Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2025-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:847
ECLI:NL:GHAMS:2025:847 text/xml public 2026-06-03T10:34:47 2025-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-04-01 200.301.531/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:847 text/html public 2026-06-03T10:34:16 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:847 Gerechtshof Amsterdam , 01-04-2025 / 200.301.531/01 kopje volgt. GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.301.531/01 zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/676708/HA ZA 19-1328 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2025 inzake [appellant] , In zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Maanwende B.V. gevestigd te [plaats 1] . appellant, advocaat: mr. J.P.M.Borsboom te Rotterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [plaats 2] , advocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam, 2. [bedrijf] B.V ., gevestigd te [plaats 3] , advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam, 3. [geïntimeerde 2] , wonende te [plaats 3] ,. advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam, geïntimeerden. Partijen worden hierna de curator en [geïntimeerden] . genoemd. [geïntimeerden] worden afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [bedrijf] en [geïntimeerde 2] genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt Maanwende genoemd. 1 De zaak in het kort [geïntimeerde 1] is in de periode 2006-2010 bestuurder geweest van Maanwende, een vennootschap die is opgericht vanwege het gunstige Nederlandse fiscaal regime. Maanwende ontplooide geen ondernemingsactiviteiten en genereerde geen eigen inkomsten. Maanwende behoorde tot de Russische Areti-groep. Tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] zijn, met gebruikmaking van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten, leningen ten bedrage van USD 186 miljoen verstrekt aan drie vennootschappen in Belize en is een bedrag van USD 14 miljoen aan advieskosten betaald aan een vennootschap op Bermuda. Het totaalbedrag betrof (in ieder geval: vrijwel) het gehele vermogen van Maanwende. [geïntimeerde 2] heeft in de desbetreffende periode als advocaat een aantal werkzaamheden verricht. De leningen zijn nooit terugbetaald en er is nooit rente betaald. De Belastingdienst heeft Maanwende in verband met de leningen aanslagen Vpb opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De curator acht [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor het verdwijnen van het vermogen van Maanwende en heeft op basis daarvan een aantal vorderingen tegen hen ingesteld. Aan [bedrijf] verwijt de curator het faciliteren van de onttrekking en [bedrijf] is in zijn visie bovendien aansprakelijk als werkgever van [geïntimeerde 2] . De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen. Het hof heeft een mondelinge behandeling gelast om nadere informatie te verkrijgen en oordeelt thans dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [bedrijf] niet toewijsbaar zijn en dat de vordering tegen [geïntimeerde 1] in beginsel toewijsbaar kan zijn tot het meer subsidiair gevorderde bedrag, maar dat eerst nog nadere memoriewisseling nodig is voordat daarover een beslissing kan worden genomen. 2 Het geding in hoger beroep Voor het geding in hoger beroep tot 18 juni 2024 verwijst het hof naar zijn op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken. De bij dat arrest gelaste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen nader toegelicht, voor de curator mr. S.C. Louer, kantoorgenoot van mr. Borsboom voornoemd, voor [geïntimeerde 1] zijn hierboven genoemde advocaat en voor [bedrijf] en [geïntimeerde 2] naast hun hierboven genoemde advocaat ook diens kantoorgenoot mr. L.A. Godwaldt. Daarbij hebben de advocaten gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen en hun advocaten hebben voorts vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. Daarna is wederom arrest gevraagd. 3 Verdere beoordeling Inleiding 3.1. De Dat bij een dergelijke rolverdeling [geïntimeerde 2] , als advocaat van Itera, een verregaande betrokkenheid heeft gehad bij de activiteiten van Maanwende, wat daarvan verder zij, maakt echter nog niet dat zij haar werkzaamheden in opdracht van en als advocaat van Maanwende heeft verricht. 3.7. Dit betekent dat de vraag moet worden beantwoord of [geïntimeerde 2] dan wellicht in haar hoedanigheid van advocaat van Itera onrechtmatig heeft gehandeld jegens Maanwende en/of de gezamenlijke crediteuren van Maanwende. De curator heeft betoogd dat dit het geval is. De grieven X (onder b) tot en met XVI, die op deze vraag betrekking hebben, lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.8. Voor de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde 2] in relatie tot Maanwende dan wel de gezamenlijke crediteuren van Maanwende geldt de maatstaf zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd in zijn arrest van 17 januari 2020, HR:ECLI:NL:HR:2020:61 (Banning). In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen. (3.1.2) Een advocaat heeft de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt te behartigen en stelt zich daarbij partijdig op (art. 10a lid 1, onder b, Advocatenwet). Daarbij dient een advocaat wel oog te hebben voor de context van dat belang, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen (zoals de wederpartij of derden). Zo nodig confronteert hij zijn cliënt met gerechtvaardigde belangen van die anderen. De advocaat moet voorts in ieder geval handelen overeenkomstig de wet, en de belangenbehartiging van cliënten mag dan ook alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. (3.1.3) Onder omstandigheden kan een advocaat gehouden zijn bij zijn dienstverlening aan de cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare, gerechtvaardigde belangen van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop zijn dienstverlening betrekking heeft. Indien een advocaat weet, of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat sprake is van zodanige belangen en dat de betrokken derden door een (voorgenomen) handelen of nalaten op onaanvaardbare wijze in die belangen zouden kunnen worden geschaad, dient hij zijn dienstverlening aan de cliënt daarop af te stemmen. Daarbij valt te denken aan het ontraden van een voorgenomen transactie, of het waarschuwen van de cliënt voor de daaraan, in verband met de betrokken belangen van derden, verbonden risico’s.. (3.1.4) Bij het voorgaande geldt dat een advocaat mag afgaan op de juistheid van de hem door de cliënt verstrekte gegevens zolang in redelijkheid aanwijzingen van het tegendeel ontbreken (…). 3.9. De curator verwijt [geïntimeerde 2] dat zij als ‘facilitator’ een wezenlijke en leidende rol heeft gespeeld bij het mogelijk maken van het leeghalen van Maanwende en dit professioneel heeft georganiseerd. Zij onderhield de contacten met de aandeelhouder, zij heeft de nodige instructies gegeven aan [geïntimeerde 1] en hem de nodige documenten laten tekenen, zij heeft de talloze, daarvoor nodige formaliteiten verricht, de notarissen geïnstrueerd allerlei volmachten en andere documenten te legaliseren en te voorzien van apostilles en ook andere praktische zaken geregeld. Volgens de curator heeft zij daarmee de overdracht van de volledige bevoegdheid van [geïntimeerde 1] ten aanzien van het vermogen van Maanwende aan derden gerealiseerd en alles gedaan wat nodig was voor het mogelijk maken van het leeghalen, terwijl zij wist dat [geïntimeerde 1] de klakkeloze stroman van de Russische aandeelhouder was en wist van de wens van de aandeelhouder het hele vermogen van Maanwende weg te sluizen. Desondanks stelde zij geen vragen, waarschuwde niet, deed geen nader onderzoek en trof geen maatregelen in het belang van Maanwende, weigerde niets en trok zich ook niet terug, aldus de curator. In zijn visie kon [geïntimeerde 2] wel degelijk (naar objectieve maatstaven) voorzien dat Maanwende leeg zou achterblijven met een belastingschuld. 