Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-12-04
ECLI:NL:GHAMS:2025:3804
Strafrecht
Hoger beroep
8,011 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3804 text/xml public 2026-04-03T12:12:43 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-12-04 23-000248-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2024:230, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3804 text/html public 2026-04-03T12:11:27 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3804 Gerechtshof Amsterdam , 04-12-2025 / 23-000248-24 Varend ontgassen op plekken waar niet toegestaan is. Detecties dooe e-noses. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000248-24 datum uitspraak: 4 december 2025 TEGENSPRAAK arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 81-328470-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966, adres: [adres 1] ). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 en 23 oktober 2025 en 20 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 7 april 2022 te Amsterdam en/of Diemen en/of Weesp, althans in de gemeente(n) Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht op het IJ en/of Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en/of sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een ledig en/of gelost (motortank)schip, genaamd [naam 1] , BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke stoffen, te vervoeren, terwijl de laadruimten en/of de ladingtanks en/of houders en/of tanks die aan boord van dat schip zijn toegelaten niet vrij waren van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, in elk geval gevaarlijke goederen en/of gassen zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in artikel 1.2.1 van het ADN, in elk geval als betrokkene bij het vervoer van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, niet overeenkomstig de aard en/of de omvang van de te voorziene gevaren maatregelen getroffen, om schadegevallen te verhinderen en/of, indien er schade optrad, de omvang niet zo beperkt mogelijk gehouden en/of de voor hen gelden bepalingen van het ADN in acht genomen, door in strijd met subsectie 1.4.2.2.1 onder i, in het kader van subsectie 1.4.1 van het ADN, als vervoerder als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, in voorkomend geval in het bijzonder, zich niet ervan heeft vergewist dat de tijdens het laden en/of vervoeren en/of lossen en/of overige behandeling van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, in laadruimen of ladingtanks van dat motortankschip, de bijzondere voorschriften in acht werden genomen, immers werd in strijd met subsectie 7.2.3.7.1,3 van het ADN varend onder bruggen (Zeeburgerbrug en/of Nesciobrug en/of Uyllanderbrug) en/of in dichtbevolkte gebieden (Amsterdam en/of Diemen en/of Weesp) één of meer geloste en/of lege ladingtanks van dat motortankschip, waarin zich die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, in elk geval andere dan de onder 7.2.3.7.1.1 genoemde gevaarlijke goederen hebben bevat, ontgast. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging De verdachte heeft ontkend dat hij in verboden gebieden heeft ontgast. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 11 april 2022 omstreeks 14.16 uur ontving de heer [verbalisant] , inspecteur bij de ILT, een e-mailbericht van een medewerker van de Omgevingsdienst. Daarin deelde deze medewerker mee dat op 7 april 2022 op het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal mogelijk een ontgassend schip was. Er waren veranderingen van de luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in dit e-mailbericht genoemd het schip voorzien van het CIID-nummer [nummer 1] . Het ontgassende schip werd geïdentificeerd als het binnenvaarttankschip [naam 1] . Naar aanleiding van deze melding door de Omgevingsdienst heeft de ILT op 13 mei 2022 aan boord van de [naam 1] een inspectie uitgevoerd. Uit de gevorderde documenten bleek dat [verdachte] op 7 april 2022 de (verantwoordelijke) schipper was en dat de exploitant (de vervoerende onderneming) [bedrijf 1] B.V. was. Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek dat de op 7 april 2022 vervoerde en geloste gevaarlijke stof “UN 1863, BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN, 3 (N2+F), VG III. MILIEUGEVAARLIJK” betrof. Deze lading, Jet A1 (UN 1863), was op 6 en 7 april 2022 gelost. Op het opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) zijn de gasmetingen genoteerd die zijn uitgevoerd tijdens het ontgassen van de laatste lading ‘Ethanol/Jet A1’ op 7 en 8 april met als starttijd 7 april om 19:30 uur in het traject Amsterdam - Rotterdam. Uit de gasmetingen blijkt dat de ladingstanks daadwerkelijk zijn ontgast. Blijkens het vervoersdocument voor gevaarlijke goederen (proces-verbaal A, pag. 61) ging het om Jet A1. Dat is kerosine, brandstof voor turbines en straalmotoren. De ILT heeft vervolgens op 13 mei 2022 een rapportage opgevraagd bij de Omgevingsdienst inzake deze ontgassing van 7 april 2022. Uit deze eNose-rapportage van 24 mei 2022 volgt dat op 7 april 2022 tussen 17:30 en 19:06 uur door méér eNoses detecties waren gedaan dan in eerste instantie op 11 april 2022 bij de ILT gemeld: Het hof begrijpt dat regel 7 in de bovenstaande tabel, gezien het daarin vermelde tijdstip, berust op een kennelijke misslag. Regel 6 en regel 8 betreffen hetzelfde tijdstip en dezelfde locatie. Het hof zal regel 7 in het navolgende negeren. De op de bovengenoemde plaatsen aangesproken eNoses stonden alle op opeenvolgende plaatsten die zich benedenwinds van het op die tijdstippen voorbijvarende, ontgassende motortanschip bevonden. Daarbij is in de rapportage rekening gehouden met de windrichting, de snelheid van de wind en de snelheid van het schip. Deze locaties bevonden zich alle in de nabijheid van dichtbevolkt gebied. De verdachte is op 27 september 2022 telefonisch gehoord. Hij heeft verklaard dat er in opdracht van [bedrijf 2] (het hof begrijpt: de bevrachter van de lading in kwestie) ontgast moest worden, dat dit onderweg moest naar de volgende laadplaats en dat hij op 7 april 2022 om 17.20 uur is vertrokken na het lossen bij [bedrijf 3] .
