Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:472
Strafrecht
Hoger beroep
2,742 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000865-23
datum uitspraak: 20 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-080767-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 8 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 2862), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] , althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meer bankpas(sen) op naam van [benadeelde] (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
subsidiair
hij op of omstreeks 8 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een pinpas op naam van [benadeelde] (met bijbehorende pincode) en/of een of meerdere geldbedragen (van 2862 euro), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de primair tenlastegelegde diefstal met valse sleutel wordt veroordeeld. De verklaring van de verdachte dat hij toestemming had van de aangeefster om de geldbedragen te pinnen met haar pinpas acht zij onaannemelijk.
Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde diefstal met valse sleutel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de pinpas van de aangeefster en de daarmee gepinde geldbedragen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. De verdachte had toestemming van de aangeefster om naar zijn believen gebruik te maken van haar pinpas met pincode.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft aangeefster op 8 september 2020 ontmoet in een café. Toen het café sloot, gingen de verdachte en zijn vrienden naar het huis van aangeefster om samen verder te borrelen. Het hof wil aannemen dat de sigaretten op een gegeven moment op waren en de verdachte toen de pinpas met pincode van aangeefster heeft gekregen. De verdachte heeft hierover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat aangeefster zei dat hij nieuwe sigaretten met haar pinpas mocht halen, zij hem haar pinpas met pincode gaf en daarbij zei “pin maar wat je nodig hebt”. Getuige [getuige] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat één van de dames in de woning zei “hier is mijn bankpas en pincode om sigaretten te kopen bij de avondwinkel en je kan pinnen wat nodig is”.
Het hof gaat er gelet op het voorgaande van uit dat de verdachte toestemming had om sigaretten te kopen met de pinpas van aangeefster. In zoverre was hij tot het gebruik van haar pinpas gerechtigd.
Echter, de verdachte heeft die nacht vanaf omstreeks 03.15 uur een tocht door Amsterdam gemaakt, waarbij hij onder andere bij tankstations en in een casino geld heeft gepind met de pinpas van aangeefster tot een totaalbedrag van € 2.862,00.
Het hof overweegt dat de opmerking van de aangeefster dat de verdachte mocht pinnen wat hij nodig had – of woorden van gelijke strekking – moet worden gezien in de context van die avond: de sigaretten waren op en de verdachte kreeg de pinpas van de aangeefster om nieuwe sigaretten te kopen bij de avondwinkel in de straat. De toestemming van de aangeefster betrof niet het verdere gebruik van haar pinpas. Tot het verder of anders gebruikmaken van haar pinpas was de verdachte dus niet gerechtigd, zodat zijn handelen wederrechtelijk was.
Het hof concludeert dan ook dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een geldbedrag van aangeefster door haar pinpas en pincode te gebruiken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 september 2020 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal € 2862, welk geldbedrag toebehoorde aan [benadeelde] , waarbij hij, verdachte, het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [benadeelde] met bijbehorende pincode.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.862,00 (tweeduizend achthonderdtweeënzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.862,00 (tweeduizend achthonderdtweeënzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 (achtendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 september 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2025.
Mr. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.