Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-10
ECLI:NL:GHAMS:2025:530
Strafrecht
Hoger beroep
42,251 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002951-23
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-997042-19 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Dordrecht.
1Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november, 15 november, 11 december 2024 en 8 januari 2025 en, op grond van het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
2Ontvankelijkheid officier van justitie in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5, tweede en vierde gedachtestreepje, (cumulatief) is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak staat voor een verdachte echter geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom, conform het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
3Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 8 april 2021 en 28 oktober 2021 toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep nog inhoudelijk aan de orde, tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2. ( ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
3, primair (ZD 6)
hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a die wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2018 (datum verscheping container vanuit Thailand) tot en met 26 oktober 2018 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 1] als ontvanger van de (dek) lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/zijn en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [be
Beoordeling
8.1
Ondernemingen
Uit bovengenoemde aangifte van ING Bank blijkt dat op vijf bankrekeningen van verschillende ondernemingen ( [bedrijf 9] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] B.V. , [bedrijf 5] en [bedrijf 10] ) in een korte periode veel contante stortingen werden gedaan, waarna er grote overboekingen werden gedaan naar (onder meer) buitenlandse bankrekeningen. Daarbij werd steeds door hetzelfde zogenoemde ‘device-ID’ ingelogd op de accounts van die rekeningen. Een device-ID is een unieke code die ING Bank geeft aan een apparaat waarmee wordt ingelogd op de internetapplicatie ‘Mijn ING’, waarmee klanten van ING Bank gebruik kunnen maken van internetbankieren.
Van deze bedrijven blijken [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1] ) en [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) betrokken bij nog te bespreken feiten 3, 4 en 5. De verdachte is officieel geen eigenaar of bestuurder van deze bedrijven (geweest) en heeft betrokkenheid daarbij ontkend. De vraag is dus of de verdachte anderszins aan deze bedrijven kan worden gelinkt. Voor het antwoord op die vraag is het volgende van belang.
[bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] en [bedrijf 8]
In de ten laste gelegde periode kunnen een aantal ondernemingen direct aan de verdachte worden gekoppeld, waaronder: [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 8] .
[bedrijf 11] is opgericht op 9 januari 2015 en gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De verdachte was vanaf de oprichting bestuurder en tot 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Het Mauritiaanse bedrijf [bedrijf 14] was vanaf 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Op 26 maart 2019 is [bedrijf 11] verplicht geschrapt uit het register en zijn de bezittingen en rechten toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. Overigens blijkt uit het dossier dat [bedrijf 11] (nog steeds) staat geregistreerd als eigenaar van het woonhuis van de verdachte. De verdachte heeft op ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [bedrijf 11] inderdaad zijn bedrijf is en dat hij de aandelen via een trustovereenkomst heeft ondergebracht bij [bedrijf 14] , een trustkantoor op Mauritius.
[bedrijf 14] , vanaf 29 juni 2016 enig aandeelhouder van [bedrijf 11] , is opgericht op 15 juli 2010.
[bedrijf 12] is opgericht op 29 juni 2016 en eveneens gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De verdachte was vanaf de oprichting bestuurder. De enig aandeelhouder was [bedrijf 14] . Ook [bedrijf 12] is op 26 maart 2019 verplicht geschrapt uit het register, waarna de bezittingen en rechten zijn toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. De verdachte heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij directeur/bestuurder was van [bedrijf 12] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de aandelen van [bedrijf 12] via een trustovereenkomst heeft ondergebracht bij het trustkantoor [bedrijf 14] op Mauritius.
[bedrijf 12] heeft op zijn beurt 70% van de aandelen van de onderneming [bedrijf 13] . De overige 30% van de aandelen in [bedrijf 13] zijn in handen van [bedrijf 15] , welke onderneming eveneens is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De directeur en aandeelhouder van [bedrijf 15] is [betrokkene 2] . [bedrijf 13] is eigenaar van de [bedrijf 16] in Griekenland.
[bedrijf 12] hield ook 90% van de aandelen van [bedrijf 8] IKE. De overige 10% van de aandelen was in handen van het hiervoor genoemde [bedrijf 15] . De verdachte heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij geen bestuurder is van [bedrijf 8] , maar dat hij daarin een partner heeft zitten genaamd [betrokkene 2] . Zij hebben volgens de verdachte samen de leiding over [bedrijf 8] , maar [betrokkene 2] is tekenbevoegd.
Doorzoeking woning [medeverdachte 8]
Tijdens de doorzoeking op 19 juli 2018 in de woning aan de [adres 1] is administratie aangetroffen van onder meer [bedrijf 1] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] IKE, [bedrijf 5] , [bedrijf 9] , [bedrijf 17] en [bedrijf 18] . Ook werd er een multomap aangetroffen met daarop vermeld [bedrijf 10] waarin zich een uitdraai van de Kamer van Koophandel van dit bedrijf bevond, bankafschriften en een overeenkomst met de ING Bank, evenals enkele facturen onder meer gericht aan [betrokkene 1] . Daarnaast zijn er meerdere kopieën van paspoorten aangetroffen, waaronder die van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 7] en [betrokkene 3] . Laatstgenoemde is de echtgenoot van [betrokkene 4] . Zij is op papier bestuurder geweest van – het nog te bespreken bedrijf – [bedrijf 5] . Een zakelijke wereldbankpas van de rekening van [bedrijf 5] is ook in de woning aangetroffen. De pas stond op naam van [betrokkene 4] .
Terzijde merkt het hof op dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] samen met [medeverdachte 8] en [betrokkene 5] – de vader van de medeverdachte [medeverdachte 3] – op 20 juni 2018 in Griekenland zijn aangehouden op verdenking van de invoer van ongeveer 3.000 kilo BMK.
Daarnaast werd in de woning aan de [adres 1] een computer in beslag genomen waarop een uittreksel van de Kamer van Koophandel inzake [bedrijf 7] is aangetroffen.
Het hof gaat er niet vanuit dat de verdachte permanent woonachtig was in de woning aan de [adres 1] , maar stelt vast dat de woning wel anderszins aan hem te linken is.
In deze woning woonde namelijk destijds [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] was de (buitenechtelijke) vriendin van de verdachte. Zij is in het onderzoek ‘Venijnboom’ op 11 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag onherroepelijk veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie in de periode van 11 april 2011 tot en met 16 december 2013 met de verdachte. Zij kennen elkaar dus tenminste al vanaf april 2011 en hebben eerder met elkaar strafbare feiten gepleegd.
Overigens was de huurder van de betreffende woning [bedrijf 8] , waarover de verdachte (zoals hiervoor vermeld samen met een partner in Griekenland, [betrokkene 2] ) de leiding had. De huur van de woning werd, namens huurder [bedrijf 8] , betaald door [bedrijf 7] . Ten aanzien van dat bedrijf geldt nog het volgende.
[bedrijf 7] en [bedrijf 6] B.V.
[bedrijf 7] is opgericht op 10 oktober 2016 en ontbonden op 2 maart 2020. Enig aandeelhouder en bestuurder is gedurende al die tijd [bedrijf 6] B.V. geweest.
[bedrijf 6] B.V. is opgericht op 15 november 1989 en ontbonden op 2 maart 2020. Van 13 september 2016 tot 17 april 2019 was [medeverdachte 7] , geboren op [geboortedatum 2] , enig aandeelhouder. Hij was van 13 september 2016 tot 15 december 2017 tevens bestuurder. Vanaf 15 december 2017 tot de ontbinding was als bestuurder aangesteld [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum 3] . Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 6] de oom is van [medeverdachte 7] . Vanaf 17 april 2019 was Stichting [bedrijf 6] enig aandeelhouder. Stichting [bedrijf 6] is opgericht op 17 april 2019 en eveneens ontbonden per 2 maart 2020. De bestuurder was (eveneens) [betrokkene 6] .
Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 26 oktober 2021 verklaard dat hij geen officiële functie had bij [bedrijf 6] , maar wel zeggenschap had over het vastgoed. Dat was op hetzelfde niveau als [medeverdachte 7] . De verdachte heeft deze verklaring bevestigd ter terechtzitting van de rechtbank op 28 augustus 2023. Hij had ‘gelijke zeggenschap’ met [medeverdachte 7] over het ‘ [bedrijf 6] concern’. Alles ging op basis van overleg.
Op 18 juli 2018 vond in de woning van (de ouders van) [medeverdachte 3] een doorzoeking plaats.
Conclusie
Samengevat houdt het voorgaande in dat de verdachte – mede via [medeverdachte 1] – de feitelijke zeggenschap had over de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Deze bv’s zijn verantwoordelijk geweest voor het transport en de betaling van het transport waarin de 5.296 kilogram hennep zat verborgen. [medeverdachte 1] was ten tijde van het transport werkzaam voor de verdachte en hield zich onder meer bezig met het regelen van katvangers, waarbij [betrokkene 1] voor hem een katvanger voor [bedrijf 1] heeft geregeld. Uit de geleasede Volkswagen Polo en de verklaringen daarover van [betrokkene 14] , de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 8] en de aangifte van de ING over de gebruikte device ID’s, blijkt dat de verdachte in verband kan worden gebracht met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het telefoonnummer van [bedrijf 2] kan worden gekoppeld aan [medeverdachte 1] en hij heeft grote bedragen contant geld op de bankrekening van [bedrijf 2] gestort. De verdachte had daarbij een groot belang aangezien grote bedragen onder meer via [bedrijf 2] gestort zijn op de bankrekening van [bedrijf 8] , een onderneming waarin de verdachte via zijn bedrijf [bedrijf 12] voor 90% eigenaar was. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] , die in de desbetreffende periode eveneens werkzaam was voor verdachte, het transport gereden.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 5.296 kilo hennep, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.
8.5
Feit 4 – invoer 4,6 gram heroïne (zaaksdossier 8)
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 2 tot en met 5 augustus 2019 te Antwerpen en/of op de Westerschelde en/of te Hoogvliet Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk (via de Westerschelde) 10 gram heroïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of geeft vervoerd en afgeleverd, althans aanwezig heeft gehad.
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Op 2 augustus 2019 wordt door de Britse autoriteiten in de haven van Felixstowe (Engeland) het zeeschip [naam schip] met hierop de zeecontainer [containernummer] afkomstig uit Pakistan gecontroleerd. De zeecontainer is vervolgens verder verscheept naar Antwerpen (België). Op de Bill of lading (hierna: BOL) staat vermeld dat het gaat om 201 dozen met 100% katoenen handdoeken in verschillende afmetingen.
De verscheping van de container wordt verzorgd door [bedrijf 23] . Volgens de BOL is de lading, met tussenkomst van [bedrijf 24] , bestemd voor [bedrijf 25] , gevestigd te [adres 12] .
In de periode van 23 juli tot en met 29 juli 2019 vindt e-mailverkeer plaats tussen [bedrijf 24] en [bedrijf 25] . Op 29 juli 2019 (12.06 uur) wordt door [mailadres] een e-mail aan [bedrijf 24] gestuurd waarin wordt gevraagd de BOL over te dragen aan [bedrijf 22] B.V.. Het e-mailadres [mailadres 2] wordt in de cc vermeld. Als bijlage worden de benodigde (formele) documenten meegezonden. De e-mail is ‘ondertekend’ met [naam 4] , [bedrijf 3] B.V , [adres 12] , telefoonnummer * [eindcijfers 10] .
Op 31 juli 2019 voldoet [bedrijf 4] de betaling aan [bedrijf 24] en de Douane. Dat is zeer opmerkelijk, aangezien die bedrijven ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben.
Op 2 augustus 2019 controleren de Britse autoriteiten in de haven van Felixstowe op het vrachtschip [naam schip] de zeecontainer, voorzien van nummer [containernummer] . Tussen de lading textiel wordt heroïne aangetroffen. De heroïne wordt vervangen door een dummy-lading, met uitzondering van een staal van 4,6 gram, heroïne.
Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat sprake is geweest van een oorspronkelijke lading van 398 kilogram heroïne. Uit het proces-verbaal van het onderzoek door de Britse autoriteiten blijkt dat de verpakkingen met heroïne en bloem werden aangetroffen in dozen met daarin vier kleinere dozen. De dozen met heroïne waren voorzien van gele tape en de dozen met bloem van doorzichtige tape. Er zijn 398 pakketten met gele tape aangetroffen. Zoals gebruikelijk bij een groot aantal pakketten met dezelfde verpakking, is slechts een beperkt aantal monsters genomen. Van die 398 pakketten zijn twee pakketten getest, waaruit bleek dat het ging om heroïne. Nu alle 398 pakketten er hetzelfde uitzagen, gaat het hof er van uit dat de steekproef van twee pakketten voldoende representatief is en in alle 398 pakketten met gele tape heroïne zat.
Op 5 augustus 2019 haalt [medeverdachte 4] de container op in de haven van Antwerpen en brengt deze dezelfde dag naar Rotterdam Hoogvliet. Hij rijdt in een vrachtwagen met oplegger op naam van [bedrijf 4] Het trekkend voertuig, voorzien van kenteken [kenteken 2] stond ook op naam van [bedrijf 4]
[medeverdachte 4] rijdt de oplegger een loods aan de [adres 13] binnen en vertrekt kort daarna met alleen de vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] . Ongeveer drie uur later arriveert [medeverdachte 4] weer met de vrachtwagen bij de loods en rijdt kort daarna met aangekoppelde oplegger, met daarop de container weer weg. De container wordt op 5 augustus 2019 gelost op de [adres 13] Rotterdam, waar ook de dummylading en de staal heroïne werden aangetroffen.
[bedrijf 3] B.V .
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 3] B.V . op 31 augustus 2016 is opgericht. Enig aandeelhouder is [betrokkene 16] , die op [datum overlijden] is overleden. Uit onderzoek naar het bedrijf [bedrijf 25] is naar voren gekomen dat het bedrijf wegens dit overlijden al enkele weken niet actief was. De BOL voor de ontvangst van de container met nummer [containernummer] , het daarop vermelde telefoonnummer * [eindcijfers 11] en het e-mailadres [mailadres] werden niet herkend door [betrokkene 17] , die de belangen behartigde van [betrokkene 16] .
