Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-12-04
ECLI:NL:GHAMS:2025:3803
Strafrecht
Hoger beroep
24,712 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3803 text/xml public 2026-04-03T13:20:40 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-12-04 23-000247-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2024:229, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3803 text/html public 2026-04-03T13:19:48 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3803 Gerechtshof Amsterdam , 04-12-2025 / 23-000247-24 Varend ontgassen op plekken waar niet toegestaan is en varend ontgassen in strijd met de Regeling benzinevervoer in gesloten tanks 2006 en de Wet gevaarlijke stoffen. Detecties door e-noses. Verwerping ontvankelijkheidsverweer. Verweer mbt de AVG. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000247-24 datum uitspraak: 4 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 81- 031437-23 (zaak A) en 81-031422-23 (zaak B) tegen: [bedrijf 1] B.V. , gevestigd te [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 en 23 oktober 2025 en 20 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zaak A: zij op of omstreeks 7 april 2022 te Amsterdam en/of Diemen en/of Weesp, althans in de gemeente(n) Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht en/of laten verrichten op het IJ en/of Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en/of sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een ledig en/of gelost (motortank)schip, genaamd [naam 1] , BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke stoffen, te vervoeren, terwijl de laadruimten en/of de ladingtanks en/of houders en/of tanks die aan boord van dat schip zijn toegelaten niet vrij waren van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, in elk geval gevaarlijke goederen en/of gassen zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft zij toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in artikel 1.2.1 van het ADN, in elk geval als betrokkene bij het vervoer van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, niet overeenkomstig de aard en/of de omvang van de te voorziene gevaren maatregelen getroffen, om schadegevallen te verhinderen en/of, indien er schade optrad, de omvang niet zo beperkt mogelijk gehouden en/of de voor hen gelden bepalingen van het ADN in acht genomen, door in strijd met subsectie 1.4.2.2.1 onder i, in het kader van subsectie 1.4.1 van het ADN, als vervoerder als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, in voorkomend geval in het bijzonder, zich niet ervan heeft vergewist dat de tijdens het laden en/of vervoeren en/of lossen en /of overige behandeling van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, in laadruimen of ladingtanks van dat motortankschip, de bijzondere voorschriften in acht werden genomen, immers werd in strijd met subsectie 7.2.3.7.1,3 van het ADN varend onder bruggen (Zeeburgerbrug en/of Nesciobrug en/of Uyllanderbrug) en/of in dichtbevolkte gebieden (Amsterdam en/of Diemen en/of Weesp) één of meer geloste en/of lege ladingtanks van dat motortankschip, waarin zich die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, in elk geval andere dan de onder 7.2.3.7.1.1 genoemde gevaarlijke goederen hebben bevat, ontgast; zaak B: primair. Zij op of omstreeks 21 april 2022 te Amsterdam en/of Weesp, althans in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht en/of laten verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, op het Noordzeekanaal en/of IJ en/of Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel a van genoemde wet, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder 1 van genoemde wet en/of sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een (binnenvaart)tankschip, genaamd [naam 1] , ledig en/of gelost van Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, terwijl de hieraan voorafgaande lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II, en van die benzine afkomstige restladingdamp betrof, in elk geval gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 Wet vervoer gevaarlijke stoffen, te (laten) vervoeren en/of in de atmosfeer te (laten) ontgassen, terwijl de desbetreffende ladingtanks die aan boord van dat schip zijn toegelaten, niet vrij waren van restladingdamp van Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II, in elk geval gevaarlijke goederen en/of gassen (mede gelet op sub sectie 1.1.2.5 van het ADN), zonder een of meer krachtens artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, in verband met de in de artikelen en 2 en 4 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006, gestelde regels in acht te nemen, mede gelet op het bepaalde in de subsectie 7.2.3.7.0 van het ADN, immers: heeft zij, verdachte, één of meer ladingtanks als bedoeld in de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006, van dat (binnenvaart)tankschip in de atmosfeer ontgast en/of laten ontgassen, van (onder meer) restladingdampen van benzine, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de richtlijn nr.
Volledig
94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG L 365), terwijl ten aanzien van het ontgassen niet werd voldaan aan de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven voorschriften, doordat zij, verdachte, ladingtank(s) heeft ontgast en/of laten ontgassen waardoor de restladingdampen van Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II niet in de ladingtank(s) opgeslagen bleven waarbij niet kon worden aangetoond dat: - de drie aan het ontgassen voorafgaande ladingen, doch volgend op de lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II van de desbetreffende ladingtank(s) van dat (binnenvaart)tankschip niet bestonden uit benzine, en/of - de desbetreffende ladingtank(s) bij de voorafgaande aan het ontgassen, na lossen van de lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan benzine, en/of - de restladingdamp(en) van de voorgaande lading(en) verwerkt was/waren in een ontgassingsdampverwerkingsinstallatie en dat hierbij de dampconcentratie, gemeten op een representatief punt in de leiding die loopt van de ladingtank naar de ontgassingsdampverwerkingsinstallatie, bij standaardomstandigheden gedurende 30 minuten minder dan 3,5 g/m3 heeft bedragen; subsidiair. zij op of omstreeks 21 april 2022 te Amsterdam en/of Weesp, althans in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht en/of laten verrichten op het Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en/of sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een ledig en/of gelost (motortank)schip, genaamd [naam 1] , Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke stoffen, te vervoeren, terwijl de laadruimten en/of de ladingtanks en/of houders en/of tanks die aan boord van dat schip zijn toegelaten niet vrij waren van die Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, in elk geval gevaarlijke goederen en/of gassen zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft zij toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in artikel 1.2.1 van het ADN, in elk geval als betrokkene bij het vervoer van die Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, niet overeenkomstig de aard en/of de omvang van de te voorziene gevaren maatregelen getroffen, om schadegevallen te verhinderen en/of, indien er schade optrad, de omvang niet zo beperkt mogelijk gehouden en/of de voor hen gelden bepalingen van het ADN in acht genomen, door in strijd met subsectie 1.4.2.2.1 onder i, in het kader van subsectie 1.4.1 van het ADN, als vervoerder als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, in voorkomend geval in het bijzonder, zich niet ervan heeft vergewist dat de tijdens het laden en/of vervoeren en/of lossen en /of overige behandeling van die Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, in laadruimen of ladingtanks van dat motortankschip, de bijzondere voorschriften in acht werden genomen, immers werd in strijd met subsectie 7.2.3.7.1,3 van het ADN varend onder bruggen (Weesperbrug) en/of in dichtbevolkte gebied (Weesp) één of meer geloste en/of lege ladingtanks van dat motortankschip, waarin zich die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, in elk geval andere dan de onder 7.2.3.7.1.1 genoemde gevaarlijke goederen hebben bevat, ontgast. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Leeswijzer Ter bevordering van de leesbaarheid heeft het hof in de navolgende overwegingen de aanduiding van de verschillende processen-verbaal met bijlagen en de andere processtukken in het dossier van de strafzaak tegen de verdachte vennootschap verkort weergegeven. Naar onderdelen daarvan is in de betogen van zowel de advocaat-generaal als van de raadsman verwezen en ook het hof zal dat hierna waar nodig doen. Met betrekking tot de ten laste gelegde (opzettelijke) overtreding op 7 april 2022 met het binnenvaarttankschip [naam 1] , heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aanvankelijk proces-verbaal opgemaakt tegen de schipper van de [naam 1] , zijnde op genoemde datum de heer [persoon 1] . Dit proces-verbaal telt, inclusief 22 bijlagen, 89 doorgenummerde pagina’s, heeft het nummer 616797-1-ILT-2022-490 en is gesloten op 1 december 2022. Het hof zal dit proces-verbaal met bijlagen in het navolgende aanhalen als proces-verbaal A, met een paginanummering. Met betrekking tot de ten laste gelegde (opzettelijke) overtreding op 21 april 2022 met het binnenvaarttankschip [naam 1] , heeft de ILT aanvankelijk proces-verbaal opgemaakt tegen de schipper van de [naam 1] , zijnde op genoemd datum de heer [persoon 2] . Dit proces-verbaal telt, inclusief 27 bijlagen, 110 doorgenummerde pagina’s, heeft het nummer 584419-2-ILT-2022-572 (en 616797-1-ILT-2022-490) en is gesloten op 29 november 2022. Het hof zal dit proces-verbaal met bijlagen in het navolgende aanhalen als proces-verbaal B, met een paginanummering. Bij aanvullend proces-verbaal van 6 december 2022 van de ILT is bijlage 24 bij proces-verbaal B (notitie Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) vervangen door een verbeterde versie. Met betrekking tot de beide ten laste gelegde feiten heeft de ILT in opdracht van het openbaar ministerie (OM) een aanvullend proces-verbaal opgemaakt tegen de verdachte rechtspersoon. Dit proces-verbaal telt, inclusief 12 bijlagen, 112 doorgenummerde pagina’s, heeft het nummer ‘584419-aanvullend-PV-verzoek OM’ en is gesloten op 28 april 2023. Het hof zal dit proces-verbaal met bijlage in het navolgende aanhalen als proces-verbaal AB , met een paginanummering. Daarnaast behoren tot de processtukken: - een notitie getiteld ‘Detectie van ontgassende schepen met Enoses’ van 8 september 2023 van de heer [persoon 3] , verbonden aan de onderneming Comon Invent (hierna: notitie C.I.); - een memo getiteld ‘AIS/AVG binnenvaart i.r.t. toezicht en handhaving varend ontgassen’ van 21 september 2023 van de heer [persoon 4] van het team Juridische advisering van de ILT (hierna: memo ILT-AIS). - een convenant getiteld ‘Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2018-2020 (Definitief)’ (hierna: het Convenant 2018); - een convenant getiteld ‘Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2021-2026 (21 december 2021)’ (hierna: het Convenant 2021). Ontvankelijkheidsverweer Namens de verdachte heeft de raadsman bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart. Daartoe zijn twee redenen aangevoerd.