Volledig
De verdachte weet niet meer waar het ontgassen heeft plaatsgevonden, wanneer het is aangevangen en binnen welk tijdsbestek, maar het was in ieder geval buiten dichtbevolkte en bewoonde gebieden en bruggen om. Op grond van de hiervoor omschreven rapportage rond de reis van de [naam 1] op 7 april 2022 tussen 17:30 uur en 19:06 uur concludeert het hof dat met het tankschip [naam 1] op die tijdstippen varend is ontgast op plaatsen waar dat verboden was. Het hof stelt vast dat onder meer ten laste is gelegd dat varend onder bruggen Zeeburgerbrug en/of Nesciobrug en/of Uyllanderbrug werd ontgast. Met betrekking tot de eNose-signalering OV-01 wordt als verbodsgebied genoemd “net voor de Uyllanderbrug”. In de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN staat vermeld: Ontgassen is niet toegestaan in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden. Door de ILT wordt opgemerkt (proces-verbaal A, pag. 6) dat sprake is van ‘in de nabijheid van bruggen’ indien het schip zich binnen 500 meter vanaf het midden van een brug op een vaarweg bevindt. Het hof kan de ILT niet volgen in de conclusie dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de kamerbrief van 21 augustus 2019 (bijlage 2 bij proces-verbaal A, pag. 28-30) de invulling van het begrip “onder bruggen” heeft bekrachtigd. In genoemde kamerbrief staat enkel vermeld dat sinds april 2019 conform het ADN een breder spectrum aan stoffen niet meer varend mag ontgast worden in dichtbevolkte gebieden en nabij sluizen en bruggen. Het hof is van oordeel dat “nabij… bruggen” zoals vermeld in de kamerbrief berust op een onjuiste lezing van het ADN gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het hiervoor aangehaalde onderdeel in de tenlastelegging voor wat betreft de Uyllanderbrug niet bewezen kan worden nu met betrekking tot de eNose-signalering OV-01 sprake is van “net voor de Uyllanderbrug” en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Opzet In het economisch strafrecht is sprake van kleurloos opzet. Dat wil zeggen dat het opzet van de verdachte niet gericht behoeft te zijn op de wederrechtelijkheid van zijn handelen maar slechts op de handeling zelf. Gelet daarop acht het hof bewezen dat sprake is geweest van opzet. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 april 2022 te Amsterdam en Diemen en Weesp, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht op het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een gelost (motortank)schip, genaamd [naam 1] , resten van BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, te vervoeren, terwijl de ladingtanks aan boord van dat schip niet vrij waren van gassen van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in artikel 1.2.1 van het ADN, bij het vervoer van die resten van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN 1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, in strijd met subsectie 7.2.3.7.1,3 van het ADN varend in dichtbevolkte gebieden geloste ladingtanks van dat motortankschip, die die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, hebben bevat, ontgast. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden vervat in de bewijsmiddelen zoals deze zijn weergegeven in de bij dit arrest gevoegde bijlage. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft varend ontgast op plekken waar dit niet is toegestaan. Daarmee zijn gevaarlijke stoffen in de atmosfeer gebracht die ernstige schade kunnen toebrengen aan mens en milieu. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 september 2025 is hij in het verleden veroordeeld ter zake van een milieudelict. Gelet op de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00 passend en geboden. Het hof overweegt hierbij dat de rechtbank in de zaak van een andere schipper – die op een andere datum schipper van de [naam 1] was – voor opzettelijke overtreding van artikel 4 WVGS (die het hof als van grotere ernst beschouwt) een voorwaardelijke geldboete van € 1.500,00 heeft opgelegd en het openbaar ministerie in die zaak geen hoger beroep heeft ingesteld. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en het artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (één duizend euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis . Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2025. Bijlage Bewijsmiddelen Ten aanzien van zaak A 1. Een proces-verbaal met nummer 616797-1-ILT2022-490 van 1 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant] en [naam 2] [doorgenummerde pagina’s 1 -17], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 18-89].
