Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-09
ECLI:NL:GHAMS:2025:41
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,400 tokens
Inleiding
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.342.753/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 9 januari 2025
inzake
[A] ,
wonende te [....] ,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. S. Yntema en mr. L.M. Noordzij, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de vennootschap]
,
gevestigd te [....] ,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. E.M. Breugem, mr. D.J.C. Post en mr. K. van Berloo, allen kantoorhoudende te Zeist,
e n t e g e n
1 [B] ,
wonende te [....] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de bestuurder] ,
gevestigd te [....] ,
3. de stichting
[de stichting]
,
gevestigd te [....] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. E.M. Breugem, mr. D.J.C. Post en mr. K. van Berloo, allen kantoorhoudende te Zeist.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
[A] als [A] ;
[B] als [B] ;
[C] , de echtgenoot van [A] en de broer van [B] , als [C] ;
[D] , minderheidsaandeelhouder van [de vennootschap] , als [D] ;
[de vennootschap] als [de vennootschap] ;
[de bestuurder] als [de bestuurder] ;
[de stichting] als [de stichting] ;
[de vennootschap] , [de bestuurder] en [B] gezamenlijk als [de vennootschap c.s.] .;
[het detacheringsbedrijf A] als [het detacheringsbedrijf A] ;
[het detacheringsbedrijf B] als [het detacheringsbedrijf B] ;
[het detacheringsbedrijf A] en [het detacheringsbedrijf B] gezamenlijk als [het detacheringbedrijf A & B] ;
[het subsidiebureau] als [het subsidiebureau] .
1Het verloop van het geding
1.1
[A] heeft bij verzoekschrift van 24 juni 2024 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [de vennootschap] over de periode vanaf 1 januari 2015;
als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure
a. [de bestuurder] te schorsen als bestuurder van [de vennootschap] ;
b. een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [de vennootschap] ;
c. de door [de bestuurder] gehouden aandelen in [de vennootschap] over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder; of,
d. een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. [de vennootschap] te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.2
[de vennootschap c.s.] . hebben bij verweerschrift van 17 september 2024 de Ondernemingskamer verzocht [A] niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen en [A] te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.3
Zowel [A] als [de vennootschap c.s.] . hebben op 2 oktober 2024 aanvullende producties in het geding gebracht.
1.4
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 10 oktober 2024. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2Inleiding en feiten
2.1
Deze zaak speelt zich af binnen [de vennootschap] , een onderneming die in samenwerking met andere ondernemingen thuiszorg verleent. [B] is sinds 2008 (indirect) bestuurder en aandeelhouder. Nadat [de vennootschap] in financiële problemen kwam hebben [B] ’s broer [C] en diens vriend [D] ieder 20% van de aandelen van [de vennootschap] gekocht en is [C] de financiën van de onderneming op zich gaan nemen. Nadat onenigheid met [B] ontstond heeft [C] de helft van zijn aandelen aan de vennootschap verkocht en de resterende helft overgedragen aan zijn echtgenote [A] . Volgens [A] voldoet de informatieverstrekking en de financiële gang van zaken binnen de onderneming sindsdien niet meer, concurreert [B] met de vennootschap via aan haar gelieerde entiteiten en negeert [B] de zorgvuldigheidseisen die op haar rusten vanwege haar tegenstrijdig belang bij bepaalde transacties. Ook de governance van de vennootschap laat volgens hen te wensen over. Volgens [B] is er slechts sprake van een familiegeschil en is het haar broer en [A] erom te doen haar kapot te maken.
2.2
[de vennootschap] is op 18 juli 2008 opgericht door [B] . [de vennootschap] drijft een onderneming die zich bezig houdt met het verlenen van thuiszorg in de regio Den Haag. Het gaat daarbij, in ieder geval sinds 1 november 2021, om zorg bekostigd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In het verleden verleende [de vennootschap] ook zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw). [de vennootschap] had in 2023 gemiddeld 108 werknemers en is voor haar financiering afhankelijk van subsidies en financiering via onder andere de gemeente Den Haag.
2.3
De aandelen in [de vennootschap] worden gehouden door [de bestuurder] (60%), [D] (20%) en [A] (10%). De resterende 10% van de aandelen zijn in 2020 verkregen door [de vennootschap] zelf. [de bestuurder] is enig bestuurder van [de vennootschap] en zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd. [B] houdt alle aandelen in [de bestuurder] en is haar enig bestuurder.
2.4
Tussen [de vennootschap] en [de bestuurder] is in 2008 een managementovereenkomst gesloten waaruit volgt dat [de bestuurder] een jaarlijkse managementvergoeding ontvangt van € 100.000. Daarnaast is in 2008 een rekening-courantovereenkomst gesloten tussen [de vennootschap] en [de bestuurder] waarin is bepaald, dat de rente jaarlijks in onderling overleg wordt vastgesteld. Bij het uitblijven van overeenstemming geldt een jaarlijks rentepercentage van 3 procent.
2.5
[de vennootschap] verricht haar diensten in samenwerking met [de stichting] . [de stichting] is op 28 juli 2009 opgericht. Het bestuur van [de stichting] kent drie leden. [de stichting] heeft een raad van toezicht, bestaande uit vier leden. [B] is voorzitter en zelfstandig bevoegd bestuurder van [de stichting] . Tussen 1 juni 2020 en 15 januari 2021 was [B] geen bestuurder van [de stichting] vanwege haar werkzaamheden als verpleegkundige tijdens de corona pandemie.
2.6
In 2015 verkeerde [de vennootschap] in financieel lastige omstandigheden. [C] en [D] , een vriend van hem, zijn toen bijgesprongen: zij hebben samen € 80.ooo betaald voor 40% van de aandelen [de vennootschap] en [D] heeft daarnaast een lening verstrekt van € 220.000, tegen 5,5% rente, aan [B] , die dit bedrag heeft doorgeleend aan [de vennootschap] . [C] , die een financiële achtergrond heeft, is zich toen ook gaan bezighouden met de financiële administratie van [de vennootschap] ; vanaf 2017 deed hij dat fulltime.
2.7
In 2018 hebben [de vennootschap] en [de stichting] een “overeenkomst inzake hoofd- en onderaannemerschap” gesloten die ziet op het leveren van zorg.
Dictum
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [de vennootschap] over de periode vanaf 13 april 2020;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt in verband met het bepaalde in 3.49 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van [de vennootschap] en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van diens werkzaamheden zekerheid moet stellen;
benoemt mr. C.C. Meijer tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van [de vennootschap] met beslissende stem, en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is [de vennootschap] te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder [de vennootschap] niet vertegenwoordigd kan worden;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder voor rekening komen van [de vennootschap] en bepaalt dat [de vennootschap] voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;
veroordeelt [de vennootschap] , [de bestuurder] , [de stichting] en [B] hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot op heden aan de kant van [A] begroot op € 3.991.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en drs. V.G. Moolenaar, raden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.