[getuige 1] heeft zich op 17 augustus 2020 gemeld bij de politie, omdat hij (naar eigen zeggen) werd bedreigd wegens de bemiddeling van de overname van [bedrijf 3] B.V . . [getuige 1] is op 8 september 2020 gehoord door de politie. Hij verklaarde dat hij had bemiddeld in de overname van ‘ [naam 5] ’ (het hof begrijpt: [bedrijf 3] B.V . hierna: [bedrijf 25] ). Dit bedrijf was in handen van onder meer ‘ [bijnaam 11] ’. [verdachte] wilde dit bedrijf overnemen, hetgeen de verdachte overigens ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. De verdachte had hiervoor ook een aanbetaling gedaan, maar uiteindelijk ging de overname niet door. [getuige 1] werd vervolgens boos benaderd door [bijnaam 11] , die had gehoord dat de verdachte de gegevens van [bedrijf 25] had gebruikt om een container met een deklading dekbedden uit Pakistan te vervoeren. De verdachte had tegen hem gezegd dat ‘daar niks inzat’ en dat had hij ook zo doorgegeven aan [bijnaam 11] . Later bleek dat niet waar te zijn. [getuige 1] werd vervolgens bedreigd door [bijnaam 11] , die vond dat hij en de verdachte een boete moesten betalen omdat zij zonder toestemming de bv hadden gebruikt.
Daarbij gaf [getuige 1] bij de politie aan dat de verdachte zich bezig hield met verdovende middelen en daarvoor niet alleen de bv’s regelde, maar ook ‘het transport, met uithalen, alles. Dat is echt zijn ding, zeg maar’. Ook verklaarde hij dat hij had begrepen dat de verdachte een chauffeur had genaamd ‘ [naam 6] ’ die nog 90.000,- euro van hem kreeg.
Conclusie
Het hof komt tot de slotsom dat de verdachte de feitelijke zeggenschap had over de dekmantelbedrijven [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Deze bv’s zijn verantwoordelijk geweest voor de opdracht en betaling van het heroïnetransport. De BOL is overgedragen aan [bedrijf 22] , welke onderneming toebehoort aan de medeverdachte [medeverdachte 4] . Zoals hiervoor is vastgesteld, was [medeverdachte 4] in de ten laste gelegde periode werkzaam voor de verdachte als chauffeur en heeft hij de container met heroïne in België opgehaald en in Nederland gelost. Daarnaast blijkt uit de afgeluisterde gesprekken dat [medeverdachte 4] zowel opdrachten van de verdachte als van [medeverdachte 5] opvolgde. Het kan dus niet anders dan dat de verdachte en [medeverdachte 5] ten aanzien van dit drugstransport in een nauwe en bewuste samenwerking met elkaar hebben gehandeld.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich in de periode van 2 tot en met 5 augustus 2019, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 4,6 gram heroïne, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De oorspronkelijke hoeveelheid heroïne was 398 kilogram. Daarvan is 4,6 gram doorgelaten en daadwerkelijk ingevoerd. Die laatste hoeveelheid zal dan ook bewezen verklaard kunnen worden. De hoeveelheid van 398 kilogram speelt wel een rol in de strafmaat.
8.6
Feit 5 – Witwassen
De verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 maart 2017 tot en met 19 oktober 2019, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte- of schuld) witwassen van:
- een geldbedrag van in totaal € 157.135,00 contant gestort op de bankrekening van [bedrijf 5] (waarna € 146.069,00 is overgeboekt naar [bedrijf 7] );
- een geldbedrag van in totaal € 499.280,00 contant gestort op de rekening van [bedrijf 2] .
Legale inkomsten van de verdachte
Uit gegevens van de Belastingdienst, verkregen door tussenkomst van de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV), blijkt dat de verdachte in 2015 en 2016 een nettoloon van respectievelijk € 73.847,00 en € 2.956,00 heeft verdiend bij de onderneming [bedrijf 27] . Over 2017, 2018 en 2019 zijn geen inkomensgegevens bekend. Bij de Belastingdienst is geen bankrekening op naam van de verdachte geregistreerd. Uit informatie van de Basisregistratie Personen blijkt dat verdachte wel elk kalenderjaar in Nederland ingeschreven heeft gestaan.
Uit het rapport ‘Risicomelding inzake [bedrijf 27] e.a’ van het Ministerie van Veiligheid en Justitie blijkt dat onderzoek is gedaan naar [bedrijf 27] . In dit rapport staat dat mogelijk sprake is van een fictief dienstverband van de verdachte bij [bedrijf 27] , omdat [bedrijf 27] geen activiteit of omzet kent, de verdachte in de jaren voorafgaand aan het dienstverband niet voor dergelijke bedragen in loondienst is geweest en de opgelegde aanslagen voor de loonbelasting niet zijn voldaan.
Over [bedrijf 27] heeft de verdachte in eerste aanleg verklaard dat de eigenaar, [betrokkene 20] , een vriend van hem was. Hij heeft niets verklaard over werkzaamheden voor dat bedrijf. Opvallend is daarbij dat eerst [medeverdachte 4] en daarna [medeverdachte 5] bestuurder van deze onderneming is geweest.
De verdachte staat niet geregistreerd als functionaris bij de Kamer van Koophandel. Er zijn verder geen gegevens bekend over de ontvangst van enige toeslagen of ander relevant vermogen, zoals erfenissen of leningen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de verdachte in de jaren 2017, 2018 en 2019 niet of nauwelijks een legaal inkomen had. In elk geval niet een inkomen dat de hieronder te bespreken stortingen kan verklaren.
Contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 5] (eerste gedachtestreepje)
In de periode van 4 juni 2018 tot en met 10 oktober 2018 wordt op de Rabobank bankrekening van [bedrijf 5] met nummer * [eindcijfers 13] een totaalbedrag van € 157.135,00 contant gestort. Het is niet komen vast te staan wie deze stortingen heeft gedaan. Van het totaalbedrag van € 157.135,00 is in dezelfde periode (en kort voor het faillissement van [bedrijf 5] op 19 februari 2019) in totaal een bedrag van € 146.069,40 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 7] Die overschrijvingen werden steeds vrijwel meteen na de contante stortingen gedaan. Dit blijkt uit het overzicht van contante stortingen en overboekingen naar [bedrijf 7] die zijn verricht tussen 15 juni 2018 tot en met oktober 2018.
Beoordeling
De vraag die voorligt is of de verdachte de hiervoor genoemde geldbedragen van € 157.135,00 en € 499.280,00 heeft witgewassen. Er is geen bewijs dat deze geldbedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Vermoeden van witwassen
Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtervaardigen dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Samengevat houden die in dat uit de bij- en afschrijvingen van de bankrekeningen van de ondernemingen, beide dekmantelbedrijven, waarover verdachte de feitelijke zeggenschap had, kan worden afgeleid dat een groot aantal geldtransacties van aanzienlijke geldbedragen in een zeer korte periode hebben plaatsgevonden. Er is steeds een groot bedrag contant gestort of via girale overboeking overgemaakt. Dit bedrag is vervolgens dezelfde dag of in de daarop volgende dagen (bijna) volledig contant opgenomen of giraal overgeboekt. Pas daarna wordt opnieuw een groot bedrag contant of via girale overboeking gestort.
Van het bedrag van € 157.135,00 dat is gestort op de bankrekening van [bedrijf 5] is € 146.069,40 in aparte overboekingen (op dezelfde dag) weer overgemaakt naar [bedrijf 7] . Dat bedrijf boekte weer geldbedragen over naar andere ondernemingen die (voor een belangrijk deel) van de verdachte waren.
Er is niet gebleken van enige zakelijk of andere legitieme grondslag voor de contante stortingen, noch de overboeking aan [bedrijf 7] .
Gelet op de hoogte van de bedragen, de vele contante stortingen in een korte periode, waarbij die bedragen dezelfde dag nog worden doorgestort, zonder aannemelijke legitieme grondslag en de vaststelling dat [bedrijf 5] een dekmantelbedrijf was, is het hof van oordeel dat ten aanzien van het bedrag van € 157.135,00 dat contant is gestort op de bankrekening van [bedrijf 5] in de periode van 4 juni 2018 tot en met 10 oktober 2018 een gerechtvaardigd vermoeden bestaat van witwassen.
Dat zelfde geldt voor het bedrag van € 499.280,00 dat in nog geen twee jaar tijd contant is gestort op de rekening van [bedrijf 2] .
Verklaring verdachte
Nu het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dat heeft de verdachte echter niet gedaan. Namens de verdachte is enkel aangevoerd dat witwassen niet kan worden bewezen, omdat hij niet bij [bedrijf 5] en [bedrijf 2] betrokken is geweest. Dat verweer kan, gelet op het voorgaande, niet slagen.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde bedragen. Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen (een zeer groot aantal stortingen) en de lange periode (twee jaren) waarbinnen de verdachte deze heeft verricht, kan ook worden bewezen dat de verdachte, samen met zijn mededaders, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
8.7
Feit 1 en 2 – criminele organisatie
Onder 1 en 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 29 september 2019, respectievelijk 1 maart 2019 tot 29 september 2020. De advocaat-generaal heeft toegelicht dat de pleegperiode van het eerste feit volgens het standpunt van het Openbaar Ministerie loopt tot de start van de pleegperiode van het tweede feit: namelijk 1 maart 2019. Nu die datum binnen de eerste tenlastegelegde periode valt, heeft de advocaat-generaal niet gevorderd de tenlastelegging te wijzigen. Het is voor de verdachte met deze toelichting duidelijk wat het verwijt is.
Beoordeling
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie zal dus moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; gelet op de tenlastelegging in dit geval specifiek Opiumwetfeiten en witwassen.
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Algemeen
Het hof stelt voorop dat de uitvoering van een internationaal drugstransport van een omvang en complexiteit zoals die is bewezen verklaard onder 3 en 4, een criminele organisatie vergt die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij de uitvoering van deze transporten is immers sprake geweest van verschillende in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, zoals het vervoer, de aflevering, de invoer en het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De op daarop gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers moeten dus onderling nauw op elkaar zijn afgestemd en droegen naar hun aard een planmatig karakter. Gelet hierop kunnen zowel feit 1 als feit 2 bewezen worden verklaard. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende.
Criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 (feit 1)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewezenverklaarde drugstransport van eind oktober 2018 (feit 3) is overwogen volgt dat de criminele organisatie onder andere bestond uit de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Verdachte maakte, onder meer samen met [medeverdachte 1] , gebruik van de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en zette daarvoor [betrokkene 7] en [betrokkene 10] als katvangers in. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren ten tijde van het henneptransport in oktober 2018 werkzaam voor de verdachte. Ook heeft [medeverdachte 3] – net zoals [medeverdachte 1] – in die periode geld gestort op de rekening van [bedrijf 2] . Onder [medeverdachte 3] is een laptop in beslag genomen met daarop onder meer gegevens die betrekking hadden op [bedrijf 1] . Geconcludeerd kan dus worden dat ook [medeverdachte 3] deelnam aan de criminele organisatie.
Uit het dossier maakt het hof op dat de organisatie door de tijd heen twee samenstellingen heeft gekend. Op enig moment is er kennelijk ruzie ontstaan tussen de verdachte en zijn broer wat heeft gezorgd voor een splitsing van het samenwerkingsverband.
In dit verband acht het hof het OVC-gesprek van 17 maart 2020 op de [kantooradres] tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 15] van belang. De broer van de verdachte, [medeverdachte 2] , heeft het in dat gesprek over een chauffeur, waaruit het hof begrijpt dat hij doelt op [medeverdachte 4] :
We hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die heeft vroeger (…) gewerkt voor ons als groep zijnde (…) en die groep is uit elkaar gegaan, er zat 1 oplichter in (…) die is er dus uitgewerkt en die komt nergens meer aan de bak. Alleen die chauffeur krijgt nog geld van die oplichter en die blijft een beetje plakken aan die oplichter. Voor die chauffeur hebben wij zat werk.
Daarnaast acht het hof het – reeds hiervoor aangehaalde – OVC-gesprek van 19 maart 2020 op de [kantooradres] van belang, waarin [medeverdachte 1] het volgende zegt tegen [medeverdachte 4] :
De reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met en, ehm [bijnaam 9] (het hof: [medeverdachte 2] ) samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende.
Het hof leidt hieruit af dat de eerste criminele organisatie heeft bestaan tot ongeveer maart 2019. Hierna is een deel van de tot die organisatie behorende personen hun eigen weg gegaan. [medeverdachte 1] zegt immers op 19 maart 2020 dat zij al een jaar bezig zijn. Voor deelname aan deze eerste organisatie door [medeverdachte 2] bestaat net te weinig bewijs, omdat niets concreets over zijn handelen kan worden vastgesteld.
Het hof komt zodoende tot de slotsom dat de verdachte in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
Oogmerk
De tenlastelegging dwingt dat oogmerk nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van feit 3 en feit 5, en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet (softdrugs) en witwassen. Naar het oordeel van het hof was het oogmerk van de organisatie ook gericht op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet (harddrugs). Dat de verdachte niet vervolgd is voor betrokkenheid bij een concreet transport van harddrugs in die periode doet daar niet aan af. [medeverdachte 1] heeft in deze periode 4.322 kg heroïne ingevoerd in Nederland via de Westerschelde. De heroïne is naar de haven van Antwerpen verscheept.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het tweede en vierde gedachtestreepje van het onder 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair eerste alternatief en 5 eerste alternatief tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair eerste alternatief en 5 eerste alternatief bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij ING Bank N.V.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ING Bank N.V. ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 960,00 (negenhonderdzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, ING Bank N.V., ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 960,00 als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 oktober 2018.
Verklaart verbeurd:
3. Grijze telefoon van het merk Apple;
32. Telefoon van het merk Sharp;
33. Telefoon van het merk Apple;
35. Apple laptop, kleur: goud, en:
37. Zwarte PGP-telefoon.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
4. Revolut betaalpas t.n.v. [verdachte] .
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. Diamanten ring;
2. Rolex horloge (vintage Daytona);
5. Rolex horloge;
6. Rolex horloge;
7. Breitling horloge;
8. Eén paar oorbellen Maple Leaf;
9. Gucci handtas;
10. Chanel handtas;
11. Gucci schoenen;
12. Louis Vuitton handtas;
13. Saint Laurent schoenen;
14. Jimmy Choo laarsjes;
15. Gucci schoenen;
16. Jimmy Choo schoenen;
17. Saint Laurent schoenen;
18. Valentino schoenen;
19. Gucci schoenen;
20. Peter Kaiser schoenen;
21. Jimmy Choo schoenen;
22. Tod’s schoenen;
23. Saint Laurent handtas;
24. Yves Saint Laurent handtas;
25. Rolex horloge;
26. Rolex horloge;
27. Schilderij (‘donker gezicht’);
28. Beeld (‘trappende stier’);
29. Beeld (‘dansende stier’);
30. Schilderij (‘Picasso’s womans head’);
31. Tagheuer horloge;
36. Marina Rinaldi ketting;
38. Schilderij (‘vrouw met paars’);
39. Schilderij (‘vrouw met hoed’);
40. Schilderij (‘vrouw met hand’), en:
41. Schilderij (‘vrouw met bruin’).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst of mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Inleiding
drijf 2] en/of diens bankrekening welke rechtspersoon is betrokken bij het vervoer en de verscheping van de (dek)lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond, welke rechtspersoon een betaling voor het vervoer van de container heeft gedaan en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren/zijn en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
4, primair (ZD 8)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of te Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 3] BV en/of [bedrijf 4] , op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of de Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elke geval opzettelijk aanwezig gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 augustus 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of te Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft/hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juli 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 3] BV [zie o.a. verklaring getuige [getuige 1] , rubriek p. 21063] voor wie de container met (dek)lading en heroïne bestemd was, en van welke rechtspersoon verdachte en/of diens medeverdachte(n) de feitelijke bestuurder(s) was/waren en/of die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 4] t.b.v. de invoer en de betaling van het vervoer van de (dek)lading met de heroïne, van welke rechtspersoon verdachte en/of diens medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren en/of die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
door het regelen en ter beschikking stellen van een vrachtwagen (trekker) voor het vervoer van de container met de (dek)lading en de heroïne, welke vrachtwagen op naam stond van [bedrijf 4] [zie o.a. ZD-08, p 21 en 22];
het regelen van een chauffeur en het geven van opdrachten aan deze chauffeur tijdens het afleveren en vervoeren van de container met (dek)lading en heroïne [zie o.a. ZD-08, p 20];
5. ( ZD 4)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2017 tot en met 19 oktober 2019 te Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen,
of
[bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] BV , [bedrijf 7]
op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2017 tot en met 19 oktober 2019 te Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, tot het plegen van welke hierna omschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke hierna omschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven.
Immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens), van een of meer (hierna genoemde) voorwerpen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was, en/of (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat hierna genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:
een geldbedrag van (in totaal) 157.135 euro (contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 5] waarna een bedrag van 146.069 euro wordt overgeboekt naar [bedrijf 7] ) en/of
een geldbedrag van (in totaal) 499.280 euro (contante stortingen op de rekening van [bedrijf 2] ).
4Vernietiging vonnis
Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het hof heeft de motivering van zijn beslissingen grotendeels ontleend aan de motivering van de rechtbank, zij het dat die motivering op enkele onderdelen is aangepast, mede naar aanleiding van in hoger beroep gevoerde verweren.
5Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
Beoordeling
Kort na het moment dat de politie aanbelde verliet [medeverdachte 3] via de achterdeur de woning. Hij had onder andere een laptop bij zich en verschillende (pgp) telefoons. Tegen de verbalisant die hem tegen hield verklaarde [medeverdachte 3] aanvankelijk dat hij naar zijn stage moest, maar kort daarna dat hij geen stageplek had. Aanvankelijk wilde [medeverdachte 3] ook zijn laptop(tas) niet afstaan. De verbalisant had – naar het oordeel van het hof terecht – dan ook de indruk dat [medeverdachte 3] de laptop aan het zicht van de politie wilde onttrekken. De verbalisant heeft ter plekke in een iPhone van [medeverdachte 3] gekeken en ziet daarin onder andere een afbeelding van het paspoort van [medeverdachte 4] en een schermafbeelding met daarop de aanvraag van een nieuw wachtwoord ( [wachtwoord 1] ) behorende bij het e-mailadres [e-mailadres 1] . De laptop is later onderzocht. Daarin zijn onder andere aangetroffen: e-mails van en aan [bedrijf 1] , een briefhoofd van [bedrijf 1] , bankafschriften van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en een factuur aan [bedrijf 1] t.a.v. [voornaam 1] [betrokkene 7] met betrekking tot kosten voor een ‘virtueel kantoor’.
Ook blijkt uit het dossier dat [bedrijf 7] huur heeft betaald voor huurwoningen die op naam stonden van [bedrijf 8] , terwijl daarvoor geen compensatie werd ontvangen. Het ging daarbij – zoals reeds benoemd – om de woning van [medeverdachte 8] aan de [adres 1] . Daarnaast werd via [bedrijf 8] onder meer een huurwoning aan de [adres 2] gehuurd, waarvan [betrokkene 8] feitelijk gebruik maakte. [betrokkene 8] stond ook op de loonlijst van [bedrijf 8] . [betrokkene 8] is veroordeeld voor het medeplegen van de invoer van 6,58 gram (welke hoeveelheid deel uitmaakte van een totale hoeveelheid van bijna 1.300 kilo) heroïne in het onderzoek 26Astoria. Dit onderzoek maakt ook deel uit van het dossier (zaaksdossier 9).
De website van [bedrijf 6] , ‘ [website] ’, is geregistreerd door ‘ [bijnaam] [achternaam verdachte] ’ via het e-mailadres ‘ [e-mailadres 2] ’. Met dit e-mailadres zijn ook de websites ‘ [website 4] ’ en ‘ [website 5] ’ geregistreerd. Gelet op de naam waaronder de registratie is verricht, in combinatie met e-mailadressen van bv’s die kunnen worden gekoppeld aan de verdachte, stelt het hof vast dat het de verdachte is geweest die de website van [bedrijf 6] heeft geregistreerd.
Dat de verdachte in de ten laste gelegde periode ook de beschikking heeft gehad over het geld op de bankrekening van [bedrijf 7] , leidt het hof af uit het volgende.
In de telefoon van de verdachte zijn chatgesprekken aangetroffen met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [cijfers 1] ). Dat nummer stond opgeslagen als ‘ [medeverdachte 7] ’. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat dit telefoonnummer werd gebruikt door de medeverdachte [medeverdachte 7] – van wie een kopie van zijn paspoort bij [medeverdachte 8] thuis lag.
Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte op 14 juni 2018 een foto stuurt naar [medeverdachte 7] van de SNS-bankpas van [bedrijf 7] op naam van [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] vraagt vervolgens ‘hoeveel’. Hierop stuurt de verdachte een screenshot van de laatste bij- en afschrijvingen, waaronder een bijschrijving van – het nog nader te bespreken bedrijf – [bedrijf 5] van € 12.415,00. Vervolgens zegt de verdachte: ‘spoed betaling naar [bedrijf 8] ike’. Diezelfde dag wordt van de rekening van [bedrijf 7] een bedrag van € 12.254,55 overgemaakt naar [bedrijf 8] . Zoals hiervoor vermeld was [bedrijf 8] voor 90% in handen van [bedrijf 12] . En van dat bedrijf was de verdachte volgens zijn eigen verklaring directeur en feitelijk leidinggevende. [bedrijf 7] blijkt vaker een tussenstop te zijn geweest voor geldtransacties. Zo ontvangt [bedrijf 7] € 340.071,94 na de verkoop van een appartementencomplex in [plaatsnaam] . Dat geld wordt vervolgens bijna geheel doorgestort aan [bedrijf 8] (€ 182.509,10) en [bedrijf 13] (€ 157.509,10). Laatstgenoemd bedrijf heeft het ontvangen geld geïnvesteerd in [bedrijf 16] in Griekenland. Overigens zijn in de hierboven genoemde telefoon van [medeverdachte 3] twee foto’s aangetroffen met daarop (i) een muur met de tekst [bedrijf 16] en (ii) de temperatuur met op de achtergrond het terras van [bedrijf 16] in Griekenland.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte niet alleen zeggenschap had over [bedrijf 7] , maar ook een (indirect) groot financieel belang.
8.2
Telefoonnummer verdachte
Bij de doorzoeking op 29 september 2020 van de woning van de verdachte aan de [adres 3] is een telefoon (Apple iPhone X) met telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [eindcijfers] ) aangetroffen met de gebruikersnaam (‘Apple-ID’) [voorletters] ’ (voorletters van de verdachte). Uit onderzoek naar deze telefoon blijkt dat met deze telefoon onder meer gebruik wordt gemaakt van de communicatieapplicatie ‘Threema’ met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 1] ’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het telefoonnummer * [eindcijfers] aan hem toebehoort en hij dit gebruikt.
8.3
Bijnamen
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij ‘ [bijnaam 2] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’ wordt genoemd. Daarnaast stelt het hof vast dat uit het dossier blijkt dat de verdachte ook met ‘ [bijnaam 3] ’ of ‘ [bijnaam] ’ – een verbastering van zijn voornaam – wordt aangesproken.
De verdachte heeft over de medeverdachten verklaard dat met ‘ [bijnaam 4] ’ [medeverdachte 8] wordt bedoeld, ‘ [bijnaam 5] ’ wordt gebruikt als aanduiding voor [medeverdachte 5] , ‘ [bijnaam 6] ’ de bijnaam is van [medeverdachte 1] , ‘ [bijnaam 14] ’ de naam is die wel eens wordt gebruikt voor de medeverdachte [medeverdachte 9] en ‘ [bijnaam 8] ’ de naam is die wordt gebruikt voor [medeverdachte 6] .
De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat [medeverdachte 2] zijn broer is en dat hij ‘ [bijnaam 9] ’ wordt genoemd.
8.4
Feit 3 – invoer 5.296 kilo hash (zaaksdossier 6)
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk (via de Westerschelde) ongeveer 5.296 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Op 24 september 2018 wordt in de haven van Laem Chabang (Thailand) een zeecontainer [zeecontainer nummer] met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’ (kokosvezel blokken) op containerschip [naam containerschip] geladen. De bestemming is Antwerpen.
Op de Sea Waybill (zeevrachtbrief) die bij de container behoort, staan de gegevens van de consigne (ontvanger) vermeld: [bedrijf 1] B.V. , [adres 4] . Als contactpersoon staat [betrokkene 7] vermeld en het telefoonnummer eindigend op * [eindcijfers 2] .
De verscheping van de container wordt verzorgd door containerrederij [bedrijf 19] . In de administratie van [bedrijf 19] is de verscheping van deze container bekend onder carrier’s reference nummer [nummer] met daaraan gekoppeld de ‘Bill of Lading (B/L)’ met het nummer [nummer 2] .
Op 25 oktober 2018 om 10.56 uur stort [medeverdachte 1] bij het ING-filiaal aan de [adres 5] in Voorburg € 4.550,00 op rekening * [eindcijfers 3] van [bedrijf 2] . [medeverdachte 3] stort ook bij het zelfde ING-filiaal aan de [adres 5] in Voorburg op die dag om 13.32 uur € 6.000,00 op dezelfde rekening.
Diezelfde dag wordt vanaf bankrekening * [eindcijfers 3] van [bedrijf 2] een spoedbetaling van € 1.732,81 aan [bedrijf 19] verricht.
Conclusie
Zoals hiervoor is gebleken en waarop hierna nader zal worden ingegaan, reed [medeverdachte 4] voor de verdachte als vrachtwagenchauffeur en moest de verdachte hem nog een groot geldbedrag betalen. In het OVC gesprek van 19 maart 2020 noemt [medeverdachte 4] , als hij het heeft over ‘ [bijnaam 3] ’ (het hof begrijpt: de verdachte) die nog geld schuldig was, een totaalbedrag van ’90 ruggen’ (het hof begrijpt: € 90.000,00).
[getuige 1] heeft vervolgens een jaar later, op 20 september 2021, op verzoek van de verdediging een nadere verklaring als getuige afgelegd bij de rechter-commissaris. [getuige 1] heeft daarbij verklaard dat hetgeen hij destijds bij de politie heeft gezegd, ‘toen de waarheid’ was. Hij dacht dat de verdachte de container met drugs had binnengetrokken, omdat dat tegen hem was gezegd en ze daarom van hem een ton en van de verdachte vier ton wilden. Maar hij was ‘misschien iets te stellig’ geweest bij de politie. [getuige 1] gaf aan dat hij nu meer informatie heeft en ‘destijds teveel [heeft] ingevuld’. Het zou toch [bijnaam 11] zijn die achter het drugstransport zou zitten. Hij denkt dat het afpersen door [bijnaam 11] een afleidingsmanoeuvre was om te verhullen dat die zelf betrokken was bij die drugs.
Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, kent het hof geen waarde toe aan de verklaring die [getuige 1] in september 2021 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. [getuige 1] komt hiermee één jaar na zijn oorspronkelijke verklaring bij de politie en zou tot nadere inzichten zijn gekomen. Het hof weegt mee dat [getuige 1] oorspronkelijk vrijwillig bij de politie een verklaring heeft afgelegd, waarin hij in brede context heeft verklaard over de rol van de verdachte bij zowel [bedrijf 25] , als bij andere transporten. Dat [getuige 1] zou zijn afgeperst door [bijnaam 11] terwijl [bijnaam 11] zelf achter het drugstransport zou zitten, komt het hof erg onlogisch voor. Bovendien, en belangrijker, vindt de eerste verklaring van [getuige 1] bevestiging in de overige bewijsmiddelen. In zoverre geldt hij slechts als ondersteuning daarvan.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [bedrijf 25] een dekmantelbedrijf is (geworden) en dat de verdachte de gegevens van dit bedrijf (zonder dat het daarvan op de hoogte was) heeft gebruikt. Het is, zoals overwogen, ook [bedrijf 4] geweest die de rekeningen voor het vervoer heeft betaald. Bij deze conclusie betrekt het hof daarom ook hetgeen ten aanzien van [bedrijf 4] kan worden vastgesteld.
[bedrijf 4]
is opgericht op 21 september 2018 met als aandeelhouder en bestuurder [betrokkene 18] , geboren op [geboortedatum 6] .. De oprichtingskosten werden op 17 september 2018 betaald vanaf de bankrekening * [eindcijfers 3] t.n.v. [bedrijf 2] . Deze betaling werd verricht met een device-ID en de tan-codes voor deze bankrekening werden ontvangen op het mobiele-telefoonnummer * [eindcijfers 6] . Zoals hiervoor ten aanzien van feit 3 is vastgesteld, kan dit telefoonnummer worden gekoppeld aan [bedrijf 2] en was dit nummer in gebruik bij [medeverdachte 1] . Zoals eerder door het hof vastgesteld hadden [medeverdachte 1] en de verdachte feitelijke zeggenschap over [bedrijf 2] .
[betrokkene 18] heeft op 6 oktober 2020 verklaard dat ze [bedrijf 4] heeft opgericht op verzoek van de verdachte en ze hem de bankpas heeft gegeven. Ze heeft zelf geen werkzaamheden voor het bedrijf verricht. Toen ze het bedrijf van haar naam af wilde hebben heeft ze de verdachte gevraagd om dat voor haar te regelen.
De verdachte heeft deze verklaring (dat [betrokkene 18] het bedrijf op zijn verzoek heeft opgericht) betwist en de verdediging heeft verzocht [betrokkene 18] als getuige te mogen horen. Dat is gebeurd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De getuige, die zelf nog steeds verdachte is, heeft zich echter beroepen op haar verschoningsrecht. De verdediging heeft dus terecht opgemerkt dat ze de getuige niet effectief heeft kunnen ondervragen. Dat is echter geen reden de verklaring van [betrokkene 18] niet ten nadele van de verdachte voor het bewijs te gebruiken, zoals de verdediging heeft bepleit. De reden daarvoor is dat deze verklaring slechts een gering onderdeel uitmaakt van de bewijsconstructie en wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen.