Volledig
In de eerste plaats heeft de ILT, een opsporingsdienst waarvan uitlatingen aan het openbaar ministerie toe te rekenen zijn, in beide ten laste gelegde feiten (van 7 april 2022 en van 21 april 2022) brieven gestuurd aan de verdachte vennootschap waarin de laatste ervan in kennis wordt gesteld dat handhavend is opgetreden of proces-verbaal wordt opgemaakt tegen de betrokken schippers (proces-verbaal A, pag. 88 en proces-verbaal B, pag. 109) . Daarmee is bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zijzelf in geen van beide kwesties (verder) vervolgd zou worden. Tegen schipper [persoon 1] heeft de ILT over het voorval op 7 april 2022 gezegd dat ‘vooralsnog waarschuwend’ wordt opgetreden (proces-verbaal A, pag.14). Dit heeft de in de brieven gewekte verwachting van de verdachte, dat zijzelf niet vervolgd zou worden, versterkt. Daarnaast wijkt de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte direct te dagvaarden af van zijn eigen beleid, zoals gepubliceerd in de OM-Richtlijn voor strafvordering binnenvaart (2018R016, hierna: de Richtlijn). Daarin staat dat bij een eerste geval van varend ontgassen in strijd met de voorschriften, aan de overtreder(s) een transactie wordt aangeboden. Zonder bijzondere omstandigheden, die er niet zijn, is de verdachte vennootschap, die first offender is, ten onrechte direct gedagvaard. Oordeel hof Het hof bespreekt beide onderdelen van het ontvankelijkheidsverweer gezamenlijk. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of, naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek, vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Dit uitgangspunt brengt met zich dat hoge eisen moeten worden gesteld aan het oordeel dat het openbaar ministerie bij de beslissing een verdachte (verder) te vervolgen zijn discretionaire bevoegdheden heeft overschreden. In de rechtspraak wordt als voorbeeld genoemd de situatie dat de vervolging is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). In de onderhavige strafzaak ontving het openbaar ministerie kort na elkaar twee processen-verbaal van de ILT van (opzettelijke) overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, twee weken na elkaar gepleegd door of met hetzelfde schip en – in de visie van het openbaar ministerie – toe te rekenen aan dezelfde rechtspersoon: de verdachte. Van een first offender in eigenlijke zin was daarmee geen sprake. Evenmin was sprake van een eerste recidive in de zin van de Richtlijn. Bij de overtreding op 21 april 2022 was immers niet ‘gewoon’ varend ontgassen in strijd met de voorschriften, zoals in de Richtlijn genoemd, aan de orde. Op die dag was volgens proces-verbaal B sprake van het ontgassen na vervoer van een lading benzine, waarvoor – onder de omstandigheden van het geval – volgens het proces-verbaal een categorisch verbod geldt. Het openbaar ministerie was daarom bij zijn beslissing de verdachte voor deze twee (opzettelijke) overtredingen direct te dagvaarden, niet zozeer aan de Richtlijn gebonden dat deze een ongeoorloofde overschrijding van zijn discretionaire bevoegdheid oplevert. In het licht van de discretionaire vervolgingsbevoegdheid van het openbaar ministerie stelt het hof vast dat de beide kennisgevingsbrieven van de ILT van 29 november 2022 en 1 december 2022 aan de verdachte, geen (onvoorwaardelijke) toezeggingen bevatten dat de verdachte voor de twee overtredingen op 7 en 21 april 2022 niet (verder) vervolgd zal worden. Daaraan kon zij niet het door de verdediging bedoelde gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen. Aan de mededeling door de ILT aan schipper [persoon 1] op 13 mei 2022 dat ‘vooralsnog waarschuwend zal worden opgetreden’ kon de verdachte, voor zover zij daarover al door [persoon 1] was ingelicht, dat vertrouwen evenmin ontlenen, alleen al vanwege het gemaakte voorbehoud ‘vooralsnog’. Het hof verwerpt de gevoerde verweren. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging. Bespreking gevoerde verweren en bewijsoverweging Algemene Verordening Gegevensbescherming Standpunt verdediging De verdediging neemt als uitgangspunt dat uit het Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2018-2020 blijkt dat gegevens verkregen door middel van het Automatic Identification System (AIS) worden beschouwd als vallende onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG ). Comon Invent mag volgens de verdediging deze AIS-gegevens niet uit de lucht plukken en verwerken. Deze verwerking bestaat erin dat Comon Invent een eigen nummer aan een betreffende schip geeft: het zogenoemde Comon Invent Identification nummer (CIID). Dit nummer verstrekt Comon Invent aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: de Omgevingsdienst). Onder verwijzing naar artikel 3, zesde lid, van de AVG (het hof leest: artikel 4, vijfde lid, van de AVG) stelt de verdediging dat door Comon Invent niet op een effectieve wijze wordt gepseudonimiseerd nu schepen elke keer hetzelfde nummer krijgen. Tevens heeft er aantoonbaar geen gegevensbeschermings-effectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 van de AVG plaatsgevonden. Het gevolg hiervan is dat de verwerking van de gegevens door Comon Invent op onrechtmatige wijze plaatsvindt, dat de Omgevingsdienst deze gegevens niet kan/mag ontvangen van Comon Invent en dat de ILT er niet over kan/mag beschikken. De verstrekte CIID-gegevens zijn te beschouwen als ‘fruits of a poisonous tree’ en daarmee onrechtmatig verkregen bewijs. Deze gegevens moeten buiten beschouwing worden gelaten nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat tot gevolg heeft dat sprake is van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een schending van artikel 6 EVRM zou plaatsvinden indien niet tot uitsluiting van het bewijs wordt besloten. Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich in de onderhavige zaak op het standpunt gesteld, dat de verkregen AIS-gegevens geen persoonsgegevens betreffen in de zin van de AVG zodat niet daarmee in strijd is opgetreden. Oordeel van het hof Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Comon Invent is de leverancier van een eNose-netwerk dat, onder meer, is opgesteld langs het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze eNoses worden door de Omgevingsdienst beheerd en uitgelezen. In het Convenant 2018-2020 is het eNose-netwerk beschreven als project van de Provincie Noord-Holland. Dit project is gestart ten behoeve van toezicht op en handhaving van het verbod tot varend ontgassen, met als doel de leefkwaliteit rondom het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal te verbeteren. Het hof stelt overigens vast dat op de onderhavige zaak, gelet op de ten laste gelegde momenten van overtreding, 7 en 21 april 2022, het Convenant 2021-2026 van toepassing is. Voor wat betreft de primaire doelen van genoemd project en de werkwijze van de eNoses is geen wijziging vastgesteld ten opzichte van de eerdere versie. Uit het Convenant 2018-2020 volgt verder dat de Omgevingsdienst het netwerk op de website continu monitort.
Volledig
Het hof begrijpt dat eventuele detecties van veranderde luchtsamenstelling door een of meer eNoses langs de vaarwegen geplaatst, door het eNose-netwerk real time en geautomatiseerd per e-mailbericht aan de Omgevingsdienst worden gemeld. Een eNose is een ‘indicatief meetinstrument’ dat 24 uur per dag veranderingen van de luchtsamenstelling detecteert. De eNose geeft niet aan om welke stoffen het precies gaat en in welke concentraties. Bij een ontgassend vaartuig ontstaat echter wel een voor die ontgassing uniek eNose-patroon. Met dit eNose- patroon kan onder andere aangetoond worden of de verandering van de luchtsamenstelling (ontgassing) van één en hetzelfde vaartuig afkomstig is. Als een eNose een verandering van de luchtsamenstelling detecteert, verandert de eNose (op het beeldscherm) van kleur. Een groene eNose betekent geen verandering van de luchtsamenstelling. De eerste ‘stap’ van een verandering is geel, de volgende ‘stap’ is oranje en de laatste ‘stap’ is een rode verkleuring van de eNose. Een rode eNose wordt het alarmniveau genoemd. Alle data die door het eNose-netwerk worden gegenereerd worden binnen dit systeem digitaal opgeslagen. Dit geldt ook voor het scheepsverkeer dat door middel van de binnen dit systeem aanwezige AIS-ontvangers in het eNose-netwerk gevolgd kan worden. Met behulp van de software van Comon Invent kan de Omgevingsdienst de historische data uitlezen. Comon Invent heeft aan ieder AIS-uitzendend vaartuig een gepseudonimiseerd nummer (het zogenoemde CIID-nummer) toegekend. Het CIID-nummer staat voor ‘Comon Invent IDentification-nummer’. Comon Invent heeft voor het signaleren van varend ontgassende schepen een ontgassingstool beschikbaar die automatisch patronen herkent van een ontgassend schip. Hiermee heeft de tool een signaleringsfunctie en is het een hulpmiddel bij toezicht en handhaving. Deze tool, de Degassing Vessel Detective Tool , heeft op donderdag 7 april 2022 twee meldingen en op 21 april 2022 één melding gegenereerd. Op 7 april 2022 respectievelijk 21 april 2022 ontving de Omgevingsdienst twee respectievelijk één automatisch gegenereerde meldingen van de Degassing Vessel Detective Tool van Common Invent. De Omgevingsdienst heeft naar aanleiding van die meldingen afzonderlijke rapportages opgemaakt. Voor verdachte betreft dit de rapportages die betrekking hebben op eNose-detecties van 7 april 2022 respectievelijk 21 april 2022 in relatie tot de vaarroute van het vaartuig met [nummer 1] . Genoemde rapportages van de Omgevingsdienst, gedateerd 24 mei 2022 respectievelijk 22 november 2022, zijn uitgebracht aan de ILT. In die rapportages wordt het vaartuig aangeduid met genoemd CIID-nummer. De ILT heeft vastgesteld dat het CIID-nummer gekoppeld kon worden aan het binnenvaarttankschip genaamd [naam 1] . De ILT heeft verder onderzoek gedaan aan boord van de [naam 1] op 13 mei 2022 en hierover proces-verbaal opgemaakt. Regelgeving In deze zaak zijn onder meer relevant: het Europees verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (hierna: ADN) de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: WVGS), het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen over binnenwateren, de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006, de AVG-verordening en de AVG-richtlijn. Is sprake van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens Comon Invent? Het eNose-netwerk van Comon Invent identificeert een mogelijk ontgassend vaartuig, achterhaalt daarbij de naam van het vaartuig, pseudonimiseert dit middels het CIID-nummer en verstrekt dit nummer aan de Omgevingsdienst. Het hof is met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat hier gelet op de AVG sprake is van het verwerken van persoonsgegevens. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de heer [verbalisant 1] , senior inspecteur bij de ILT, als getuige verklaard dat hij in de melding van de Omgevingsdienst het CIID-nummer, maar ook het MMSI-nummer ontvangt. Ofschoon dit niet uit de eerder genoemd processen-verbaal volgt, kan die gang van zaken in het midden blijven nu het hof van oordeel is dat het genoemde CIID-nummer een persoonsgeven betreft. Immers, aan de hand van dit nummer is het mogelijk voor de opvolgende instanties die dit nummer ontvangen eventueel met behulp van digitaal beschikbare sites de naam van het schip te achterhalen. Met de naam van het schip is het mogelijk de eigenaar van het schip te achterhalen en in het geval er sprake is van een rechtspersoon of een vennootschap onder firma, is eenvoudig te achterhalen wie de aandeelhouder(s), de vennoot/ vennoten dan wel de bestuurders zijn. De Omgevingsdienst en de ILT Voor de Omgevingsdienst en de ILT geldt het volgende. De AVG is niet van toepassing op verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten (artikel 2, tweede lid, aanhef en sub d, van de AVG). Verwerking van persoonsgegevens is uitdrukkelijk toegestaan op grond van de AVG-richtlijn (artikel 8). De verwerking door de Omgevingsdienst en de ILT is daarmee rechtmatig, mits zij voldoet aan de voorwaarden van noodzakelijkheid, proportionaliteit en doelbinding zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8 van de AVG-richtlijn en hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Vormverzuim door de Omgevingsdienst en de ILT Indien zou worden aangenomen dat de Omgevingsdienst bij het uitlezen van het eNose-netwerk of het verwerken van CIID-nummers persoonsgegevens heeft gebruikt die indirect afkomstig zijn uit een eerdere onrechtmatige verwerking door Comon Invent, kan dit worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Dat geldt te meer indien wordt geoordeeld dat de Omgevingsdienst de scheepsidentiteit heeft vastgesteld op basis van gegevens die niet volledig losstaan van de eerdere onrechtmatige verwerking door Comon Invent. Toch rechtvaardigt dit geen bewijsuitsluiting of ander rechtsgevolg. Volgens HR 12 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1196) kan slechts indien het onrechtmatig verkregen resultaat “van bepalende invloed” is geweest op het opsporingsonderzoek of de vervolging, een rechtsgevolg (zoals bewijsuitsluiting) aan de orde zijn. Daarvan is hier geen sprake. Het opsporingsonderzoek kon immers reeds plaatsvinden op basis van automatisch gegenereerde meldingen uit het eNose-netwerk dat door de Omgevingsdienst zelf wordt beheerd en uitgelezen. De door Comon Invent verstrekte melding had hooguit een signalerende of bevestigende waarde en is niet van doorslaggevende betekenis geweest voor het onderzoek of de vervolging. Bovendien is de aard en ernst van het verzuim beperkt: de verwerking door de Omgevingsdienst en de ILT diende een legitiem doel (toezicht en handhaving van milieuwetgeving), vond plaats binnen hun wettelijke taak en heeft geen onevenredige inbreuk gemaakt op de rechten van betrokkenen. Daarmee zijn de hiervoor genoemde voorwaarden van noodzakelijkheid, proportionaliteit en doelbinding vervuld. Gelet op deze omstandigheden, en met inachtneming van de subsidiariteit van bewijsuitsluiting, bestaat geen aanleiding om enig rechtsgevolg aan het eventuele vormverzuim te verbinden. Bewijsoverweging Standpunt verdediging In zaak A heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat in verboden gebied is ontgast. Er is immers, behalve de meldingen van de eNoses, geen bewijsmateriaal dat de plaats aanduidt waar de schipper heeft ontgast. [persoon 1] heeft ontkend dat hij op plekken heeft ontgast waar het niet mocht. Hij heeft verklaard dat dat hij in de buurt van dichtbevolkte gebieden en bruggen niet ontgast heeft. Zijn verklaring is niet geverifieerd, terwijl uit de stukken blijkt dat het gedurende zijn vaartocht op 7 april 2022 hard waaide. Mogelijk hebben benedenwinds geplaatste eNoses iets gesignaleerd dat bij minder harde wind niet zou zijn gesignaleerd. Er is geen objectief kenbare informatie waaruit kan worden afgeleid dat de eNoses bij harde wind niet ‘in de war raken’.