Inleiding
[de vennootschap] en [de stichting] kunnen op grond van die overeenkomst in beide hoedanigheden optreden. Voor zorg gefinancierd vanuit de Wmo trad [de vennootschap] als hoofdaannemer op; [de vennootschap] had daartoe eigen personeel in dienst, maar maakte ook gebruik van zzp’ers. Voor de Wlz- en Zvw-zorg trad [de stichting] als hoofdaannemer op en fungeerde [de vennootschap] als onderaannemer van [de stichting] .
2.8
[de vennootschap] en [de stichting] hebben in 2018 een gebruiksovereenkomst gesloten die erin voorziet dat [de stichting] haar werkzaamheden uitoefent op hetzelfde adres als [de vennootschap] . Daarvoor betaalt [de stichting] aan [de vennootschap] een gebruiksvergoeding bestaande uit 70% van de huur, kantoorkosten, kosten vervoersmiddelen, advieskosten en diverse algemene kosten van [de vennootschap] .
2.9
In 2018 is tussen [de vennootschap] en [D] een rekening-courantovereenkomst gesloten met eenzelfde bepaling over de rente als in de rekening-courantovereenkomst tussen [de vennootschap] en [de bestuurder] (zie 2.4).
2.10
In de administratie van [de vennootschap] is op 1 januari 2019 een debitering van € 220.000,- opgenomen in de rekening-courant met [D] met als toelichting ‘correctie mutaties 2017 – betaling aan [D] – inzake aflossing lening’. De boekhouder van [de vennootschap] verklaarde hierover:
“Het betreft nadrukkelijk niet het bedrag waarvan [OK: [C] ] suggereert, dat dit is terugbetaald in 2017 in verband met de zogenaamde lening van [OK: [B] ] (privé) aan [OK: [D] ]. Dit bedrag betreft een tijdelijke lening in 2017 aan [OK: [D] ]. De terugbetaling van het geleende bedrag door [OK: [D] ] aan [de vennootschap] (zoals zijn intentie was) heeft niet plaatsgevonden, maar is als dividenduitkering aangemerkt op grond van de instructies van [OK: [C] ]. Hij heeft zelf 20% van deze € 220.000 gehouden en aan [OK: [B] ] en [OK: [C] ] respectievelijk 60% en 20% doorbetaald. Dit bedrag zou moeten worden beschouwd volgens [OK: [C] ] als dividend en is als zodanig tussen partijen verdeeld.
Echter om dit bedrag aan te kunnen merken als dividend is er een aandeelhoudersbesluit nodig. Deze ontbreekt. Ook van de benodigde unanimiteit van een besluit buiten de (B)AVA is geen sprake.”
2.11
Nadat in 2019 een geschil is ontstaan tussen [B] en [C] , heeft [C] de helft van zijn aandelen in [de vennootschap] aan [de vennootschap] verkocht en geleverd en de andere helft aan zijn echtgenote, [A] .
2.12
Om in het kader van de onder 2.11 genoemde overdracht van aandelen de onderlinge verhoudingen te regelen is in april 2020 een ‘Addendum bij statuten aandeelhouders’ (hierna: het Addendum) overeengekomen, ondertekend door [B] , [D] , [C] en [A] . Uit het Addendum volgt dat [C] voor 10% van de aandelen [de vennootschap] in totaal € 400.000 betaald kreeg (€ 150.000 contant en € 250.000 in onroerend goed). In het Addendum is met betrekking tot de managementvergoeding van [B] het volgende opgenomen:
“7. [B] ontvangt per jaar 100.000 euro vanuit de B.v. hiervoor kan zij een maandelijkse factuur vanuit haar eigen Holding a 8333.33 euro, inclusief BTW, indienen.
(…)
9. [A] , na overdracht van aandelen [C] naar haar, vanaf 1 mei 2020, en [OK: [D] ] ontvangen naar rato van hun aandelen xxxx euro per jaar vanuit de B.V. die in verhouding is met de vergoeding van [B] . [A] en [OK: [D] ] mogen zelf beslissen in welke vorm zij de vergoeding krijgen. Zij kunnen kiezen om de vergoeding als salaris te ontvangen of als factuur.”
2.13
Over informatieverstrekking is het volgende opgenomen in het Addendum:
“6. [OK: [D] ] en [A] behouden controle over de financiën van de Stichting en BV [de vennootschap] . Zij hebben het recht om het systeem in te zien. Zij hebben geen verwerkingsbevoegdheden. Bij constateringen van afwijkingen mogen zij hun bevindingen schriftelijk aan de overige aandeelhouders kenbaar maken. De aandeelhouders zijn bevoegd om een door hun aan te wijzen representant de controle te laten uitvoeren. De kosten van de controle werkzaamheden moeten door de aandeelhouders zelf betaald worden. De bestuurder is bevoegd maatregelen te treffen. Het kasboek blijft onder beheer van de afdeling financiën. Inzage in facturen kan worden opgevraagd bij de door de RvT en aandeelhouders aan te wijzen professional.
(…)
12. Voor opnames van de rekening-courant van BV boven de 750 euro in totaal per maand dient schriftelijke toestemming te worden gevraagd tussen de aandeelhouders. Minimaal 2 aandeelhouders moeten hiervoor schriftelijk toestemming geven.
13. [B] zal melding maken van samenwerkingsovereenkomsten (ook samenwerking met Zzp-ers en bemiddelingsbureaus) boven de 10.000 euro per jaar. Als minstens twee aandeelhouders niet akkoord gaan met eventuele samenwerking met een derde partij dan moet de samenwerking onmiddellijk stoppen.
14. Aandeelhouders zullen per maand/per kwartaal per mail geïnformeerd worden over de financiële situatie van bv en kunnen zij alle financiële vragen schriftelijk stellen aan [B] .
15. De aandeelhoudersvergadering is minimaal 2 maal per jaar, dit kan ook online gepland worden. De aandeelhouders zijn bevoegd om een door hun aan te wijzen representant te sturen, indien nodig.”
2.14
Na het vertrek van [C] in april 2020 zijn er tal van wijzigingen doorgevoerd in de rekening-courantverhouding tussen [de vennootschap] en [de bestuurder] .
2.15
[B] heeft op 11 april 2020 met [E] [het detacheringsbedrijf A] opgericht, een detacherings- en bemiddelingsbureau. [B] houdt (via [de bestuurder] ) 70% van de aandelen van [het detacheringsbedrijf A] . [B] heeft met diezelfde persoon op 1 november 2020 [het detacheringsbedrijf B] opgericht (althans het bestaande [het detacheringsbedrijf A] als VOF voortgezet), ook als detacherings- en bemiddelingsbureau. [de stichting] werkt sinds hun oprichting samen met [het detacheringbedrijf A & B] voor de inzet van personeel in de zorgverlening. Vanuit [de stichting] zijn sedertdien de volgende totaalbedragen aan [het detacheringbedrijf A & B] betaald:
- 2020: € 9.580,83
- 2021: € 968.802,68
- 2022: € 915.918,07
- 2023: € 831.387,67
2.16
In het van 26 juni 2020 daterende document “Maatwerk in de regio – inkoopkader langdurige zorg 2021-2023, Inkoopjaar 2021” afkomstig van Zorgverzekeraars Nederland, staat onder meer “Onze richtlijn is dat zorgaanbieders tenminste 2/3 van de verwachte gecontracteerde zorg zelf leveren.” Ook uit het gepubliceerde inkoopbeleid Wijkverpleging 2021 van zorgverzekeraar VGZ volgt dat, in tegenstelling tot in 2020, de zorgaanbieder moet kunnen aantonen dat maximaal 33% van de zorgmedewerkers als onderaannemer werkt; onder onderaanneming verstaat VGZ zowel organisaties die als onderaannemer werken, als inhuur van zzp’ers.
