Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-20
ECLI:NL:GHAMS:2025:3787
Strafrecht
Hoger beroep
1,660 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2025:3787 text/xml public 2026-03-06T16:51:34 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-20 23-001937-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3787 text/html public 2026-03-06T16:50:17 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3787 Gerechtshof Amsterdam , 20-11-2025 / 23-001937-24 Afwijzing ontnemingsvordering hennepteelt. Onvoldoende aanwijzingen dat sprake is geweest van eerdere hennepoogsten. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001937-24 (ontneming) Datum uitspraak: 20 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 13-189508-23 tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , adres: [adres] . Procesgang Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 70.184,06 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering bijgesteld tot € 70.183,53. De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 27 augustus 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 70.183,53 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Veroordeling De betrokkene is bij arrest van dit hof van 20 november 2025 veroordeeld voor onder meer het op 14 januari 2022 telen van 304 hennepplanten. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2025 en 6 november 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof, anders dan de politierechter, de ontnemingsvordering zal afwijzen. Beoordeling van de ontnemingsvordering Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 70.183,53, gelet op de bevindingen uit het ontnemingsrapport. Volgens de advocaat-generaal bestaan voldoende aanwijzingen dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit twee hennepoogsten in de periode vanaf de stroomonderbreking op 14 juni 2021 tot de ontdekking van de hennepkwekerij op 14 januari 2022. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de betrokkene in de strafzaak dient te worden vrijgesproken. In het geval dat de betrokkene in de strafzaak zal worden veroordeeld, heeft de raadsman verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen nu niet vast staat dat sprake is geweest van twee eerdere oogsten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in de aangifte van Liander is opgenomen dat vermoedelijk niet eerder is geoogst, omdat daartoe geen indicatoren zijn aangetroffen. Bij gebreke van objectieve en verifieerbare gegevens omtrent eerdere oogsten, moet van deze bevindingen van Liander worden uitgegaan. Oordeel van het hof De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e, tweede lid, Sr). Het hof is van oordeel dat onvoldoende aanwijzingen bestaan dat sprake is geweest van eerdere hennepoogsten en overweegt in dit verband als volgt. In de aangifte van Liander van 10 februari 2022 is vermeld dat de ter plaatse aanwezige politieambtenaar en fraudespecialist aan de hand van indicatoren hebben vastgesteld dat sprake was van alleen de huidige teelt. Op het bijgevoegde formulier ‘Aangetroffen feiten en omstandigheden die wijzen op meerdere teelten’ staat dat tot de slotsom is gekomen dat vermoedelijk niet eerder is geoogst. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2022 en het na de (regie)zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2025 volgt dat na het aantreffen van de hennepkwekerij is vastgesteld dat op 14 juni 2021 een stroomonderbreking heeft plaatsgevonden en dat vervolgens op basis daarvan en op basis van foto’s van de kwekerij toch is aangenomen dat sprake is geweest van (twee) eerdere oogsten. Naar het oordeel van het hof vormen die latere bevindingen, in het licht van de eerdere bevindingen ter plaatse, onvoldoende aanwijzingen voor eerdere oogsten. Weliswaar vormt de stroomonderbreking op 14 juni 2021 een aanwijzing dat op die datum een illegale aansluiting voor de hennepkwekerij is gemaakt, maar daarmee is nog niet gezegd dat toen ook daadwerkelijk is begonnen met de kweek van hennep, terwijl die aanwijzing verder niet wordt ondersteund door de bevindingen van de bij het aantreffen van de hennepkwekerij aanwezige politieambtenaar en fraudespecialist. De andere op pagina 4 van de ontnemingsrapportage genoemde aanwijzingen (kalkafzetting, stof op koolstoffilters en een knipschaar met hennepresten) zijn onverenigbaar met de eerdere bevindingen van die politieambtenaar en de fraudespecialist. Gelet op het voorgaande zal het hof de ontnemingsvordering afwijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. H.A. Stalenhoef en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2025. Mrs. Gielen en Stalenhoef zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.