De raadsvrouw heeft er verder op gewezen dat [betrokkene 18] in een eerder verhoor (op 25 april 2019, in verband met het aantreffen van een hennepkwekerij) heeft verklaard dat zij [bedrijf 4] heeft opgericht voor [medeverdachte 4] (omdat hij vanwege bepaalde problemen het bedrijf niet op zijn naam kon zetten) en ook daadwerkelijk administratieve werkzaamheden heeft verricht. Het hof gaat echter uit van de juistheid van de verklaring van 6 oktober 2020 zoals hiervoor is weergegeven, nu deze verklaring door de hierna te bespreken bewijsmiddelen wordt ondersteund. De verklaring van 25 april 2019 vindt daarentegen geen enkele steun in het dossier en zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.
In de telefoon van de verdachte zijn WhatsApp-chatgesprekken aangetroffen tussen de verdachte en het telefoonnummer * [eindcijfers 12] , dat staat opgeslagen in zijn telefoon als ‘ [betrokkene 18] ’. Het hof gaat ervan uit dat dit het telefoonnummer betreft van [betrokkene 18] . Op 14 april 2020 stuurt [betrokkene 18] (FG) naar de verdachte (EP):
FG: Heb weer een mail gehad en wil dit gewoon nu oplossen. Ben er helemaal klaar mee!
EP: Ok begrijp ik schat.
FG: Wil je hem al zien?
EP: Ja stuur maar foto.
[betrokkene 18] stuurt vervolgens twee afbeeldingen waaruit blijkt dat zij probeert een nieuwe betaalpas aan te vragen, maar de bank eerst meer informatie wenst over onder meer [bedrijf 4] .
Vervolgens vindt op 16 april 2020 het volgende gesprek plaats tussen [betrokkene 18] en de verdachte.
FG: Kan je alvast de vragen beantwoorden. (…) Je moet ook zeggen dat iemand anders maar de eigenaar is. Die [naam 7] ogzo. (…) Wil hier niet meer tussen zitten.
EP: Ja is goed. Print ff alle afschriften even uit ook.
(…)
FG: ben er gewoon helemaal
FG: Klaar mee jij hebt altijd gezegt dat je me niet in problemen zou brengen gebeurd nu wel!
Het hof leidt uit deze gesprekken af dat [betrokkene 18] aan de verdachte duidelijk maakt dat zij klaar is met [bedrijf 4] , ze ‘er niet meer tussen wil zitten’, iemand anders maar als eigenaar van [bedrijf 4] moet worden opgevoerd en dat hij haar kennelijk in de problemen heeft gebracht met [bedrijf 4] ondanks zijn toezegging dat dat niet zou gebeuren. De verdachte zegt toe dat hij het gaat regelen. De verklaring van de verdachte, afgelegd in hoger beroep, dat hij [betrokkene 18] in contact heeft gebracht met [medeverdachte 4] , zodat zij het bedrijf op haar naam kon zetten om zo – na haar terugkeer uit [land] – werk te hebben, en hij haar later heeft geholpen met problemen met de bank, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig in het licht van de overige bewijsmiddelen.
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, waren [medeverdachte 2] (P), [medeverdachte 1] (H) en [medeverdachte 4] (K) op 19 maart 2020 in de ruimte op de [adres 8] . Zij hebben het op enig moment over de rode trekker met kenteken [kenteken 2] (op naam van [bedrijf 4] ), die door [medeverdachte 4] is gebruikt bij het transport van de heroïne:
K: (…) Ik moest een bak deruit hale. Dus ik 's ochtends vroeg naar Dordt, hele spul stond buiten klaar. Dus ik kom aanrije, trekker weg.
Conclusie
Ter illustratie zijn hieronder enkele transacties opgenomen.
Boekdatum
Bij
Af
Omschrijving
15-06-2018
€ 2.500,-
Contante storting
15-06-2018
€ 10.000,-
Contante storting
15-06-2018
€ 12.525,-
[bedrijf 7]
11-07-2018
€ 980,-
Contante storting
11-07-2018
€ 14.020,-
Contante storting
11-07-2018
€ 15.000,-
[bedrijf 7]
13-07-2018
€ 12.250,-
Contante storting
13-07-2018
€ 10.250,-
[bedrijf 7]
17-07-2018
€ 10.500,-
Contante storting
17-07-2018
€ 10.600,-
[bedrijf 7]
18-07-2018
€ 9.000,-
Contante storting
19-07-2018
€ 9.055,-
[bedrijf 7]
20-07-2018
€ 13.800,-
Contante storting
20-07-2018
€ 13.750,-
[bedrijf 7]
06-08-2018
€ 5.000,-
Contante storting
07-08-2018
€ 5.045,50
[bedrijf 7]
27-08-2018
€ 8.650,-
Contante storting
28-08-2018
€ 8.600,-
[bedrijf 7]
30-08-2018
€ 8.500,-
Contante storting
30-08-2018
€ 8.549,95
[bedrijf 7]
03-10-2018
€ 5.500,-
Contante storting
03-10-2018
€ 5.200,-
[bedrijf 7]
Betrokkenheid verdachte bij [bedrijf 5]
De betrokkenheid van de verdachte bij [bedrijf 5] leidt het hof onder meer af uit de volgende bevindingen.
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 5] is opgericht op 18 februari 2016 met als enig aandeelhouder en bestuurder [betrokkene 21] , geboren op [geboortedatum 7] . Vrij snel na de oprichting, op 13 april 2016, is de medeverdachte [medeverdachte 4] in plaats van [betrokkene 21] enig aandeelhouder en bestuurder geworden. Vervolgens heeft op 26 maart 2018 [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum 8] , het stokje overgenomen van [medeverdachte 4] . [betrokkene 4] is enig aandeelhouder en bestuurder gebleven tot het faillissement van [bedrijf 5] op 19 februari 2019. De bankrekening van [bedrijf 5] bij de Rabobank werd in de periode van juni 2018 tot en met oktober 2018 voornamelijk gevoed door de contante stortingen zoals die hiervoor zijn weergegeven.
[betrokkene 4] is getrouwd met [betrokkene 3] , die op 20 juni 2018 is aangehouden in Griekenland in verband met de invoer van 3.000 kilogram BMK, zoals hiervoor al kort uiteengezet.
[betrokkene 4] is op 7 oktober 2020 als getuige gehoord door de politie. Zij heeft verklaard dat zij op een verjaardag van haar nicht (die is getrouwd met [betrokkene 5] , de vader van de medeverdachte [medeverdachte 3] , en die samen met [betrokkene 3] in Griekenland is aangehouden) in contact is gekomen met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vroeg op enig moment of zij [bedrijf 5] op haar naam zou willen zetten, omdat hijzelf iets anders wilde gaan doen.
Beoordeling
Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van het bedrijf [bedrijf 10] dat slechts één letter verschilt van het meergenoemde [bedrijf 2] . De directeur/eigenaar van dat bedrijf was de eerder genoemde [betrokkene 1] . Ook de inkomsten van [bedrijf 2] bestond uit voornamelijk contante stortingen die in elk geval voor een deel zijn gedaan door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Door [bedrijf 2] zijn overigens ook betalingen aan [bedrijf 5] gedaan.
Criminele organisatie in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 (feit 2)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewezen verklaarde drugstransport van begin augustus 2019 (invoer heroïne via het VK, de Westerschelde naar de haven van Antwerpen) is overwogen volgt dat de criminele organisatie in deze periode bestond uit onder meer de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . De verdachte was betrokken bij de dekmantelbedrijven [bedrijf 25] en [bedrijf 4] en zette daarvoor katvangers in, onder wie [betrokkene 18] en [medeverdachte 4] . Zoals is vastgesteld werkten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ten tijde van het heroïnetransport in augustus 2019 voor de verdachte.
Ook [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] maakten onderdeel uit van deze criminele organisatie. Het hof leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.
Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] is een telefoon (Huawei Y6) in beslag genomen met IMEI-nummer * [eindcijfers 14] . De gebruiker van deze telefoon stelt zich voor met ‘ [bijnaam 5] ’, een bijnaam van [medeverdachte 5] . Het hof stelt vast dat, gelet op de plaats waar de telefoon is aangetroffen, in combinatie met het gebruik van de bijnaam van [medeverdachte 5] , deze telefoon toebehoort aan en in gebruik was bij [medeverdachte 5] . Er zijn gesprekken aangetroffen tussen de verdachte en [medeverdachte 5] via de communicatieapplicatie Threema.
Op 21 juli 2020 verstuurt de verdachte via Threema aan [medeverdachte 5] het volgende bericht: ‘als je die 60k straks hebt. Breng ff bij [bijnaam 12] ’. Het hof begrijpt dat ‘ [bijnaam 12] ’ de bijnaam is van [medeverdachte 7] . Blijkbaar moest [medeverdachte 5] in opdracht van de verdachte een bedrag van € 60.000,00 naar [medeverdachte 7] brengen.
In de telefoon van de verdachte zijn daarnaast chatberichten via Threema aangetroffen tussen de verdachte en een persoon die gebruik maakt van een [bijnaam 8] -icoon met het Threema-ID * [eindletters] . Deze persoon maakte gebruik van het emailadres ‘ [e-mailadres 8] ’ en gaf als adres [adres 15] Bovendien fungeerde [medeverdachte 6] regelmatig als taxichauffeur voor [verdachte] . Het hof leidt hieruit af dat de bijnaam, althans de naam in de Treema-communicatie van [medeverdachte 6] , ‘ [bijnaam 8] ’ is. Het hof stelt dan ook vast dat het Threema-account * [eindletters] van [medeverdachte 6] is.
Uit het dossier volgt dat de verdachte ook opdrachten geeft aan [medeverdachte 6] . Zo geeft de verdachte via Threema op 19 juli 2020 [medeverdachte 6] opdracht om drie telefoons te kopen en te voorzien van Threema. [medeverdachte 6] zegt dat hij naar de Mediamarkt gaat en stuurt daarna foto's van verpakkingen van Huawei Y6 telefoons aan de verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 6] werd onder andere een aankoopbon van de Mediamarkt aangetroffen van drie Huawei Y6 telefoons, met als aankoopdatum 19 juli 2020. Op de bonnen staan IMEI-nummers vermeld, waarvan één overeenkomt met een in dit onderzoek in beslag genomen telefoon. Nadat [medeverdachte 6] de telefoons heeft aangeschaft, testte hij de werking van Threema op twee telefoons, die hij vervolgens in opdracht van de verdachte aan derden moet geven. Kort daarna heeft [medeverdachte 6] met twee van de geteste telefoons via Threema contact opgenomen met de verdachte. Kort daarna nemen [bijnaam 12] ( [medeverdachte 7] ) en [bijnaam 5] ( [medeverdachte 5] ) met geteste telefoons via Threema contact op met de verdachte.
In diezelfde periode wisselt de verdachte ook berichten met Threema-account * [eindletters 2] met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’. De verdachte zegt in bericht dat het account [accountnummer] (hierna: [eindcijfers 15] ) toebehoort aan ‘ [bijnaam 13] ’. De voornaam van [medeverdachte 7] ‘is [voornaam 2] ’. Daarnaast zijn in de telefoon van de verdachte gesprekken via Threema aangetroffen met het Threema-account * [eindcijfers 15] , dat gebruik maakt van een ‘bom-symbool’. Nu er vanuit dit account meerdere berichten worden gestuurd over ene ‘ [naam 10] ’ en ‘trouwen in september’, stelt het hof vast dat dit account toebehoort aan [medeverdachte 7] . Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 7] op [datum] is getrouwd met [betrokkene 22] .
Uit het dossier blijkt dat de gesprekken via Threema tussen de verdachte en [medeverdachte 7] gaan over geld, klokjes en het aansturen van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 6] . Ook vindt op 27 april 2020 het volgende telefoongesprek plaats tussen de verdachte (E) en [medeverdachte 7] (J) met telefoonnummer * [eindcijfers 16] over ‘ [bijnaam 14] ’ (de bijnaam van [medeverdachte 9] ).
E: Hoe was het met [bijnaam 14] gisteren?
J: (…) Hij is gezellig. Hij begon alweer over mijn auto. (…). Dat vind ik wel lief hoor dattie mee denkt.
E: Het is helemaal geen onaardige gozer.
J: Het is een hele lieve jongen, maar je kan hem zo uitwonen … Godverdomme. Heerlijk ... Heerlijk ...
E: Smeerlap jij ..
J: Het is echt jou vriend, ik merk het.
E: Ja, denk jij dat wel ff?
J: 100 procent! Als je hem in Geleen achter de ramen zet doettie dat ook.
E: Pff ....
J: Ja, ga nou niet zuchten ... Die zoek jij altijd. Nou jij hebt hem gevonden hoor.
Het hof leidt uit dit gesprek af dat de verdachte en [medeverdachte 7] spreken over de vergaande wijze waarop het hen lukt om [medeverdachte 9] voor hen te laten werken.
Daarnaast is bij dezelfde doorzoeking in de woning van de verdachte een telefoon (Apple iPhone XS Max) in beslag genomen. Op deze telefoon staat de app Threema geïnstalleerd, waarbij er gebruik werd gemaakt van de Threema-ID ‘ [betrokkene 23] ’. Gelet op de omstandigheid dat de zoon van de verdachte [naam 11] heeft, stelt het hof vast dat deze telefoon aan de zoon van de verdachte toebehoort, [betrokkene 23] . Uit chatberichten die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte blijkt dat hij (E) op 12 juni 2020 de volgende berichten stuurt aan (zijn op dat moment minderjarige zoon) [naam 11] (R) via Threema.
E: Ben je alleen thuis. ???
R: Ja.
E: Ok kan jij ff 20.000 pakken boven. In een tasje doen en aan [naam 7] geven straks.
R: Ja. (…)
E: En doe het alleen dat niemand het ziet.
R: Ja. (…)
R: **Stuurt onderstaande afbeelding**
E: Ok achter die jasjes. Ligt een tasje.
(…)
R: Ja ik heb een stapel van 20. **Stuurt onderstaande afbeelding**
R: Die is 20 dat weet ik nog.
E: Top. Doe in tasje. Verstop ergens en als [naam 7] zo is geef je het. Verstop die andere tas werr achter de jasjes. Thanks.
R: Ja gedaan. Hoelaat komt die ongeveer.