Volledig
Indien de harde wind wordt weggedacht, valt bovendien niet uit te sluiten dat dampen door het met enige snelheid varende schip in de vaarrichting worden meegezogen terwijl de ongassingsluiken al dicht zijn. Voorts staan slechts 2 van de 7 op 7 april 2022 detecterende eNoses in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden en/of bruggen. De signalen die de eNoses gaven zijn, ook in combinatie met de verdere inhoud van het dossier, onvoldoende betrouwbaar en dus onvoldoende bewijzend voor het scenario dat in de tenlastelegging staat. In zaak B primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het niet per se uitmaakt waar de ontgassing heeft plaatsgevonden aangezien de voorgaande lading uit benzeen bestond. Ten aanzien van het in zaak B subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende bewijs is dat op plekken is ontgast waar dat niet mocht. Opzet De raadsman heeft tegengesproken dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. Niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de gedraging en/of kon vermoeden dat de gedraging zou plaatsvinden. De aanwezigheid van het handboek van bevrachter [bedrijf 2] maakt te meer duidelijk dat het niet de verdachte was die wist/accepteerde/aanvaardde dat in strijd met de regels werd ontgast, aldus de raadsman. Oordeel hof Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Zaak A Op 11 april 2022 omstreeks 14.16 uur ontving de heer [verbalisant 1] , inspecteur bij de ILT, een e-mailbericht van een medewerker van de Omgevingsdienst. Daarin deelde deze medewerker mee dat op 7 april 2022 op het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal mogelijk een ontgassend schip was. Er waren veranderingen van de luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in dit e-mailbericht genoemd het schip voorzien van het CIID-nummer [nummer 1] . Het ontgassende schip werd geïdentificeerd als het binnenvaarttankschip [naam 1] . Naar aanleiding van deze melding door de Omgevingsdienst heeft de ILT op 13 mei 2022 aan boord van de [naam 1] een inspectie uitgevoerd. Uit de gevorderde documenten bleek dat [persoon 1] op 7 april 2022 de (verantwoordelijke) schipper was en dat de exploitant (de vervoerende onderneming) [bedrijf 1] B.V. was. Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek dat de op 7 april 2022 vervoerde en geloste gevaarlijke stof “UN 1863, BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN, 3 (N2+F), VG III. MILIEUGEVAARLIJK” betrof. Deze lading, Jet A1 (UN 1863), was op 6 en 7 april 2022 gelost. Op het opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) zijn de gasmetingen genoteerd die zijn uitgevoerd tijdens het ontgassen van de laatste lading ‘Ethanol/Jet A1’ op 7 en 8 april met als starttijd 7 april om 19:30 uur in het traject Amsterdam - Rotterdam. Uit de gasmetingen blijkt dat de ladingstanks daadwerkelijk zijn ontgast. Blijkens het vervoersdocument voor gevaarlijke goederen (proces-verbaal A, pag. 61) ging het om Jet A1. Dat is kerosine, brandstof voor turbines en straalmotoren. De ILT heeft vervolgens op 13 mei 2022 een rapportage opgevraagd bij de Omgevingsdienst inzake deze ontgassing van 7 april 2022. Uit deze eNose-rapportage van 24 mei 2022 volgt dat op 7 april 2022 tussen 17:30 en 19:06 uur door méér eNoses detecties waren gedaan dan in eerste instantie op 11 april 2022 bij de ILT gemeld: Het hof begrijpt dat regel 7 in de bovenstaande tabel, gezien het daarin vermelde tijdstip, berust op een kennelijke misslag. Regel 6 en regel 8 betreffen hetzelfde tijdstip en dezelfde locatie. Het hof zal regel 7 in het navolgende negeren. De op de bovengenoemde plaatsen aangesproken eNoses stonden alle op opeenvolgende plaatsten die zich benedenwinds van het op die tijdstippen voorbijvarende, ontgassende motortankschip bevonden. Daarbij is in de rapportage rekening gehouden met de windrichting, de snelheid van de wind en de snelheid van het schip. Deze locaties bevonden zich alle in (de nabijheid van) dichtbevolkt gebied. [persoon 1] is op 27 september 2022 telefonisch gehoord. Hij heeft verklaard dat in opdracht van [bedrijf 2] ontgast moest worden, dat dit onderweg moest naar de volgende laadplaats en dat hij op 7 april 2022 is vertrokken na het lossen bij [BV] . De verdachte weet niet meer waar het ontgassen heeft plaatsgevonden, wanneer het is aangevangen en in welk tijdsbestek, maar in ieder geval buiten dichtbevolkte en bewoonde gebieden en bruggen om. Op grond van de hiervoor omschreven rapportage rond de reis van de [naam 1] op 7 april 2022 tussen 17:30 uur en 19:06 uur concludeert het hof echter dat met het tankschip [naam 1] tussen die tijdstippen varend is ontgast op plaatsen waar dat verboden was. Anders dan door de raadsman is gesteld, acht het hof niet aannemelijk dat door de harde wind de eNoses in de war waren waardoor zij gassen of ontgassingen registreren die zij onder normale windomstandigheden niet detecteren. Het hof wijst nogmaals op de rapportage van de Omgevingsdienst van 24 mei 2022, waaruit overtuigend volgt dat uitdrukkelijk met de windrichting en windsnelheid rekening is gehouden. etEvenmin is aannemelijk geworden – zoals de raadsman stelt – dat mogelijk dampen door het varende schip zijn meegevoerd, waardoor eNoses in verboden gebied reageerden ten gevolge van eerdere ontgassingen op niet verboden locaties. De in de rapportage benoemde repeterende reacties van 10 minuten, of meer opeenvolgende eNoses in de vaarrichting van het schip, maken dat juist onaannemelijk. De bewijsverweren van de raadsman worden verworpen. Zaak B Op 21 april 2022, omstreeks 15:05 uur ontving [verbalisant 1] , inspecteur bij de ILT, een e-mailbericht van een medewerker van de Omgevingsdienst. Daarin deelde deze medewerker mee dat op 21 april 2022 een op het Noordzeekanaal rondjes varend schip was gesignaleerd dat mogelijk aan het ontgassen was. Er was een verandering van luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in dit e-mailbericht genoemd het schip voorzien van CIID-nummer [nummer 1] . Het ging om detecties bij de volgende eNoses: - NO-01, opgesteld ter hoogte van de Afrikahaven, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-02, opgesteld ter hoogte van recreatiegebied Spaarnwoude Oosterbroek, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-03 opgesteld ter hoogte van recreatiegebied Spaarnwoude Buitenhuizen, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-04, opgesteld ter hoogte van het Zijkanaal C, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal. Deze eNose-detecties zijn in dit proces verbaal verwoord, omdat tijdens het uitgevoerde onderzoek bleek dat er sprake was van een vermoedelijke overtreding van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006 (hierna te noemen: de Benzineregeling). Gelet op deze Benzineregeling had er in het geheel niet ontgast mogen worden. Het ging om het tankschip met de naam [naam 1] . Naar aanleiding van deze melding door de Omgevingsdienst heeft de ILT op 13 mei 2022 aan boord van de [naam 1] een inspectie uitgevoerd. Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek dat [persoon 2] op de 21 april 2022 de (verantwoordelijke) schipper was en dat [bedrijf 1] B.V. de exploitant (vervoerende onderneming) was. Uit de gevorderde documenten bleek voorts dat de laatst vervoerde en geloste gevaarlijke stof in de centerladingstanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10 (reis 7) betrof: “UN 1268, AARDOLIE DESTILLATEN, N.E.G. (benzinecomponent, alkylaat), dampdruk bij 50°C maximum 110 kPa, 3(N2+F+CMR), VG II. MILIEUGEVAARLIJK” Deze stof was op 17 april 2022 geladen en op 21 april 2022 gelost. Uit de documenten bleek dat de voorgaande lading (reis 6) in de centerladingstanks 1 tot en (het hof leest en voegt toe: met) 5 en 7 tot en met 10 UN 1203, Benzine, 3 (N2, CMR, F) VG II betrof. Deze stof was op 14 april 2022 geladen en op 15 april 2022 gelost. Uit het gasmeetformulier blijkt dat op 21 april 2022 is geventileerd/ontgast van de laatste lading ‘Alkylate’ op het Noordzeekanaal tussen km 5 en km 21.
