Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:GHAMS:2025:865
Strafrecht
Hoger beroep
2,411 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000610-24
datum uitspraak: 7 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-110699-19 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, zich noemende [verdachte] , op of omstreeks 16 oktober 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten een nationaal paspoort van Griekenland (voorzien van nummer [nummer 1] en op naam gesteld van [persoon] ) en/of een nationale identiteitskaart van Griekenland (voorzien van nummer [nummer 2] en op naam gesteld van [persoon] ), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 oktober 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, reisdocumenten, te weten een nationaal paspoort van Griekenland (voorzien van nummer [nummer 1] en op naam gesteld van [persoon] ) en een nationale identiteitskaart van Griekenland (voorzien van nummer [nummer 2] en op naam gesteld van [persoon] ), waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals of vervalst waren, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, en twee weken gevangenisstraf geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft er daarbij op gewezen dat een taakstraf ook in Duitsland, waar de verdachte kennelijk woont en rechtmatig verblijft, ten uitvoer kan worden gebracht.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – in het bijzonder dat hij inmiddels Duits staatsburger is geworden – en het tijdsverloop, de verdachte te veroordelen tot een taakstraf of een geldboete en daarbij geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een vervalst paspoort en een valse identiteitskaart, met daarop identiteitsgegevens die niet de zijne zijn, voorhanden gehad, terwijl hij wist van deze valsheden. Daarmee heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in de juistheid en authenticiteit van officiële documenten – met name indien deze van overheidswege zijn verstrekt – moet kunnen worden gesteld.
In beginsel acht het hof – in afwijking van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vanwege het tijdsverloop van de zaak – passend een taakstraf van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis. Het hof ziet in het licht van de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsman ter zitting naar voren zijn gebracht, geen aanleiding daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden in eerste aanleg.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis en -arrest binnen twee jaren per rechterlijke instantie nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 16 oktober 2016 in verzekering gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De politierechter heeft op 11 juni 2019 verstekvonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna acht maanden overschreden. Op 8 juli 2019 heeft het openbaar ministerie de mededeling van het verstekvonnis uitgereikt aan de griffier, aangezien er geen woon- of verblijfplaats bekend was van de verdachte. Op 26 juni 2020, 6 juli 2021, 1 juli 2022 en 5 juli 2023 is de mededeling van het verstekvonnis telkens uitgereikt aan het openbaar ministerie, aangezien er (nog steeds) geen woon- of verblijfplaats bekend was van de verdachte. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld op 12 maart 2024. Blijkens een brief van de raadsman van 25 november 2024 is de verdachte bij zijn reis naar Engeland in maart 2024 aangehouden vanwege het vonnis van de politierechter.
Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie binnen een jaar na de uitspraak de verstekmededeling rechtsgeldig heeft betekend; de verstekmededeling is uitgereikt aan de griffie om de reden dat de verdachte niet als ingezetene stond ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend was. Bovendien heeft het openbaar ministerie eenmaal per jaar geprobeerd de verstekmededeling te betekenen aan de verdachte en volgt uit de aanhouding van de verdachte tijdens zijn reis naar Engeland dat de verdachte in het opsporingsregister is geplaatst.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 februari 2025.
Mr. Stalenhoef en mr. Greven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.