2.17
Op 19 oktober 2020 vond een aandeelhoudersvergadering plaats van [de vennootschap] waarin de vaststelling van de jaarrekening over 2019 was geagendeerd.
Inleiding
In de notulen van die algemene vergadering is het volgende opgenomen:
“Afwezig zijn: [OK: [A] ] houder van [de vennootschap] , 18 aandelen à € 100,- zijnde 10% van het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal.
(…)
Vervolgens constateert de voorzitter [OK: [B] ] dat het gehele geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap ter vergadering is vertegenwoordigd, zodat, ook al zijn niet alle formaliteiten voor wat betreft de oproeping voor en het houden van deze vergadering in acht genomen, alle besluiten, mits met algemene stemmen, rechtsgeldig kunnen worden genomen.
(…)
In de vergadering wordt de ter tafel liggende boekjaar jaarrekening over 2019 van de vennootschap behandeld. Er zijn correcties doorgevoerd betreft rekening-courant van de [de bestuurder] , betreft het boekjaar 2015 tot en met 2019. De management fee is aangepast conform de afspraken van 19 januari 2015. Het rente percentage van de rekening-courant van de [de bestuurder] is aangepast van 3% naar 1% van het boekjaar van 2015 tot en met 2019 conform van de nieuwe rekening-courant overeenkomst. ”
2.18
Direct na de aandeelhoudersvergadering heeft [de bestuurder] de jaarrekening over 2019 aan [A] gestuurd. [A] heeft [de bestuurder] op 23 oktober 2020 verzocht om de grootboekmutaties over 2019 en 2020 te delen. Op 24 oktober 2020 heeft [A] via [C] laten weten dat zij niet akkoord is met de jaarrekening. Op 27 oktober 2020 is de ongewijzigde jaarrekening als vastgesteld gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Daarna is discussie geweest over de juistheid van de cijfers.
2.19
Volgens de opgave in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is de jaarrekening van [de vennootschap] over 2020 vastgesteld op 29 mei 2021.
2.20
[B] en [F] (hierna: [F] ) hebben op 1 juli 2021 [het subsidiebureau] opgericht, met henzelf als enige twee vennoten. [F] was tot 1 juni 2021 voorzitter van de raad van toezicht van [de stichting] . [het subsidiebureau] is tot eind 2023 ingezet door [de vennootschap] om (complexe) subsidieaanvragen in te dienen. De aanvragen werden ingediend op basis van no cure no pay waarbij [het subsidiebureau] bij een succesvolle aanvraag 20% van het te ontvangen subsidiebedrag ontving.
2.21
Vanaf 1 november 2021 is de samenwerking tussen [de stichting] en [de vennootschap] veranderd. [de vennootschap] richtte zich uitsluitend nog op zorg die werd bekostigd uit de Wmo en alle zorgverleners voor de Wlz- en Zvw-zorg zijn sedertdien overgegaan naar [de stichting] , althans niet meer werkzaam voor [de vennootschap] .
2.22
In de aandeelhoudersvergadering van 18 maart 2022 is de gewijzigde jaarrekening over 2019 vastgesteld.
2.23
In het op 30 juni 2022 gepubliceerde document “Bijlage 3A bestuursverklaring 2023 ten behoeve van de zorginkoop langdurige zorg (Wlz) van Zorgverzekeraars Nederland” is vermeld, dat het zorgkantoor de richtlijn hanteert dat zorgaanbieders tenminste 2/3 van de verwachte gecontracteerde zorg zelf leveren en dat inzet van zzp’ers als onderaanneming geldt.
2.24
Volgens de opgave in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is de jaarrekening van [de vennootschap] over 2021 vastgesteld op 5 december 2022.
2.25
Blijkens de notulen van de aandeelhoudersvergadering van [de vennootschap] van 19 mei 2023 zijn de jaarrekeningen 2020 en 2021 in die vergadering door de algemene vergadering vastgesteld.
2.26
In een door [A] gestarte procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag en een vervolgens door [de vennootschap] en [de stichting] bij die rechter aanhangig gemaakt executiegeschil is over de reikwijdte van de informatierechten van [A] op grond van het Addendum, kort gezegd, beslist dat onder ‘het systeem’ (zie 2.13, artikel 6 Addendum) moet worden verstaan de financiële administratie of boekhouding en meer specifiek de grootboekrekeningen. [A] heeft naar aanleiding van deze procedures op 2 april 2024 inzage gekregen in de grootboekrekeningen van [de vennootschap] vanaf 1 januari 2019.
3De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [de vennootschap] en dat de toestand van de vennootschap het nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft [A] – samengevat – het volgende naar voren gebracht:
1. na het vertrek van [C] in april 2020 is de wijze van samenwerking tussen [de vennootschap] , [de stichting] en andere ondernemingen waarbij [B] betrokken was ingrijpend gewijzigd, in het voordeel van die ondernemingen maar ten nadele van (de winst van) [de vennootschap] , zonder dat de geldende zorgregelgeving daartoe dwong;
2. [B] en [de bestuurder] hebben tegenstrijdige belangen bij die verschillende ondernemingen, maar hebben zich niet gehouden aan de voor hen geldende gedragsregels;
3. [B] / [de bestuurder] hebben in de rekening-courantverhouding tussen [de bestuurder] en [de vennootschap] in het nadeel van [de vennootschap] onterechte mutaties en correcties doorgevoerd;
4. [de vennootschap] , [de bestuurder] en [B] komen hun wettelijke, statutaire en contractuele (informatie)verplichtingen tegenover [A] niet na;
5. er zijn onjuistheden of nalatigheden die zien op het vaststellen en deponeren van de jaarrekeningen over 2019, 2020 en 2021; en
6. in strijd met de wet, statuten en het Addendum houdt [de vennootschap] te weinig aandeelhoudersvergaderingen.
3.2
[de vennootschap c.s.] . hebben gemotiveerd verweer gevoerd en – kort gezegd – aangevoerd dat [de vennootschap] een financieel gezonde onderneming is, het vennootschappelijk belang en dat van de stakeholders voldoende wordt geborgd, het conflict in de kern een familieruzie is en er daarom geen gegronde redenen zijn om aan het beleid van [de vennootschap] te twijfelen. De Ondernemingskamer zal het verweer voor zover nodig hierna beoordelen.
3.3
De Ondernemingskamer is van oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [de vennootschap] die een onderzoek rechtvaardigen. De Ondernemingskamer overweegt hierover het volgende.