Inleiding
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) en de broer van de verdachte, [medeverdachte 2] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. De verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen en het witwassen van grote geldbedragen. Alle genoemde verdachten (met uitzondering van [medeverdachte 7] ten aanzien van wie nog geen vervolgingsbeslissing is genomen) zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan de orde. Daarnaast is in hoger beroep ook de strafzaak tegen [medeverdachte 8] aan de orde. Zij wordt er van beschuldigd samen met de verdachte valsheid in geschrifte te hebben gepleegd.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.
6Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de volgende onderdelen:
- feit 1, vijfde gedachtestreepje (valsheid in geschrift);
- feit 2, derde gedachtestreepje (invoer softdrugs).
7Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat – samengevat:
Ten aanzien van feit 3
i) de verdachte geen feitelijke zeggenschap had over de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ;
ii) [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] niet voor de verdachte werkten, althans niet in relatie tot de hiervoor genoemde bedrijven;
iii) de OVC-gesprekken van 18 en 19 maart 2020 niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt; bovendien (subsidiair) kan hieruit niet worden afgeleid dat [medeverdachte 4] de ten laste gelegde drugstransporten voor de verdachte heeft gereden (het hof begrijpt: de containers heeft opgehaald);
iv) als wordt aangenomen dat de verdachte wel zeggenschap had over [bedrijf 1] en [bedrijf 2] uit de bewijsmiddelen niet blijkt van ‘dubbel opzet’ bij de verdachte ten aanzien van het medeplegen van de invoer van hennep;
Ten aanzien van feit 4
v) de verdachte geen feitelijke zeggenschap had over de bedrijven [bedrijf 3] B.V . en [bedrijf 4] ;
vi) de verklaringen van [medeverdachte 4] , alsook hetgeen hij in een aantal OVC-gesprekken heeft gezegd, onbetrouwbaar zijn en moeten worden uitgesloten van het bewijs;
vii) er geen bewijs is van medeplegen met anderen;
viii) het opzet op de invoer van 398 kilo niet kan worden bewezen;
ix) het testen van slechts 2 pakketten onvoldoende is om te concluderen dat er daadwerkelijk 398 kilo heroïne in de container zat, meer in het bijzonder omdat er ook een groot aantal pakketten bloem is aangetroffen;
x) het bewijs juist in de richting wijst van [medeverdachte 1] en de broer van de verdachte, [medeverdachte 2]
Ten aanzien van feit 5
xi) de verdachte geen feitelijke zeggenschap had over de bedrijven [bedrijf 5] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] ;
xii) de verdachte weliswaar enige tijd betrokken was bij [bedrijf 7] maar die B.V. later kennelijk door zijn broer en [medeverdachte 1] is misbruikt, evenals [bedrijf 8] ;
xiii) ook ten aanzien van dit feit de verklaring van [medeverdachte 4] moet worden uitgesloten van het bewijs;
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
xiv) de verdachte niet betrokken was bij de handel in verdovende middelen, geen dekmantelbedrijven heeft laten oprichten, of daar de feitelijke zeggenschap over had, die gebruikt konden worden bij de handel in verdovende middelen, witwassen of valsheid in geschrifte;
xv) er geen sprake is geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte en de in de tenlastelegging genoemde personen.
Beoordeling
Bij de betaling wordt onder meer vermeld: [bedrijf 19] , invoice [nummer 3] , customer: [nummer 4] . In de administratie van [bedrijf 19] is het klantnummer [nummer 4] aan [bedrijf 1] toegekend. De spoedbetaling heeft betrekking op shipment [nummer] – B/L no. [nummer 2] .
Op diezelfde dag om 12.59 uur wordt namens [bedrijf 1] ( [e-mailadres 5] ) een e-mail gestuurd naar [bedrijf 19] ( [e-mailadres 6] ) met in de onderwerpregel de vermelding: “Payment [nummer 3] [bedrijf 1] 001 [nummer 2] ”. Onder de e-mail staat [betrokkene 7] en het telefoonnummer * [eindcijfers 2] . In het e-mailbericht staat dat de spoedbetaling als bijlage aan de
e-mail is toegevoegd.
Op 26 oktober 2018 arriveert genoemde container, geladen met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’, in de haven van Antwerpen. De douane stelt vast dat in 12 van de 20 pallets in totaal ongeveer 5.296 kilogram marihuana aanwezig is. Nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container zijn gehaald, is de container terug op de kaai gezet en vrijgegeven, waarna deze door [medeverdachte 4] is opgehaald.
Op 31 oktober 2018 wordt namens [bedrijf 1] B.V. een e-mail naar de heer [betrokkene 9] via
e-mailadres [e-mailadres 7] gestuurd. Onder deze e-mail staat de naam [betrokkene 7] . Er wordt meegedeeld dat de container [zeecontainer nummer] die dag is opgehaald, ingeklaard en gelost, dat er 14 pallets ontbreken en dat de zegel niet klopt zoals op de BL staat vermeld en er een gele zegel met het nummer: [nummer 5] op zit.
Door de Belgische autoriteiten zijn 10 monsters van de marihuana aan de Nederlandse autoriteiten overhandigd. Op 25 juni 2019 heeft de politie met indicatieve testen een onderzoek naar de monsters ingesteld. Het resultaat hield in dat er een indicatie was dat het om THC ging, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft ook onderzoek naar de monsters gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de monsters hennep bevatten.
[bedrijf 1] B.V.
De container met verdovende middelen was bestemd voor [bedrijf 1] B.V. Deze bv is op 11 april 2018 opgericht. Enig aandeelhouder/bestuurder is [betrokkene 7] , geboren op [geboortedatum 4] te [geboorteplaats 2] . [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij een studieschuld had en dat hij door [betrokkene 1] was benaderd om samen [bedrijf 1] op te zetten, hij een bankrekening heeft geopend maar verder niets met het bedrijf heeft gedaan en de bankgegevens aan [betrokkene 1] heeft overgedragen. Hij heeft ten slotte verklaard dat hij een katvanger was. In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 1] met telefoonnummer * [eindcijfers 4] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen de gebruiker ‘ [betrokkene 1] ’ en het telefoonnummer * [eindcijfers 5] , dat gebruik maakt van de WhatsApp-naam ‘ [bijnaam 10] ’. Gelet op het voorgaande, het gegeven dat de voornaam van [betrokkene 7] ‘ [voornaam 1] ’ is en de inhoud van de gesprekken, gaat het hof ervan uit dat deze telefoonnummers respectievelijk aan [betrokkene 1] en [betrokkene 7] toebehoren. De verklaring van [betrokkene 7] wordt ondersteund door de gesprekken die in de telefoon van [betrokkene 1] zijn aangetroffen. Hieruit komt naar voren dat [betrokkene 7] tegen betaling van € 500,00 (op papier) bestuurder van [bedrijf 1] is geworden en [betrokkene 7] zich realiseerde dat hij slechts op papier bestuurder was.
[bedrijf 2]
is opgericht op 21 maart 2017. Zij is met ingang van 24 januari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Vanaf 18 juli 2017 was als enig aandeelhouder/bestuurder geregistreerd [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum 5] te [geboorteplaats 3] . Er zijn van [betrokkene 10] in de Basisregistratie Personen per 26 juni 2016 geen adresgegevens geregistreerd. De ING Bank heeft aan [bedrijf 2] een rekening met nummer [rekeningnummer] (hierna * [eindcijfers 3] ) toegekend, waaraan voor het (per sms) ontvangen van TAN-codes telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna * [eindcijfers 6] ) is gekoppeld. Op de website [website 3] . staat hetzelfde telefoonnummer als contactnummer vermeld.
Naar aanleiding van de aangifte van de ING is onderzoek gedaan naar (de gebruiker van) telefoonnummer * [eindcijfers 6] . Op 1 november 2018 is een machtiging verleend tot het opnemen van telecommunicatie. Op 10 november 2018 wordt de gebruiker van dit telefoonnummer gebeld door de ING bank. De gebruiker krijgt een volgnummer en een TAN-code te horen. Hij zegt tijdens dit gesprek (op de achtergrond): ‘Kijk je uit... [naam] ... [naam] ...hey!’. [medeverdachte 1] heeft een dochtertje genaamd [naam] en woonde destijds samen met zijn gezin op het adres [adres 6] . Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [mastlocatie 1] de aangestraalde mast van het telefoonnummer is. Deze paallocatie is pal naast het woonadres van [medeverdachte 1] en geeft dus dekking aan dit adres. Uit het dossier blijkt daarnaast dat [medeverdachte 1] in de periode van 18 juni 2018 tot en 24 januari 2019 een totaalbedrag van € 262.280,00 contant heeft gestort op bankrekening * [eindcijfers 3] van [bedrijf 2] . Het hof concludeert op grond hiervan dat het telefoonnummer * [eindcijfers 6] destijds in gebruik was bij [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] belde met dit telefoonnummer in de periode van 24 december 2018 tot en met 2 januari 2019 namens Handelsmaatschappij [bedrijf 2] naar derden, waarbij hij zich voorstelde met valse namen, waaronder [naam 2] en [betrokkene 1] .
Op de dag van bovengenoemde spoedbetaling, 25 oktober 2018, wordt van 08.31 uur tot en met 14.24 uur zes keer ingelogd op Mijn ING en de zakelijke rekening van [bedrijf 2] . Telefoonnummer * [eindcijfers 6] is in dat tijdsbestek één keer gebeld door het ING-nummer *8888, dat in gebruik is bij de ING bank om geautomatiseerd volgnummers en TAN-codes voor betalingen te beluisteren. Voorts kwamen vijf sms-berichten van servicenummer 1420 en vijf sms-berichten van nummer *0230 (een sms-centrale) binnen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] (* [eindcijfers 6] ) straalde tijdens die activiteiten zendmasten aan op de locaties [mastlocatie 2] en [mastlocatie 3] . Het in die tijd door [medeverdachte 1] gebruikte kantorenpand aan de [adres 7] valt binnen het zendbereik van beide zendmasten.
Dekmantelbedrijven
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] zogenoemde dekmantelbedrijven zijn en hun bestuurders katvangers. De bv’s zijn gebruikt bij het ten laste gelegde drugstransport. De container met verdovende middelen was immers bestemd voor [bedrijf 1] en de spoedbetaling is, namens dat bedrijf, gedaan door [bedrijf 2] . Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter deze bedrijven schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. In ieder geval had [medeverdachte 1] vergaande feitelijke zeggenschap over [bedrijf 2]
De vraag is of ook de verdachte betrokkenheid bij voornoemde bv’s (en het drugstransport) heeft gehad.
Betrokkenheid verdachte bij [bedrijf 1]
In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 1] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen [betrokkene 1] en het telefoonnummer van de verdachte. Uit deze gesprekken leidt het hof af dat [bedrijf 1] door [betrokkene 7] is opgericht, maar op initiatief van [betrokkene 1] en met wetenschap van [medeverdachte 1] en de verdachte. [betrokkene 7] is daarbij ingezet als katvanger. In de eerste plaats slaat het hof daarbij acht op het volgende.
Conclusie
(…) Dus ik bel [bijnaam 3] (het hof begrijpt: de verdachte) op, ik zeg, joh, ik vind alles leuk, lief en aardig, maar m’n trekker is weg. (…) lk zeg, ja, dus eh, 't gaat vandaag niet door, Ah, ah, “kan niet en dit en dat”… Hup, nou dan hebben we eindelijk met [naam 8] eh. Hij zeg, waar zit je. lk zeg, nou ja, ik sta nu bijna in Den Haag. Kom naar [bedrijf 26] , moe je effe nieuwe trekker uitzoeken. Ja. Zo'n budget.
P: Heh. Is toch allemaal tering (ngtv). Die rooie heb je toen gekocht?
K: Ja.
(…)
H: Maar wat heb je toen nou gedaan met die wagen, is die eh verkocht weer of zo. Heb je die.
K: lk was zo pislink, ik hoorde niks , ik krijg geen geld, ik denk, ik die, krijg de kankertyfus. (…) lk ben naar [bedrijf 26] gereje. lk zeg, joh, eh, de [kenteken 3] ? (…) Heb ik in de aanbieding voor je. Ja, ja, handel is kut en dit. lk zeg, hij moet gewoon weg.
(…)
K: Nu de factuur thuis. [bedrijf 22] aan u verkocht en geleverd, zonder garantie, eh dat en dat kilometers. lk zeg, nou, hij heb best wel wat gereje, 8.000 euro ex. (…) Was een ruk, eigenlijk best wel moeilijk verhaal, omdat ie aan eh, aan, aan [bedrijf 4] verkocht was. (…) En hij koopt hem nu in van eh...
P: [bedrijf 22]
K: Dus ik moet. Ja, eh, ik moet eh. (…) Inkoop van [bedrijf 4] hebbe of in ieder geval de goedkeuring. lk zeg, ja, dat kan niet. lk zeg, want eh, [betrokkene 18] die zit in eh oekoeboekoeland, die kan ik niet bereiken, maar gelukkig stond mijn handtekening derop, mijn naam stond erop dat ik hem in, in ontvangst had genomen, toen. (…) Nou, maandagmorgen om 10 uur stond het erop hoor. Prrr.
H: Oh. Maar zonder eh [bijnaam 2] , [bijnaam 2] (het hof begrijpt: de verdachte) eh die wist er niks van.
K: Nee.
Het hof begrijpt uit dit gesprek dat ook het vermogen van [bedrijf 4] kennelijk (al dan niet mede) van de verdachte was. [medeverdachte 4] zegt namelijk dat hij verdachte belde omdat de trekker weg was. [naam 8] (het hof begrijpt: [medeverdachte 7] ) heeft vervolgens een trekker gekocht op naam van [bedrijf 4] . Omdat [medeverdachte 4] nog geld kreeg van de verdachte maar steeds niet betaald werd, heeft hij de trekker weer verkocht c.q. teruggebracht op naam van zijn eigen bedrijf, [bedrijf 22] . [medeverdachte 4] heeft vervolgens € 8.000,00 ontvangen, welk bedrag hij heeft gehouden in verband met de schuld die de verdachte aan hem had.
Uit de bankrekeninggegevens van [medeverdachte 7] , in samenhang bezien met een bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 4] aangetroffen verkoopcontract, kan worden geconcludeerd dat hij de trekker op 4 december 2018 heeft gekocht voor € 15.125,00.
Het hof concludeert gelet op het voorgaande dat [betrokkene 18] een katvanger was en [bedrijf 4] een dekmantelbedrijf. De verdachte had daarbij kennelijk zeggenschap over [bedrijf 4] , nu het bedrijf in zijn opdracht door een katvanger is opgericht, voor de oprichting is betaald door [bedrijf 2] , een bedrijf waar de verdachte ook zeggenschap over had, en het vermogen van [bedrijf 4] (al dan niet gedeeltelijk) van hem was.
