Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-11
ECLI:NL:GHAMS:2025:624
Strafrecht
Hoger beroep
1,128 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002514-23
datum uitspraak: 11 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 september 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-234365-21 (hierna: zaak A) en 13-095759-23 (hierna: zaak B), alsmede 13-216553-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, namelijk enkel voor zover dit ziet op de bewezenverklaring van het onder zaak B tenlastegelegde.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
Zaak B
hij op of omstreeks 10 april 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een sixpack Heineken bier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – de verdachte zal vrijspreken van het in zaak B tenlastegelegde.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het in zaak B tenlastegelegde en dat aan hem een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis zal worden opgelegd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat de verdachte in elk geval niet zelf het sixpack bier heeft gestolen. Het is immers de medeverdachte die het bier in zijn handen heeft, ter betaling bij de zelfscankassa aanbiedt en hiermee – kennelijk zonder daadwerkelijk te betalen – de winkel verlaat. De vraag is dus of de verdachte is aan te merken als medepleger. Nu niet blijkt van een vooropgezet plan van de beide verdachten om bier te gaan stelen is de vraag of de verdachte op enig moment bewust was van het feit dat de medeverdachte bier aan het stelen was en daaraan opzettelijk een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Daarvoor ontbreekt naar het oordeel van het hof voldoende wettig en in elk geval overtuigend bewijs. Daarbij heeft het hof vooral betekenis toegekend aan het feit dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte ten tijde van de diefstel psychotisch was en – aansluitend op zijn inverzekeringstelling – gedwongen is opgenomen in een kliniek. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder zaak B tenlastegelegde feit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr P.J. van Eekeren en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2025.