogen, aan de verklaring van de verdachte dat de aangetroffen administratie van [bedrijf 5] en [bedrijf 2] van vorige huurders was. Op zichzelf genomen zou dit al extreem toevallig zijn. Daar komt bij dat, zoals reeds besproken, de verdachte en [medeverdachte 2] de feitelijke zeggenschap over [bedrijf 5] hadden en zij ook in OVC- en tapgesprekken met elkaar over [bedrijf 5] spreken. De aangetroffen administratie van [bedrijf 5] op het kantoor van de verdachte en [medeverdachte 2] sluit daarbij aan. Daarnaast is de aangetroffen factuur van 19 maart 2020 betreffende de Alfapass aan [bedrijf 2] in lijn met het OVC gesprek van diezelfde dag waarin de verdachte en [medeverdachte 2] aangeven die pas voor [medeverdachte 4] te zullen regelen.
De verdachte is er dus niet in geslaagd een verklaring te geven die de redengevendheid van de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden ontzenuwt. Het hof concludeert dan ook gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij de materiële bijdrage van de verdachte van dusdanig gewicht is dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van de in beslag genomen 750 kilogram cocaïne.
7.6 Feit 1 en 2 – criminele organisatie
Onder 1 en 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019, respectievelijk 1 maart 2019 tot 29 september 2020.
Diezelfde dag, 19 maart 2020, vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 1] en Alfapass met betrekking tot de aanvraag van een Alfapass voor het bedrijf [bedrijf 2] , ten behoeve van chauffeur [medeverdachte 4] .
Op 23 maart 2020 vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 1] en [bedrijf 16] over het huren van een DAF truck, voorzien van het kenteken [kenteken 3] . Vanuit [e-mailadres 1] wordt een e-mailbericht verstuurd naar [e-mailadres 4] met als bijlagen een uittreksel Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 2] , een gescande kopie van het paspoort van [betrokkene 2] , een gescande kopie van het rijbewijs van [medeverdachte 4] , en een gescande kopie van de bestuurderskaart van [medeverdachte 4] . Die dag en op 25 maart 2020 vindt er ook een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 1] en [bedrijf 17] over het huren van een Pacton 40ft High Cube chassis, voorzien van het kenteken [kenteken 4] . Kort nadat de verhuurder een ongetekende SEPA-machtiging en een ongetekende huurovereenkomst naar [e-mailadres 1] . stuurt, worden beide documenten (als één gescande bijlage) ondertekend geretourneerd. Op 25 maart 2020 bestuurt [medeverdachte 4] een DAF truck, voorzien van kenteken
[kenteken 3] . De volgende dag bestuurt hij dezelfde truck met daaraan gekoppeld een Pacton High Cube trailer, voorzien van kenteken [kenteken 4] . Kort hierna voorziet de politie de trailer van een GPS-baken.
Op 29 maart 2020 ontvangt [medeverdachte 4] via [e-mailadres 5] een e-mailbericht van [e-mailadres 1] om namens [bedrijf 5] de – hierboven genoemde – containers [kenmerk 3] , [kenmerk 1] en [kenmerk 2] , allemaal gevuld met bananen, in Antwerpen op te halen en in Bleiswijk af te leveren.
Op 30 maart 2020 omstreeks 04.40 uur rijdt [medeverdachte 4] , met oplegger [kenteken 4] , richting Antwerpen. Hij arriveert daar rond 06.30 uur en ongeveer een half uur later vertrekt hij weer. Hij rijdt vervolgens naar de Tweemontstraat in Deurne (Antwerpen) en stopt daar omstreeks 07.55 uur. Hij rijdt de oplegger met container [kenmerk 3] naar een aldaar gelegen loods. Enkele uren later rijdt hij daar weg en wordt kort daarna gearresteerd. De Belgische politie doorzoekt daarna eerder genoemde loods, en neemt daar onder andere 750 kilo cocaïne in bananendozen in beslag, die gelijk waren aan de lading in container [kenmerk 3] . Verder werd een doorgeknipt originele containerzegel voorzien van nummer [zegelnummer 2] , behorende bij container [kenmerk 3] , in beslag genomen. De container [kenmerk 3] was bij aantreffen voorzien van een intacte zegel met nummer [zegelnummer 2] .
De Belgische politie treft in de cabine van de vrachtwagen met kentekenplaat [kenteken 3] het hiervoor genoemde huurcontract voor de vrachtwagen en het huurcontract voor een koelwagen bij firma [bedrijf 17] aan. Verder treft de Belgische politie een document aan waaruit blijkt dat [medeverdachte 4] , rijdende voor de firma [betrokkene 2] , de container met nummer [kenmerk 3] die als bestemming [bedrijf 5] , [adres 10] heeft, op 30 maart 2020 om 06.56 uur heeft afgehaald op [adres 11] . Ook worden drie documenten van [bedrijf 13] Belgium met de gegevens van de drie containers, [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] aangetroffen. Op de documenten staat als afzender/shipper: [bedrijf 15] Guayaquil – Ecuador vermeld. Op het document is bij de gegevens van de container [kenmerk 3] het zegelnummer [zegelnummer 2] genoteerd. De CMR-vrachtbrief van [medeverdachte 4] voor de container [kenmerk 3] wordt ook aangetroffen.
