Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:3796
Strafrecht
Hoger beroep
3,923 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3796 text/xml public 2026-03-20T10:20:18 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-20 23-000207-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3796 text/html public 2026-03-20T10:17:26 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3796 Gerechtshof Amsterdam , 20-11-2025 / 23-000207-25 Diefstal van een geldbedrag en het onbruikbaar maken van een goed (de gootsteen) door een loodgieter. Vernietiging vonnis waarvan beroep, omdat het hof -anders dan de politierechter- tot een bewezenverklaring komt van beide tenlastegelegde feiten. Bewijsoverweging m.b.t. tot de diefstal van een geldbedrag. Interpretatie DNA-mengprofiel. Afwijzing van de vordering benadeelde partij met een uitgebreide overweging. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000207-25 datum uitspraak: 20 november 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-192639-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, een contant geld bedrag (totaal ongeveer 18.000 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op of omstreeks 2 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een gootsteen en/of afvoer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Zoals in eerste aanleg met instemming van de verdediging is bepaald wordt de in feit 2 genoemde datum verbeterd gelezen als: 2 juni 2023. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de politierechter de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit en het hof tot een bewezenverklaring komt van beide tenlastegelegde feiten. Overweging met betrekking tot het bewijs De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor beide aan hem tenlastegelegde feiten. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, de diefstal van een geldbedrag van € 18.000,00. De verdachte ontkent een geldkistje te hebben aangeraakt en weet niet hoe zijn DNA op het geldkistje terecht is gekomen. Mogelijk heeft hij het geldkistje onbewust verschoven of zijn zijn werkhandschoenen op het geldkistje terechtgekomen. Niet is gebleken dat het DNA van de verdachte ook aan de binnenkant van het geldkistje is aangetroffen. Verder kan ook niet worden vastgesteld hoeveel geld er in het geldkistje zat. Wat betreft de vernieling van de gootsteen (feit 2) refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof, nu de verdachte dat feit heeft bekend. Het hof komt tot een bewezenverklaring van de diefstal van een geldbedrag zoals dat onder feit 1 is tenlastegelegd. Het hof stelt in dit verband vast dat de verdachte in de woning van de aangeefster was om een afvoer te repareren. Na de reparatie heeft aangeefster haar geldkistje gepakt om de verdachte te kunnen betalen en is er discussie ontstaan over de hoogte van het te betalen bedrag. Vervolgens hebben zowel aangeefster als de verdachte de woning verlaten, waarbij aangeefster de sleutel in het geldkistje heeft laten zitten. Toen aangeefster de politie erbij wilde betrekken is de verdachte alleen terug de woning ingegaan en kort na zijn vertrek ontdekte aangeefster dat er een geldbedrag uit haar geldkistje was weggenomen. Op de randen en de deksel van dat geldkistje is DNA-materiaal aangetroffen. Uit de hiervan genomen bemonstering (SIN [nummer] ) is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-mengprofiel. Het DNA-profiel is extreem veel waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Het gerechtshof concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van een deel van het celmateriaal op het geldkistje. Bovengenoemde feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – zijn redengevend voor het bewijs dat de verdachte de diefstal van een contant geldbedrag heeft gepleegd. De verdachte heeft voor bovengenoemde hem belastende omstandigheden geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Het hof kan evenwel niet vaststellen dat er een bedrag van € 18.000,00 is weggenomen, nu door aangeefster verschillende bedragen zijn genoemd en er briefgeld is achtergebleven in het geldkistje (onbekend hoeveel). De door de vader van het slachtoffer gegeven schriftelijke verklaring omtrent een door hem verstrekt geldbedrag maakt dit niet anders, nu dit niets zegt over wat daarvan nog resteerde. Het hof acht daarom de tenlastegelegde diefstal bewezen zoals hierna aangegeven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 2 juni 2023 te Amsterdam een contant geld bedrag, dat aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 2. hij op 2 juni 2023 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een gootsteen die aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: diefstal. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de politierechter opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Volledig
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en het onbruikbaar maken van een goed. De verdachte kwam als loodgieter in de woning van het slachtoffer een gootsteen ontstoppen. Toen de verdachte € 1.785,00 in rekening bracht voor zijn werkzaamheden, kreeg het slachtoffer argwaan en heeft zij haar buurvrouw en de politie ingeschakeld. De verdachte is opnieuw de woning ingegaan toen het slachtoffer buiten stond te wachten op de politie en heeft toen kattenbrokken in de gootsteen gegooid, waardoor deze verstopt raakte, en een contant geldbedrag uit een geldkistje gestolen. Hiermee heeft hij het vertrouwen van het slachtoffer geschaad. Door het onbruikbaar maken van de gootsteen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer en haar opgezadeld met extra kosten. Het hof heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies met betrekking tot de verdachte van 5 november 2024. Hieruit volgt dat de verdachte impulsief handelt, zonder na te denken over de gevolgen voor hem of voor de ander. Hij kan boos of agressief reageren op kritiek. Het ontbreekt de verdachte aan vaardigheden om op een andere manier met moeilijke situaties om te gaan. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van meldplicht bij de reclassering en een Cognitieve Vaardigheidstraining. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur met bijzondere voorwaarden passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 18.377,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat indien het hof tot een bewezenverklaring komt voor het onder 1 tenlastegelegde, de vordering moet worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld welk bedrag uit het geldkistje is weggenomen. Weggenomen geld Hoewel het hof de diefstal van een contant geldbedrag bewezen acht, kan het hof op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen hoeveel geld er in het geldkistje zat en hoeveel daarvan is weggenomen. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering, voor zover dat ziet op de € 18.000,- die uit het kistje is weggenomen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade en therapeutkosten De benadeelde partij heeft aan het tot compensatie van de therapeutkosten en de immateriële schade strekkende deel van de vordering – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten gevoelens van angst heeft ervaren, moeite heeft om mensen te vertrouwen, kampt met concentratieproblemen en paniekaanvallen krijgt wanneer bij haar woning wordt aangebeld. Het psychisch lijden onderbouwt zij met een betalingsbewijs van twee gesprekken bij een psycholoog. Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het eerste lid van dat artikel volgt dat schadevergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Nu hier geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in eer en goede naam, is de vraag of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Meer specifiek geldt verder dat niet is uitgesloten dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer voor de benadeelde dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld – hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn – ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in even bedoelde zin. Zo heeft zij onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor vergoeding van immateriële schade en de daarmee samenhangende therapeutkosten. Het hierop betrekking hebbende deel van de vordering moet dan ook worden afgewezen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis .