Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-01
ECLI:NL:GHAMS:2025:846
Civiel recht
Hoger beroep
1,625 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.281.479/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/662570 / HA ZA 19-245
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2025
inzake
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. C.W.A. van Dam te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. B.P. van Overeem te Amsterdam.
1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
Voor het eerdere verloop van de zaak verwijst het hof naar het tussenarrest van 16 april 2024.
Partijen hebben vervolgens de volgende stukken ingediend:
- akte na tussenarrest, met producties;
- antwoordakte na tussenarrest, met producties.
Partijen hebben arrest gevraagd.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de rente, tegen de toewijzing waarvan de vierde grief van [appellant] opkomt, slechts verschuldigd is over het deel van de vordering van € 879.934,27 dat ziet op de huurachterstand. Het hof heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld daarvan een berekening in het geding te brengen. Het hof heeft [geïntimeerde] daarbij verzocht om deze berekening zo in te richten dat separaat de (totale) huurachterstand en de (totale) rente tot de datum van de in te dienen akte wordt berekend. Daarnaast heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld bij de in te dienen akte te reageren op het standpunt van [appellant] dat zij geen rente verschuldigd is omdat zij niet door [geïntimeerde] in gebreke is gesteld en daarom niet in verzuim is geraakt.
2.2.
[geïntimeerde] heeft een berekening in het geding gebracht. Daarin neemt [geïntimeerde] een huurachterstand van € 879.934,27 per 30 november 2018 als uitgangspunt. Over dat bedrag is de rente berekend, rekening houdend met de door [appellant] gedane betalingen. Deze betalingen zijn door [geïntimeerde] allereerst in mindering gebracht op rente en proceskosten en het restant op de hoofdsom, zo stelt [geïntimeerde] .
2.3.
[appellant] stelt dat de berekening van [geïntimeerde] onjuist is en dat de huurachterstand per 1 mei 2018 (en, zo begrijpt het hof, bij het herleven van deze huurschuld op 30 november 2018) slechts € 411.580,77 bedroeg. [appellant] voert daartoe aan dat de huurachterstand op 31 augustus 2017 € 357.781,49 bedroeg. Nadien zijn nog acht maanden huur (ad € 6.724,91 per maand, totaal € 53.799,28) opeisbaar geworden en dat levert een totaal op van € 411.580,77.
2.4.
De berekening van [appellant] komt het hof juist voor. Het door [appellant] genoemde bedrag van € 357.781,49 stemt immers overeen met het in het dictum van het vonnis van 19 juni 2018 onder III genoemde bedrag aan huurschuld per 31 augustus 2017. Vermeerderd met de acht maanden huur die daarna nog zijn vervallen bedroeg de huurschuld bij het herleven van de huurschuld op 30 november 2018 in totaal € 411.580,77. Daaruit concludeert het hof dat over dit laatste bedrag [appellant] vanaf 1 december 2018 de contractuele rente ad 1% per maand verschuldigd is.
2.5.
Ten aanzien van het door [appellant] gestelde ontbreken van verzuim heeft [geïntimeerde] gesteld dat geen ingebrekestelling nodig was omdat [appellant] had meegedeeld niet te zullen voldoen aan haar verplichtingen. [appellant] heeft dat niet weersproken.
2.6.
De conclusie is dat [appellant] over € 411.580,77 (te verminderen met eventuele betalingen die daarna zijn gedaan) de contractuele rente van 1% per maand vanaf 1 december 2018 verschuldigd is. De rechtbank heeft bij de renteberekening ten onrechte € 506.818,16 tot uitgangspunt genomen. In zoverre slaagt grief 4 alsnog. Het vonnis van 1 april 2020 zal voor dat deel worden vernietigd en de contractuele rente zal als genoemd worden toegewezen. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen. Het in hoger beroep meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde] worden begroot op:
- griffierecht
€
5.517,00
- salaris advocaat
€
13.215,00
Totaal
€
18.732,00
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis van 1 april 2020, voor zover daarbij de wettelijke (handels)rente is toegewezen over € 506.818,16;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de contractuele rente van 1% per maand over € 411.580,77 (te verminderen met eventuele betalingen die daarna zijn gedaan) vanaf 1 december 2018 tot aan de dag der voldoening;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 18.732,00;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, J.C. Toorman en F. Sepmeijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.