Nadat door de Belgische autoriteiten de partij van 750 kilogram cocaïne in beslag is genomen, zijn daar in totaal achttien monsters van genomen, die later zijn overgedragen aan het onderzoeksteam 26Coalcity. Genoemde monsters zijn vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat alle achttien monsters cocaïne, vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, bevatten.
[bedrijf 5] (bestemming van de zending)
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 5] in juli 2013 is opgericht met als activiteitenomschrijving: groothandel in groente en fruit, en dat [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum 3] , sinds 25 januari 2019 aandeelhouder en bestuurder is. [betrokkene 10] heeft verklaard dat [bedrijf 5] alleen op zijn naam staat, maar dat hij nog nooit werk voor dat bedrijf heeft uitgevoerd.
In het pand aan het [adres 4] , dat door de verdachte en [medeverdachte 2] als kantoor werd gebruikt, is tijdens de doorzoeking in de nacht van 29 op 30 juli 2020 onder andere een ordner aangetroffen met papieren administratie en inlogcodes die betrekking hebben op [bedrijf 5] . Daarnaast werd er een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum 3] , aangetroffen. Op een van de USB-sticks die daar ook gevonden is, staat onder andere een aanvraag EORI-nummer (een identificatienummer van de Belastingdienst/Douane ten behoeve van internationale handel) voor de onderneming [bedrijf 5] . Op de USB-stick staan verder de “Bills of Lading” voor verschillende containers met bananen voor [bedrijf 5] . Ook staan op de USB-stick facturen van [bedrijf 18] , Guayaquil Ecuador, gericht aan [bedrijf 5] , voor de aankoop van “fresh bananas”. Hierbij worden voor een deel dezelfde containernummers vermeld als waarvan de Bill of Lading is aangetroffen. Ten slotte staat er ook een screenshot op van twee betalingen vanaf de rekening van [bedrijf 5] naar de rekening van containerrederij [bedrijf 19] .
[medeverdachte 2] heeft in 2019 contant geld gestort op de rekening van [bedrijf 5] Ook spreekt hij in (telefoon)gesprekken over [bedrijf 5] of doet zich voor als vertegenwoordiger van het bedrijf. Op 25 februari 2020 voert [medeverdachte 2] een telefoongesprek met DKM-customs over het opzetten en vervoeren van containers, waarin hij zich voordoet als [betrokkene 10] van [bedrijf 5] . Verder spreken de verdachte en [medeverdachte 2] met elkaar over [bedrijf 5] . De verdachte zegt in een gesprek op 17 april 2020 tegen [medeverdachte 2] : “Ja, of eh ik haal, of dat we rekening van [bedrijf 5] , daar moet geld af hè?” [medeverdachte 2] heeft het dan over pinnen en zegt dat hij niet met zijn eigen kop wil gaan pinnen. De verdachte zegt dan: “Nee, jij. Ben je gek man. Dat moeten wij helemaal niet meer doen. Daar ben ik eh, sinds de laatste keer eh, wij moeten niet meer op de werkvloer kome. Wij moeten niet meer geld storte. Wij moeten niet meer.” [medeverdachte 2] zegt dan onder meer “Eh, dan, dan zegge ze wel van, nou, we hebbe een foto van die stort of opneemt?”(…) “Dan met de tijd erop. Dan heb je al een beeld van hem.” Daarop zegt de verdachte: “Ja, maar dat is wel verdenking. Dat is wel misschien een aanleiding om die te volgen of in ieder geval te. Dus dat niet meer doen. We gaan niet meer op de werkvloer, want dan geven we maar iemand wat geld om dat te regele. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer.” De verdachte zegt ook dat ze niet meer gaan doen wat hij heeft gedaan: “die chauffeur daar aan het ophale bij ze truck. Dat soort dinge allemaal gaan we ook niet meer doen. Wij moeten gewoon uit het zicht blijve.” [medeverdachte 2] antwoordt dat zij iets daarvoor moeten geven als er wordt gepind waarop de verdachte oppert dat zij het kunnen overmaken naar een andere rekening. [medeverdachte 2] zegt dan als je het geld naar een andere rekening overmaakt er wel wordt gekeken waar het vandaan komt. De verdachte zegt dat zij moeten kijken naar de rekeningen waar het op kan. [medeverdachte 2] vraagt wie er nou iets moest doen. De verdachte zegt dat ‘die brede’ geld wilde. [medeverdachte 2] zegt dan: “Ja, maar niet van [bedrijf 5] .” Hij vraagt dan hoe van [bedrijf 5] kan worden doorgestort naar [bedrijf 6] .