Volledig
De op 21 april 2022 verantwoordelijke schipper [persoon 2] heeft bij de ILT verklaard dat er op 21 april 2022 is ontgast tussen 12.30 uur en 16.00 uur op het Noordzeekanaal in Amsterdam, dat hij weet dat als je leeg bent van UN 1203, benzine je niet mag ontgassen maar dat hem ook gezegd is dat, als er een vervolglading van een ander product is overgeladen er wel ontgast mag worden. [persoon 2] heeft verklaard dat hem niet gezegd is dat alle ladingtanks bij een vervolglading voor meer dan 95% geladen moesten zijn. De ILT heeft aan de hand van de scheepsmeting na laden van reis 7 en de tanktabellen geconstateerd dat centerladingtanks 1 tot en (met) 5 en 7 tot en met 10 van de [naam 1] voor minder dan 95% – en dus onvoldoende gelet op artikel 2 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006 – met een ander product dan benzine gevuld waren geweest, aansluitend op het gelost zijn van benzine uit deze 9 centerladingtanks. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 2 van de Benzineregeling en daarmee met het bepaalde in artikel 4 WVGS. Het hof stelt vast dat in zaak A onder meer ten laste is gelegd dat varend onder bruggen Zeeburgerbrug en/of Nesciobrug en/of Uyllanderbrug werd ontgast. Met betrekking tot de eNose-signalering OV-01 wordt als verbodsgebied genoemd “net voor de Uyllanderbrug”. In de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN staat vermeld: Ontgassen is niet toegestaan in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden. Door de ILT wordt opgemerkt (proces-verbaal A, pag. 6) dat sprake is van ‘in de nabijheid van bruggen’ indien het schip zich binnen 500 meter vanaf het midden van een brug op een vaarweg bevindt. Het hof kan de ILT niet volgen in de conclusie dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de kamerbrief van 21 augustus 2019 (bijlage 2 bij proces-verbaal A, pag. 28-30) die invulling van het begrip “onder bruggen” heeft bekrachtigd. In genoemde kamerbrief staat enkel vermeld dat sinds april 2019 conform het ADN een breder spectrum aan stoffen niet meer varend mag ontgast worden in dichtbevolkte gebieden en nabij sluizen en bruggen. Het hof is van oordeel dat “nabij… bruggen” zoals vermeld in de kamerbrief berust op een onjuiste lezing van het ADN gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het hiervoor aangehaalde onderdeel in de tenlastelegging voor wat betreft de Uyllanderbrug niet bewezen kan worden nu met betrekking tot de eNose-signalering OV-01 sprake is van “net voor de Uyllanderbrug” en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Opzet (zaak A en B) In het economisch strafrecht is het opzet kleurloos. Dat wil zeggen dat het opzet van de verdachte niet gericht behoeft te zijn op de wederrechtelijkheid van zijn handelen maar slechts op de handeling zelf. Gelet daarop acht het hof bewezen dat sprake is geweest van opzet. Vervoerder in de zin van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen Standpunt raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet kwalificeert als vervoerder in de zin van de wet- en regelgeving. De stelling van het openbaar ministerie dat de verdachte als vervoerder is aan te merken omdat zij als exploitant op de Rijnvaartverklaring is vermeld, is een papieren werkelijkheid. De Rijnvaartverklaring heeft een administratief en niet zozeer een juridisch karakter; dat de verdachte daarop staat vermeld, betekent niet dat zij feitelijk heeft vervoerd. Volgens de definitie in het ADN is de vervoerder: “de onderneming die het vervoer met of zonder vervoersovereenkomst uitvoert”. De vraag is echter welke onderneming dat is. Artikel 8:890 van het Burgerlijk Wetboek definieert de vervoerder als degene die de vervoersovereenkomst sluit. De verdachte heeft met de [naam 1] geen vervoersovereenkomsten afgesloten. Voorts blijkt uit de rechtspraak dat een belangrijk criterium is wie feitelijk bij het vervoer betrokken is; dat was de verdachte evenmin. Uit de door de verdachte op 25 april 2023 aan de ILT verstrekte gegevens blijkt dat het transport niet is gerealiseerd door de verdachte. De voorwaarden waaronder het transport heeft plaatsgevonden zijn niet door de verdachte opgesteld. De vervoersovereenkomsten worden door [bedrijf 2] afgesloten met een derde: de ‘ladingbelanghebbende’. De verdachte huurde een schip van [bedrijf 3] via een zogenoemde bareboat -overeenkomst en stelde dit schip beschikbaar aan derden. De verdachte betaalt het bedrijf [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) om een schipper en bemanning te leveren. Daarvoor is in maart 2022 een overeenkomst gesloten met [bedrijf 4] . [bedrijf 4] handelde voor eigen rekening en risico en is verantwoordelijk voor de conditie van het schip en de wijze waarop de lading wordt behandeld. De schippers hebben een ADN-deskundigheidsverklaring – zij zijn daarom deskundig op het gebied van het ADN – en worden niet door de verdachte aangestuurd. De verdachte heeft geen invloed op het traject dat wordt gevaren en is ook geen eigenaar van de stoffen die worden vervoerd. [bedrijf 2] – die gespecialiseerde deskundigen in dienst heeft – is de bevrachter/operator. [bedrijf 2] is in ieder geval de partij die kennis heeft van het vervoeren van gevaarlijke stoffen, die de regels opstelt omtrent dat vervoer, die opgenomen zijn in een handboek dat aan boord lag van het schip. Transafe is de veiligheidsadviseur die [bedrijf 2] bijstaat bij het vervoer voor wat betreft de veiligheid. De conclusie van de raadsman is dat de normen waarover het in de zaken A en B gaat zich niet tot de verdachte Rijnaarde richten, maar tot de schipper en tot de andere partijen die het vervoer realiseerden. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat in feite elke partij in de vervoersketen als vervoerder is aan te merken, overeenkomstig artikel 2 WVGS. In elk geval is als vervoerder aan te merken de partij die fysiek vervoert zoals [bedrijf 1] B.V. als eigenaar/huurder/exploitant van de [naam 1] . Normadressaten zijn al diegene die opgesomd zijn in dat artikel. Dat betreft een ieder die op enigerlei wijze bij het vervoer betrokken is. De verdachte was derhalve zowel vervoerder als normadressaat in het kader van de ten laste gelegde gedragingen. Oordeel van het hof Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, WVGS is die wet van toepassing op het exploiteren van een container, tank, verpakking of vervoermiddel ten behoeve van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verdachte is, blijkens de Rijnvaartverklaring, de exploitant van de [naam 1] , en kan aldus als vervoerder en normadressaat worden aangemerkt. Anders dan door de raadsman gesteld, doet aan het voorgaande niet af dat de verdachte de [naam 1] – waarvan zij niet de eigenaar is – enkel ter beschikking stelt en dat zij het vervoer niet feitelijk verricht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Toerekening van de gedragingen aan de verdachte Standpunt raadsman Door de raadsman is betoogd dat de ten laste gelegde gedragingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Deze besloten vennootschap heeft met die gedragingen geen feitelijke bemoeienis gehad. Zij stelde slechts een door haar van [bedrijf 3] gehuurd tankschip beschikbaar, waarvan de bemanning – waaronder de schippers – werd geleverd door [bedrijf 4] . De schippers waren niet in dienst bij de verdachte. Het schip werd beschikbaar gesteld aan weer een andere derde, de Belgische bevrachter [bedrijf 2] B.V., die daarmee in beide ten laste gelegde gevallen de ladingen gevaarlijke stoffen, eigendom van weer andere partijen, vervoerde. De verdachte wist van de gedragingen dan ook niets af. Instructies aan de schippers over het (niet) varend ontgassen, en zo ja, waar dit wel of niet mocht plaatsvinden, zijn niet door de verdachte gegeven. [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 4] en de schipper waren er verantwoordelijk voor dat het vervoer volgens de regels verliep.
Volledig
Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft, met verwijzing naar het requisitoir in eerste aanleg en de toepasselijke regelgeving, gesteld dat dit verweer geen doel treft. Volgens zowel het ADN als de WVGS valt onder het begrip ‘vervoerder’ – en dus onder de normadressaten van die voorschriften – iedere partij of onderneming die feitelijk betrokken is bij het vervoer of bij de vervoersketen. De gedragingen kunnen de verdachte worden toegerekend, aldus de advocaat-generaal, nu deze hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Oordeel hof Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt: 1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. (….) Ter vaststelling dat een rechtspersoon een strafbare dader is dienen steeds twee vragen te worden beantwoord: I. is de verdachte geadresseerde van de norm? II. kan de verboden gedraging (gepleegd door een ander) redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend? Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend op grond van de navolgende overwegingen. Ad I In het uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte d.d. 11 juli 2022 (proces-verbaal AB, pag. 10) staat als een van de activiteiten van de verdachte opgenomen: ‘SBI-code: 50401 Binnenvaart (vrachtvaart)’. In het uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte d.d. 25 september 2025 (bijlage bij e-mailbericht van de raadsman d.d. 8 oktober 2025 aan het hof) staat als een van de activiteiten van de verdachte vermeld: ‘SBI-code: 50401 - Goederenvervoer over binnenwateren door middel van vrachtvaart’. Deze SBI-codes (standaardbedrijfsindelingen) worden bij de oprichting van (opvolgende) ondernemingen door de oprichters daarvan opgegeven. In zijn verhoor op 20 februari 2023 verklaart de vertegenwoordiger van de verdachte, [vertegenwoordiger] , gevraagd naar de werkzaamheden van [bedrijf 1] BV: ‘We doen goederenvervoer over binnenwater’. Het hof stelt vast dat de verdachte vennootschap geadresseerde is van de normen die betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het binnenwater als bedoeld in het ADN en in artikel 2 van de WVGS. Zij is ‘vervoerder’ in de zin van de wet. Dat in de beide ten laste gelegde kwesties ook andere rechtspersonen dan de verdachte als geadresseerden van de norm kunnen worden beschouwd, maakt dit niet anders. Ad II De verdachte, vervoerder in de zin van de wet, maakte in beide ten laste gelegde zaken gebruik van het van [bedrijf 3] gehuurde binnenvaarttankschip [naam 1] . Zij maakte daarbij gebruik van bemanning – de schippers daaronder begrepen – die ter beschikking was gesteld door [bedrijf 4] . Dit gehuurde schip stelde de verdachte – tegen een vergoeding – ter beschikking aan bevrachter [bedrijf 2] B.V., die daarmee in beide gevallen ladingen gevaarlijke stoffen liet vervoeren. De verdachte exploiteerde het schip en de bemanning commercieel bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verdachte maakte gebruik van (hulp)goederen (schip) die niet haar eigendom waren en van (hulp)personen (waaronder de schippers) die niet bij haar in dienstbetrekking waren. Voor eventuele overtredingen met die goederen of door die personen, blijft de verdachte, zijnde normadressaat, strafrechtelijk aansprakelijk, als de gedragingen redelijkerwijze aan haar kunnen worden toegerekend. Daarvan kan volgens inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn als de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht ‘in de sfeer’ van de verdachte rechtspersoon. Van een dergelijke gedraging zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf, d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Zowel op 7 april 2022 als op 21 april 2022 handelden de verschillende schippers mede ten behoeve van de verdachte, de exploitant van het bemande schip. Aan criterium a. is voldaan. De verdachte was in beide gevallen als vervoerder betrokken bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren. Daarbij zijn de voor dergelijk vervoer geldende regels overtreden. Die gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Aan criterium b. is voldaan. De overtredingen door de schippers zijn de verdachte dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf, te weten het vervoer van (gevaarlijke) goederen over de binnenwateren (SBI 50401, zie hiervoor onder I). Door varend te ontgassen, mede op plaatsten waar dat niet was toegestaan, kan het schip efficiënter (door [bedrijf 2] B.V. of anderen) worden gebruikt en door de verdachte worden geëxploiteerd. Dat de verdachte daarmee niet méér heeft verdiend dan wanneer de regels zouden zijn nageleefd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, kan het hof niet met zekerheid vaststellen, maar het is ook niet van doorslaggevend belang. Aan criterium c. is voldaan. Het hof stelt vast dat de overtredingen van de regelgeving op 7 april 2022 en op 21 april 2022 aan de verdachte vennootschap kunnen worden toegerekend. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het zaak A en in zaak B primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zaak A: zij op 7 april 2022 te Amsterdam en Diemen en Weesp, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht op het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een gelost (motortank)schip, genaamd [naam 1] , resten van BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, te vervoeren, terwijl de ladingtanks aan boord van dat schip niet vrij waren van gassen van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, zonder een of meer krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft zij toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in artikel 1.2.1 van het ADN, bij het vervoer van resten van die BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN (Kerosine, Jet A1), UN1863, klasse 3, verpakkingsgroep III, in strijd met subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN varend in dichtbevolkte gebieden geloste ladingtanks van dat motortankschip, die die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN hebben bevat, ontgast; Zaak B: primair.
Volledig
zij op 21 april 2022 in Nederland, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, op het Noordzeekanaal en het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel a van genoemde wet, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder 1 van genoemde wet en/of sectie 1.2.1 van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), te weten een (binnenvaart)tankschip, genaamd [naam 1] , gelost van Aardoliedestillaten, N.E.G., UN 1268, klasse 3, verpakkingsgroep II, terwijl de hieraan voorafgaande lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II, en van die benzine afkomstige restladingdamp betrof, te vervoeren en in de atmosfeer te ontgassen, terwijl de desbetreffende ladingtanks van dat schip, niet vrij waren van restladingdamp van Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II, (mede gelet op sub sectie 1.1.2.5 van het ADN), zonder een of meer krachtens artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, in verband met de in de artikelen en 2 en 4 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006, gestelde regels in acht te nemen, mede gelet op het bepaalde in de subsectie 7.2.3.7.0 van het ADN, immers: heeft zij, verdachte, ladingtanks als bedoeld in de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006, van dat (binnenvaart)tankschip in de atmosfeer ontgast, van restladingdampen van benzine, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de richtlijn nr. 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG L 365), terwijl ten aanzien van het ontgassen niet werd voldaan aan de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven voorschriften, doordat zij, verdachte, ladingtanks heeft ontgast waardoor de restladingdampen van Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II niet in de ladingtank(s) opgeslagen bleven waarbij niet kon worden aangetoond dat: - de drie aan het ontgassen voorafgaande ladingen, doch volgend op de lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II van de desbetreffende ladingtanks van dat (binnenvaart)tankschip niet bestonden uit benzine, en - de desbetreffende ladingtanks bij de voorafgaande aan het ontgassen, na lossen van de lading Benzine, UN 1203, klasse 3, verpakkingsgroep II voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan benzine. Hetgeen in zaak A en in zaak B primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zoals vervat in de bij dit arrest gevoegde bijlage. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon. Het in zaak B primair bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van artikel 4 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A en zaak B primair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen haar in zaak A en in zaak B primair en subsidiair ten laste is gelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en in zaak B primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,00. Zij heeft daarbij opgemerkt dat het onder B tenlastegelegde driemaal zwaarder dient te worden bestraft dan het onder A tenlastegelegde. De raadsman heeft het hof verzocht in geval van bewezenverklaring er rekening mee te houden dat de verdachte thans niet meer in dezelfde branche actief is. Voorts heeft de raadsman verzocht, wat betreft de hoogte van de op te leggen geldboete, uit te gaan van de geldende OM-beleidsregels. Aangezien een transactie aangeboden had moeten worden en de verdachte inmiddels veel tijd en geld kwijt is aan de strafzaak, heeft de raadsman verzocht geen straf op te leggen dan wel (subsidiair) een eventuele geldboete, mede gezien het tijdsverloop, in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft in zaak A varend ontgast op plekken waar dat niet is toegestaan. Dat kan schadelijk zijn voor mens en milieu. In zaak B heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het ontgassen van de ladingtanks van het motortankschip. Dit betrof dampen van de geloste lading aardoliedestillaten. Dit ontgassen was verboden omdat de voorgaande lading benzine betrof en de ladingtanks van de lading aardoliedestillaten niet voor meer dan 95% waren gevuld. Hiermee is gehandeld in strijd met de Regeling benzinevervoer in gesloten tanks 2006 en met de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit is eveneens schadelijk voor het milieu en bovendien potentieel gevaarlijk. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 september 2025 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete als door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de transactiebedragen genoemd in de eerder genoemde OM-richtlijn. Het hof is daaraan niet gebonden, en op het bewezenverklaarde onder B ziet die richtlijn niet. Gelet op de ernst van de feiten kan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of met oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete – zoals door de raadsman bepleit – niet worden volstaan. Het hof vindt, al het bovenstaande in aanmerking genomen, een geldboete zoals door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 4 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het artikel 2 Regeling benzinevervoer in mobile tanks 2006. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 81- 031437-23 en in de zaak met parketnummer 81-031422-23 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 81-031437-23 en in de zaak met parketnummer 81- 031422-23 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro) . Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2025. Bijlage Bewijsmiddelen Ten aanzien van zaak A 1.
Volledig
Een proces-verbaal met nummer 616797-1-ILT2022-490 van 1 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 1 -17], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 18-89]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen : Op 11 april 2022, omstreeks 14:16 uur is door mij, [verbalisant 1] , een door een medewerker van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna te noemen: ODNZKG) verzonden e-mail ontvangen. In deze e-mail werd melding gemaakt van een op 7 april 2022 op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal mogelijk ontgassend schip. Er waren veranderingen van luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in deze e-mail genoemd het schip voorzien van CIID-nummer [nummer 1] . Opmerkingen verbalisanten: Het bedrijf “Comon Invent” is leverancier van het gehele eNose netwerksysteem, zowel in beheer bij de DCMR als de ODNZKG. Het CIID-nummer is een uniek identificatienummer dat toegekend is aan een schip in het Comon Invent systeem, en staat voor: Comon Invent Identification-nummer. Het Comon Invent systeem is een programma dat gedetailleerde inzichten in scheepsbewegingen van een mogelijke ontgassing geeft. De in de voornoemde ODNZKG (e-mail) melding genoemde eNoses: - ZD-05 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 14.7, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - ZD-03 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 17.5, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - ZD-02 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 18.2, aan de noordelijke oever van het Noordzeekanaal; - VK-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 21, aan de noordelijke oever van het IJ; - TH-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 4, aan de oostelijke oever van het Amsterdam-Rijnkanaal; - OV-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 5.3, aan de oostelijke oever van het Amsterdam-Rijnkanaal. De hierboven genoemde eNose TH-01 staat opgesteld in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden zoals bedoeld in subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. In en in de nabijheid van het Amsterdam-Rijnkanaal is dichtbevolkt gebied gelegen. Het betreft hier dichtbevolkte gebied als bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. Een gebied wordt als dichtbevolkt aangemerkt indien er zich binnen 500 meter vanaf de betreffende vaarweg, op een oppervlakte van 100 meter bij 100 meter (1 hectare) meer dan 200 personen woonachtig zijn. Naar aanleiding van deze door de Minister (Kamerbrief ILT-2019/38283) met bijlage (ILT-2019/35931) bekrachtigde invulling van “dichtbevolkt gebied” en (…) is dit door de ILT nadrukkelijk naar externen gecommuniceerd en op internet gepubliceerd. Tevens is door de ILT op haar website een kaart opgenomen waarop de volgens de ADN-regelgeving voor ontgassen verboden en toegestane ontgassingsvaarweggedeeltes duidelijk zichtbaar zijn gemaakt. Deze kaart is benaderbaar via www.ilent.nl, onder Gevaarlijke stoffen binnenvaart - Varend ontgassen. Naar aanleiding van: - de ODNZKG-melding over de door eNoses geconstateerde veranderingen van de luchtsamenstellingen; - het (in eerste instantie gepseudonimiseerd) op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal varende tankschip, gelet op de posities ten opzichte van de betreffende eNoses, de vaarbeweging en afgelegde vaarroute, windrichting en windsnelheid, is dit tankschip aan deze eNose detecties gekoppeld; - het door mij, [verbalisant 1] , hierop middels recente van de DCMR verkregen CIID-gegevens geïdentificeerde schip, zijnde het binnenvaarttankschip genaamd [naam 1] met MMSI-nummer [nummer 2] (en naar later bleek ENI [nummer 3] ); was hier mogelijk sprake van ontgassen van de ladingtanks van het tankschip [naam 1] , van een tot dan toe onbekende stof. Door mij, [verbalisant 1] , werd, met gebruikmaking van de openbare en vrij toegankelijke internetsite “Vesselfinder” (een zogenaamde ‘Open Source’), geverifieerd of het genoemde tankschip met de naam [naam 1] , met MMSI-nummer [nummer 2] en naar mij middels internet bleek scheepsnummer (ENI) [nummer 3] , inderdaad verantwoordelijk kon zijn voor het vrij laten komen van gassen en dampen uit ladingtanks c.q. het ontgassen van de restanten van de geloste lading uit de ladingtanks van dit tankschip in de atmosfeer. Na raadplegen bleek dat de historische trackgegevens van dit tankschip volledig overeenkwamen met de trackgegevens van het door de ODNZKG aangemerkte tankschip [naam 1] . Tijdens de op 13 mei 2022 uitgevoerde samenwerkingsactie met Rijkswaterstaat werd door ons het tankschip [naam 1] geïnspecteerd, gericht op het ontgassen van de ladingtanks van dit tankschip. Op 13 mei 2022 bevonden wij ons, met toezicht belast, in de Zuider Voorhaven van de Volkeraksluizen. Wij zagen dat daar toen het motortankschip [naam 1] gemeerd lag. Wij zagen dat op het motortankschip de naam [naam 1] en het ENI [nummer 3] waren aangebracht. Verder zagen wij dat dit schip een vervoermiddel was, als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen eveneens dat genoemd schip een (binnenvaart) motortankschip, als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, betrof. De in dit proces-verbaal genoemde haven en vaarwegen betroffen allen binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Nadat wij aan boord van genoemd tankschip waren gegaan, begaven wij ons naar het achterschip van dit tankschip. Daar troffen wij in het stuurhuis een manspersoon aan, welke zich ten overstaan van ons kenbaar maakte als de zich aan boord bevindende verantwoordelijke schipper (later te noemen [persoon 1] ). Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek ons dat de op 7 april 2022, toen laatst vervoerde en vervolgens bij de [BV] B.V. geloste gevaarlijke stof betrof: “UN 1863, BRANDSTOF VOOR STRAALVLIEGTUIGEN, 3 (N2+F), VG III. MILIEUGEVAARLIJK” Wij zagen aan de hand van de scheepsmeting na laden dat deze lading in de centerladingtanks 2 tot en met 5 en 7 tot en met 9 als reis 4 in deze centerladingtanks van dit tankschip gestuwd was geweest. De in dit proces-verbaal genoemde stoffen betreffen allen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen op de Rijnvaartverklaring dat als exploitant (vervoerende onderneming) van de [naam 1] de volgende onderneming stond vermeld: [bedrijf 1] B.V. [adres 1] Wij zagen op de meetbrief, met nr. [nummer 4] , dat het voorheen te noemen tankschip met de naam [naam 2] per 17-03-2022 gewijzigd was naar de naam [naam 1] . Uit de door het Agentschap Telecom afgegeven document Maritiem mobiel bleek ons dat voor het voornoemde beroepsbinnenvaartuig [naam 1] , bij zenderidentificatie gegevens, als MMSI-nummer stond vermeld: [nummer 2] . Uit het vaartijdenboek (afgegeven op 17 juni 2020, met volgnummer 6) van het voornoemde tankschip bleek ons dat op 7 april 2022, tijdens het vermoedelijke ontgassen, als enige (verantwoordelijke) schipper aan boord van dit tankschip, [persoon 1] stond opgetekend. Op de losverklaring zagen wij dat de hiervoor genoemde lading, Jet A1 (UN 1863), op 6 en 7 april 2022 werd gelost uit de centerladingtanks 2 tot en 5 en 7 tot en met 9 van tankschip [naam 1] . Op het door de, ten tijde van het ontgassen, verantwoordelijk schipper [persoon 1] opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in de subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) stond genoteerd dat er gasmetingen waren uitgevoerd tijdens het ontgassen van de laatste lading ‘Ethanol/Jet A1’ op 07/04 en 08/04 met als starttijd 07/04 om 19:30 uur en met als traject Amsterdam - Rotterdam. (…) (…) Uit deze genoteerde resultaten van uitgevoerde en voorgeschreven gasmetingen blijkt dat de genoemde ladingtanks daadwerkelijk werden ontgast. Wij zagen dat onder aan deze meting de naam van de ADN-deskundige schipper ‘ [persoon 1] ’ genoteerd stond. Opmerking verbalisanten: In dit proces-verbaal wordt bedoeld met LEL (dit is de afkorting van ‘Lower-Explosion-Level’) de ‘onderste explosiegrens’.
Volledig
Dat wil zeggen, de laagste concentratie van een gas-luchtmengsel, zijnde de ondergrens van het stof gebonden explosiegebied, waarbij een explosie mogelijk is. Op 13 mei 2022 heb ik, [verbalisant 1] , als vervolg op de eerder ontvangen ODNZKG melding van 7 april 2022, en de door ons op 13 mei 2022 uitgevoerde inspectie, een rapportage opgevraagd bij de ODNZKG inzake deze ontgassing d.d. 7 april 2022. Op 10 juni 2022 ontving ik, [verbalisant 1] , deze opgevraagde rapportage van een medewerker van de ODNZKG. Gelet op hetgeen in de, door de bij de ODNZKG werkzame medewerker, opgemaakt rapportage stond verwoord, bleek dat er op 7 april 2022 vermoedelijk werd ontgast door een op het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal varend binnenvaart tankschip. Deze vermoedelijke ontgassing werd waargenomen middels eNose detecties. Door het eNose netwerk was aan dit vermoedelijk ontgassende tankschip het gepseudonimiseerde zogenaamde CIID-nummer ‘ [nummer 1] ’ toegekend. Dit CIID-nummer kwam o.a. overeen met de eerder ontvangen melding d.d. 11 april 2022. Omschrijving positie (aanvullende) eNoses ODNZKG notitie Uit deze opgemaakte rapportage bleek ons dat er door meerdere eNoses detecties waren gedaan, dan in de eerste instantie bij de ILT gemeld, in de door mij, [verbalisant 1] , reeds ontvangen e-mail melding van 11 april 2022. De volgende in de voornoemde ODNZKG rapportage genoemde eNoses zijn een aanvulling op de, tot dan toe, ons bekende detecties: - MU-01 staat opgesteld ter hoogte van de Muiderbrug op het Amsterdam-Rijnkanaal. - RI-01 staat opgesteld ter hoogte van KM-raai 9.1, aan de oever van het Amsterdam-Rijnkanaal. De hierboven genoemde en aangesproken eNoses MU-01 en RI-01 staan gepositioneerd in een gebied zoals bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN, namelijk in de nabijheid van dichtbevolkt gebied. Bijlage 12 Een geschrift, zijnde een e-mailbericht van 4 april 2022 van het Team Mailbox van [website] bevattende het vervoersdocument voor gevaarlijke goederen omtrent de [naam 1] [doorgenummerde pagina 61]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Bijlage 21 Een proces-verbaal met nummer ILT-2022-616797 van 27 september 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 79-82], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 83-87]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als V vraag van de verbalisant en A de op 27 september 2022 telefonisch afgelegde verklaring van de verdachte [persoon 1] : V: Wie was (…) aan boord van de [naam 1] met scheepsnummer (ENI) [nummer 3] (…) tijdens het ontgassen op 7 april 2022, de verantwoordelijke schipper? A: Ik. V: Wie is de exploitant (vervoerende onderneming) zoals bedoeld in het ADN? A: (…) De exploitant is [bedrijf 1] B.V. V: Welk product was er toen, op 7 april 2022 (reis 4), als laatste vervoerd en in welke ladingtanks was dit product toen gestuwd? A: Dat was Jet, in ladingtanks C2, C3, C4, C5, C7, C8, C9. V: Waar was de laatste lading (reis 4) gelost en hoe laat daar vertrokken na lossen? A: [BV] , volgens mijn agenda ben ik daar 7 april vertrokken om 17:20 uur. V: Is er opdracht door u ontvangen om te ontgassen en wie heeft u die opdracht gegeven? A: Er moest in opdracht van [bedrijf 2] ontgast worden. Dit moest onderweg naar de volgende laadplaats. V: Waar heeft het ontgassen plaatsgevonden, wanneer aangevangen en in welk tijdsbestek? A: Dat weet ik niet meer. V: Op welke wijze zijn de ladingtanks ten behoeve van het ontgassen geopend en zijn alle ladingtanks geopend? A: Ik heb alleen de deksels van de vlamkerende rooster geopend van alle ladingtanks. V: Is de door mij aan u per e-mail verstuurde gevoegde ‘bijlage 1 – Gasmeting’ (proces-verbaal verhoor bijlage 1) opgemaakt in verband met het ontgassen van de ladingtanks op 7 april 2022? A: Ja. Bijlage 18 Een geschrift zijnde een gasmeetformulier met betrekking tot de [naam 1] [doorgenummerde pagina 67]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: (…) (…) (…) (…) Bijlage 19 Een geschrift zijnde een eNose rapportage varend ontgassen binnenvaartschip van [persoon 5] , Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied aan [verbalisant 1] (ILT) van 24 mei 2022 [doorgenummerde pagina’s 68-77]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven: 7 april 2022: melding varend ontgassende vaartuig Op 7 april 2022, kreeg ik twee automatisch gegenereerd en mij middels e-mail toegezonden melding van de Degassing Vessel Detective tool van Comon Invent. Ik zag dat de 1e e-mail om 17:50 uur en het 2e e-mail om 18:50 uur door Comon Invent was verzonden. In beide e-mailberichten zag ik staan als “Possible suspect” de CIID nummers “ [nummer 1] ” en “ [nummer 5] ” staan. Dit betekent dat de Degassing Vessel Detective tool twee vaartuigen heeft herkend. 23 mei 2022: onderzoek eNose netwerk Naar aanleiding van het verzoek van ILT heb ik, in verband met voornoemde melding, op 23 mei 2022 een nader onderzoek uitgevoerd. Hiervoor heb ik de historische data van 7 april 2022, van 17:00 uur tot 23:59 uur, opgevraagd met behulp van de software van Comon Invent. Bij een melding van de Degassing Vessel Detective tool wordt het vaartuig door de software van Comon Invent automatisch geel gemarkeerd en de vaarbeweging van het vaartuig middels een track zichtbaar gemaakt (paarse lijn). Ik heb in figuur 1 een screenshot afgedrukt van het eNose netwerk met de afgelegde route van de vermoedelijk veroorzakende ontgassende vaartuigen. Door met de cursor op het vaartuig te klikken verschijnt er een pop-up scherm met de gegevens over het vaartuig. Hierbij worden o.a. de datum, tijdstip, snelheid en het geanonimiseerd CIID nummer van het vaartuig weergegeven. Ik zag dat vaartuig met CIID [nummer 5] was afgemeerd aan een steiger bij [BV] en vaartuig met CIID nummer [nummer 1] lag afgemeerd aan een wachtsteiger in de [plaats 1] . Om de locatie van herkomst van vaartuig met [nummer 1] te bepalen heb ik het tijdstip in de historische data van 7 april 2022 aangepast (00:00 uur tot 21:00 uur). Ik zag dat beide genoemde vaartuigen lagen afgemeerd aan een aanlegsteiger bij [BV] , [adres 2]. Ik zag dat het vaartuig met [nummer 1] op 7 april 2022, om 08:57 uur, vertrok van de aanlegsteiger bij [BV] en afmeerde aan een wachtsteiger in de [plaats 1] . Ik zag dat het vaartuig met [nummer 1] op 7 april 2022, om 17:16 uur, vertrok van de wachtsteiger en op bijna hetzelfde moment (17:21 uur) vertrok ook vaartuig met CIID [nummer 5] van [BV] . Ik zag op dat moment dat beide vaartuigen via de Amerikahaven het Noordzeekanaal opvoer, naar het IJ en vervolgens via de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal het Amsterdam-Rijnkanaal op in de richting van Utrecht. Bij het nalopen van beide tracks zag ik dat het vaartuig met [nummer 1] voorbij een nader te noemen eNose voer, dat door de betreffende eNose een sterke, dan wel een matige verandering van de luchtsamenstelling werd gedetecteerd. Gelet op deze eNose detecties is het voor mij als eNose specialist duidelijk dat dit vaartuig is aan te merken als veroorzaker van de gedetecteerde verandering van de luchtsamenstelling. Vanaf het moment dat het vaartuig met [nummer 1] vertrok uit de [plaats 1] heeft het eNose netwerk in totaal elf maal een ontgassing gedetecteerd. Ik zag dat de eNose patronen in alle negen (het hof begrijpt: elf) gedetecteerde ontgassingen vrijwel overeenkomen wat duidt op één en hetzelfde ontgassende tankschip. 23 mei 2022: overzicht geactiveerde eNoses In figuur 3 is een overzicht weergegeven van de geactiveerde eNoses, tijdstippen en locaties welke gerelateerd zijn aan het vaartuig met [nummer 1] . (…) Bijlage 20 Een geschrift zijnde een ‘Afdruk eNose locaties notitie’. Dit geschift houdt in: Zaak B 2. Een proces-verbaal met nummer 584419-2-ILT-2022-572 van 29 november 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 5 -24], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 25-110].