3.10. [geïntimeerd Niet kan worden geconstateerd dat [geïntimeerde 2] door Itera voor meer of andere werkzaamheden is ingeschakeld dan ondersteunende werkzaamheden – als het laten ondertekenen van stukken door [geïntimeerde 1] , het door de notaris laten legaliseren van stukken en deze te doen voorzien van een apostille – en het incidenteel beantwoorden van vragen op het gebied van het Nederlandse recht. Onder verwijzing naar overgelegde stukken heeft [geïntimeerde 2] er nog op gewezen dat Itera een eigen juridische afdeling had, voor ‘grotere’ advieswerkzaamheden een Zuidas-kantoor inschakelde en een eigen belastingadviseur had. Dat [geïntimeerde 2] inhoudelijk bij de op Maanwende betrekking hebbende activiteiten van Itera werd betrokken dan wel dat zij een breder zicht had op de gang van zaken van Maanwende dan kenbaar was uit de stukken die zij onder ogen kreeg, blijkt niet. Dat zij Itera in de e-mail van 14 mei 2008 uit eigen beweging van advies heeft voorzien over een situatie die naar haar inschatting aan de orde zou kunnen komen, maakt dat niet anders. 3.13. Het vorenstaande neemt niet weg dat [geïntimeerde 2] er wel op bedacht moest zijn dat zij in het kader van haar beperkte opdracht geen onwettige activiteiten faciliteerde. Daarbij geldt dat zij in beginsel mocht afgaan op de juistheid van de haar verstrekte gegevens (zie rov. 3.1.4 van het hiervoor onder 3.8 vermelde arrest). 3.14. De handelingen waar [geïntimeerde 2] aantoonbaar bij betrokken was, zijn niet van dien aard dat deze op zichzelf niet legitiem kunnen zijn. Het gaat dan in de eerste plaats om het ter tekening doorsturen aan [geïntimeerde 1] van de volmacht voor de leningen. Dit duidt niet per definitie op ongeoorloofde transacties. Zoals [geïntimeerde 2] heeft betoogd ging het om kortlopende leningen voor een jaar die dienden te worden goedgekeurd door de algemene vergadering van Maanwende en kan dat passen bij een voornemen tot dividenduitkering op termijn waarbij in de tussentijd vermogen rentedragend werd uitgeleend. Als advocaat van de aandeelhouder met een aldus beperkte opdracht van die aandeelhouder was zij niet gehouden tot verder onderzoek met het oog op de bescherming van de belangen van Maanwende of haar crediteuren. Het valt in die rol ook niet onder haar verantwoordelijkheid te controleren hoe [geïntimeerde 1] zijn rol als bestuurder invulde. 3.15. Volgens de curator wist [geïntimeerde 2] dat Itera het hele vermogen wilde wegsluizen en dat een dividenduitkering op bezwaren stuitte en had Itera haar bovendien ook herhaaldelijk om advies gevraagd over het uit de vennootschap weghalen van geld. Dat zij de kennis had die de curator haar toedicht of dat zij had moeten begrijpen wat zou gebeuren, kan echter niet worden opgemaakt uit de producties waarnaar de curator verwijst. Dat door Itera aangewezen personen toegang kregen tot een door Maanwende te openen rekening in Cyprus, zegt op zichzelf onvoldoende. Dat geldt ook voor de inhoud van de e-mail van 30 april 2008. Deze e-mail kan er ook op duiden dat het vermogen eerst kortdurend zou worden uitgeleend, zoals ook steun vindt in de inhoud van de volmacht. De e-mail van 14 mei 2008 van [geïntimeerde 2] bevat geen advies waarvan [geïntimeerde 2] zich moest realiseren dat dit dienstbaar zou kunnen zijn bij een voornemen het vermogen met voorbijgaan aan fiscale verplichtingen weg te sluizen. De e-mail van 23 juni 2008 geeft steun aan de stelling van [geïntimeerde 2] dat zij ervan uitging dat het vermogen op termijn als dividend zou worden uitgekeerd. Dat [geïntimeerde 2] in 2008 al redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het oogmerk van Itera was het voor een korte periode uitgeleende vermogen van Maanwende via de leningconstructie te laten verdwijnen en de als gevolg daarvan ontstane belastingschuld onbetaald te laten, gaat te ver. 3.16. Dit wordt niet anders nu niet kan worden vastgesteld dat er in maart 2008 een door [geïntimeerde 2] genoemd