Volledig
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen : Op 11 april 2022, omstreeks 14:16 uur is door mij, [verbalisant] , een door een medewerker van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna te noemen: ODNZKG) verzonden e-mail ontvangen. In deze e-mail werd melding gemaakt van een op 7 april 2022 op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal mogelijk ontgassend schip. Er waren veranderingen van luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in deze e-mail genoemd het schip voorzien van CIID-nummer [nummer 1] . Opmerkingen verbalisanten: Het bedrijf “Comon Invent” is leverancier van het gehele eNose netwerksysteem, zowel in beheer bij de DCMR als de ODNZKG. Het CIID-nummer is een uniek identificatienummer dat toegekend is aan een schip in het Comon Invent systeem, en staat voor: Comon Invent Identification-nummer. Het Comon Invent systeem is een programma dat gedetailleerde inzichten in scheepsbewegingen van een mogelijke ontgassing geeft. De in de voornoemde ODNZKG (e-mail) melding genoemde eNoses: - ZD-05 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 14.7, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - ZD-03 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 17.5, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - ZD-02 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 18.2, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - VK-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 21, aan de noordelijke oever van het IJ; - TH-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 4, aan de oostelijke oever van het Amsterdam-Rijnkanaal; - OV-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 5.3, aan de oostelijke oever van het Amsterdam-Rijnkanaal. De hierboven genoemde eNose TH-01 staat opgesteld in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden zoals bedoeld in subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. In en in de nabijheid van het Amsterdam-Rijnkanaal is dichtbevolkt gebied gelegen. Tevens zijn over het Amsterdam-Rijnkanaal bruggen gelegen. Het betreft hier dichtbevolkte gebied als bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. Een gebied wordt als dichtbevolkt aangemerkt indien er zich binnen 500 meter vanaf de betreffende vaarweg, op een oppervlakte van 100 meter bij 100 meter (1 hectare) meer dan 200 personen woonachtig zijn. Naar aanleiding van deze door de Minister (Kamerbrief ILT-2019/38283) met bijlage (ILT-2019/35931) bekrachtigde invulling van “dichtbevolkt gebied” en (…) is dit door de ILT nadrukkelijk naar externen gecommuniceerd en op internet gepubliceerd. Tevens is door de ILT op haar website een kaart opgenomen waarop de volgens de ADN-regelgeving voor ontgassen verboden en toegestane ontgassingsvaarweggedeeltes duidelijk zichtbaar zijn gemaakt. Deze kaart is benaderbaar via www.ilent.nl, onder Gevaarlijke stoffen binnenvaart - Varend ontgassen. Naar aanleiding van: - de ODNZKG-melding over de door eNoses geconstateerde veranderingen van de luchtsamenstellingen, - het (in eerste instantie gepseudonimiseerd) op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal varende tankschip, gelet op de posities ten opzichte van de betreffende eNoses, de vaarbeweging en afgelegde vaarroute, windrichting en windsnelheid, is dit tankschip aan deze eNose detecties gekoppeld, - het door mij, [verbalisant] , hierop middels recente van de DCMR verkregen CIID-gegevens geïdentificeerde schip, zijnde het binnenvaarttankschip genaamd [naam 1] met MMSI-nummer [nummer 2] (en naar later bleek ENI [nummer 3] ), was hier mogelijk sprake van ontgassen van de ladingtanks van het tankschip [naam 1] , van een tot dan toe onbekende stof. Door mij, [verbalisant] , werd, met gebruikmaking van de openbare en vrij toegankelijke internetsite “Vesselfinder” (een zogenaamde ‘Open Source’), geverifieerd of het genoemde tankschip met de naam [naam 1] , met MMSI-nummer [nummer 2] en naar mij middels internet bleek scheepsnummer (ENI) [nummer 3] , inderdaad verantwoordelijk