[bedrijf 22] B.V.
[bedrijf 22] B.V. is opgericht op 1 april 2018 met als eigenaar [medeverdachte 4] . De bv is ingeschreven op het adres waarop [medeverdachte 4] zelf ook staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. [medeverdachte 4] heeft bij zijn verhoor als verdachte bij de politie op 17 mei 2019 verklaard dat [bedrijf 22] zijn eigen bedrijf is.
Zoals ten aanzien van feit 3 is vastgesteld, was [medeverdachte 4] in ieder geval in oktober 2018 werkzaam als chauffeur voor de verdachte. Het hof stelt daarnaast vast dat [medeverdachte 4] in augustus 2019, ten tijde van het heroïnetransport dat was verstopt in de partij handdoeken, nog steeds werkzaam was voor de verdachte en slaat daarbij mede acht op hetgeen blijkt uit het OVC gesprek van 19 maart 2020 in de [adres 8] met [medeverdachte 2] (P), [medeverdachte 1] (H) en [medeverdachte 4] (K):
H: Maar jij heb niks gehoord daarover, zelf.
K: Over die, toen het fout is gegaan.
H: Ja.
K: Ja, natuurlijk.
H: Ja? Wat dan?
K: Eh, meneer [medeverdachte 4] , u spreekt met [achternaam] , weet ik veel wat eh, politie Rotterdam, kunnen we effe praten. Ja, god, god, was is dit jongens. Nou, natuurlijk [achternaam 2] d'r bij. Ja, een hele comedy eh.
P: ls dat eh eh, dat waren eh badjassen, met handdoeken derin.
K: Nou, [achternaam 2] die hoorde...
P: Ja, ja.
K: En toen hoorde ik het ook, eh, geen cocaïne, maar heroine.
H: Ja.
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
(…)
H: Nee, joh, dat begrijp ik, maar wat, hoe is dat afgelopen dan met dat politiegesprek dan? (…) Ben je langsgeweest op bureau.
K: Ja, ja, ja, met [achternaam 2] in Rotterdam en eh.
P: (…) lk was bij [achternaam 2] en hij, had ie het over handdoeken.
(…)
K: Toen wist [naam 9] ook van [bijnaam 3] in de heroine zat.
Het hof begrijpt dat met ‘ [achternaam 2] ’ en ‘ [naam 9] ’ de voormalig advocaat van (onder meer) de verdachte en [medeverdachte 4] wordt bedoeld, te weten: mr. [betrokkene 19] . Nadat [medeverdachte 4] was verhoord door de politie, wist zijn advocaat volgens [medeverdachte 4] ‘ook’ dat de verdachte in de heroïne zat. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 4] op 15 augustus 2019 in bijzijn van zijn toenmalige raadsman [achternaam 2] is gehoord door verbalisant [achternaam] (vgl. [achternaam] , zoals genoemd in het OVC-gesprek) over het drugstransport van 5 augustus 2019, zodat het hof vaststelt dat het hiervoor weergegeven OVC-gesprek op dit transport betrekking heeft.
En op zelfde datum vindt nog het volgende gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] (P), [medeverdachte 1] (H) en [medeverdachte 4] (K):
H: en daarna is die fout gegaan
P: en daarna is die fout gegaan en
K; ja?
P: en daarna heb je ….
H: maar heb jij nou niet een kruisje achter je naam?
K: Ja, dat weet ik dus niet
H: als jij nu de haven in komt?
(…)
H: maar met welke havenpas heb je dan laatst meegereje, want ik zag een foto voorbij kome van die [bedrijf 4] eh transport?
K: [bedrijf 4]
H: Gebruik je die nog
K: nee want ik ben de haven niet meer in geweest.
P: sinds die foute.
K: ja
P: maar die laatste. Die foute heb je met die [bedrijf 4] gedaan.
K: ja
Het hof vindt in het bovengenoemde gesprek bevestiging dat [bedrijf 4] betrokken is geweest bij het drugstransport waarvan [medeverdachte 4] de vervoerder was. Het staat vast dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] over dit transport spreken.
Conclusie
Haar echtgenoot [betrokkene 3] is vrachtwagenchauffeur en kon dan gaan rijden voor [bedrijf 5] . [betrokkene 4] heeft daarom ingestemd en is (onder meer) met [medeverdachte 4] bij een notaris geweest om de onderneming op haar naam te laten zetten. Ze heeft vervolgens zelf online een zakelijke rekening geopend bij de Rabobank. Zij verklaarde dat zij nooit ergens haar handtekening onder heeft gezet en de pinpas van de bankrekening van [bedrijf 5] , inclusief bijbehorende code, nooit in haar bezit is geweest. [betrokkene 4] heeft [bedrijf 5] failliet laten verklaren nadat ze door de Belastingdienst werd gebeld dat er (veel) schulden in de bv zaten.
De verklaring van [betrokkene 4] wordt ondersteund door hetgeen [medeverdachte 4] als verdachte bij de politie heeft verklaard op 11 juli 2023. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte 4] in de desbetreffende periode werkzaam was voor de verdachte, in ieder geval als chauffeur van drugstransporten. Bij het gebruik van de verklaringen die [medeverdachte 4] gedurende het onderzoek heeft afgelegd, betracht het hof de nodige voorzichtigheid. [medeverdachte 4] heeft namelijk wisselend verklaard over zijn betrokkenheid bij onder meer het hiervoor besproken drugstransport van augustus 2019, en heeft aanvankelijk geheugenverlies voorgewend. In voormeld verhoor heeft [medeverdachte 4] verklaard dat ‘ [bijnaam] ’ (het hof begrijpt: de verdachte) naar hem toekwam en vroeg of hij [bedrijf 5] voor één week op zijn naam wilde zetten. De verdachte zou ervoor zorgen dat de bv na die week van zijn naam zou worden gehaald, maar dit is niet gebeurd. Ook heeft [medeverdachte 4] verklaard dat de verdachte ‘de man is’ en ‘poppetjes onder zich’ had, waaronder [medeverdachte 4] zelf. Dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 4] is bruikbaar voor het bewijs, omdat het steun vindt in de reeds besproken bewijsmiddelen.
Daarnaast herhaalt het hof dat in de woning van [medeverdachte 8] administratie is aangetroffen die zag op meerdere aan de verdachte te linken bedrijven. Hierbij zaten ook stukken van [bedrijf 5] , inclusief de zakelijke bankpas op naam van [betrokkene 4] , en [bedrijf 7] .
Tot slot is van belang dat, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, de verdachte aan [medeverdachte 7] opdracht gaf om geld dat [bedrijf 7] van [bedrijf 5] had ontvangen, over te maken naar het bedrijf [bedrijf 8] . Uit de bewijsmiddelen blijkt overigens dat het direct doorstorten door [bedrijf 7] van ontvangen gelden van [bedrijf 5] (na contante storting) aan [bedrijf 8] vaker gebeurde, zo is bijvoorbeeld op 15 juni 2018, 11 juli 2018 en 13 juli 2018 respectievelijk € 12.578,50, € 15.000,00 en € 10.250,00 overgemaakt naar [bedrijf 8] . De verdachte is aan te merken als de ‘ultimate beneficial owner’ van [bedrijf 7] en hij had ook – via [bedrijf 12] – een groot belang (90%) in [bedrijf 8] .
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat ook [bedrijf 5] een dekmantelbedrijf was waar de verdachte het uiteindelijk voor het zeggen had. Dat leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 157.135,00 dat contant op de rekening van [bedrijf 5] is gestort (en daarna grotendeels is doorgestort naar [bedrijf 7] ) – al dan niet mede – van de verdachte was, althans dat hij daarover kon beschikken.
Contante stortingen op de rekening van [bedrijf 2]
In de periode van 27 maart 2017 tot 28 januari 2019 is een totaalbedrag van € 499.280,00 in contanten gestort op de bankrekening van [bedrijf 2] . Veelal zijn de ontvangen bedragen vrijwel meteen na bijschrijving van de contante stortingen op de rekening, overgeschreven naar bankrekeningen van andere ondernemingen, waaronder ook buitenlandse bedrijven.
Ter illustratie is hieronder een tabel opgenomen van contante stortingen en overboekingen tussen 4 april 2017 en 23 november 2018 waarbij een aantal bedragen van boven de € 10.000,00 zijn opgenomen.
Beoordeling
(…)
R: Kan die niet wachten dan.
E: Nee moet iemand uit de bak.
R: Oke Hoelaat kom die dan.
E: uurtje.
R: Oke maar dan is mama wreek, komt wel goed.
E: waar moet ik hem dan heen laten komen.
R: gewoon op de [straatnaam 2] niet precies voor de deur.
(…)
R: ja gw om de hoek.
(…)
E: Geef hem ff 100 euro extra.
R: Ja. (…) lk heb 100€ uit die koffie tas gepakt ik was vergeten welke jas.
Het hof begrijpt uit deze berichten dat [naam 11] in opdracht van de verdachte op 12 juni 2020 in de woning van de verdachte een contant bedrag van € 20.000,00 uit de kast heeft gepakt en aan “ [naam 7] ” (het hof begrijpt: [naam 7] [medeverdachte 9] ) heeft gegeven. [naam 11] moest dit doen zonder dat zijn moeder daar achter zou komen. Hij moest daarom het geld in een tasje verstoppen. Medeverdachte [medeverdachte 9] zou vervolgens het geld komen ophalen Er moest namelijk ‘iemand uit de bak’. De overdacht kon overigens niet voor de deur van zijn woning plaatsvinden, maar moest ergens op de [straatnaam 2] worden overgedragen.
De verdachte heeft zijn zoon kennelijk vaker ingezet. In de telefoon van de verdachte zijn namelijk chatgesprekken aangetroffen tussen de verdachte en het telefoonnummer * [eindcijfers 17] , dat – zoals ook hierna wordt vastgesteld – toebehoort aan [medeverdachte 6] . In de telefoon van de verdachte staan chatberichten via Signal waarin de verdachte aan [medeverdachte 6] vraagt om Threema te installeren. [medeverdachte 6] stuurt vervolgens dat zijn Threema-ID betreft: * [eindcijfers 18] .
Uit het gesprek via Threema op 5 juni tussen de verdachte (EP) en [medeverdachte 6] (DR) blijkt het volgende.
EP: Ok je krijgt 20 mee. En je krijgt op die 2e token 300 mee.(…) Dan rij je naar mijn huis. En tel je daar. Je geeft [bijnaam 15] 70k. Daarvan pak je voor je zelf 500. Die 250 breng je naar Amsterdam. Adres en token krijg je nog
OR: Oké
EP: Top
EP: [bijnaam 15] (opmerking hof: dat is de bijnaam van de zoon van de verdachte) weet ervan
(…)
EP: Dus hoeveel haal je nu op.
DR: 320.
EP: Top.
(…)
DR: Het is geregeld.
EP: Ok top. Heb je alles.
DR: Ja, ik tel bij jou. Maar als het goed is compleet.
Het hof leidt uit dit gesprek af dat [medeverdachte 6] , in opdracht van de verdachte, met grote hoeveelheden geld rondrijdt. Zo moet hij van de verdachte ‘320’ (de rechtbank begrijpt: € 320.000,00) ophalen, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende tokens.
Tot slot slaat het hof ook acht op een telefoongesprek van 28 september 2020 tussen de gebruikers van de telefoonnummers * [eindcijfers 17] en * [eindcijfers 19] . De politie heeft de gebruiker van telefoonnummer * [eindcijfers 17] geïdentificeerd als [medeverdachte 6] (R), nu hij dit nummer zowel in juli 2018, als in maart 2019 bij de politie heeft opgegeven als zijn eigen nummer. Daarnaast is de gebruiker van nummer * [eindcijfers 19] geïdentificeerd als [medeverdachte 9] (C). Het hof neemt deze bevindingen over. Het gesprek gaat als volgt:
R: Naja luister we zijn natuurlijk met een groepje samen waar iedereen op zijn manier keihard heeft bijgedragen en heeft geïnvesteerd met als doel om er sttraks beter van te worden. Ik hoop gewoon dat dit straks goed gaat, dat dit groepje blijft bestaan zoals het is en er niet in een keer allemaal van die aasgieren bijkomen. En weet je .. ik hoop dat er niet vergeten wordt dat er vanuit [bijnaam 3] , wie er de afgelopen anderhalf jaar voor hem zijn geweest allemaal.
C: Nee maar dat weet hij best wel. Want anders blijf jij ook niet zitten bij hem, snap je wat ik bedoel.
Het hof leidt hieruit af dat er inderdaad een ‘groepje’ bestond en dat de mensen die behoorden tot dat groepje – gezien dit gesprek, in ieder geval [medeverdachte 6] en [medeverdachte 9] – er altijd voor ‘ [bijnaam 3] ’ (de bij- of roepnaam van de verdachte) zijn geweest.
De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 een criminele organisatie heeft gevormd met in elk geval [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
Oogmerk
De tenlastelegging dwingt dat oogmerk nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van feit 4 en feit 5, en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet (harddrugs) en witwassen, en mede gelet op de witwasgedragingen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] zoals hiervoor uiteengezet.
9Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair eerste alternatief en 5 eerste alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019, in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
2.
Beoordeling
Op 18 maart 2018 bericht [betrokkene 1] aan de verdachte dat hij iemand heeft voor ‘ [bijnaam 6] ’ (de bijnaam van [medeverdachte 1]), een ‘normale gozer met studieschuld’. Uit hetgeen eerder is weergegeven, in het bijzonder ook de verklaring van [betrokkene 7] , volgt dat dit gaat over [betrokkene 7] . Verdachte reageert daarop met ‘top’. De verdachte weet kennelijk waar het over gaat en reageert instemmend.
Daarnaast blijkt uit WhatsApp-berichten dat [betrokkene 1] werkzaam was voor de verdachte. Zo vraagt [betrokkene 1] regelmatig aan de verdachte of ze kunnen afspreken en of hij geld kan krijgen. Op 8 maart 2018 laat [betrokkene 1] aan de verdachte weten: ‘heb alleen nog € 30,00 in me zak zitten dus als je iets zou kunnen regelen zou fijn zijn’. Ook vraagt [betrokkene 1] zowel op 12 als op 14 maart 2018 of hij ergens naartoe moet komen en voegt hij daar op 12 maart 2018 aan toe of hij misschien een voorschot kan krijgen. Voorts vraagt [betrokkene 1] aan de verdachte op 13 maart 2018 of het misschien een idee is als hij in de tussentijd een parttime horeca baantje zoekt en vraagt [betrokkene 1] op 16 maart 2018 of de verdachte hem vandaag nog nodig heeft. De verdachte reageert daarop door te zeggen dat hij zijn ding gewoon moet gaan doen en hij hem bericht als er wat is, dat hij dan zijn kant uit komt. [betrokkene 1] reageert daarop dat hij ook ‘die [bijnaam 4] of [bijnaam 5] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 8] of [medeverdachte 5] ) kan langs sturen. Op 20 maart 2018 stuurt de verdachte aan [betrokkene 1] ‘je gaat [naam 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ) zo zien’, waarop [betrokkene 1] vraagt of hij cash bij zich heeft.