advies van Baker&McKenzie is geweest, inhoudende dat een dividenduitkering Kort gezegd (zoals ook al vermeld onder 4.6 van het tussenarrest) verwijt de curator de rechtbank te hebben miskend dat [geïntimeerde 1] zich als stroman heeft opgesteld, dat dergelijk handelen in het algemeen al in strijd is met de verplichtingen van een bestuurder van een bv en [geïntimeerde 1] bovendien een professional/voormalig advocaat was aan wiens handelen hoge eisen moeten worden gesteld, dat de voorzienbaarheid/wetenschap van schuldeisersbenadeling in een geval als het onderhavige moet worden geobjectiveerd omdat reeds in het algemeen kan en moet worden voorzien dat (de kans groot is dat) misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt en het geld verdwijnt en dat de feiten en omstandigheden in dit geval zelfs zozeer in strijd zijn met fundamentele beginselen van behoorlijk ondernemer- en bestuurderschap dat dit een risicoaansprakelijkheid voor de bestuurder meebrengt. De rechtbank heeft ten onrechte alle relevante feiten en omstandigheden niet cumulatief en in onderling verband beschouwd maar slechts afzonderlijk ‘afgevinkt’, aldus de curator. De curator heeft deze strekking van het hoger beroep voorop gesteld en een en ander nader uitgewerkt in de grieven II tot en met IX, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. 3.26. Het verwijt dat de curator meer concreet aan [geïntimeerde 1] maakt is, kort gezegd, dat [geïntimeerde 1] , als bestuurder van Maanwende, op verzoek c.q. instructie van ( [geïntimeerde 2] namens) Itera, zonder enige zekerheden te bedingen, zonder vragen te stellen en zonder daarna nog enige controle of zicht daarop te kunnen hebben, aan hem volkomen onbekende (en niet in Nederland woonachtige) personen die hem door de aandeelhouders waren aangewezen een volmacht heeft verstrekt waarmee zij de volledige controle en zeggenschap kregen over de bedoelde USD 200 miljoen, zijnde (vrijwel) het gehele vermogen van Maanwende. [geïntimeerde 1] betwist dit alles op zichzelf ook niet. 3.27. Het hof is van oordeel dat de curator [geïntimeerde 1] terecht verwijt dat hij zijn taak als bestuurder niet behoorlijk heeft vervuld en zich terecht op het standpunt stelt dat [geïntimeerde 1] ter zake een ernstig verwijt valt te maken. Voorop staat dat voor [geïntimeerde 1] , wiens taak op zichzelf beperkt was, dezelfde normen gelden als voor een reguliere bestuurder, zoals het hof al in het tussenarrest heeft gememoreerd. 3.28. Dat brengt mee dat [geïntimeerde 1] in ieder geval zicht had moeten houden op de rechtshandelingen die namens de vennootschap werden verricht en daar in het belang van Maanwende zo nodig eisen aan had moeten stellen. Door het overlaten van de beschikking over de rekening in Cyprus aan door Itera aangewezen personen waarbij hij geen zicht behield op het verloop van die rekening en door het verlenen van de volmacht van 14 mei 2008 voor het verstrekken van geldleningen aan niet nader aangeduide leningnemers die vrijwel het hele vermogen van Maanwende konden betreffen, heeft hij zijn bestuurstaak in wezen geheel losgelaten. Daarmee heeft hij zijn verantwoordelijkheden als bestuurder veronachtzaamd. Het is overigens ook in strijd met de managementovereenkomst die hij met Itera heeft gesloten (productie 1 bij conclusie van antwoord) waarin onder meer staat dat hij gehouden is ervoor zorg te dragen dat de vennootschap handelt in overeenstemming met de Nederlandse wet- en regelgeving en met haar statuten, dat hij “ shall take good care of the interests of the Company ” en “reserves the right to refrain from any act which [he] considers to be in conflict with the lawful interest of the Company .” 3.29. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij te maken had met een grote partij die als enige belang had bij de vennootschap terwijl de belangrijke besluiten ook steeds goedkeuring van de algemene vergadering behoefden. Bovendien ging het volgens [geïntimeerde 1] om intercompany loans , Hij kon niet vermoeden dat in strijd met het belang van de vennootschap zou worden gehandeld, aldus [geïntimeerde 1] . Dit neemt echt Met name ziet het hof geen grond om [geïntimeerde 1] aansprakelijk te houden voor schulden die pas zijn ontstaan in de bestuursperiodes van latere bestuurders van Maanwende. Ook voor aansprakelijkheid voor de kosten die verband houden met het in 2019 gevolgde faillissement, ziet het hof geen grond. 3.34. Een en ander brengt mee dat de curator – waar het gaat om zijn vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW – [geïntimeerde 1] slechts aansprakelijk kan houden voor de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van Maanwende die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van Maanwende is geweest en waarvoor Maanwende toen al onvoldoende verhaal bood. Het hof merkt daarbij op, allicht ten overvloede, dat het moment waarop een belastingschuld ontstaat niet noodzakelijk samenvalt met het moment van de aanslag of het moment waarop zij opeisbaar wordt. 3.35. De curator heeft in hoger beroep, na eiswijziging, meer subsidiair schadevergoeding gevorderd tot het bedrag van de vpb-aanslag over het belastingjaar 2009 van € 621.495 (€ 504,641 aanslag en € 116.854 rente, zie prod. A bij memorie van grieven) omdat die aanslag betrekking heeft op het belastingjaar waarin [geïntimeerde 1] nog bestuurder was van Maanwende, althans tot een bedrag dat het hof juist en rechtvaardig acht. Hierop heeft [geïntimeerde 1] nog niet met zo veel woorden gereageerd. De vraag of Maanwende ten tijde van het uittreden van [geïntimeerde 1] als bestuurder voldoende verhaal daarvoor bood, is ook nog niet met zoveel woorden door partijen aan de orde gesteld. Ten slotte leest het hof in de stellingen van [geïntimeerde 1] waarin hij wijst op de gevolgen voor hem van een toewijzend vonnis (conclusie van antwoord p. 22) en de onredelijke gevolgen van toewijzing in het licht van de geringe hoogte van de genoten contra-prestatie (€ 4.000,- per jaar) (memorie van antwoord p. 13 en spreekaantekeningen 16) een beroep op matiging als bedoeld in artikel 6:109 BW. Het debat daarover is echter nog onvoldoende uitgekristalliseerd. 3.36. Uit het vorenstaande volgt dat het hof de grieven II tot en met IX op zichzelf gegrond acht voor zover de curator daarmee klaagt dat de rechtbank het beroep op schending van artikel 2:9 BW ten onrechte heeft verworpen, maar dat over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. De formele verweren; verjaring en decharge 3.37. Nader debat zou echter achterwege kunnen blijven als een van de formele verweren van [geïntimeerde 1] doel zou treffen. Dat betreft in de eerste plaats het beroep op verjaring. 3.38. Zoals het hof al in het tussenarrest heeft overwogen, betreft de vordering op grond van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:9 BW een schadevordering waarvoor geldt dat deze op grond van artikel 3:310 lid 1 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. 3.39. In het tussenarrest heeft het hof ook al overwogen dat het bij deze vordering gaat om een vordering die aan de vennootschap zelf toekomt, dat de curator heeft gesteld dat Maanwende als gevolg van onbehoorlijk bestuur van [geïntimeerde 1] schade heeft geleden en dat, indien het handelen van [geïntimeerde 1] in de door de curator geschetste omstandigheden als onbehoorlijk bestuur moet worden aangemerkt, duidelijk is dat [geïntimeerde 1] als bestuurder in dat geval degene is die voor de als gevolg daarvan geleden schade aansprakelijk is. [geïntimeerde 1] is aansprakelijk gesteld bij brief van 7 november 2019 en vervolgens op 20 november 2019 gedagvaard. 3.40. In het voorafgaande heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is jegens Maanwende en dat zijn aansprakelijkheid is beperkt tot de schade van Maanwende die bestaat uit het bedrag van de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van Maanwende die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van Maanwende is geweest. De vraag