Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:3790
Strafrecht
Hoger beroep
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2025:3790 text/xml public 2026-03-06T17:02:04 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-20 23-002409-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2023:9967, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3790 text/html public 2026-03-06T17:00:56 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3790 Gerechtshof Amsterdam , 20-11-2025 / 23-002409-23 Ontneming hennepteelt. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002409-23 (ontneming) Datum uitspraak: 20 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 15-098562-21 tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, adres: [adres] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, wordt vastgesteld op € 264.273,00 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 29 augustus 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 248.076,21 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 235.672,40. Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 248.076,21. Daartoe heeft hij aangevoerd dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit twaalf hennepoogsten in de periode van 1 juli 2016 tot 10 september 2020. Hierbij heeft de advocaat-generaal het door de betrokkene aan energieleverancier/netwerkbeheerder [bedrijf] N.V. betaalde bedrag van € 16.196,79 afgetrokken van het door de betrokkene verkregen voordeel. Standpunt van de verdediging De raadsman van de betrokkene heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en subsidiair dat dit voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 10.511,56. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Er bestaan voldoende aanwijzingen voor niet meer dan drie oogsten in de periode van oktober 2019 tot 10 september 2020. Daarvan heeft één oogst voordeel opgeleverd. Het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag van € 16.196,79 moet geheel dan wel gedeeltelijk worden afgetrokken van dat voordeel. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 164.478,41 op basis van tien oogsten in de periode van 22 maart 2018 en 10 september 2020. Deze periode komt overeen met de in de strafzaak door de rechtbank bewezenverklaarde periode van diefstal van elektriciteit. Oordeel van het hof Grondslag De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2023 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het telen van 202 hennepplanten op 10 september 2020. Daarnaast is hij veroordeeld voor diefstal van elektriciteit in de periode van 22 maart 2018 tot 10 september 2020. Op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen. Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk het telen van hennepplanten in de periode van twee jaar vóór 10 september 2020. Dat blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden: de mate van vervuiling van de in de woning van de betrokkene aangetroffen hennepkwekerij, waaronder resten van hennepplanten op de vloer en apparatuur, stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, de afvoerbuizen van de ventilatie, de ventilatoren en de deurpost, aanslag van groei- en bloeimiddelen op de folie onder de kweekpotten, de maatbeker, de waterslangen, de dompelpomp en de onderzijde van kweekpotten, kalkaanslag op leidingen en koppelstukken en hennephars op elektra en scharen; de verkleuring van houten latten en isolatieschuim in de kwekerij; de op 10 september 2020 afgelegde verklaringen van twee buurtbewoners, waaruit volgt dat de gordijnen en het raam van de kamer in de woning van de betrokkene waarin de hennepkwekerij zich bevond al ten minste twee jaar gesloten waren. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de stelling in de Meld Misdaad Anoniem melding van 21 augustus 2020 dat de kwekerij op dat moment al meer dan vier jaar bestond, onvoldoende steun vindt in de andere in het dossier genoemde indicatoren van eerdere oogsten. Weliswaar heeft een aantal van de in de kwekerij gebruikte (bouw)materialen een productiedatum uit 2015, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de kwekerij toen is opgebouwd. Anders dan de verdediging, acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte (pas) in oktober 2019 is begonnen met het telen van hennep, gelet in het bijzonder op de hiervoor beschreven vervuiling van de kwekerij en de verklaringen van buurtbewoners. Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof is verder van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat in de periode van twee jaar vóór 10 september 2020 acht kweken hebben plaatsgevonden, waarvan de laatste kweek niet tot een oogst heeft geleid doordat de politie de hennepkwekerij heeft ontdekt. Hierbij gaat het hof uit van tien weken per oogst en van vier oogsten per jaar. Dat brengt mee dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit zeven oogsten. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel per oogst sluit het hof aan bij de berekening in het ontnemingsrapport . De opbrengst kan worden geschat op € 23.776,29 per oogst. De berekening is als volgt: 202 hennepplanten x 24,1 gram hennep per plant x 1,2 (20% meeropbrengst) x € 4,07 per gram hennep (op basis van 23 planten per vierkante meter en toevoeging van CO2). De opbrengst van zeven oogsten bedraagt dan € 166.434,03 (€ 23.776,29 x 7). De kosten kunnen worden geschat op € 1.753,38 per oogst. De berekening is als volgt: € 200,00 afschrijvingskosten + € 769,62 hennepstekken + € 783,76 variabele kosten. De kosten van zeven oogsten bedragen dan € 12.273,66 (€ 1.753,38 x 7). Daarnaast zal het hof een deel van het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag van € 16.196,79 aftrekken van de opbrengst, namelijk een bedrag van € 8.552,37. De berekening is als volgt: 191.036 kWh : 12 oogsten x € 0,04999 per kWh = € 795,82 per oogst; 2. € 795,82 € 795,82 x 7 oogsten = € 5.570,74; 2. € 795,82 € 5.570,74 + € 2.981,63 capaciteitstarief E = € 8.552,37. Het restant van het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag, waaronder het bedrag van € 2.949,01 aan herstelkosten, komt naar het oordeel van het hof niet in aanmerking voor aftrek. Dat bedrag bestaat immers niet uit kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten die ten grondslag liggen aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.