Volledig
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen : Op 21 april 2022, omstreeks 15:05 uur is door mij, [verbalisant 1] , een door een medewerker van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna te noemen: ODNZKG) verzonden e-mail ontvangen. In deze e-mail werd melding gemaakt van een op 21 april 2022 op het Noordzeekanaal, rondjes varend, mogelijk ontgassend schip. Er was een verandering van luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Als mogelijk veroorzakend schip werd in deze e-mail genoemd het schip voorzien van CIID-nummer [nummer 1] . De in de voornoemde ODNZKG (e-mail) melding genoemde eNoses: - NO-01 staat opgesteld ter hoogte van de Afrikahaven, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-02 staat opgesteld ter hoogte van recreatiegebied Spaarnwoude Oosterbroek, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-03 staat opgesteld ter hoogte van recreatiegebied Spaarnwoude Buitenhuizen, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal; - AD-04 staat opgesteld ter hoogte van het Zijkanaal C, aan de zuidelijke oever van het Noordzeekanaal. Deze eNose detecties staan in dit proces verbaal verwoord omdat tijdens uitgevoerd onderzoek bleek dat er sprake was van een vermoedelijke overtreding van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006 (hierna te noemen: Benzineregeling). Gelet op deze Benzineregeling had er in het geheel niet ontgast mogen worden. Door mij, [verbalisant 1] , werd, met gebruikmaking van de openbare en vrij toegankelijke internetsite “Vesselfinder” (een zogenaamde ‘Open Source’), geverifieerd of het genoemde tankschip met de naam [naam 1] , met MMSI-nummer [nummer 2] en naar mij middels internet bleek scheepsnummer (ENI) [nummer 3] , inderdaad verantwoordelijk kon zijn voor het vrij laten komen van gassen en dampen uit ladingtanks c.q. het ontgassen van de restanten van de geloste lading uit de ladingtanks van dit tankschip in de atmosfeer. Na raadplegen bleek dat de historische trackgegevens van dit tankschip volledig overeenkwam met de trackgegevens van het door de ODNZKG aangemerkte tankschip [naam 1] . Tijdens de op 13 mei 2022 uitgevoerde samenwerkingsactie met Rijkswaterstaat werd door ons het tankschip [naam 1] geïnspecteerd, gericht op het ontgassen van de ladingtanks van dit tankschip. Op 13 mei 2022 bevonden wij ons, met toezicht belast, in de Zuider Voorhaven van de Volkeraksluizen te Willemstad. Wij zagen dat daar toen het motortankschip [naam 1] gemeerd lag. Wij zagen dat op het motortankschip de naam [naam 1] en het ENI [nummer 3] waren aangebracht. Verder zagen wij dat dit schip een vervoermiddel was, als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen eveneens dat genoemd schip een (binnenvaart) motortankschip, als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, betrof. De in dit proces-verbaal genoemde haven en vaarwegen betroffen allen binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij op zijn op 13 mei 2022 omstreeks 19:15 uur aan boord van genoemd motortankschip gegaan. Uit de gevorderde vervoersdocumentatie bleek ons dat de op 21 april 2022 laatst vervoerde en vervolgens bij de [BV] B.V. geloste gevaarlijke stof betrof: “UN 1268, AARDOLIE DESTILLATEN, N.E.G. (benzinecomponent, alkylaat), dampdruk bij 50°C maximum 110 kPa, 3(N2+F+CMR), VG II. MILIEUGEVAARLIJK” Wij zagen aan de hand van de scheepsmeting na laden dat deze lading in de centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10, als reis 7, in deze centerladingtanks van dit tankschip gestuwd was geweest. De in dit proces-verbaal genoemde stoffen zijn gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen op genoemd Certificaat van Goedkeuring en Certificaat van onderzoek, onder andere, de volgende scheepsgegevens staan: Naam: [naam 1] ENI: [nummer 3] Soort vaartuig: motortankschip Wij zagen op de Rijnvaartverklaring dat als exploitant (vervoerende onderneming) van de [naam 1] de volgende onderneming stond vermeld: [bedrijf 1] B.V. [adres 1] Wij zagen op de meetbrief, met nr. [nummer 4] , dat het voorheen te noemen tankschip met de naam [naam 2] per 17-03-2022 gewijzigd was naar de naam [naam 1] . Uit de door het Agentschap Telecom afgegeven document Maritiem mobiel bleek ons dat voor het voornoemde beroepsbinnenvaartuig [naam 1] , bij zenderidentificatie gegevens, als MMSI-nummer stond vermeld: [nummer 2] . Uit het vaartijdenboek (afgegeven op 17 juni 2020, met volgnummer 6) van het voornoemde tankschip bleek ons dat op 21 april 2022, tijdens het vermoedelijke ontgassen, als enige (verantwoordelijke) schipper aan boord van dit tankschip, [persoon 2] stond opgetekend. Wij zagen aan de hand van de Controlelijst ADN laden en VOW-schip (laad-/losovereenkomst) dat: op 17 april 2022, UN 1268 AARDOLIE DESTILLATEN, N.E.G. (benzinecomponent, alkylaat), dampdruk bij 50°C maximum 110 kPa, 3(N2+F+CMR), VG II, MILIEUGEVAARLIJK, - was geladen bij [bedrijf 5] , - in de gegevens met betrekking tot de voorgaande lading, UN 1203, benzine stond genoteerd; - deze voorgaande lading UN 1203, benzine, in centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10 van dit tankschip gestuwd was geweest. Opmerking verbalisanten Gelet op de genoteerde gegevens in de ‘Controlelijst ADN laden’ partij reisnummer 7 (UN 1268) met betrekking tot de voorgaande lading UN 1203 benzine, hebben wij nader een nadere inspectie gedaan naar de naleving van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006. Voor het aanvangen van het lossen van deze lading (reis 7) werd een scheepsmeting afgedrukt. Wij zagen dat als datum voor deze scheepsmeting genoteerd stond 20 april 2022. Op deze meting zagen wij dat deze lading gestuwd was in centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10. Na het lossen van reis 7 werd een zogenaamde ‘Losverklaring (Tankvaart)’ opgemaakt. Op de losverklaring zagen wij dat de hiervoor genoemde lading, Alkylate (UN 1268), op 20 en 21 april 2022 werd gelost uit de centerladingtanks 1 tot en 5 en 7 tot en met 10 van tankschip [naam 1] . Op het door de, ten tijde van het ontgassen, verantwoordelijk schipper [persoon 2] opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in de subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) stond genoteerd dat er gasmetingen waren uitgevoerd en ‘geventileerd’ was van de laatste lading ‘Alkylate’ op ‘21-4-22’ met als locatie het Noordzeekanaal ‘KM 5 tot KM 21’. (…) Uit deze genoteerde resultaten van uitgevoerde en voorgeschreven gasmetingen blijkt dat de genoemde ladingtanks daadwerkelijk waren ontgast. Wij zagen dat onder aan deze meting de naam van de ADN-deskundige schipper ‘ [persoon 2] ’ genoteerd stond. In dit proces-verbaal wordt bedoeld met LEL (dit is de afkorting van ‘Lower-Explosion-Level’) de ‘onderste explosiegrens’. Dat wil zeggen, de laagste concentratie van een gas-luchtmengsel, zijnde de ondergrens van het stof gebonden explosiegebied, waarbij een explosie mogelijk is. Tijdens het nadere onderzoek van de ontgassing van reis 7, UN 1268, hebben wij op o.a. de Controlelijst ADN laden gezien dat er een partij Benzine als voorgaande lading genoteerd stond. De reeds gevorderde ladingdocumentatie toonde ons dat er tijdens reis 6, UN 1203, Benzine door de [naam 1] was vervoerd. Met het oog op deze voorgaande benzine belading hebben wij nader onderzoek gedaan of deze ontgassing van reis 7, UN 1268, uit was gevoerd met inachtneming van de Benzineregeling. Ik, [verbalisant 1] , vorderde daarom aanvullend, ten tijde van mijn aanwezigheid aan boord van de [naam 1] en ten overstaan [persoon 1] , aan ons ter inzage te geven: de IJk-/tanktabellen van het mts. [naam 1] . Aan deze vordering werd voldaan. Hieronder, in Tabel II, staat een algemeen overzicht weergegeven van de laatste twee vervoerde ladingen voorafgaande aan ontgassing van reis 7. Dit overzicht is opgemaakt aan de hand van de gevorderde vervoerdocumentatie van de desbetreffende reizen 6 en 7. Cognossement lading UN 1203 (d.d.