1. Gewijzigde samenwerking
3.4
[A] heeft erop gewezen dat de winst van [de vennootschap] abrupt is gedaald sinds [C] daar niet meer werkt en zijn aandelen heeft verkocht. Volgens [A] is de verklaring daarvoor dat [B] , nadat het geschil met [C] ontstond, niet meer met hem wilde samenwerken. Daarom zijn alle personeelsleden en alle verdiencapaciteit van [de vennootschap] overgeheveld naar [de stichting] en andere ondernemingen waarin [B] een belang had, te weten [het detacheringsbedrijf A] (waarin [B] 70% van de aandelen houdt), [het detacheringsbedrijf B] (waarin [B] vennoot is) en [het subsidiebureau] . Ook zijn veel van de zzp’ers die werkzaamheden verrichtten voor [de vennootschap] vanaf november 2020 via [het detacheringbedrijf A & B] voor [de stichting] gaan werken. Daarmee hebben [het detacheringbedrijf A & B] de gehele operationele capaciteit van [de vennootschap] overgenomen en daarvoor hebben zij bovendien grote bemiddelingsvergoedingen ontvangen (zie 2.15). Daar stonden weinig tot geen werkzaamheden van [het detacheringbedrijf A & B] tegenover, maar de winst streek wel bij [het detacheringbedrijf A & B] neer. Die bemiddelingsvergoedingen hadden kunnen en moeten toekomen aan [de vennootschap] , aldus [A] .
Inleiding
[A] bestrijdt dat [de vennootschap] , gedwongen door zorgregelgeving, geen werkzaamheden meer voor [de stichting] mocht uitvoeren: voor 33% was dat nog steeds mogelijk geweest en [A] heeft berekend dat daarmee een omzet van ruim € 800.000 samenhangt, die nu is gemist.
[A] erkent dat de raamovereenkomst met de gemeente Den Haag voor Wmo-dienstverlening in de jaren 2019, 2020 en 2021 niet langer toestond meer dan 10% winst te maken (in 2022 werd dat zelfs 5%). Dat verklaart echter niet waarom [de vennootschap] , die in 2018 nog 15,35% winst behaalde, daarna nauwelijks meer winstgevend was. [A] haalt daarbij de volgende cijfers aan:
Omzet
Winst
Percentage
2018
€ 3.854.591
€ 591.863
15,35%
2019
€3.758.063
€ 174.075
4,63%
2020
€ 6.709.073
€ 176.247
2,63%
2021
€ 5.504.356
€ 312
0,01%
2022
€ 5.247.061
€ 44.247
0,84%
2023
€ 5.923.517
€ 24.385
0,41%
[A] wijst tenslotte erop dat de raamovereenkomst nog wel mogelijkheden gaf voor een hoger winstpercentage en dat nergens uit blijkt waarom [de vennootschap] de werkzaamheden niet mocht uitvoeren, maar [het detacheringbedrijf A & B] wel. Zij betwist dat de werkzaamheden van [het detacheringbedrijf A & B] zien op detachering: volgens haar gaat het hier slechts om bemiddeling.
3.5
Wat betreft [het subsidiebureau] heeft [A] erop gewezen dat er, tot de uitschrijving van [het subsidiebureau] uit het handelsregister op 31 december 2023, werkzaamheden voor subsidieaanvragen door [het subsidiebureau] zijn verricht die daarvoor door [de vennootschap] werden verricht, tegen een vergoeding van 20% per succesvolle aanvraag. [het subsidiebureau] maakte intussen geen kosten, omdat [het subsidiebureau] personeel van [de vennootschap] inzette voor de werkzaamheden voor de subsidieaanvragen. Het geeft te denken dat [het subsidiebureau] inmiddels weer is uitgeschreven uit het handelsregister, aldus steeds [A] .
3.6
Volgens [de vennootschap c.s.] . zijn de dalende winstcijfers van [de vennootschap] het onvermijdelijke gevolg van nieuwe zorgwetgeving en aangepast beleid van de zorgfinanciers. Deze wijzigingen beperkten sinds 2021 het gebruik van onderaannemers voor de verlening van zorg. [de vennootschap] werd voordien als onderaannemer ingezet door [de stichting] , maar dat was vanaf 2021 voor zorgverlening krachtens Wlz en Zvw niet meer mogelijk. Om aan de eisen van zorgfinanciers te voldoen is een deel van het personeel van [de vennootschap] bij [de stichting] in dienst getreden en zij die dat niet wilden zijn op detacheringsbasis ingezet door [het detacheringbedrijf A & B] (volgens [de vennootschap c.s.] al sinds 2006 een detacheerder). [de stichting] heeft voor de opzet via [het detacheringbedrijf A & B] gekozen om de zorgverlening aan cliënten te kunnen continueren. Het maken van een uitzondering op onderaanneming voor detachering is overigens al snel weer door de zorgfinanciers beëindigd.
3.7
[het subsidiebureau] heeft volgens [de vennootschap c.s.] . slechts een deel van de subsidieaanvragen gedaan en dan met name de complexe aanvragen waarvoor [de vennootschap] de kennis ontbeert. De vergoeding van 20% van het aan te vragen subsidiebedrag is volgens [de vennootschap c.s.] . marktconform. [het subsidiebureau] is niet opgehouden te bestaan vanwege kritische vragen in een aandeelhoudersvergadering van [de vennootschap] , maar vanwege wijzigingen in de voorwaarden van de overeenkomst met de gemeente Den Haag.
3.8
[de vennootschap c.s.] . hebben voor het gewijzigde beleid van zorgfinanciers voor de Wlz en Zvw-zorg verwezen naar de onder 2.16 en 2.23 genoemde documenten. Volgens [de vennootschap c.s.] . wordt soms zelfs helemaal geen toestemming gegeven voor onderaanneming: zij verwijzen in dat verband naar een schriftelijke afwijzing door zorgverzekeraar DSW in 2020.
3.9
Bij de beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Beoordeeld moet daarom worden, of [de bestuurder] ( [B] ) als bestuurder van [de vennootschap] bij de transacties waarbij [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] waren betrokken steeds het belang van [de vennootschap] heeft gediend. In geval van een joint venture-vennootschap (dat is [de vennootschap] ) wordt het belang van de vennootschap mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:799, Cancun). In dat verband komt in dit geval in het bijzonder belang toe aan het Addendum, waarin rechten en plichten van de aandeelhouders ter zake van [de vennootschap] zijn overeengekomen.
Wlz/Zvw-zorgverlening
3.10
Uit de door [de vennootschap c.s.] . overgelegde stukken blijkt dat de zorgfinanciers (het zorgkantoor voor de Wlz en zorgverzekeraar VGZ voor de Zvw) vanaf 2021 onderaanneming nog slechts beperkt toelieten (namelijk maximaal 33%). Hoewel die beperking nog wel enige inzet van [de vennootschap] in het kader van de Wlz en Zvw-dienstverlening toeliet, heeft [de vennootschap] besloten die activiteiten in het geheel niet meer te verrichten en zich uitsluitend nog op Wmo-zorg te richten. De werknemers die Wlz en Zvw-diensten verrichtten zijn vervolgens in loondienst getreden bij [de stichting] ; zij die dat niet wilden zijn via [het detacheringbedrijf A & B] op basis van detachering ingezet. Hoe daartoe is besloten en welke beleidsafwegingen daarbij zijn gemaakt, hoe de overgang van personeel (werknemers en zzp’ers) is bewerkstelligd en op welke wijze [de bestuurder] daarbij de belangen van [de vennootschap] in acht heeft genomen en heeft bewaakt is onduidelijk. Dit klemt te meer nu [B] anders dan de andere aandeelhouders in [de vennootschap] ook een aanzienlijk (aandelen)belang had in [het detacheringbedrijf A & B] en onder die omstandigheden van haar jegens de minderheidsaandeelhouders een grotere mate van zorgvuldigheid en transparantie mocht worden verwacht.
