Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:473
Strafrecht
Hoger beroep
3,530 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002822-23
datum uitspraak: 20 februari 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-239792-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1], mr. N. Linotte, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof reageert op hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafbaarheid van de verdachte naar voren heeft gebracht, in die zin dat het hof een in hoger beroep opgemaakte deskundigenrapportage bespreekt.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte (opnieuw) aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de raadsman aanneemt dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde in een psychose verkeerde waardoor het feit niet aan hem kan worden toegerekend.
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte en neemt deze overweging over.
In aanvulling hierop overweegt het hof dat de in hoger beroep opgemaakte Pro Justitia rapportage van 3 oktober 2024 van psychiater J.J.F.M. de Man (hierna: de deskundige) het hof niet tot andere inzichten heeft gebracht.
De deskundige concludeert in zijn rapportage van 3 oktober 2024 dat een onderzoek naar de doorwerking van stoornissen op het handelen van de verdachte niet uitvoerbaar is gebleken. Daarom kan geen advies worden geven over de mate van toerekening.
De verdachte is echter eerder in 2024 ten behoeve van een andere strafzaak wél succesvol onderzocht door de deskundige. De bevindingen van dat eerdere onderzoek zijn vastgelegd in een Pro Justitia rapportage van 15 juli 2024. De deskundige stelt dat die bevindingen ook in de onderhavige zaak bruikbaar en relevant zijn. De onderzoeken die ten grondslag liggen aan de rapportage van 15 juli 2024 hebben plaatsgevonden op 26 maart en 29 mei 2024 – enkele maanden voordat de deskundige in de onderhavige zaak heeft getracht psychiatrisch onderzoek te verrichten. In de rapportage van 15 juli 2024 is door de deskundige geen psychose vastgesteld. Het volgende werd overwogen omtrent het al dan niet bestaan van een psychose of een psychotische stoornis bij de verdachte:
"Het klachtenpatroon toont angst en depressie en is zeer uitgesproken. Daarnaast rapporteert betrokkene gewaarwordingen die van multimodale en complexe aard zijn maar in de ogen van deze onderzoeker niet als psychotisch in engere zin kunnen worden geclassificeerd. Dat leidt ertoe dat niet wordt uitgegaan van een procespsychose als schizofrenie. Ook een psychotische depressie ligt niet in de reden omdat het acute beloop van de 'ontregelingen' van betrokkene - voordat zorgprofessionals ter plekke zijn is alles weer over en is het psychiatrisch onderzoek de facto niet afwijkend - wel bij angst en paniek maar niet bij een psychose in engere zin passen."
De deskundige voegt hier in zijn rapport van 3 oktober 2024 nog aan toe dat de ter beschikking staande stukken in de onderhavige zaak, en dan met name de getuigenverklaringen en het proces-verbaal van de politie als geheel, evenmin aanwijzingen bevatten dat de verdachte op de relevante tijdstippen psychotisch gedrag vertoonde.
Het hof sluit zich aan bij de overwegingen en conclusies van de deskundige en neemt deze over.
Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof geen omstandigheid voldoende aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 58.810,36, bestaande uit € 18.810,36 aan materiële schade en
€ 40.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.339,23. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering gematigd tot een bedrag van € 45.496,36 bestaande uit € 5.496,36 aan materiële schade en € 40.000,00 aan immateriële schade. De vordering is (thans) opgebouwd uit de volgende posten:
Smartengeld € 40.000,00
Medische kosten € 12,44
Fysiotherapie € 1.079,00
Toekomstige kosten fysiotherapie € 1.052,00
Guasha-behandelingen € 265,00
Verlies arbeidsvermogen € 2.157,36
Reis-en parkeerkosten € 290,06
Toekomstige reis-en parkeerkosten € 400,00
Steunzolen € 190,00
Manuele therapie € 50,50
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 8.496,36, bestaande uit € 5.496,36 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
De raadsman heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de bepleite volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Subsidiair heeft hij de niet-ontvankelijkheid verzocht nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsman de kosten voor de Guasha-behandelingen betwist en verzocht de vordering toe te wijzen conform de beslissing hieromtrent van de politierechter.
De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. N. Linotte, advocaat te Haarlem, heeft de vordering in hoger beroep toegelicht aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.
Het hof overweegt als volgt.
Conclusie
Resumerend is de verdachte gehouden om schade te vergoeden tot een bedrag van € 6.191,59, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot € 350,00.
De raadsman heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de bepleite volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering tot een bedrag van maximaal € 100,00 toe te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De omvang van de immateriële schade als gevolg van de mishandeling zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 250,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.191,59 (zesduizend honderdeenennegentig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.691,59 (drieduizend zeshonderdeenennegentig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 13,13 (dertien euro en dertien cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.191,59 (zesduizend honderdeenennegentig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.691,59 (drieduizend zeshonderdeenennegentig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 april 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 april 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2025.
Mr. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.