Volledig
14-04-2022) Wij zagen dat op het Cognossement, van de volgens de scheepsmeting in de centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10 van dit tankschip vervoerde en geloste stof, de eerdergenoemde gevaarlijke stof: “UN 1203, Benzine, 3 (N2, CMR, F), VG II. MILIEU GEVAARLIJK” stond vermeld. Wij zagen aan de hand van de scheepsmeting na laden dat deze lading in de centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10 als reis 6 in deze ladingtanks van dit tankschip gestuwd was geweest. Na het lossen van reis 6 werd een zogenaamde ‘Losverklaring (Tankvaart)’ opgemaakt. Op de losverklaring zagen wij dat de hiervoor genoemde lading, UN 1203, op 15 april 2022 werd gelost uit de centerladingtanks 1 tot en 5 en 7 tot en met 10 van tankschip [naam 1] . Op de scheepsmeting na laden reis 6 staat de scheepsnaam ‘[naam 2]’ genoteerd. Dit is de oude scheepsnaam welke volgens de meetbrief per 17 maart 2022 is veranderd naar de scheepsnaam ‘ [naam 1] ’. Door mij, [verbalisant 1] , werden de tanktabellen/ijktabellen van de ladingtanks van de [naam 1] ter inzage gevorderd. Deze tanktabellen/ijktabellen had ik gevorderd om vast te stellen of de ladingtanks voorafgaand aan het ontgassen, voor meer dan 95% gevuld waren geweest met een andere stof dan benzine. Dit in verband met artikel 2 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006. Wij hebben hieronder, in Tabel III, een overzicht gegeven van de door ons geconstateerde procentuele vullingsgraden van reis 7 (UN 1268) in relatie tot de lading reis 6 (UN 1203). Voor het invullen van deze tabel hebben wij de scheepsmeting na laden van reis 7 vergeleken met de tanktabellen van het schip. Uit dit overzicht blijkt dat de centerladingtanks 1 tot en (het hof leest en voegt toe: met) 5 en 7 tot en met 10 van de [naam 1] voor minder dan 95% (dus onvoldoende gelet op artikel 2 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006) met een ander product dan benzine gevuld waren geweest, aansluitend op het gelost zijn van benzine uit deze 9 centerladingtanks. In deze centerladingtanks van de [naam 1] was, na lossen UN 1203, Benzine, slechts één partij UN 1268 geladen geweest. Aan de hand van de losverklaring reis 6, scheepsmeting na laden reis 7 en de hierbij geconstateerde vullingsgraden aan de hand van de tanktabellen, constateerden wij: - dat de restladingdamp van de voorgaande benzinelading niet verwerkt was door een ontgassingsdampverwerkingsinstallatie; - dat de 9 met Benzine (UN 1203) geladen en vervolgens geloste ladingtanks aan boord van het motortankschip, onvoldoende gevuld waren geweest met een ander product dan benzine. Gelet op het tijdens het beladen van reis 7 (UN 1268) niet voldoende gevuld zijn van de centerladingtanks 1 tot en met 5 en 7 tot en met 10 (9 centerladingtanks in totaal), nadat deze centerladingtanks hiervoor met Benzine (UN 1203) gevuld waren geweest, werd door mij, [verbalisant 1] , gelet op het gestelde in de ‘Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006’, dit nadere onderzoek ingesteld. Gelet op artikel 2 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006 werd, zowel aan het gestelde onder a. als onder b., niet voldaan immers: - a. Er werden geen 3 vervolgladingen geladen na lossen benzine en bij de eerste vervolglading was geen sprake van vullen van alle ladingtanks na lossen benzine voor meer dan 95% met een ander product dan benzine; - b. Er heeft geen verwerking plaatsgevonden van de restladingdampen in een ontgassingsdampverwerkingsinstallatie. Gelet op artikel 4 van de Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006 werd, zowel aan het gestelde onder le als 2e lid, niet voldaan. De ladingtanks werden namelijk wél actief en zonder noodzaak ontgast in de open lucht en er was door de bevoegde autoriteit geen ontheffing gegeven deze ladingtanks, die na 1 januari 2000 in gebruik zijn genomen (gelet op artikel 5 van deze Regeling. Zie voor het bouwjaar tankschip het Certificaat van onderzoek; bijlage 3), op deze wijze in de atmosfeer te ontgassen. Om die reden betrof het hier het ontgassen van lege of geloste ladingtanks en laad- en losleidingen in de atmosfeer terwijl dit op grond van een andere wettelijke vereiste verboden was (zie subsectie 7.2.3.7.0 ADN). Bijlage 17 Een geschrift zijnde een Gasmeetformulier van [naam 1] van 21 april 2022 [doorgenummerde pagina’s 75-76]. Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: (…) (…) Ontgassing Traject Amsterdam Antwerpen Datum: 21-4-22 Product: Alkylate Noorzeekanaal: KM5 tot KM 21 Tijden: Start 12.30 Stop: 16.00 Bijlage 23 Een proces-verbaal met [persoon 7] registratienummer 584419 van 8 juli 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 83-85]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als V vraag van de verbalisant, O opmerking van de verbalisant en A de op 8 juli 2022 door de verdachte [persoon 2] afgelegde verklaring: V: Wie was (…) aan boord van de [naam 1] met scheepsnummer (ENI) [nummer 3] (…) tijdens het ontgassen op 21 april 2022, de verantwoordelijke schipper? A: Dat was (…) ik. V: Wie is de exploitant/vervoerende onderneming zoals bedoeld in het ADN? A: [bedrijf 1] B V. uit [plaats 2] . Contactpersoon daar is [vertegenwoordiger] . V: Welk product was er toen op 21 april 2022 als laatst vervoerd en in welke ladingtanks was dit gestuwd? A: Dat was een partij UN 1268, Aardoliedestillaten N.E.G. (benzinecomponent, alkyaat) pD 50 graden celsius, maximum 110 kPa, 3+ (N2+F+CMR), VG II. Het was gestuwd in alle 10 centerladingtanks, behalve centerladingtank 6. Die was leeg van een eerder vervoerde partij Ethanol, UN 1170. Het betrof hier (UN 1268) reis 7 van 2022. V: Wat betrof de daarvoor (aan reis 7) vervoerde lading en in welke ladingtanks was die partij gestuwd? A: Dat betrof UN 1203, Benzine. Dat product zat in alle 10 centerladingtanks, behalve tank 6. V: Waar is de laatste lading (reis 7) gelost en hoe laat daar vertrokken na lossen? A: Dat was bij de [BV] op 21 april 2022. We zijn daar volgens de Timesheet vertrokken op de 21 april 2022 omstreeks 12:15 uur. V: Waar heeft het ontgassen plaatsgevonden en in welk tijdsbestek? A: Er is ontgast op het Noordzeekanaal in Amsterdam. Dat was op 21 april 2022 tussen 12:30 uur en 16:00 uur. O: Ik toonde verdachte het opgemaakte gasmeetformulier inzake de ontgassing ladingtanks [naam 1] op 21 april 2022. V: Is dit door mij aan u getoonde formulier gasmetingen opgemaakt in verband met het ontgassen ladingtanks op 21 april 2022 ? A: Ja, dat is door mij opgemaakt. De resultaten van de gasmetingen zijn dus die metingen die gedaan zijn door [persoon 6] . V: Bent u op de hoogte van de voorschriften zoals gesteld in de ‘Regeling benzinevervoer in mobiele tanks 2006’? A: Ik weet dat als je leeg bent van UN 1203, benzine je niet mag ontgassen. Dat is mij toen verteld door een medewerker van ANACO. Zeker weten doe ik dat niet meer. Mij was toen ook gezegd dat, als er een vervolglading van een ander product over geladen is er wel ontgast mag worden. Mij is niet gezegd dat alle ladingtanks bij een vervolglading voor meer dan 95% geladen moesten zijn. Bijlage 24 Een geschrift zijnde een eNose rapportage varend ontgassen binnenschip van [persoon 5] , Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 22 november 2022 aan [verbalisant 1] (ILT). Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: 21 april 2022: melding varend ontgassende vaartuig Op donderdag 21 april 2022, om 12:45 uur, kreeg ik één automatisch gegenereerd en mij middels e-mail toegezonden melding van de Degassing Vessel Detective tool van Comon Invent. Ik heb de informatie uit de e-mail van Comon Invent hierbij weergegeven. Verzonden: 21 april 2022 12:45 Peak detected by NO-01, AD-04 at 2022-04-21 12:33:22. Possible suspect is [nummer 1] . In het e-mailbericht zag ik staan als “Possible suspect” het CIID nummer “ [nummer 1] ”. Dit betekent dat de Degassing Vessel Detective tool een vaartuig heeft herkend. 18 november 2022: onderzoek eNose netwerk Naar aanleiding van het verzoek van ILT heb ik, in verband met voornoemde melding, op 18 november 2022 een nader onderzoek uitgevoerd.
Volledig
Hiervoor heb ik de historische data van 21 april 2022 van 12:00 uur tot 19:00 uur opgevraagd met behulp van de software van Comon Invent. Bij een melding van de Degassing Vessel Detective tool wordt het vaartuig door de software van Comon Invent automatisch geel gemarkeerd en de vaarbeweging van het vaartuig middels een track zichtbaar gemaakt (paarse lijn). Deze markering wordt alleen zichtbaar als het Possible suspect bekend is. Door met de cursor op het vaartuig te klikken verschijnt er een pop-up scherm met de gegevens over het vaartuig. Hierbij worden o.a. de datum, tijdstip, snelheid en gepseudonimiseerd CIID nummer van het vaartuig weergegeven. Ik zag dat vaartuig met [nummer 1] lag afgemeerd aan een steiger bij [BV] , [adres 2]. Ik zag dat het vaartuig op 21 april 2022, om 12:11 uur, vertrok van de steiger van [BV] . Nadat het vaartuig was vertrokken zag ik dat het vaartuig via de Amerikahaven naar het Noordzeekanaal voer in de richting van de Wijkertunnel (A9). Vervolgens zag ik dat het vaartuig draaide en weer terug voer naar Amsterdam. Ik zag dat het vaartuig ter hoogte van de Amerikahaven draaide en weer terug voer naar de Wijkertunnel. Ik zag dat het vaartuig tussen 12:15 uur en 16:30 uur in totaal 6 keer heen en weer heeft gevaren. Om 16:30 uur zag ik dat het vaartuig met [nummer 1] richting het IJ voer en vervolgens via de mond van het Amsterdam-Rijnkanaal het Amsterdam-Rijnkanaal op draaide richting Utrecht. Bij het nalopen van de track zag ik dat het vaartuig met [nummer 1] voorbij de nader te noemen eNoses voer, en dat door de betreffende eNose een sterke, dan wel een matige verandering van de luchtsamenstelling werd gedetecteerd. Ik zag dat er tijdens deze track geen andere vaartuigen in de buurt van het vaartuig met [nummer 1] voer. Gelet op deze eNose detecties is het voor mij als eNose specialist duidelijk dat het vaartuig met [nummer 1] is aan te merken als veroorzaker van de gedetecteerde verandering van de luchtsamenstelling. Vanaf het moment dat het vaartuig met [nummer 1] vertrok uit de Amerikahaven heeft het eNose netwerk in totaal zeventien (17) maal een ontgassing gedetecteerd. Ik zag dat de eNose patronen in alle zeventien gedetecteerde ontgassingen vrijwel overeenkomen wat duidt op één en hetzelfde ontgassende tankschip. 18 november 2022: overzicht geactiveerde eNoses In figuur 3 is een overzicht weergegeven van de geactiveerde eNoses, tijdstippen en locaties welke gerelateerd zijn aan het vaartuig met [nummer 1] . De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2018-2020 (definitief). Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming). Convenant eNose-netwerk Noorzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2021-2026 (21 december 2021). Convenant eNose-netwerk Noorzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2018-2020 (definitief), pag. 3. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. Richtlijn EU 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van het Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.