[betrokkene 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris op 13 januari 2023 verklaard dat hij het met [achternaam verdachte] niet heeft gehad over het ‘op mijn naam zetten van bedrijven’. Hij verklaarde: ‘Het was meer met [bijnaam 6] dat ik dat besprak. Dat was [bijnaam 6] zijn afdeling’. Dit past bij het chatbericht van [betrokkene 1] aan de verdachte dat hij iemand had voor ‘ [bijnaam 6] ’ ( [medeverdachte 1] ). Zoals hiervoor is vastgesteld heeft [betrokkene 7] immers vervolgens, met tussenkomst van [betrokkene 1] , [bedrijf 1] op zijn naam gezet en een bankrekening geopend. Dit gebeurde met instemming van de verdachte. Het was [medeverdachte 1] die vervolgens de bankrekening van het bedrijf gebruikte. Dat de verdachte boven ‘de afdeling van [medeverdachte 1] ’ stond, volgt uit de – nog nader te duiden – financiële geldstromen die uiteindelijk in belangrijke mate aan de verdachte ten gunste zijn gekomen. En uit het navolgende.
Ook uit andere bewijsmiddelen blijkt namelijk dat [medeverdachte 1] in ieder geval van december 2017 tot maart 2019 voor de verdachte werkzaam is geweest. Het hof slaat daarbij onder meer acht op de vertrouwelijke communicatie die door de politie is opgenomen (OVC) in het kantoor aan de [adres 8] . [betrokkene 11] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] (in ieder geval samen met de broer van verdachte, [medeverdachte 2] ) dit kantoorpand in gebruik heeft gehad van september 2019 tot 29 september 2020. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] van mei 2019 tot september 2019 gebruik gemaakt van het pand aan de [adres 9] . Het hof gaat ervan uit dat de OVC-gesprekken vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] (H) en [medeverdachte 4] (K) in de kantoorruimte aan de [adres 8] . Zij hebben het dan over [bijnaam 2] (de bijnaam van verdachte).
H: Ja, maar hoe is het met [bijnaam 2] ?
(…)
K: [bijnaam 2] ? Geen idee. Ik heb hem geloof ik al in geen vijf weken gezien of gehoord?
H: Nee, maar als ie je niet nodig heb of wat dan ook.
(…)
H: Maar ja, hoe heet dat eh, is natuurlijk eh allemaal een beetje kut gegaan en de reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. (…) Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met eh, ehm [bijnaam 9] samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende. (…) We zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh. (…) In de havens.
Het hof concludeert dan ook dat [medeverdachte 1] in elk geval tot één jaar vóór 19 maart 2020 – dus in elk geval tot maart 2019 – voor de verdachte werkzaam was. Op enig moment hebben [medeverdachte 1] en ‘ [bijnaam 9] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] , de broer van verdachte) de samenwerking zonder de verdachte voortgezet.
Dit vindt ook bevestiging in een telefoongesprek gevoerd door [betrokkene 12] , de (toenmalige) echtgenote van [medeverdachte 1] , die kan worden gekoppeld aan telefoonnummer * [eindcijfers 7] . Zoals blijkt uit de politiesystemen, maakte [medeverdachte 1] op dat moment gebruik van telefoonnummer * [eindcijfers 8] . Zowel [betrokkene 12] als [medeverdachte 1] hebben deze telefoonnummers in het verleden zelf opgegeven aan de politie. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze nummers aan hen toebehoren.
Op 2 oktober 2019 maakt [betrokkene 12] tegen [medeverdachte 1] over de telefoon een opmerking over ‘de tijd dat hij nog voor [bijnaam 2] werkte’.
Ook blijkt dit uit WhatsApp-chatgesprekken die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte met telefoonnummer * [eindcijfers] en de gebruiker van het telefoonnummer * [eindcijfers 9] . Dit nummer staat in de telefoon van de verdachte opgeslagen onder ‘ [betrokkene 13] ’. Uit onderzoek van de politie op internet blijkt dat [betrokkene 13] eigenaar is van ‘ [bedrijf 20] ’.
Op 22 december 2017 heeft er een chatgesprek plaatsgevonden tussen de verdachte (P) en [betrokkene 13] (L).
P: Goedemorgen. Zal ik die jongen van mij straks laten langsrijden met die double red? Gr [bijnaam] .
L: Yes sir. Merci.
P: Je ziet die jongen van mij straks met die double red. [medeverdachte 1] heet hij. (…) Kan je het serie nr naar [medeverdachte 1] sturen. (…) Shared contact [medeverdachte 1] (tel nr. * [eindcijfers 8] ).
In dit gesprek noemt de verdachte [medeverdachte 1] , van wie hij het telefoonnummer stuurt waarvan hiervoor ook is vastgesteld dat [medeverdachte 1] dat nummer gebruikt, ‘die jongen van mij’. Ook dit wijst erop dat [medeverdachte 1] (in elk geval vanaf december 2017) voor de verdachte werkzaam is geweest.
De verdachte heeft verklaard dat zijn reactie (‘top’) op het bericht van [betrokkene 1] dat hij ‘iemand heeft gevonden voor [bijnaam 6] ’, sarcastisch was bedoeld. Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig, nu uit het vervolg van het gesprek daarvan niets blijkt en zowel [betrokkene 1] , als [medeverdachte 1] op dat moment voor hem werkzaam was. De terugkoppeling door [betrokkene 1] aan de verdachte past juist in het beeld dat de verdachte uiteindelijk degene was die achter de schermen de touwtjes in handen had.
Het hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat [bedrijf 1] B.V. formeel is opgericht door [betrokkene 7] , maar na aansturing door en met tussenkomst van [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] en met wetenschap van, en na goedkeuring door, de verdachte. Bij de conclusie dat de verdachte betrokken was bij [bedrijf 1] betrekt het hof dat ook van [bedrijf 1] B.V. , zoals hiervoor uiteengezet, stukken bij [medeverdachte 8] zijn gevonden.
Conclusie
Alternatief scenario: betrokkenheid [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, nu de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , dat was gekoppeld aan [bedrijf 4] heeft aangestraald in de omgeving van het kantoor aan de [straatnaam 1] , blijkt dat de verdachte niet betrokken is geweest bij het drugstransport waarvoor [bedrijf 4] zou zijn gebruikt. De raadsvrouw heeft er in dat verband op gewezen dat de verdachte enerzijds en zijn broer, [medeverdachte 2] (samen met [medeverdachte 1] ) anderzijds op enig moment hun eigen weg zijn gegaan. Op de [straatnaam 1] was het kantoor van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gevestigd. Volgens de raadsvrouw blijkt uit deze omstandigheid dat niet de verdachte, maar zijn broer en [medeverdachte 1] achter het transport zouden zitten.
Het hof verwerpt dit verweer. Uit hetgeen hierna wordt beschreven in het kader van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie, blijkt dat rond maart 2019 inderdaad een breuk is geweest tussen de verdachte enerzijds en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] anderzijds. Zoals hiervoor aan de hand van de OVC gesprekken op 19 maart 2020 is vastgesteld, was [medeverdachte 4] echter in ieder geval in de ten laste periode (augustus 2019) nog werkzaam voor de verdachte. Uit de OVC gesprekken blijkt dat [medeverdachte 4] pas op 19 maart 2020 is benaderd door de broer van de verdachte en [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 4] daarvoor daadwerkelijk niet (ook) werkzaam was voor [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt uit de hiervoor al weergegeven OVC gesprekken van één dag eerder, op 18 maart 2020, wanneer [medeverdachte 1] en [betrokkene 15] overleggen over de vraag of ze [medeverdachte 4] kunnen benaderen en of het wellicht ‘een gentlemen's agreement [is] dat je elkaars chauffeurs niet bevraagt?’ Het staat daarmee vast dat [medeverdachte 4] in augustus 2019 nog niet voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkzaam was.
Dat het telefoonnummer dat aan [bedrijf 4] was gekoppeld destijds heeft aangestraald aan de [straatnaam 1] te Den Haag, doet dus niet af aan de werkrelatie tussen de verdachte en [medeverdachte 4] in augustus 2019. Daarnaast blijkt uit het dossier niet door wie en op welke wijze de telefoon die aan dit nummer was gekoppeld werd gebruikt.
Relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 5]
Uit het OVC gesprek van 19 maart 2020, dat hiervoor al meerdere keren is aangehaald, vertelt [medeverdachte 4] (K) gedetailleerd aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (P) over het onderhavige transport en de rol daarin van ‘ [bijnaam 5] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ).
P: Maar daarna heb je nog, heb je daarna nog een keer een bak gereje.
K: Ja, die 20 footer. (…) Dat was de laatste en die is fout gegaan. (…) Ik wee niet wat er in zat, maar ze hebben 'm in Engeland onderschept, toen hebben ze hem eh leeggehaald? Dummies derin gegooid. (…) En toen moest ik hem eruit hale. (…) toen heb ik hem naar Rotterdam gebracht, ergens. Afgekoppeld. Ik ben toen naar Wateringen toegereden. Gewoon met een trekkertje, totdat ik de opdracht kreeg van [bijnaam 5] van, joh, het is gedaan, kom maar. Heb ik hem weer aangekoppeld, doorgebracht naar Bergschehoek? Dat was uiteindelijk ook het losadres? (…) Daar heb ik afgekoppeld, want ik was te laat of zo, weet ik veel wat. En toen hebben ze daar, zijn ze derop geklapt.
(…)
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
Het hof stelt vast dat hetgeen [medeverdachte 4] hier vertelt over het verloop van het heroïnetransport exact overeen komt met hetgeen hiervoor is overwogen over de feitelijke omstandigheden waaronder het onder feit 4 ten laste gelegde transport heeft plaatsgevonden.
Eerder in het gesprek van 19 maart 2020, antwoordt [medeverdachte 4] op de vraag van [medeverdachte 1] of hij zelf e-mails heeft geschreven dat hij ‘nooit wat heeft gedaan’ en dat ‘die’ dat allemaal heeft verzonnen, daarmee, gelet op de verwijzing naar ‘ [bijnaam 5] ’ even daarvoor, kennelijk doelend op [medeverdachte 5] die de inhoud van de e-mails met betrekking tot het transport heeft verzonnen.
Uit voornoemd OVC gesprek blijkt dat [medeverdachte 4] ten aanzien van dit transport niet alleen opdrachten heeft opgevolgd van de verdachte, maar ook van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] kreeg immers van ‘ [bijnaam 5] ’ het bericht dat ‘het gedaan was’ en hij kon terugkomen om de geloste container op te halen. Ook was [medeverdachte 5] betrokken bij het opstellen van e-mails namens [bedrijf 22] .
Verder werden vanaf de bankrekening van [bedrijf 4] maandelijks betalingen gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres] dat op dat moment was uitgegeven aan de [adres 14] , zijnde het toenmalige GBA-adres van [medeverdachte 5] .
Conclusie
Hierbij worden ook gelden overgemaakt naar kennelijk Duitse en Griekse bedrijven (gelet op de rechtspersoonsvormen GMBH, respectievelijk IKE).
Boekdatum
Bij
Af
Omschrijving
04-04-2017
€ 14.500,-
Contante storting
04-04-2017
€ 13.950,-
[bedrijf 28]
29-03-2018
€ 11.700,-
Contante storting
29-03-2018
€ 6.118,45
[bedrijf 29]
29-03-2018
€ 5.571,87
[bedrijf 30]
13-08-2018
€ 12.200,-
Contante storting
14-08-2018
€ 12.500,-
Contante storting
14-08-2018
€ 12.442,64
[bedrijf 31]
15-08-2018
€ 12.544,48
[bedrijf 31]
13-09-2018
€ 7.850,-
Contante storting
13-09-2018
€ 6.150,-
Contante storting
14-09-2018
€ 12.127,99
[bedrijf 31]
26-09-2018
€ 10.000,-
Contante storting
26-09-2018
€ 8.244,79
[bedrijf 32]
27-09-2018
€ 9.500,-
Contante storting
28-09-2018
€ 8.000,-
Contante storting
28-09-2018
€ 7.976,37
[bedrijf 33]
28-09-2018
€ 8.359,40
[bedrijf 32]
22-11-2018
€ 11.200,-
Contante storting
22-11-2018
€ 11.030,71
[bedrijf 33]
23-11-2018
€ 13.700,-
Contante storting
23-11-2018
€ 13.823,66
[bedrijf 34]
Uit camerabeelden van de bank, in combinatie met herkenningen door de politie, is gebleken dat de contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 2] onder meer zijn gedaan door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] heeft in totaal een bedrag van € 262.280,00 gestort en [medeverdachte 3] een totaalbedrag van € 20.720,00.
Zoals hiervoor is vastgesteld was [bedrijf 2] een dekmantelbedrijf. De verdachte had – samen met [medeverdachte 1] , die voor hem werkzaam was – de feitelijke zeggenschap over [bedrijf 2] . Het hof gaat ervan uit dat dit gedurende de hele periode zo is geweest, nu het ervoor moet worden gehouden dat [bedrijf 2] sinds de oprichting in 2017 een dekmantelbedrijf is geweest en [medeverdachte 1] ook in 2017 al voor de verdachte werkzaam was. Daar komt bij dat de verdachte hierover ook geen andersluidende verklaring heeft afgelegd, anders dan dat hij heeft verklaard in het geheel niet betrokken te zijn geweest bij [bedrijf 2] . Gelet op hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt, gaat het hof aan die verklaring voorbij. De verdachte kon dus, samen met [medeverdachte 1] , beschikken over het op de rekening van [bedrijf 2] gestorte geld.
Beoordeling
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
3.
primair, eerste alternatief
hij op of omstreeks 26 oktober 2018 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 5.296 kilo hennep;
4.
primair, eerste alternatief
hij in de periode van 2 augustus 2019 tot en met 5 augustus 2019 via de Westerschelde, en te Hoogvliet Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, 6.58 gram heroïne;
5.
eerste alternatief
hij in de periode van 1 maart 2017 tot en met 19 oktober 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij met zijn mededader(s) telkens, hierna genoemde voorwerpen (geldbedragen) voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij en zijn mededader(s) wist(en) dat hierna genoemde voorwerpen - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
een geldbedrag van (in totaal) 157.135 euro (contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 5] waarna een bedrag van 146.069 euro is overgeboekt naar [bedrijf 6] B.V.) en
een geldbedrag van (in totaal) 499.280 euro (contante stortingen op de rekening van [bedrijf 2] ).