Inleiding
Ook is niet voldoende toegelicht waarom de werkzaamheden die nog wel in onderaanneming konden worden uitgevoerd (en de daarmee te behalen omzet) niet voor [de vennootschap] behouden had(den) kunnen blijven, bijvoorbeeld door detachering of bemiddeling via [de vennootschap] of een door [de vennootschap] daartoe opgerichte entiteit. In dat verband moet voor ogen worden gehouden dat de zorgverlening door [de vennootschap] steeds in samenwerking plaatsvond met [de stichting] en/of [het detacheringbedrijf A & B] ; het beeld dat in die samenwerking het belang van [de vennootschap] in ieder geval op onderdelen ondergeschikt is gemaakt aan dat van [het detacheringbedrijf A & B] , waarin [B] , anders dan de overige aandeelhouders, persoonlijk een belang had, dringt zich op. Dat geldt ook voor het onvoldoende onderbouwde betoog ter zitting dat [de vennootschap] haar Wlz- en Zvw-dienstverlening geheel moest staken omdat de Stichting met haar eigen zzp’ers al de limiet van 33% onderaanneming had bereikt.
3.11
Waarom de samenloop van het gewijzigde beleid met de inwerkingtreding van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) op 1 januari 2022 ertoe leidde dat [de vennootschap] besloot vanaf die datum louter Wmo-zorg te verlenen, is evenmin duidelijk geworden. Zo hebben [de vennootschap c.s.] . niet toegelicht welke concrete bijkomende verplichtingen deze wet voor [de vennootschap] meebracht en welke kosten daarmee gemoeid waren. Daarom kan niet zonder meer ervan worden uitgegaan dat met deze beleidskeuze het belang van [de vennootschap] werd gediend.
Wmo-thuiszorg
3.12
Uit de overeenkomsten met de gemeente Den Haag, die de Wmo financiert, volgt dat het vanaf 2020 voor Wmo-zorgaanbieders in beginsel niet langer was toegestaan om een hogere winst dan 10% te behalen. Uit de gedingstukken is ook gebleken dat dit niet al in 2022, maar pas per 1 januari 2024 door de gemeente is verlaagd naar 5%. Nergens blijkt echter uit dat de sterke winstdaling van [de vennootschap] met die eisen samenhangt.
3.13
[de vennootschap c.s.] . bestrijden de juistheid van de door [A] aangevoerde winstcijfers; zij stellen dat de Ebitda-ontwikkeling van [de vennootschap] in de periode 2019-2022 als volgt is geweest (ter vergelijking ingevoerd in de hiervoor onder 3.4 vermelde tabel):
Omzet
Winst
volgens [A]
Percentage
Ebitda volgens [de vennootschap]
2018
€ 3.854.591
€ 591.863
15,35%
€ 764.055
2019
€3.758.063
€ 174.075
4,63%
€ 279.014
2020
€ 6.709.073
€ 176.247
2,63%
€ 235.119
2021
€ 5.504.356
€ 312
0,01%
€ 36.229
2022
€ 5.247.061
€ 44.247
0,84%
€ 67.220
2023
€ 5.923.517
€ 24.385
0,41%
€ 30.100
3.14
Over die ontwikkeling verklaart de boekhouder, Peter Brouwer, van [de vennootschap] :
“Dat de winst terugvalt na het boekjaar 2019 is als volgt te verklaren. De kosten van huisvesting zijn gestegen (€60k). Daarnaast zijn de advocaat (€72k) en advieskosten (€52k) gestegen in verband met verschillende procedures die door [C] en/of [A] zijn gevoerd tegen de vennootschap. Er moest uitgebreid onderzoek worden gedaan naar de boekhouding van de onderneming die in slechte staat was achtergelaten door [C] . Daarna moesten de correcties worden vastgesteld en doorgevoerd en de jaarrekening opnieuw worden opgemaakt.
(…)
In het boekjaar 2022 is de winstgevendheid weer toegenomen door een vermindering van de huisvestingskosten.”
3.15
Ongeacht of van de cijfers van [de vennootschap c.s.] . wordt uitgegaan of van die van [A] (de vraag welke de juiste zijn kan in het kader van deze beschikking nog in het midden blijven), is de conclusie dat de omzet sinds 2018 sterk is gegroeid, maar de winst (of de Ebitda) in de jaren 2019-2022 zeer sterk is teruggelopen ten opzichte van 2018, tot percentages die beduidend geringer zijn dan 10% of zelfs 5%. [de vennootschap c.s.] . verklaren de daling van de Ebitda door de hogere kosten, maar de bedragen die in dat verband worden genoemd (die overigens niet zijn onderbouwd) laten nog een zeer groot verschil onverklaard. Daar komt bij dat [de stichting] op grond van de gebruiksovereenkomst 70% van de huisvestingskosten van [de vennootschap] draagt, zodat een mogelijke stijging van de huisvestingslasten [de vennootschap] in mindere mate zou moeten raken.
3.16
De door [de vennootschap c.s.] . verstrekte cijfers geven zonder nadere concrete en controleerbare toelichting en onderbouwing onvoldoende inzicht in de redenen voor de sterk teruglopende winstgevendheid. Dit had mede gelet op de in het Addendum ten behoeve van de aandeelhouders opgenomen informatierechten wel verwacht mogen worden. Het ontbreken van een voldoende inzicht in en toelichting op de achterliggende redenen van de sterk teruglopende winstgevendheid tussen 2018 en 2023 vormt op zichzelf al een gegronde reden om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen.
[het subsidiebureau]
3.17
Waarom (complexe) subsidieaanvragen voor [de vennootschap] door [het subsidiebureau] werden gedaan tegen vergoeding van 20% van de opbrengst is evenmin voldoende toegelicht. [het subsidiebureau] is een VOF waar [B] een van de twee vennoten is, die in juli 2021 is opgericht.
Inleiding
Waarom deze vennootschap over specifieke kennis beschikte die [de vennootschap] ontbeerde is niet toegelicht en evenmin is voldoende verduidelijkt waarom inschakeling van [het subsidiebureau] in het belang van [de vennootschap] was.
3.18
De Ondernemingskamer concludeert dat bij [de vennootschap] tussen 2018 en 2023 een aantal ingrijpende beleidswijzigingen heeft plaatsgevonden waarbij werkzaamheden die voorheen door (tussenkomst van) [de vennootschap] werden uitgevoerd, nu zijn ondergebracht bij andere entiteiten waarin [B] , anders dan de andere aandeelhouders, telkens ook een eigen belang heeft. Tegelijkertijd is in diezelfde periode de winstgevendheid van [de vennootschap] sterk afgenomen, zonder dat daarvoor een voldoende steekhoudende verklaring is gegeven. Dit levert gegronde redenen op voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij [de vennootschap] .
