Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:571
Strafrecht
Hoger beroep
1,253 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002134-22
datum uitspraak: 20 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-710006-18 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 114.452,76.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj en eenvoudig witwassen.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 19 juli 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.917,76 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft het voornoemde strafvonnis bij (onherroepelijk) arrest van 27 juni 2024 bevestigd.
Het openbaar ministerie en de verdediging zijn blijkens de ‘overeenkomst tot procesafspraken’ van 27 november 2024 procesafspraken in de onderhavige zaak overeengekomen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verplichting tot betaling aan de Staat
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op een bedrag ter hoogte van € 80.288,00 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 53.531,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft verzocht overeenkomstig de vordering te beslissen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging besproken met de procespartijen. De betrokkene heeft aldaar verklaard dat hij het eens is met de inhoud van de procesafspraken. Gebleken is dat de betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad om weloverwogen en vrijwillig tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en dat hij zich rekenschap heeft kunnen geven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op het voorliggende afdoeningsvoorstel (de procesafspraken).
Het hof schat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, overeenkomstig de inhoud van de procesafspraken, op € 80.288,00 en is van oordeel dat aan de betrokkene de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 53.531,00, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 80.288,00 (tachtigduizend tweehonderdachtentachtig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 53.531,00 (drieënvijftigduizend vijfhonderd eenendertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. L.F. Roseval en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van
mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 februari 2025.