Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-05
ECLI:NL:GHAMS:2025:3780
Strafrecht
Hoger beroep
1,872 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3780 text/xml public 2026-03-06T14:57:14 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-05 23-003192-22 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3780 text/html public 2026-03-06T14:54:02 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3780 Gerechtshof Amsterdam , 05-11-2025 / 23-003192-22 Vonnis wordt vernietigd omdat het hof uit efficiëntieoverwegingen komt tot een nieuwe beslissing. Het hof stelt vast dat het verweer van de raadsman niet voldoet aan de in de jurisprudentie geformuleerde vereisten, nu de in artikel 359a Sv genoemde factoren door hem onvoldoende zijn besproken. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van acht wikkels met daarin 6,39 gram cocaine. Rekening gehouden met overschrijding redelijke termijn van 11 maanden. Geldboete van 600 euro. afdeling strafrecht parketnummer: 23-003192-22 datum uitspraak: 5 november 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-347320-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 30 december 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,39 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof uit efficiëntieoverwegingen komt tot een nieuwe beslissing. Bespreking van verweer De raadsman heeft betoogd dat de staandehouding en de daaropvolgende “uitlevering” van de drugs onrechtmatig waren. Om die reden moeten de aangetroffen verdovende middelen worden uitgesloten van het bewijs, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Het hof stelt vast dat het verweer van de raadsman niet voldoet aan de in de jurisprudentie geformuleerde vereisten, nu de in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren door hem onvoldoende zijn besproken. Het verweer behoeft daarom verder geen bespreking. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 30 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,39 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van 250 euro. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van acht wikkels met daarin 6,39 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof en het bezit daarvan is bezwarend voor de samenleving, omdat dit ook allerlei vormen van criminaliteit met zich brengt. Het hof heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, waarin ten aanzien van het aanwezig hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheden harddrugs een geldboete van € 750 is vermeld. Het hof neemt dit bedrag tot uitgangspunt. Het hof heeft rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft ten slotte rekening gehouden met de omstandigheid dat in de fase van het hoger beroep de redelijke termijn van vervolging en berechting als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Namens de verdachte is op 2 december 2022 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 5 november 2025. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is er sprake van een overschrijding van deze in hoger beroep van 11 maanden. In deze omstandigheid ziet het hof reden om de op te leggen straf te matigen, in die zin dat het hof in plaats van de voorgenomen op te leggen geldboete van € 750, een geldboete van € 600 zal opleggen. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 600 passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 16 juni 2022 onder CJIB-nummer [CJIB-nummer] . Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.C. Huisman, mr. A.R.O. Mooy en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2025. mrs. A.R.O. Mooy en A.C. Huisman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
=== […]