2. Tegenstrijdig belang
3.19
[B] had volgens [A] bij alle bovengenoemde transacties een tegenstrijdig belang, maar heeft zich niet gehouden aan de daarvoor geldende gedragsregels.
3.20
In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een bestuurder geldt als geconflicteerd in de zin van artikel 2:239 lid 6 BW indien hij te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033 (Bruil), Kamerstukken II, 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 12 en nr. 6, p. 18-19; Kamerstukken II, 2009/10, 31 058, nr. 11, p. 38, 39; Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3, p. 11). De vraag of dat het geval is moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Indien een bestuurder geconflicteerd is, dient deze zich te onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de desbetreffende transactie. Ook overigens is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn (zie ook ECLI:NL:GHAMS:2023:3531, Plato Beheer).
3.21
Bij de hiervoor onder 3.10 t/m 3.18 beschreven transacties liepen de belangen van [de vennootschap] , [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] niet (volledig) parallel. Gelet op de posities die [B] in al deze ondernemingen innam, als bestuurder en aandeelhouder/vennoot, en ervan uitgaande dat [de vennootschap] de activiteiten van [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] in elk geval ten dele zelf had kunnen uitvoeren, moet ermee rekening worden gehouden dat zij bij de overdracht van werkzaamheden door [de vennootschap] aan [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] een tegenstrijdig belang had. Ook indien wordt aangenomen dat de transacties niet rechtstreeks tussen [de vennootschap] en [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] plaatsvonden, maar via of op initiatief van [de stichting] , kan redelijkerwijs worden betwijfeld dat [B] zich daarbij als bestuurder van [de vennootschap] telkens uitsluitend heeft laten leiden door de belangen van die vennootschap. Omdat zij ook bestuurder was van [de stichting] kan, ook als ervan wordt uitgegaan dat de keuze om werkzaamheden die voorheen door [de vennootschap] werden verricht over te dragen mogelijk feitelijk door [de stichting] werd gemaakt of opgelegd, niet worden uitgesloten dat daarbij de bij [B] bestaande tegenstrijdige belangen een rol hebben gespeeld.
3.22
Tegen deze achtergrond is onvoldoende gebleken dat [B] zich aan de onder 3.20 genoemde zorgvuldigheidseisen heeft gehouden.
- In de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 19 mei 2023 staat bij het onderwerp “vaststelling van de jaarrekening 2021” vermeld dat in juni 2020 de nieuwe voorwaarden voor ondernemerschap en de inzet van zzp’ers zijn bekendgemaakt door de zorgverzekeraars en het zorgkantoor voor het jaar 2021: zorgaanbieders mogen nog maximaal 33% van hun omzet uitbesteden aan onderaannemers en zzp’ers. “Hierdoor heeft [ [de stichting] ] alle onderaannemers voor de wijkverpleging en WLZ moeten beëindigen waaronder [ [de vennootschap] ].” Waarom een beperking tot 33% impliceert dat alle onderaannemers moeten worden beëindigd lijkt niet te zijn toegelicht en evenmin, dat en op welke wijze [de stichting] en [het detacheringbedrijf A & B] de dienstverlening zullen gaan voortzetten.
- In de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 24 november 2023 staat onder het kopje “vaststelling jaarrekening 2022” onder meer vermeld: “10. Het bestuur geeft uitleg over de activiteiten van het detacheringsbureau waar zij aandelen van bezit. 11. Er volgt vervolgens een discussie over belangenverstrengeling (…)”. Niet blijkt dat [B] toen heeft verduidelijkt wat de precieze rol was van [het detacheringbedrijf A & B] in relatie tot [de vennootschap] , zodat onzeker is of [B] aan haar transparantieverplichtingen heeft voldaan.
- Dat laatste geldt ook voor de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 20 juni 2024, waarin slechts staat vermeld “Er ontstaat discussie over de rol van bemiddelings- en uitzendbureaus”.
3.23
[de vennootschap c.s.] . hebben verklaringen overgelegd van 29 maart 2024 en 1 oktober 2024, waarin [D] (voor zichzelf) en [B] (namens [de vennootschap] en [de stichting] ) verklaren dat zij vooraf van de samenwerking met [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] op de hoogte zijn gesteld en daarmee akkoord zijn gegaan “en dat ook de andere aandeelhouder tijdig (mondeling) van deze samenwerkingen op de hoogte is gebracht”. Daarnaast hebben [de vennootschap c.s.] . een ondertekende verklaring van [D] van 1 oktober 2024 overgelegd waarin hij schrijft van aanvang af met de samenwerkingen te hebben ingestemd, ervan op de hoogte te zijn dat [A] geen contact heeft met [B] als gevolg van verwijten met betrekking tot een affaire rondom [C] en een medewerkster van [de vennootschap] , zodat alle communicatie met [A] via hem liep, en dat [A] hem heeft laten weten dat zij met de samenwerking instemt als hij, [D] dat ook doet.
3.24
[D] is niet in de procedure verschenen. [A] heeft ter zitting verklaard sinds juni 2020 geen contact meer met [D] te hebben gehad; zij betwist door hem te zijn geïnformeerd. Bij die stand van zaken kan niet zonder meer van de juistheid van diens verklaringen worden uitgegaan. Dit betekent dat niet is gebleken dat [B] als (middellijk) bestuurder (en meerderheidsaandeelhouder) van [de vennootschap] jegens [A] als minderheidsaandeelhouder de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht in die zin dat zij bij de overdracht van werkzaamheden door [de vennootschap] aan [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden heeft gehouden en een zo groot mogelijke transparantie heeft betracht. Ook dit levert naar het oordeel van de Ondernemingskamer een gegronde reden op om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken van [de vennootschap] .
3. Wijzigingen in de rekening-courantverhoudingen
3.25
[A] klaagt erover dat na het vertrek van [C] een groot aantal onterechte mutaties in de rekening-courantverhouding tussen [de bestuurder] en [de vennootschap] hebben plaatsgevonden, ten nadele van [de vennootschap] (volgens [A] gaat het om een totaalbedrag van € 428.449,62).
Inleiding
Het gaat daarbij in het bijzonder om de (hoogte van de) managementvergoeding en een aanpassing van de te betalen rente.
Managementvergoeding
3.26
[de bestuurder] heeft haar managementvergoeding voor haar werkzaamheden bij [de vennootschap] in 2020 met terugwerkende kracht vanaf 2015 aangepast van € 100.000,- naar € 125.000,- per jaar. Dat is volgens [A] in strijd met de wet, de statuten van [de vennootschap] en de afspraken uit het Addendum. Het besluit had door de algemene vergadering moeten worden genomen.