Hetgeen onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair eerste alternatief en 5 eerste alternatief meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
8Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 primair, eerste alternatief, 4 primair, eerste alternatief en 5, eerste alternatief bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid, van
de Opiumwet
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 primair, eerste alternatief bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 primair, eerste alternatief bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 5, eerste alternatief bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
9Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair eerste alternatief en 5 eerste alternatief bewezenverklaarde uitsluit.
10Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 primair, 4 primair en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ook blijken uit het over hem uitgebrachte Reclasseringsrapport. Verzocht wordt bij een bewezenverklaring een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen met een groot voorwaardelijk deel. De verdediging heeft verder verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met artikel 63 Sr; het lange voorarrest; de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg; de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd en tot slot met de gevolgen van de gewijzigde VI-regeling.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenissstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft deelgenomen aan twee criminele (drugs)organisaties. Het doel van de organisaties was onder andere de invoer van harddrugs naar Nederland. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van een complexe structuur van bedrijven waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was en waarvan door de organisatie ingeschakelde katvangers de formele bestuurders waren. Op geraffineerde wijze werd zo getracht buiten het zicht van politie en justitie te blijven. Binnen de organisatie vervulde de verdachte een aansturende rol.
De manier waarop de verdachte daarbij kennelijk uit eigen gewin gebruik heeft gemaakt van anderen is stuitend te noemen. Zelfs zijn eigen zoon van destijds veertien jaar oud heeft hij bij zijn criminele activiteiten betrokken. Hij heeft zijn zoon daarbij mogelijk in gevaar gebracht doordat hij hem met zeer grote geldbedragen zowel thuis, als op de openbare weg liet afspreken met medeverdachten. Zijn zoon is als gevolg hiervan met justitie in aanraking gekomen, met alle gevolgen van dien.
Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de misdrijven die worden beoogd. Internationale drugstransporten worden als ernstige misdrijven gezien.
De verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan twee internationale drugstransporten. Daarbij gaat het om grote hoeveelheden: 5.296 kilogram hennep en ten aanzien van feit 4 gaat het hof in het kader van de straftoemeting uit van een hoeveelheid van 398 kilogram heroïne, zijnde de oorspronkelijke inhoud van de container.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen.
Beoordeling
Tezamen met stukken van andere bedrijven die allemaal op de een of andere manier, financieel, aan de verdachte zijn te linken, waaronder ook [bedrijf 2]
Betrokkenheid verdachte bij [bedrijf 2]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
Hiervoor is al vastgesteld dat [medeverdachte 1] vergaande feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En dat [medeverdachte 1] in ieder geval in de periode tussen december 2017 en maart 2019 werkzaam was voor de verdachte.
Verdere betrokkenheid van de verdachte blijkt uit de omstandigheid dat op naam van [bedrijf 2] onder meer een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] is gehuurd. De bestuurder van deze auto, [betrokkene 14] , werd aangehouden op 7 maart 2019 en verklaarde toen dat de auto toebehoorde aan ene ‘ [bijnaam] ’ die gebruik maakt van telefoonnummer * [eindcijfers] . Dit is het telefoonnummer van de verdachte. In zijn politieverhoor verklaarde [betrokkene 14] daarnaast dat hij het voertuig via een kennis had geleend van ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: de verdachte) die hem had verteld dat de auto van één van zijn bedrijven was. De verdachte had hem een aantal weken eerder gevraagd naar een mapje met pasjes, dat hij destijds niet kon vinden. Bij zijn aanhouding had hij echter gezien dat er een mapje in de deur aan de passagierszijde van de auto zat. De politie heeft vastgesteld dat in een vak van de passagiersdeur inderdaad een mapje met pasjes lag, waarvan later bleek dat het ging om een rijbewijs en een bankpas op naam van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] is een contact van [verdachte] . Daarnaast werden in de auto twee getekende huurcontracten aangetroffen voor een woning aan de [adres 10] . Vanaf de rekening van [bedrijf 7] is huur betaald voor deze woning.
De raadsvrouw heeft, voor het geval het hof de verklaring van [betrokkene 14] zou gebruiken voor het bewijs, het voorwaardelijk verzoek gedaan [betrokkene 14] te horen als getuige. Nu die voorwaarde is vervuld, beslist het hof op dat verzoek. Het verzoek wordt afgewezen, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. De verklaring van [betrokkene 14] maakt slechts een gering onderdeel uit van de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de conclusie komt dat de verdachte ook betrokken was bij [bedrijf 2] . Bovendien ligt aan het verzoek ten grondslag (pleitnota, pagina 22) dat op basis van de verklaring van [betrokkene 14] niet kan worden gesteld dat ‘hij zeker weet’ dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat het ‘een auto van een van zijn bedrijven was’, omdat [betrokkene 14] ook heeft verklaard: “Ik ben er van uit gegaan dat het een van zijn bedrijven was.” Deze toelichting berust op een verkeerde lezing van de verklaring van [betrokkene 14] . Er staat in het proces-verbaal van het verhoor, voor zover relevant:
V: Wat verklaarde [verdachte] over de auto, zei hij dat het zijn auto was.
A: Hij zei tegen mij dat het een auto van een van zijn bedrijven was, ik heb de auto bij hem thuis opgehaald, toen ik in de auto zat zag ik op de kentekenkaart dat de auto op naam stond van een vennootschap. Ik ben er van uit gegaan dat het een van zijn bedrijven was. Hij vertelde mij ook dat de auto verzekerd was en dat ik er zo mee kon rijden.
Uit het verhoor blijkt dus geenszins dat [betrokkene 14] twijfelde over hetgeen [verdachte] tegen hem heeft gezegd. Hij ging er slechts vanuit dat de vennootschap die op het kentekenbewijs stond vermeld, een bedrijf van [verdachte] was. In zoverre zou het verhoor van [betrokkene 14] dan ook overbodig zijn.
Zoals hiervoor uiteengezet is in de woning van [medeverdachte 8] een lijstje aangetroffen met de website en het nummer bij de Kamer van Koophandel van enkele bedrijven, waaronder [bedrijf 2] . ING heeft vastgesteld dat op de rekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] is ingelogd met hetzelfde device-ID.
Zoals in paragraaf 8.6 (witwassen) nader zal worden beschreven, wordt de rekening van [bedrijf 2] gevoed met enorme contante stortingen. Zo heeft [medeverdachte 1] in totaal € 262.280,00 op de rekening van [bedrijf 2] gestort. En [medeverdachte 3] € 20.720,00 en [medeverdachte 4] € 1.200,00. [bedrijf 7] , het bedrijf waarbij [verdachte] een groot financieel belang had, heeft in totaal € 40.165,40 van [bedrijf 2] ontvangen. Er zijn overigens meer financiële dwarsverbanden. [bedrijf 2] doet namelijk ook betalingen aan [bedrijf 1] en – het nog te bespreken, ook aan de verdachte te koppelen – [bedrijf 5] . De rekening van dat laatste bedrijf wordt voor een groot deel gevoed door contante stortingen. In de periode van juni tot oktober 2018 maakt [bedrijf 5] in totaal € 146.069,40 over aan [bedrijf 7] . [bedrijf 5] heeft overigens ook € 21.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 9] dat op haar beurt in totaal € 51.000,00 heeft overgemaakt naar [bedrijf 8] . Overigens deed [bedrijf 9] , net als [bedrijf 2] , ook betalingen aan [bedrijf 18] en [bedrijf 21]. Deze twee bedrijven zijn allebei gevestigd geweest op de [adres 11] , het historische vestigingsadres van [bedrijf 7] . Vanuit [bedrijf 18] hebben betalingen plaatsgevonden aan onder andere [bedrijf 11] en [bedrijf 8] .
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte, tot begin 2019, en in ieder geval rond de ten laste gelegde datum in oktober 2018, met de medeverdachte [medeverdachte 1] , de feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En daarbij komt nog het volgende.
Relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 4]
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container waren gehaald. Uit het dossier blijkt dat ook [medeverdachte 4] al langere tijd werkzaam was voor de verdachte en containers voor hem reed. Het hof slaat daarbij acht op hetgeen hierna ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier 8) zal worden besproken. Dit vindt bevestiging in het OVC gesprek van 19 maart 2020. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] (H) en [medeverdachte 4] (K) op 19 maart 2020 in de ruimte op de [adres 8] . Zij hebben het vervolgens over [bijnaam 3] (waarmee onmiskenbaar de verdachte wordt bedoeld):
K: Zo'n twee jaar geleden, zat [bijnaam 3] krap? Toen zegt ie tegen mij, joh, hoeveel heb jij nog thuis ligge? lk zeg, nou, 9 ruggen? (…) Hij zegt, kan ik, kan ik die lenen? lk zeg, ja, waarom niet. lk heb het. (…) Nou, dat is ook weg.
(…)
K: Ja, dat is denk ik in januari een volle bak d'r uit gehaald? (…) Der heb ik er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak. (…) Daar heb ik niks op gekregen.
(…)
H: wat heb je voor het laatst nog wat uitgehaald dan? (…) Ook uit Antwerpen.
K: Ja.
H: Zonder problemen.
K: Ja.
H:Zonder scan, fysiek, of iets dergelijks.
K: Niks .
De dag daarvoor, op 18 maart 2020, is een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 1] (H) en [betrokkene 15] (RH), waaruit het hof afleidt dat ze voornemens zijn om [medeverdachte 4] als chauffeur te benaderen en zich afvragen of hij nog voor de verdachte werkt:
H: [bedrijf 22] (opmerking hof: dat bedrijf stond op naam van [medeverdachte 4] ) dat is het BV-tje waar ie mee heen heeft gewerkt, ook voorheen voor zichzelf maar eh, ja, we moete effe kijke hoe of wat.
Beoordeling
Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen. Dit acht het hof zeer kwalijk.
Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen en daarmee opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie heeft onttrokken. Witwassen houdt verband met de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.
De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd maar heeft daarbij geen openheid van zaken gegeven over de bewezen verklaarde feiten. Ook in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen reden tot strafmatiging.
Uit het op verzoek van de verdediging opgestelde Reclasseringsrapport van 25 oktober 2024 komt onder meer naar voren dat er bij de verdachte vanaf 23-jarige leeftijd sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogenscriminaliteit. In het rapport worden naast geconstateerde risicoverhogende factoren ook beschermende factoren genoemd en het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat. Zoals de verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht wordt ook in het rapport melding gemaakt van het proces dat de verdachte doormaakt waarin hij afstand neemt van criminaliteit en bezig is met positieve toekomstdoelen. De Reclassering adviseert bij een veroordeling en indien de ernst van de feiten dit toelaat, een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof zal hiertoe niet overgaan. Gelet op de ernst en omvang van de bewezen verklaarde feiten en de rol die de verdachte daarbij heeft gehad acht het hof enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 8 november 2024 blijkt dat hij in het verleden eerder is veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie. Na het plegen van de thans bewezen verklaarde feiten is de verdachte in 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en in 2023 tot een gevangenisstraf van 18 maanden. Het hof zal dan ook bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een langdurige gevangenisstraf. De door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar acht het hof in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden. De inverzekeringstelling van de verdachte heeft plaatsgevonden op 29 september 2020, terwijl de rechtbank eindvonnis heeft gewezen op 30 oktober 2023. Er is dus sprake van een tijdsverloop van 3 jaar en 1 maand.
Bij de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waar in strafmatigende zin rekening mee dient te worden gehouden betrekt het hof dat sprake is van een omvangrijke zaak met meerdere verdachten. Voor een zaak met de omvang van de onderhavige is de zaak in eerste aanleg relatief snel op zitting aangebracht, namelijk op 26, 27, 28 oktober en 9 november 2021, tegelijk met de zaken van medeverdachten. Vervolgens heeft de toenmalig raadsman van de verdachte op 9 mei 2022 de verdediging neergelegd. De zaak van de verdachte is afgesplitst van die tegen de medeverdachten waarna in hun zaken vonnis is gewezen op 8 juli 2022. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het tijdsverloop in deze zaak een omstandigheid betreft die in de fase tot mei 2022 vooral het gevolg was van de omvang en complexiteit van de zaak met meerdere verdachten en daarna vrijwel volledig voor rekening van de verdachte komt. Er is daarom in deze fase geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn die tot strafmatiging zou moeten leiden. Namens de verdachte is appel ingesteld op 6 november 2023, terwijl het hof arrest wijst op 10 januari 2025. In hoger beroep is daarmee geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.
Wet Straffen en beschermen
Met ingang van 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Deze wet strekt tot wijziging van de regeling inzake detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de Penitentiaire beginselenwet en in het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, met een maximum van twee jaar. De wet bevat geen overgangsbepaling zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op arresten van na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is.
Het hof ziet in onderhavige situatie geen aanleiding om, zoals door de verdediging verzocht, bij de strafoplegging rekening te houden met het gewijzigde VI-regime. Het hof wijst erop dat onder het oude regime geen zekerheid bestond dat voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden verleend. De veroordeelde kwam van rechtswege in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling maar of dit plaatsvond was afhankelijk van het gedrag van de veroordeelde. Bij het bepalen van de straf heeft het hof zich rekenschap gegeven van de gevolgen voor verdachte van de invoering van de nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal worden afgewezen nu er gelet op de inhoud van dit arrest sprake is van ernstige bezwaren en tevens een grond voor de voorlopige hechtenis.
11Beslag
Onder de verdachte zijn vier telefoons, een computer, een betaalpas van Revolut, zeven horloges, elf paar schoenen, vijf tassen, sieraden (een ring, ketting en oorbellen) en kunst (zes schilderijen en twee beelden) in beslag genomen.
De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – verbeurdverklaring gevorderd van de vier telefoons en de computer en teruggave van de Revolut Bank betaalpas aan de uitgevende instantie. De overige goederen (genummerd 1, 2, 5 t/m 31, 36 en 38 t/m 41) kunnen worden teruggegeven. De advocaat-generaal heeft daarbij aangetekend dat het neerkomt op het beëindigen van het strafvorderlijke beslag, aangezien de Belastingdienst beslag op deze goederen heeft gelegd. Feitelijke teruggave zal dus niet aan de orde zijn.
De raadsvrouw heeft verzocht overeenkomstig het vonnis van de rechtbank te beslissen.
Verbeurdverklaring
Nu de vier telefoons en de computer aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze vier telefoons en de computer het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Teruggave ten behoeve van de rechthebbende
De betaalpas betreft een pas van de Revolut Bank op naam van de verdachte.