Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:465
Strafrecht
Hoger beroep
2,403 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000306-21
datum uitspraak: 20 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 januari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-039681-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
een bewijsoverweging toevoegt naar aanleiding van de getuigenverhoren die zijn afgelegd bij de raadsheer-commissaris,
een bewijsmiddel toevoegt aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en
de volgende zinnen/ passages uit de bewijsoverwegingen op pagina 3 van het vonnis van de rechtbank schrapt:
“, zonder dat hij kan aangeven welke reden hij daarvoor had,”
“, wederom kennelijk zonder reden,”
“Daarbij komt dat de verdachte zelf geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij na het feest, dat bij hem thuis werd gevierd, nog naar buiten is gegaan.”
Aanvullende bewijsoverweging
Het hof overweegt dat de inhoud van de in deze zaak in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, afgelegde getuigenverklaringen niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank leiden ten aanzien van de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen. Het hof gaat daarbij voorbij aan de ontlastende verklaringen die door twee zussen van de verdachte, [naam 1] en [naam 2], bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd op 10 februari 2023. Deze verklaringen zijn op essentiële punten tegenstrijdig aan hetgeen zij eerder – veel korter op het feit – hebben verklaard. Bovendien staan de recente getuigenverklaringen van de zussen haaks op de verklaringen die andere getuigen hebben afgelegd.
Aanvullend bewijsmiddel
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 7 februari 2023, opgemaakt door mr. E. Mijnsberge, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 februari 2023 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
De verdachte kwam aan en [betrokkene] ging weg. (…) Toen veranderde de situatie. De verdachte was anders dan [betrokkene]. Hij was heel direct. Hij zei tegen mij dat hij wilde dat ik hem ook zou pijpen. Hij stond recht voor mij en haalde zijn penis uit zijn broek. Dat ging heel snel allemaal. Hij probeerde zijn penis in mijn mond te drukken. Dat lukte niet want ik hield mijn mond dicht en maakte een geluid van: hmmhmm. Daarmee gaf ik aan dat ik het niet wilde. Hij zei: als je het niet doet ga je niet weg. Ik bleef mijn mond dicht houden. Hij bleef zijn penis tegen mijn mond aan drukken. Op enig moment heb ik mijn mond geopend. Ik wilde daar weg en ik voelde een heel erge druk omdat hij dat tegen mij gezegd had. (…)
Vervolgens stond ik op en draaide ik mij om, om weg te gaan. Hij hield mij vast. (…) Op enig moment ben ik omhoog gekomen en heb ik gezegd dat het genoeg was, dat het klaar was. Ik weet niet zeker meer of hij zei dat dat niet zo was maar hij duwde mij weer naar beneden. Hij ging gewoon verder. (…)
U vraagt mij hoe de verdachte had kunnen weten dat ik niet wilde. Door mijn bewegingen, door de geluiden die ik maakte, door het feit dat ik mijn hoofd schudde en mijn mond dicht hield.
Oplegging van straf
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsvrouw heeft bepleit in geval van een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft het hof verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat de verdachte (inmiddels) een zoon, een baan en een huurwoning heeft. Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op het feit dat de reclassering een laag recidiverisico indiceert en het opleggen van voorwaarden niet noodzakelijk acht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de ernst van het feit en neemt de navolgende overweging over:
“De verdachte heeft na afloop van een feestje, buiten op straat een destijds 15-jarig meisje dat op het feestje aanwezig was, verkracht. De verdachte heeft door zijn handelen de gevoelens van het slachtoffer, waarvan hij wist dat zij onder invloed van middelen was en onmiskenbaar vele jaren jonger, genegeerd en ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Hij heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het jonge slachtoffer. Zij ondervindt hiervan aanmerkelijke psychische en in dit geval ook lichamelijke nadelige gevolgen, mede omdat de verdachte geen condoom gebruikte toen hij met zijn penis binnendrong in haar vagina. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij als gevolg van het handelen van de verdachte een SOA heeft opgelopen.
De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan en een vrijheidsbenemende straf is de enige passende sanctie bij dit ernstige delict. Wat betreft de duur van de straf neemt de rechtbank de Oriëntatiepunten voor straftoemeting waarin een gevangenisstraf van 24 maanden voor verkrachting wordt genoemd tot uitgangspunt.
Tegenover enkele strafvermeerderende factoren (minderjarig slachtoffer, geen condoom gebruikt) staan de relatief jonge leeftijd van de verdachte, de omstandigheid dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en dat hij volgens de reclasseringsrapporten van 2 juli 2020 en 7 januari 2021 zijn leven overigens goed op orde heeft en dat hij een behandeling bij de Waag heeft gevolgd om inzicht te krijgen in zijn eigen gedrag.”
In aanvulling hierop overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het (nog steeds) goed gaat met de verdachte. De verdachte heeft zijn leven op de rit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met in achtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. J.L. Bruinsma en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2025.
=
===
[…]