3.27
Volgens [de vennootschap c.s.] . is de verhoging van de managementvergoeding besproken in de aandeelhoudersvergadering van 19 oktober 2020 en zijn hierover in 2015 afspraken gemaakt. Verder wijzen zij erop dat in artikel 9 van het Addendum is bepaald dat de vergoedingen aan [A] en [D] in verhouding moeten zijn met de managementvergoeding aan [B] ; die eerste vergoedingen zijn inmiddels verhoogd, zodat [de bestuurder] managementvergoeding ook verhoogd diende te worden. Een nieuw bezoldigingsbesluit van de algemene vergadering van [de vennootschap] was daarom niet nodig, aldus [de vennootschap c.s.] .
3.28
Blijkens de overgelegde notulen is de bezoldiging van [de bestuurder] inderdaad aan de orde gekomen tijdens aandeelhoudersvergadering van 19 oktober 2020. In het kader van de bespreking van de jaarrekening 2019 is de managementvergoeding aangepast “conform afspraken van 19 januari 2015” (aldus de notulen). [A] was niet aanwezig bij deze aandeelhoudersvergadering en ook niet anderszins vertegenwoordigd. Nergens blijkt uit dat zij – overeenkomstig de statuten van [de vennootschap] – deugdelijk voor de aandeelhoudersvergadering is opgeroepen. [D] heeft schriftelijk verklaard dat hij [A] in september 2020 telefonisch heeft uitgenodigd voor deze aandeelhoudersvergadering, maar [A] betwist dit: zij heeft ter zitting bij de Ondernemingskamer kenbaar gemaakt dat zij sinds juni 2020 geen telefonisch contact meer met [D] heeft gehad. De Ondernemingskamer kan gelet op dit niet zonder meer uitgaan van een geldig genomen aandeelhoudersbesluit om de managementvergoeding van [de bestuurder] met terugwerkende kracht te verhogen.
3.29
De Ondernemingskamer heeft overigens ook niet kunnen vaststellen dat al in 2015 een verhoging van € 25.000 was overeengekomen. In het Addendum – dat daarna is afgesloten – is niets vermeld over deze afspraak en is de vergoeding van [de bestuurder] op € 100.000,- bepaald. [de vennootschap c.s.] . wijzen in dit verband nog op een verklaring van [D] waarin hij schrijft:
“Doordat [B] extra diensten als wijkverpleegkundige draaide tijdens de opbouwfase van [de vennootschap] hebben wij met z’n drieën [OK: [B] , [C] en [D] ] afgesproken dat haar oppaskosten vergoed zouden worden. Vervolgens zou [C] conform de afspraak, de management fee van [B] verhogen en dit in het grootboek aanpassen”.
Deze verklaring is echter onvoldoende concreet om te concluderen dat de toenmalige aandeelhouders gezamenlijk hadden afgesproken om de managementvergoeding van [de bestuurder] vanaf 2015 te verhogen naar € 125.000,- per jaar.
3.30
Wat betreft de verwijzing van [de vennootschap c.s.] . naar artikel 9 van het Addendum overweegt de Ondernemingskamer dat deze uitleg (in het licht van het concrete getal van € 100.000 dat zowel in de managementovereenkomst als in het Addendum wordt genoemd) niet voor de hand ligt, en dat bovendien niet goed voorstelbaar is dat de managementvergoeding kan worden aangepast zonder voorafgaand besluit van de algemene vergadering, zijnde het orgaan dat krachtens artikel 14 lid 5 van de statuten van [de vennootschap] over de bezoldiging van de bestuurder beslist.
Verlaging rentepercentage rekening-courant
3.31
[A] heeft er ook over geklaagd dat in 2020 – kort na het sluiten van het Addendum - de verschuldigde rente over rekening-courantvorderingen tussen [de bestuurder] en [de vennootschap] met terugwerkende kracht vanaf 2015 is verlaagd van drie procent naar één procent. Deze wijziging leidde tot een verlaging van de door [de bestuurder] aan [de vennootschap] verschuldigde rente van ruim € 30.000,- over de periode 2015 tot en met 2019. [de vennootschap c.s.] . hebben erop gewezen dat het rentepercentage jaarlijks kan worden gewijzigd op grond van de rekening-courant overeenkomst tussen [de vennootschap] en [de bestuurder] en dat dit ook aan de orde is gekomen tijdens de aandeelhoudersvergadering van 19 oktober 2020. Ter rechtvaardiging van de verlaging betogen zij dat [C] grote fouten in de administratie van [de vennootschap] had gemaakt, waardoor de rekening-courant van [B] en [D] onnodig hoog was opgelopen; het handhaven van een rentepercentage van 3% achtten [B] en [D] onder die omstandigheden onevenredig.
3.32
Bij het maken van een afspraak over het verlagen van het rentepercentage in de rekening-courantovereenkomst tussen [de bestuurder] en [de vennootschap] werden beide vertegenwoordigd door [B] . Zij had daarbij dus een tegenstrijdig belang. Dat betekent dat [B] eerdergenoemde gedragsregels in acht had behoren te nemen en onder meer haar belangen uitdrukkelijk had behoren te scheiden en de besluitvorming daarover aan de algemene vergadering had moeten overlaten. Uit het verweer van [de vennootschap c.s.] volgt dat [B] [D] bij de besluitvorming heeft betrokken, die echter in eenzelfde situatie zat. De kwestie is op de aandeelhoudersvergadering van 19 oktober 2020 aan de orde geweest, maar onzeker is of ook [A] voor die vergadering is opgeroepen (zie 3.28). Dat [A] op de hoogte was van de verlaging van de in rekening te brengen rente is niet gebleken.
3.33
[A] heeft verder nog gewezen op de aflossing door [de vennootschap] van een door [D] aan [B] of [de vennootschap] verstrekte lening van € 220.000,- (zie 2.10). Volgens (de boekhouder van) [de vennootschap] gaat het om een lening van [de vennootschap] aan [D] waarvan de terugbetaling zou hebben plaatsgevonden door middel van een (verrekening met een) dividenduitkering. Het is de Ondernemingskamer niet duidelijk geworden hoe een en ander is verlopen of geadministreerd, maar bij gebreke van een daartoe strekkend aandeelhoudersbesluit lijkt het niet aannemelijk dat inderdaad sprake is geweest van een verrekening met een dividenduitkering.
3.34
De Ondernemingskamer constateert dat ook de gang van zaken rondom de wijzigingen in de rekening-courantverhoudingen een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [de vennootschap] .
4. Gebrekkige informatievoorziening aan [A]
3.35
[A] klaagt verder over de informatieverstrekking aan haar als minderheidsaandeelhouder. Zij is ondanks daartoe strekkende verzoeken niet geïnformeerd over de samenwerkingsovereenkomsten die [de vennootschap] heeft gesloten en [B] weigert informatie te verstrekken over de financiën van [de vennootschap] en [de stichting] .
3.36
Ten aanzien van [de stichting] geldt dat het beleid en de gang van zaken van die stichting geen onderwerp is van het onderhavige enquêteverzoek en dat ook overigens niet duidelijk is op welke grond [A] meent dat (het bestuur van) [de vennootschap] gehouden zou zijn aan haar informatie te verstrekken over de financiële toestand van de Stichting.
3.37
Ten aanzien van [de vennootschap] wordt het volgende overwogen.