kon zijn voor het vrij laten komen van gassen en dampen uit ladingtanks c.q. het ontgassen van de restanten van de geloste lading uit de ladingtanks van dit tankschip in de atmosfeer. Na raadplegen bleek dat de historische trackgegevens van dit tankschip volledig overeenkwam met de trackgegevens van het door de ODNZKG aangemerkte tankschip [naam 1] . Tijdens de op 13 mei 2022 uitgevoerde samenwerkingsactie met Rijkswaterstaat werd door ons het tankschip [naam 1] geïnspecteerd, gericht op het ontgassen van de ladingtanks van dit tankschip. Op 13 mei 2022 bevonden wij ons, met toezicht belast, in de Zuider Voorhaven van de Volkeraksluizen. Wij zagen dat daar toen het motortankschip [naam 1] gemeerd lag. Wij zagen dat op het motortankschip de naam [naam 1] en het ENI [nummer 3] waren aangebracht. Verder zagen wij dat dit schip een vervoermiddel was, als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen eveneens dat genoemd schip een (binnenvaart) motortankschip, als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, betrof. De in dit proces-verbaal genoemde haven en vaarwegen betroffen allen binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Nadat wij aan boord van genoemd tankschip waren gegaan, begaven wij ons naar het achterschip van dit tankschip. Daar troffen wij in het stuurhuis een manspersoon aan, welke zich ten overstaan van ons kenbaar maakte als de zich aan boord bevindende verantwoordelijke schipper (later te noemen [verdachte] ). Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek ons dat de op 7 april 2022, toen laatst vervoerde en vervolgens bij de [bedrijf 3] B.V. geloste gevaarlijke stof betrof: “UN 1863, BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN, 3 (N2+F), VG III. MILIEUGEVAARLIJK” Wij zagen aan de hand van de scheepsmeting na laden dat deze lading in de centerladingtanks 2 tot en met 5 en 7 tot en met 9 als reis 4 in deze centerladingtanks van dit tankschip gestuwd was geweest. De in dit proces-verbaal genoemde stoffen betreffen allen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen op de Rijnvaartverklaring dat als exploitant (vervoerende onderneming) van de [naam 1] de volgende onderneming stond vermeld: [bedrijf 1] B.V. [adres 2] Wij zagen op de meetbrief, met nr. [nummer 4] , dat het voorheen te noemen tankschip met de naam [naam 2] per 17-03-2022 gewijzigd was naar de naam [naam 1] . Uit de door het Agentschap Telecom afgegeven document Maritiem mobiel bleek ons dat voor het voornoemde beroepsbinnenvaartuig [naam 1] , bij zenderidentificatie gegevens, als MMSI-nummer stond vermeld: [nummer 2] . Uit het vaartijdenboek (afgegeven op 17 juni 2020, met volgnummer 6) van het voornoemde tankschip bleek ons dat op 7 april 2022, tijdens het vermoedelijke ontgassen, als enige (verantwoordelijke) schipper aan boord van dit tankschip, [verdachte] stond opgetekend. Op de losverklaring zagen wij dat de hiervoor genoemde lading, Jet A1 (UN 1863), op 6 en 7 april 2022 werd gelost uit de centerladingtanks 2 tot en 5 en 7 tot en met 9 van tankschip [naam 1] . Op het door de, ten tijde van het ontgassen, verantwoordelijk schipper [verdachte] opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in de subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) stond genoteerd dat er gasmetingen waren uitgevoerd tijdens het ontgassen van de laatste lading ‘Ethanol/Jet A1’ op 07/04 en 08/04 met als starttijd 07/04 om 19:30 uur en met als traject Amsterdam - Rotterdam. (…) (…) Uit deze genoteerde resultaten van uitgevoerde en voorgeschreven gasmetingen blijkt dat de genoemde ladingtanks daadwerkelijk werden ontgast. Wij zagen dat onderaan deze meting de naam van de ADN-deskundige schipper ‘ [verdachte] ’ genoteerd stond. Opmerking verbalisanten: In dit proces-verbaal wordt bedoeld met LEL (dit is de afkorting van ‘Lower-Explosion-Level’) de ‘onderste explosiegrens’. Dat wil zeggen, de laagste concentratie van een gas-luchtmengsel, zijnde de ondergrens van het stofgebonden explosiegebied, waarbij een explosie mogelijk is.
