Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-11
ECLI:NL:GHAMS:2025:395
Civiel recht
Hoger beroep
2,163 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer gerechtshof 200.341.912
zaaknummer rechtbank Amsterdam 349288
arrest in kort geding van 11 februari 2025
in de zaak van
[de man] (de man)
die woont in [plaats A] , gemeente [gemeente]
advocaat: mr. J.H. Heerebout
tegen
[de vrouw] (de vrouw)
die woont in [plaats B]
advocaat: mr. A. Jawaheri
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem op 16 april 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
een akte van de man en een antwoordakte van de vrouw
2De kern van de zaak
2.1
De man en de vrouw zijn [in] 2000 in Iran getrouwd. Het huwelijk is ontbonden door echtscheiding op 16 juli 2018 (inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 4 april 2018). Partijen hebben verschillende procedures gevoerd over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Voor deze zaak zijn de volgende procedures relevant. De vrouw heeft op 7 januari 2024 in Iran een procedure aanhangig gemaakt waarin zij van de man een bijdrage voor levensonderhoud tijdens huwelijk vordert; de procesinleiding is op 10 januari 2024 elektronisch aan de man betekend. Partijen hebben op 11 januari 2024 in een toen lopend kort geding bij de voorzieningenrechter in Amsterdam afspraken gemaakt en die procedure beëindigd. Die procedure ging over de kinderalimentatie, de afgifte van een DigiD code en medewerking aan oudergesprekken op school. De vrouw heeft toegezegd dat zij over de onderwerpen onroerend goed, kinderalimentatie en bruidsschat geen (nieuwe) procedures tegen de man in Iran zal aanspannen. Partijen hebben verklaard dat zij na uitvoering van de schikkingsafspraken niets meer van elkaar te vorderen hebben in het kader van die kort geding procedure (finale kwijting) en evenmin mogelijk nog iets van elkaar te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan.
2.2.
De man heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter de vrouw – op straffe van dwangsommen – gebiedt de procedure over het levensonderhoud tijdens huwelijk in te trekken en verbiedt tegen hem verdere procedures in Iran te starten.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Het hof beslist dat de vorderingen moeten worden afgewezen en laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand. Het hof licht dat hierna toe.
3De toelichting van de beslissing van het hof
3.1.
De man heeft vier bezwaren (grieven) tegen door hem specifiek aangeduide onderdelen van het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof zal die bezwaren hierna een voor een bespreken en beoordelen.
grief 1: houdt de vrouw zich wel aan haar toezeggingen?
3.2.
De voorzieningenrechter overweegt in 4.2. ervan uit te gaan dat de vrouw zich zal houden aan haar toezegging geen verdere procedures tegen de man in Iran te starten en dat hij daarom de vordering van de man de vrouw dat te verbieden bij gebrek aan spoedeisend belang afwijst. De man vindt dat de voorzieningenrechter daarvan niet mocht uitgaan omdat de vrouw in de afgelopen jaren telkens opnieuw vorderingen tegen de man heeft ingediend en zich niet aan haar afspraken houdt, ook niet aan de afspraken die op 11 januari 2024 zijn gemaakt. De vrouw wijst erop dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om een verbod. Zij is niet voornemens in Iran jegens de man een nieuwe procedure te beginnen en voert aan dat beide partijen zich niet houden aan de afspraken van 11 januari 2024.
3.3.
Het hof oordeelt dat grief 1 van de man faalt. De man vreest kennelijk dat de vrouw nieuwe procedures tegen hem zal beginnen, maar licht niet toe dat die vrees gegrond is. Volgens de man houdt de vrouw zich niet aan de afspraken van 11 januari 2024; de vrouw verwijt hetzelfde aan de man. Dat betekent nog niet dat de vrouw haar toezegging over de onderwerpen onroerend goed, kinderalimentatie en bruidsschat geen (nieuwe) procedures tegen de man in Iran aan te spannen zal breken.
grief 2: procedure in Iran is wel onrechtmatig
3.4.
De voorzieningenrechter overweegt in 4.6. dat niet op voorhand kan worden vastgesteld dat de vrouw misbruik van procesrecht maakt door het aanspannen van de procedure in Iran op 7 januari 2024. De man is het daarmee niet eens. Hij zegt dat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat de procedure van de vrouw in Iran jegens de man puur onrechtmatig en vexatoir is. De vrouw heeft verzonnen dat de man en de vrouw nog gehuwd zijn en dat sprake is van een bijdrage levensonderhoud tijdens het huwelijk en dat de man tandarts is en een goed inkomen geniet. De vrouw is al eerder valse procedures tegen de man in Iran begonnen. De vrouw weerspreekt dat zij valse beweringen doet in de procedure in Iran. Zij heeft in die procedure gesteld dat het onjuist is dat de man vanwege een oorlogstrauma niet kan werken, dat moet worden uitgegaan van een verdienvermogen van de man als tandtechnicus en dat de Iraanse vordering gaat over de kosten van levensonderhoud tijdens het Iraanse huwelijk van partijen.
3.5.
Het hof oordeelt dat grief 2 faalt. Of de beweringen van de vrouw en de man over het Iraanse huwelijk van partijen en het verdienvermogen van de man kloppen is nu juist onderwerp van de procedure in Iran. Deze procedure in kort geding leent zich niet voor het geven van instructies om vast te stellen of klopt wat de vrouw en de man beweren.
grief 3: melding maken van eerdere procedures?
3.6.
De voorzieningenrechter overweegt in 4.6. dat het “wellicht zorgvuldiger zou zijn geweest wanneer de vrouw melding had gemaakt van eerdere procedures”. De man vindt dit een grove miskenning van artikel 21 Rv dat de vrouw verplicht de rechter naar volledigheid te informeren. Volgens de man gaat de voorzieningenrechter hier wel heel gemakkelijk aan voorbij zonder dat toe te lichten. De vrouw brengt naar voren dat de man op 11 januari 2024 al op de hoogte was van die eerdere procedure.
3.7.
Het hof oordeelt dat deze grief niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter. De man maakt geen bezwaar tegen de toelichting van de voorzieningenrechter op deze overweging die inhoudt dat ervan moet worden uitgegaan dat de man op 11 januari 2024 al op de hoogte was of moest zijn van de procedure die de vrouw in Iran op 7 januari 2024 tegen hem had aangespannen. Van een schending van artikel 21 Rv is dan geen sprake.
grief 4: leest de voorzieningenrechter de kwijtingsbepaling wel goed?
3.8.
Volgens de man leest de voorzieningenrechter de kwijtingsbepaling in de schikkingsovereenkomst van 11 januari 2024 verkeerd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 april 2024;
veroordeelt de man tot betaling van de volgende proceskosten van de vrouw:
€ 349 aan griffierecht
€ 1.821 aan salaris van de advocaat van de vrouw (1,5 procespunten x tarief hoger beroep II)
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853)