Inleiding
Indien – zoals hier – sprake is van besloten (familie-) verhoudingen, een minderheidsaandeelhouder die (anders dan de meerderheidsaandeelhouder) niet in het bestuur is vertegenwoordigd en bovendien het vermoeden bestaat dat transacties hebben plaatsgevonden waarbij de bestuurder een tegenstrijdig belang had, geldt niet als uitgangspunt dat aandeelhouders buiten aandeelhoudersvergaderingen geen recht hebben op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie, maar geldt dat de vennootschap uit hoofde van haar zorgplicht jegens de minderheidsaandeelhouder op grond van artikel 2:8 BW, uit eigen beweging en op vragen van de minderheidsaandeelhouder ook buiten het verband van een aandeelhoudersvergadering transparantie moet betrachten. Dit betekent dat [de vennootschap] [A] ruimhartig van informatie moet voorzien en haar vragen over het beleid en de gang van zaken slechts onbeantwoord kan laten indien daarvoor een voldoende zwaarwegende reden bestaat (zie HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, Zwagerman en OK 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3921, Bosal).
3.38
De Ondernemingskamer is van oordeel dat [de vennootschap] en haar bestuurder [B] daar in dit geval niet, althans niet voldoende, aan hebben voldaan. Dat blijkt allereerst uit hetgeen hiervoor is geoordeeld met betrekking tot de transacties met [het detacheringbedrijf A & B] en [het subsidiebureau] . Verder blijkt dit uit het feit dat er uiteindelijk een kort geding nodig is geweest om [B] ertoe te brengen de in het Addendum opgenomen informatieverplichtingen jegens [A] na te leven. Dat [de vennootschap] zelf geen partij is bij het Addendum doet daar niet aan af, omdat de verplichting om ruimhartig informatie te verschaffen in dit geval evenzeer voortvloeit uit de zorgvuldigheid die de vennootschap en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken op grond van artikel 2:8 BW jegens elkaar moeten betrachten en die mede wordt ingekleurd door wat de aandeelhouders daarover hebben afgesproken.
3.39
[de vennootschap c.s.] . hebben nog aangevoerd dat [B] , vanwege het geschil met [C] , [D] heeft ingeschakeld om namens haar informatie aan [A] te verstrekken, maar [A] betwist dat [D] haar heeft geïnformeerd: zij zegt hem sedert 2020 niet meer te hebben gesproken. Dat [de vennootschap] via [D] wel aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan, is daarmee niet voldoende aannemelijk geworden.
3.40
Bij deze stand van zaken concludeert de Ondernemingskamer dat de informatieverstrekking aan [A] ondermaats is geweest en waarschijnlijk nog steeds te wensen overlaat. Dat draagt bij aan het bestaan van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [de vennootschap] .
5. Gebreken in de vaststelling en deponering van de jaarrekeningen
3.41
[A] verwijt [de vennootschap] dat de jaarrekeningen over 2019, 2020 en 2021 niet of onjuist zijn vastgesteld en toch als vastgesteld zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
3.42
De jaarrekening over 2019 is volgens [de vennootschap c.s.] . besproken en vastgesteld in de aandeelhoudersvergadering van 19 oktober 2020. Zoals hiervoor overwogen in 3.28 zijn er twijfels over de geldigheid van de besluiten die tijdens die vergadering zijn genomen. Daar komt bij dat uit de notulen opmerkelijk genoeg volgt dat is geconstateerd dat [A] niet aanwezig was, maar ook, dat het gehele geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd. Na de aandeelhoudersvergadering ontving [A] de jaarrekening over 2019 en kort daarna heeft zij aan [de vennootschap] kenbaar gemaakt daarmee niet akkoord te zijn (zie 2.18). Desalniettemin heeft [de vennootschap] de ongewijzigde jaarrekening over 2019 enkele dagen later als vastgesteld gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
3.43
[A] en [de vennootschap c.s.] . zijn het erover eens dat de jaarrekeningen over 2020 en 2021 op 19 mei 2023 door de algemene vergadering zijn vastgesteld. Dit komt echter niet overeen met de datum van vaststelling die is opgenomen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (zie 2.19 en 2.24). [de vennootschap c.s.] . hebben niet toegelicht waarom deze data niet overeenkomen. Evenmin hebben zij toegelicht waarom de vaststelling ruim buiten de wettelijke termijn heeft plaatsgevonden.
3.44
Het voorgaande roept vragen op over de gang van zaken rondom de vaststelling van de jaarrekeningen over 2019, 2020 en 2021, hetgeen bijdraagt aan de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij [de vennootschap] .
6. Onvoldoende aandeelhoudersvergaderingen
3.45
[A] klaagt ten slotte over het ontbreken van het vereiste aantal aandeelvergaderingen van [de vennootschap] . [de vennootschap c.s.] . voeren hiertegen aan dat voor 2020 bij [de vennootschap] geen formele aandeelhoudersvergaderingen werden gehouden, maar dat dit in voldoende mate informeel gebeurde vanwege de familiaire en vriendschappelijke band tussen [C] , [B] en [D] . Verder brengen [de vennootschap c.s.] . naar voren dat op 19 oktober 2020, 18 maart 2022, 19 mei 2023, 24 november 2023 en 24 april 2024 aandeelhoudersvergaderingen hebben plaatsgevonden en dat [A] niet eerder op het houden van (meer) aandeelhoudersvergaderingen heeft aangedrongen.
3.46
Zowel de wet als de statuten van [de vennootschap] gaan uit van minstens één jaarlijkse aandeelhoudersvergadering. Op grond van artikel 15 van het Addendum dienen twee aandeelhoudersvergaderingen per jaar te worden gehouden.
3.47
De Ondernemingskamer stelt vast dat in 2020, 2021 en 2022 minder dan twee aandeelhoudersvergaderingen per jaar plaatsvonden. In die periode waren de verhoudingen door het geschil tussen [B] en [C] reeds verslechterd. [A] betoogt terecht dat dit noopte tot een striktere naleving van de corporate governance om zo de belangen van alle betrokkenen en in het bijzonder die van [A] voldoende te waarborgen. [A] heeft echter ook zelf niet eerder aangedrongen op het houden van meer aandeelhoudersvergaderingen, zodat de Ondernemingskamer aan dit bezwaar verder voorbij gaat.
Onderzoek
3.48
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [de vennootschap] die een onderzoek rechtvaardigen. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [de vennootschap] bevelen vanaf 13 april 2020, de datum waarop [A] aandeelhouder is geworden van [de vennootschap] , dat zich richt op al hetgeen in onderdeel 3, subhoofdstukken 1 t/m 5, van deze beschikking aan de orde is gekomen. Het staat de onderzoeker vrij in het onderzoek aandacht te schenken aan gebeurtenissen van voor 13 april 2020, voor zover deze licht doen schijnen op hetgeen in de onderzoeksperiode is voorgevallen.
3.49
De Ondernemingskamer zal de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
3.50
Het verzoek van [A] om de onderzoeker op de voet van de artikelen 2:351 lid 2 en 2:352a BW te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van [de stichting] wordt afgewezen. Zo nodig kan de onderzoeker zelf een daartoe strekkend verzoek doen.