Volledig
Op 13 mei 2022 heb ik, [verbalisant] , als vervolg op de eerder ontvangen ODNZKG melding van 7 april 2022, en de door ons op 13 mei 2022 uitgevoerde inspectie, een rapportage opgevraagd bij de ODNZKG inzake deze ontgassing d.d. 7 april 2022. Op 10 juni 2022 ontving ik, [verbalisant] , deze opgevraagde rapportage van een medewerker van de ODNZKG. Gelet op hetgeen in de, door de bij de ODNZKG werkzame medewerker, opgemaakt rapportage stond verwoord, bleek dat er op 7 april 2022 vermoedelijk werd ontgast door een op het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal varend binnenvaart tankschip. Deze vermoedelijke ontgassing werd waargenomen middels eNose detecties. Door het eNose netwerk was aan dit vermoedelijk ontgassende tankschip het gepseudonimiseerde zogenaamde CIID-nummer ‘ [nummer 1] ’ toegekend. Dit CIID-nummer kwam o.a. overeen met de eerder ontvangen melding d.d. 11 april 2022. Omschrijving positie (aanvullende) eNoses ODNZKG notitie Uit deze opgemaakte rapportage bleek ons dat er door meerdere eNoses detecties waren gedaan, dan in de eerste instantie bij de ILT gemeld, in de door mij, [verbalisant] , reeds ontvangen e-mail melding van 11 april 2022. De volgende in de voornoemde ODNZKG rapportage genoemde eNoses zijn een aanvulling op de, tot dan toe, ons bekende detecties: - MU-01 staat opgesteld ter hoogte van de Muiderbrug op het Amsterdam-Rijnkanaal. - RI-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 9.1, aan de oever van het Amsterdam-Rijnkanaal. De hierboven genoemde en aangesproken eNose RI-01 staat gepositioneerd in een gebied zoals bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN, namelijk in de nabijheid van dichtbevolkt gebied. Bijlage 12 Een geschrift, zijnde een e-mailbericht van 4 april 2022 van het Team Mailbox van [website] bevattende het vervoersdocument voor gevaarlijke goederen omtrent de [naam 1] [doorgenummerde pagina 61]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Bijlage 21 Een proces-verbaal met nummer ILT-2022-616797 van 27 september 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] [doorgenummerde pagina’s 79-82], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 83-87]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als V: vraag van de verbalisant en A: de op 27 september 2022 telefonisch afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] : V: Wie was (…) aan boord van de [naam 1] met scheepsnummer (ENI) [nummer 3] (…) tijdens het ontgassen op 7 april 2022, de verantwoordelijke schipper? A: Ik. V: Wie is de exploitant (vervoerende onderneming) zoals bedoeld in het ADN? A: (…) De exploitant is [bedrijf 1] B.V. V: Welk product was er toen, op 7 april 2022 (reis 4), als laatste vervoerd en in welke ladingtanks was dit product toen gestuwd? A: Dat was Jet, in ladingtanks C2, C3, C4, C5, C7, C8, C9. V: Waar was de laatste lading (reis 4) gelost en hoe laat daar vertrokken na lossen? A: [bedrijf 3] , volgens mijn agenda ben ik daar 7 april vertrokken om 17:20 uur. V: Is er opdracht door u ontvangen om te ontgassen en wie heeft u die opdracht gegeven? A: Er moest in opdracht van [bedrijf 2] ontgast worden. Dit moest onderweg naar de volgende laadplaats. V: Waar heeft het ontgassen plaatsgevonden, wanneer aangevangen en in welk tijdsbestek? A: Dat weet ik niet meer. V: Op welke wijze zijn de ladingtanks ten behoeve van het ontgassen geopend en zijn alle ladingtanks geopend? A: Ik heb alleen de deksels van de vlamkerende rooster geopend van alle ladingtanks. V: Is de door mij aan u per e-mail verstuurde gevoegde ‘bijlage 1 – Gasmeting’ (proces-verbaal verhoor bijlage 1) opgemaakt in verband met het ontgassen van de ladingtanks op 7 april 2022? A: Ja. Bijlage 18 Een geschrift zijnde een gasmeetformulier met betrekking tot de [naam 1] [doorgenummerde pagina 67]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: (…) (…) (…) (…) Bijlage 19 Een geschrift zijnde een eNose-rapportage varend ontgassen binnenvaartschip van [persoon] , Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied aan [verbalisant] (ILT) van 24 mei 2022 [doorgenummerde pagina’s 68-77]. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: 7 april 2022: melding varend ontgassende vaartuig Op 7 april 2022, kreeg ik twee automatisch gegenereerd en mij middels e-mail toegezonden melding van de Degassing Vessel Detective tool van Comon Invent. Ik zag dat de 1e e-mail om 17:50 uur en het 2e e-mail om 18:50 uur door Comon Invent was verzonden. In beide e-mailberichten zag ik staan als “Possible suspect” de CIID nummers “ [nummer 1] ” en “ [nummer 5] ” staan. Dit betekent dat de Degassing Vessel Detective tool twee vaartuigen heeft herkend. 23 mei 2022: onderzoek eNose netwerk Naar aanleiding van het verzoek van ILT heb ik, in verband met voornoemde melding, op 23 mei 2022 een nader onderzoek uitgevoerd. Hiervoor heb ik de historische data van 7 april 2022, van 17:00 uur tot 23:59 uur, opgevraagd met behulp van de software van Comon Invent. Bij een melding van de Degassing Vessel Detective tool wordt het vaartuig door de software van Comon Invent automatisch geel gemarkeerd en de vaarbeweging van het vaartuig middels een track zichtbaar gemaakt (paarse lijn). Ik heb in figuur 1 een screenshot afgedrukt van het eNose netwerk met de afgelegde route van de vermoedelijk veroorzakende ontgassende vaartuigen. Door met de cursor op het vaartuig te klikken verschijnt er een pop-up scherm met de gegevens over het vaartuig. Hierbij worden o.a. de datum, tijdstip, snelheid en het geanonimiseerd CIID nummer van het vaartuig weergegeven. Ik zag dat vaartuig met CIID [nummer 5] was afgemeerd aan een steiger bij [bedrijf 3] en vaartuig met CIID nummer [nummer 1] lag afgemeerd aan een wachtsteiger in de [plaats] . Om de locatie van herkomst van vaartuig met [nummer 1] te bepalen heb ik het tijdstip in de historische data van 7 april 2022 aangepast (00:00 uur tot 21:00 uur). Ik zag dat beide genoemde vaartuigen lagen afgemeerd aan een aanlegsteiger bij [bedrijf 3] , [adres 3] . Ik zag dat het vaartuig met [nummer 1] op 7 april 2022, om 08:57 uur, vertrok van de aanlegsteiger bij [bedrijf 3] en afmeerde aan een wachtsteiger in de [plaats] . Ik zag dat het vaartuig met [nummer 1] op 7 april 2022, om 17:16 uur, vertrok van de wachtsteiger en op bijna hetzelfde moment (17:21 uur) vertrok ook vaartuig met CIID [nummer 5] van [bedrijf 3] . Ik zag op dat moment dat beide vaartuigen via de Amerikahaven het Noordzeekanaal opvoer, naar het IJ en vervolgens via de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal het Amsterdam-Rijnkanaal op in de richting van Utrecht. Bij het nalopen van beide tracks zag ik dat het vaartuig met [nummer 1] voorbij een nader te noemen eNose voer, dat door de betreffende eNose een sterke, dan wel een matige verandering van de luchtsamenstelling werd gedetecteerd. Gelet op deze eNose detecties is het voor mij als eNose specialist duidelijk dat dit vaartuig is aan te merken als veroorzaker van de gedetecteerde verandering van de luchtsamenstelling. Vanaf het moment dat het vaartuig met CIID [nummer 1] vertrok uit de [plaats] heeft het eNose netwerk in totaal elf maal een ontgassing gedetecteerd. Ik zag dat de eNose patronen in alle negen (het hof begrijpt: elf) gedetecteerde ontgassingen vrijwel overeenkomen wat duidt op één en hetzelfde ontgassende tankschip. 23 mei 2022: overzicht geactiveerde eNoses In figuur 3 is een overzicht weergegeven van de geactiveerde eNoses, tijdstippen en locaties welke gerelateerd zijn aan het vaartuig met [nummer 1] . (…) Bijlage 20 Een geschrift zijnde een ‘Afdruk eNose locaties notitie’. Dit geschift houdt in: De hiervoor vermelde bewijsmiddelen, voor zover het geschriften betreft als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.